Zaaknr: 18/00765 mr. M.L.C.C. Lückers Zitting: 27 maart 2018 Conclusie inzake: [betrokkene] Advocaat: mr. G.E.M. Later tegen Officier van Justitie In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verleend. Geklaagd wordt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om een second opinion heeft verworpen, dat zij een niet toelaatbare paraplumachtiging heeft verleend en dat zij de machtiging voor een kortere duur had moeten verstrekken. 1Feiten en procesverloop 1.1 Bij verzoekschrift van 7 november 2017 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht een machtiging te verlenen om het verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten (art. 15 Wet Bopz). Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 6 november 2017 opgemaakt en ondertekend door de geneesheer-directeur. 1.2 Op 20 november 2017 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, de advocaat van betrokkene, de behandelend psychiater [de psychiater 1] en een verpleegkundige, [de verpleegkundige]. Ter zitting heeft de advocaat primair verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen; subsidiair heeft zij verzocht om een second opinion; meer subsidiair heeft zij verzocht om de machtiging voor een kortere periode te verlenen. 1.3 Bij beschikking van 22 november 2017 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 8 november 2018. De rechtbank heeft het verzoek om een second opinion uitdrukkelijk afgewezen. 1.4 Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Onderdeel I is gericht tegen het afwijzen van het verzoek om een second opinion. Onderdeel II klaagt dat de rechtbank een niet meer toelaatbare paraplumachtiging heeft verleend en onderdeel III komt op tegen de termijn waarvoor de machtiging is verleend. 2.2 Onderdeel I klaagt dat de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van betrokkene een second opinion te gelasten rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. De rechtbank heeft in dit kader overwogen als volgt: “Subsidiair verzoekt de advocaat om een second opinion van een psychiater ten aanzien van de diagnostiek en het behandelbeleid. (…) De psychiater geeft aan een second opinion niet nodig te vinden omdat er reeds voldoende psychiaters en onafhankelijk psychiaters bij de behandeling betrokken zijn geweest. (…) De rechtbank ziet geen aanleiding om thans een deskundigenonderzoek te bevelen. Uit de stukken en de toelichting van de psychiater blijkt dat er reeds meerdere (ook onafhankelijke) psychiaters betrokken zijn (geweest) bij haar behandeling. Over de gestelde diagnose, die ook door meerdere psychiaters is bevestigd, bestaat bij de rechtbank bovendien geen twijfel.” Het onderdeel klaagt naar de kern genomen dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, noch uit de bestreden beschikking blijkt op welke psychiaters de rechtbank met dit oordeel doelt en ook niet in welke periode een en ander speelt. Daarnaast is het oordeel onbegrijpelijk, omdat een bij de behandeling betrokken psychiater geen onafhankelijk psychiater is. Voorts maakt het oordeel van de rechtbank niet duidelijk waarom de rechtbank het advies van een onafhankelijke psychiater om een second opinion te laten uitvoeren, naar welk advies de advocaat van betrokkene in de pleitaantekeningen voor de mondelinge behandeling expliciet heeft verwezen, passeert. Een en ander klemt te meer nu de onafhankelijk psychiater verwacht dat een second opinion enige beweging kan brengen in de behandelimpasse waarbij betrokkene zowel medicatie als alle vormen van begeleiding weigert. Het geheel voorbij gaan aan hetgeen de onafhankelijk psychiater over een second opinion schrijft, terwijl hiernaar door de advocaat van betrokkene ook uitdrukkelijk is verwezen, betekent dat niet voldaan is aan de motiveringseisen die blijkens de beschikking van de Hoge Raad van 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978 moeten worden gesteld aan een afwijzing van een verzoek om een contra-expertise. 2.3 Op grond van art. 8 lid 6 Wet Bopz kan de betrokkene de rechter verzoeken gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een nader onderzoek door een of meer deskundigen te gelasten (bij wijze van contra-expertise naast de door de officier van justitie overgelegde geneeskundige verklaring). Gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing kan een verzoek van de patiënt aan de rechtbank om door een deskundige nader onderzoek te doen verrichten, slechts gemotiveerd worden afgewezen.De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nader onderzoek zich zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten. 2.4 Het “advies” van een onafhankelijk psychiater waar het onderdeel op doelt betreft een passage op p. 6 van de geneeskundige verklaring. Daar is op de vraag “welke mededelingen en wenken acht u nog van belang?” o.a. geantwoord: “Het enige waar betrokkene in gesprek voor open staat is voor een second opinion m.b.t. de diagnostiek en behandelbeleid die haar inziens tot nu toe niet goed verlopen is. Mogelijk dat het proces van een second opinion enige beweging kan brengen in de huidige behandelimpasse waarbij betrokkene zowel medicatie als alle vormen van begeleiding weigert.” In het op 8 augustus 2017 opgestelde behandelplan is op p. 4 en 5 bij de aanvullende afspraken een “aanzegbrief dwangbehandeling bij extern gevaar” opgenomen. In die brief wordt vermeld: “Als uw behandelaren ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) hebben wij besloten uw psychiatrische aandoening te behandelen, ondanks het feit dat u hier niet mee instemt. (…) Wij vinden dat er sprake is van paranoïde ideeën waarmee u uw omgeving ernstig belast en nog verder kan belasten. (…) Ten tijde van opname is gebleken dat de paranoïde ideeën, het chaotisch gedrag en de manisch ontregeling blijft bestaan. En dat u dat, mits u hierin beperkt wordt, ook naar buiten uitdraagt. (…) In de richtlijn Bipolaire stoornissen en Psychotisch stoornissen, wordt aangegeven dat farmacotherapie een essentieel onderdeel is van de behandeling van een bipolaire stoornis. Een goede behandeling zonder medicatie is voor u dan ook niet mogelijk. (…) Deze behandeling zullen wij willen uitvoeren is in het kader van artikel 38c eerste lid a van de wet BOPZ. Tot op heden is het niet gelukt met u tot overeenstemming te komen over een behandeling die tot (voldoende) verbetering van uw situatie leidt. De dwangbehandeling wordt gegeven omdat het gevaar, dat aanleiding was voor uw gedwongen opneming, zonder deze behandeling niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Dit besluit is genomen nadat er een second opinion is gegeven door [psychiater 2], psychiater, die met u hierover op maandag 12 juni 2017 heeft gesproken en met wie u uw visie op de situatie heeft kunnen bespreken. [psychiater 2] geeft schriftelijk aan: “Er duidelijk sprake van een manisch psychotisch toestandsbeeld, vanuit dit toestandsbeeld is er sprake van extern gevaar in de vorm van maatschappelijke teloorgang en agressief (…) gedrag van haar naar derden, danwel van derden naar haar. (Betrokkene) heeft oplopende spanningen en grensoverschrijdend gedrag. Er is gestart met een prikkelarme omgeving (kamerprogramma) en al lange tijd aanbieden van de voorgeschreven medicatie, echter weigert dit in te nemen. (Betrokkene) heeft geen ziektebesef, en –inzicht, dit maakt dat betrokkene wilsonbekwaam is ten aanzien van de te nemen beslissing opgenomen te zijn en medicatie in te nemen (Betrokkene) is op dit moment gedwongen opgenomen in Kliniek Groningen. Mijn inziens is de inzet van dwangmedicatie doelmatig en noodzakelijk aangezien er niet op een andere wijze het toestandsbeeld (en het daaruit voortvloeiende gevaar) behandeld kan worden. Prikkelarme omgeving is niet genoeg voor de behandeling van (betrokkene). (subsidiair). Eerdere medicamenteuze behandeling (depakine met cisordinol) zorgde voor een goed herstel. De inzet van medicatie is mijns inziens ook proportioneel, mede om de duur van de opname en het lijden van betrokkene te verkorten.” 2.5 Het verzoek om een second opinion zag blijkens de beschikking van de rechtbank op de diagnostiek en het behandelbeleid. De machtigingsprocedure in de Wet BOPZ heeft slechts betrekking op de beslissing tot (voortzetting van een) gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis. De psychiatrische behandeling in het ziekenhuis en eventuele bezwaren van de patiënt daartegen kunnen, zo nodig, aan de orde worden gesteld bij de vaststelling van het behandelplan (zie art. 38a lid 3 Wet Bopz) of in het kader van een klacht op de voet van art. 41 Wet Bopz. Voor zover het verzoek om een second opinion betrekking had op de wijze van behandeling, behoefde de rechtbank dit verzoek binnen het kader van de machtigingsprocedure niet in behandeling te nemen. Dit maakt dat zij ook niet behoefde in te gaan op de opmerking van de geneesheer-directeur in de geneeskundige verklaring dat het proces van een second opinion mogelijk enige beweging kan brengen in de huidige behandelimpasse. Ik merk overigens op dat ik de betreffende passage in de geneeskundige verklaring niet lees als een advies of een aanbeveling tot het doen van een second opinion. De mogelijkheid is slechts genoemd, omdat dat het enige was waarvoor betrokkene blijkens de geneeskundige verklaring in een gesprek met de geneesheer-directeur open stond. 2.6 Uit de stukken van het geding blijkt dat naast de behandelend psychiater [de psychiater 1] en de niet bij de behandeling betrokken psychiater (de geneesheer-directeur), die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, in ieder geval ook de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 2], in het kader van een second opinion over een voorgenomen besluit tot dwangbehandeling, bij betrokkene een diagnose heeft gesteld. Gelet op de omstandigheid dat de door de behandelend psychiater gestelde diagnose bevestigd is door in ieder geval twee niet bij de behandeling betrokken psychiaters bestond bij de rechtbank duidelijkheid over de diagnose van betrokkene, te weten stemmingsstoornissen, manische of gemengde episode, met psychotische kenmerken. De rechtbank heeft ook met zoveel woorden overwogen dat bij haar over de gestelde diagnose geen twijfel bestaat. De rechtbank heeft de juiste maatstaf gehanteerd. Ik merk overigens op dat de overweging van de rechtbank dat blijkt dat er reeds meerdere (ook onafhankelijke) psychiaters betrokken zijn (geweest) bij de behandeling van betrokkene enige verwarring wekt, gelet op de vaste rechtspraak dat een psychiater als onafhankelijk kan worden aangemerkt indien hij niet (recent) bij de behandeling betrokken is (geweest). Nu echter uit de gedingstukken blijkt dat het gaat om twee niet bij de behandeling betrokken psychiaters mist betrokkene belang bij haar klacht. 2.7 Onderdeel II klaagt naar de kern genomen dat de rechtbank de machtiging tot voortgezet verblijf ten onrechte heeft verleend, omdat de machtiging in dit geval feitelijk neerkomt op een sinds de invoering van de voorwaardelijke machtiging niet meer toelaatbare paraplumachtiging, zie HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8788. Zo blijkt uit de stukken dat betrokkene alle vrijheid heeft en feitelijk alleen nog maar in de kliniek slaapt en dat het doel van de opname slechts is dat betrokkene medicatie blijft gebruiken en hulpverlening accepteert. Het oordeel van de rechtbank dat het gevaar onvoldoende door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend is gelet op art. 5 lid 1 aanhef en onder e juncto art. 8 en 3 EVRM onvoldoende gemotiveerd nu de rechtbank niet heeft gerespondeerd op het verweer dat van een niet toelaatbare paraplumachtiging sprake is. 2.8 Sinds 1 januari 2004 heeft de rechter de mogelijkheid om op verzoek van de officier van justitie een voorwaardelijke machtiging te verlenen indien aan de vereisten voor een dergelijke machtiging wordt voldaan (art. 14a Wet Bopz). Art. 14d lid 1 Wet Bopz bepaalt dat, na het verlenen van een voorwaardelijke machtiging, de geneesheer-directeur de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis doet opnemen indien buiten de inrichting het gevaar niet langer kan worden afgewend door naleving van de voorwaarden. Indien de betrokkene de gestelde voorwaarden niet naleeft, kan de geneesheer-directeur hem in het ziekenhuis doen opnemen. 2.9 In het tijdvak vóór 1 januari 2004 heeft zich een praktijk ontwikkeld waarbij een ‘gewone’ rechterlijke machtiging tot onvrijwillig (voortgezet) verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis werd aangevraagd en verleend, óók in die gevallen waarin niet een daadwerkelijke opneming of voortzetting van de opname in een psychiatrisch ziekenhuis werd beoogd, maar een opname pro forma. Deze werd dan terstond of na zeer korte tijd gevolgd door een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis op de voet van art. 47 Wet Bopz, waarbij de geneesheer-directeur de voorwaarden stelde. Als de patiënt zich niet aan de hem of haar gestelde voorwaarden hield, kon het voorwaardelijk ontslag door de geneesheer-directeur worden ingetrokken. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de voorwaardelijke machtiging merkte de regering op dat het aanvragen van een rechterlijke machtiging uitsluitend met het doel voorwaarden aan de patiënt te kunnen stellen via een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis, niet strookt met de bedoeling van de nieuwe wettelijke regeling. De Hoge Raad heeft, dienovereenkomstig, in zijn beschikking van 11 november 2005, waarnaar het onderdeel verwijst, beslist dat sedert de invoering van de voorwaardelijke machtiging voor het gebruik van de methode van de paraplumachtiging in gevallen waarin een daadwerkelijke opneming van de betrokkene, al is het maar voor korte duur, niet in de bedoeling ligt, geen plaats meer is. Kort samengevat lag aan die beslissing ten grondslag dat de nieuwe wettelijke regeling van de voorwaardelijke machtiging betere waarborgen biedt voor de rechtsbescherming van de patiënt. 2.10 Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende. In de geneeskundige verklaring is onder kopje 3 “Psychiatrisch onderzoek” op p. 3 onder d de vraag waarom de stoornis in de geestvermogens ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn, beantwoord als volgt: “(…) betrokkene (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.