Nr. 16/06208 Zitting: 17 april 2018 Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 7 september 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek als bedoeld in art. 27(
(12)weken, bij welke strafoplegging de advocaat-generaal zich bij de formulering van zijn strafeis in hoger beroep heeft aangesloten. De raadsman van de verdachte heeft het hof primair verzocht te volstaan met oplegging van een geldboete van € 1.200,00 en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken; subsidiair is verzocht om oplegging van een taakstraf. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf in de eerste plaats gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft hierbij in de eerste plaats gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Voorts heeft het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in relatie staat met de illegale handel in softdrugs, welke handel veelal samengaat met allerlei maatschappelijk onwenselijke praktijken zoals belastingontduiking en geweldsdelicten waarbij niet zelden vuurwapens gebruikt worden. Bovendien is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs, welk gebruik door de verdachte is gefaciliteerd, de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. Bij zijn oordeelsvorming omtrent de op te leggen strafsoort heeft het hof ten bezware van de verdachte tevens in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 juni 2016, betrekkelijk korte tijd vóór het begaan van het hierboven bewezenverklaarde, te weten bij vonnis van 22 november 2013, ter zake van een soortgelijk strafbaar feit (overtreding van de Opiumwet) reeds is veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) taakstraf. Daarbij rekent het hof het de verdachte bovendien zwaar aan dat hij het thans bewezen verklaarde heeft begaan gedurende de proeftijd van het bij genoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel. Weliswaar ging het in de zaak die leidde tot genoemd vonnis volgens mededeling van de verdachte niet om het telen maar om het knippen van hennepplanten, maar niettemin stelt het hof vast dat de eerdere veroordeling de verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan illegale hennepgerelateerde activiteiten. Ten slotte neemt het hof bij zijn oordeelsvorming omtrent de op te leggen straf in aanmerking dat op grond van hetgeen de verdachte daarover zelf heeft verklaard aangenomen moet worden dat hij de medeverdachte [betrokkene 1] bij het onderhavige strafbare feit heeft betrokken. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel - aangezien op grond van de verklaringen van de verdachte aangenomen moet worden dat hij niet de hoofdverantwoordelijke voor de hennepkwekerij was - dat kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien weken. Voor oplegging van strafmodaliteiten als door de verdediging voorgesteld ziet het hof in deze zaak, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, geen enkele ruimte.”
- Ik stel voorop dat de keuze en waardering van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt en geen motivering behoeft. Wel dienen de factoren ter sprake te zijn gekomen op de terechtzitting. In cassatie kan dan ook niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en of die straf beantwoordt aan alle daartoe relevante factoren. De strafmotivering kan in cassatie op haar begrijpelijkheid worden getoetst.
- Het hof heeft overwogen dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Daarbij heeft het hof de aard van het feit, de maatschappelijke gevolgen van de illegale handel in softdrugs met zich brengt, de gevolgen voor de volksgezondheid, de justitiële documentatie van de verdachte waaruit blijkt dat hij korte tijd voor het begaan van het feit een taakstraf opgelegd heeft gekregen voor het knippen van hennepplanten en de omstandigheid dat hij de medeverdachte [betrokkene 1] heeft betrokken bij de hennepkwekerij in aanmerking genomen. Gelet op dit samenstel van – niet onbegrijpelijk vastgestelde – factoren en
- mede in het licht van hetgeen ik hiervoor onder
- voorop heb gesteld, heeft het hof de strafoplegging toereikend gemotiveerd.
- Het middel faalt.
- Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Zie met name HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond. Met (Nederwiet)teelt wordt in het algemeen gedoeld op het gehele illegale productieproces aangeduid vanaf het laten groeien van hennepplanten of -stekken tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct. Zie Kamerstukken II 1996/97, 25325, nr. 3, p.
- Hiervoor is het van belang vast te stellen dat het vonnis met betrekking tot de eerdere veroordeling reeds sinds 7 december 2013, en dus vóór het plegen van onderhavig strafbaar feit, onherroepelijk was. Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:
- Zie onder meer HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8474, NJ 1985/138, rov. 7.5; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252, NJ 2010/393 m.nt. Mevis, rov. 2.5 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4837, NJ 2013/33, rov. 2.3 (niet gepubl. in de NJ). Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 313 en 314.