Nr. 17/02109 Zitting: 26 juni 2018 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] INHOUDSOPGAVE Inleiding (randnrs. 1 t/m 19) I.1 Het bestreden arrest (randnrs. 1 t/m 4) I.2 Het procesverloop en de casus (randnrs. 5 t/m 10) I.3 De bewijsvoering (randnrs. 11 t/m 15) I.4 De toetsingsruimte in cassatie (randnrs. 16 t/m 19) De middelen één tot en met drie: afgewezen getuigenverzoeken (randnrs. 20 t/m 72) II.1 Aan de middelen één tot en met drie voorafgaande opmerkingen (randnrs. 20 t/m 29) II.2 Het eerste middel (randnrs. 30 t/m 45) II.3 Het tweede middel (randnrs. 46 t/m 53) II.4 Het derde middel (randnrs. 54 t/m 72) De middelen vier tot en met zes: verzuimen te reageren op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten (randnrs. 73 t/m 105) III.1 Aan de middelen vier tot en met zes voorafgaande opmerkingen (randnrs. 73 t/m 80)III.2 Het vierde middel (randnrs. 81 t/m 87) III.3 Het vijfde middel (randnrs. 88 t/m 93) III.4 Het zesde middel (randnrs. 94 t/m 105) Het zevende middel: het ondervragingsrecht (randnrs. 106 t/m 118) Het achtste middel: collusie (randnrs. 119 t/m 132) Het negende tot en met het zestiende en het achttien tot en met het eenentwintigste middel: belastende getuigen (randnrs. 133 t/m 266) VI.1 Aan de middelen negen tot en met zestien en achttien tot en met eenentwintig voorafgaande opmerkingen (randnrs. 133 t/m 148) VI.2 Het negende middel (randnrs. 149 t/m 154) VI.3 Het tiende middel (randnrs. 155 t/m 168) VI.4 Het elfde middel (randnrs. 169 t/m 173)VI.5 Het twaalfde middel (randnrs. 174 t/m 180) VI.6 Het dertiende middel (randnrs. 181 t/m 188) VI.7 Het veertiende middel (randnrs. 189 t/m 193)VI.8 Het vijftiende middel (randnrs. 194 t/m 213)VI.9 Het zestiende middel (randnrs. 214 t/m 234)VI.10 Het achttiende middel (randnrs. 235 t/m 245)VI.11 Het negentiende middel (randnrs. 246 t/m 252)VI.12 Het twintigste middel (randnrs. 253 t/m 258)VI.13 Het eenentwintigste middel (randnrs. 259 t/m 266) Het zeventiende, het drieëntwintigste en het vierentwintigste middel: wettigheid van bewijsmiddelen (randnrs. 267 t/m 285) VII.1 Het zeventiende middel (randnrs. 267 t/m 278) VII.2 Het drieëntwintigste en het vierentwintigste middel (randnrs. 279 t/m 286) Het tweeëntwintigste middel: denaturering van de verklaringen van de verdachte (randnrs. 287 t/m 292) Het vijfentwintigste tot en met het achtentwintigste middel: overige uitdrukkelijk onderbouwde standpunten (randnrs. 293 t/m 327) IX.1 Het vijfentwintigste middel (randnrs. 293 t/m 300) IX.2 Het zesentwintigste middel (randnrs. 301 t/m 309) IX.3 Het zevenentwintigste middel (randnrs. 310 t/m 318) IX.4 Het achtentwintigste middel (randnrs. 319 t/m 327) Het negenentwintigste middel: diverse overige klachten (randnrs. 328 t/m 353) Het dertigste middel: amnestie (randnrs. 354 t/m 376) Slotsom (randnrs. 377 t/m 379) I. Inleiding I.1 Het bestreden arrest De verdachte is bij arrest van 21 april 2017 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens – kort gezegd – medeplichtigheid aan medeplegen van oorlogsmisdrijven en medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Sanctiewet 1977, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien jaren met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Het hof heeft de bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:Feiten 1, 2 en 3. De oorlogsmisdrijven- onder 1A, 2A en 3A, alle meer subsidiair en telkens: “Medeplichtigheid aan medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt, meermalen gepleegd”;Feiten 4 en 5. De overtredingen van de Sanctiewet 1977- onder 4: ”Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 juncto artikel 3 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd”; en - onder 5: “Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de overige tenlastegelegde feiten. Niet wettig en overtuigend bewezen acht het hof dat de verdachte de onder feit 1, feit 2 en feit 3 bedoelde oorlogsmisdrijven heeft medegepleegd (1A, 2A, 3A, telkens primair) dan wel uitgelokt (1A, 2A en 3A, telkens subsidiair). Onder 1B, 2B en 3B is aan de verdachte onderscheidenlijk tenlastegelegd, kort gezegd, dat hij door aan hem ondergeschikte personen begane oorlogsmisdrijven opzettelijk heeft toegelaten. Ook van deze feiten heeft het hof de verdachte vrijgesproken. 3. Voorts heeft het hof de gevangenneming van de verdachte bevolen. Noch tegen de gegeven vrijspraken, noch tegen het bevel tot gevangenneming zijn cassatiemiddelen gericht. 4. De verdachte heeft (onbeperkt) cassatieberoep doen instellen. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. I.N. Weski, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur dertig middelen van cassatie voorgesteld. I.2 Het procesverloop en de casus 5. De onderhavige strafzaak staat volop in de publieke belangstelling in zowel binnen- als buitenland. En niet alleen de media hebben veel aandacht voor de zaak, ook in de strafrechtelijke vakliteratuur is deze meermalen besproken. Deze belangstelling vindt haar verklaring vooral in het tamelijk uitzonderlijke karakter van de beschuldigingen: niet vaak wordt een Europeaan in eigen land berecht voor betrokkenheid bij internationale oorlogsmisdrijven die buiten de Europese grenzen zijn begaan. 6. Het bestreden arrest van het hof is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Voor de gehele bewijsconstructie kan daarom worden volstaan met verwijzing daarnaar. Wel dient de (lange) voorgeschiedenis van de zaak, zoals deze uit de gedingstukken naar voren komt, hier kort te worden doorlopen. 7. De verdachte is een Nederlander die naar eigen zeggen vanaf het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw zakelijk actief is geweest in het aan de westkust van Afrika gelegen Liberia. Aldaar heeft hij onder meer het beheer gehad over een in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia gelegen hotel, genaamd [A] , en heeft hij zich toegelegd op de houtkapindustrie. Vanaf 1986 was hij eigenaar van houtkapbedrijf [B] . Vanwege het uitbreken van de eerste Liberiaanse burgeroorlog heeft de verdachte zijn bedrijfsmatige activiteiten in het land tijdelijk gestaakt en is hij uitgeweken naar het naburige Sierra Leone. Enige tijd na de moord op de Liberiaanse president [betrokkene 8] is de verdachte in Liberia teruggekeerd. Zijn bedrijf [B] is in 1997 of 1998 overgegaan in [C] (hierna: [C] ). In 1999 heeft de verdachte met zijn Indonesische handelspartners daarnaast het houtkapbedrijf [D] (hierna: [D] ) opgericht. Van [D] is de verdachte de president geweest. Charles Taylor, met wie de verdachte stelt reeds voor de eerste Liberiaanse burgeroorlog contacten te hebben gehad omdat Taylor onderdeel uitmaakte van de regering van Doe, was in 1997 inmiddels president van Liberia geworden. Als eigenaar onderscheidenlijk president van twee grote houtkapbedrijven waarin Charles Taylor (financiële) belangen bezat, had de verdachte een tamelijk nauwe verbondenheid met (het regime van) Charles Taylor. 8. In 1999 is in Liberia de tweede Liberiaanse burgeroorlog losgebarsten, waarover het hof onder meer het volgende heeft vastgesteld. Gedurende ongeveer vijf jaar is vrijwel bij voortduring sprake geweest van een gewapende strijd tussen Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten onder leiding van Charles Taylor aan de ene kant en de rebellengroep “Liberians United for Reconciliation and Democracy” (LURD) aan de andere kant. Deze laatste groepering kreeg steun van een andere rebellengroep, die bekend stond als de “Movement for Democracy in Liberia” (MODEL). Het vermoeden bestaat dat de LURD daarnaast werd ondersteund door de regering van het aan de noordzijde van Liberia grenzende Guinee, terwijl ook gevechten hebben plaatsgevonden in het aan de noord-westzijde van Liberia grenzende Sierra Leone. De tweede Liberiaanse burgeroorlog vertoonde een cyclisch patroon met wisselende successen aan beide zijden. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat door de Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten gedurende deze tweede Liberiaanse burgeroorlog tussen 2000 en 2002 op meerdere pleegplaatsen oorlogsmisdrijven zijn begaan. Het onder 1 tenlastegelegde heeft betrekking op oorlogsmisdrijven die zijn gepleegd in Guéckédou, een stad in Guinee nabij de grens met Liberia. De onder 2 tenlastegelegde betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven ziet op feiten die zijn gepleegd in (de omgeving van) Voinjama. De onder 3 tenlastegelegde feiten betreffen oorlogsmisdrijven gepleegd in (de omgeving van) Kolahun. Voinjama en Kolahun zijn steden in het noorden van Liberia, gelegen in “Lofa county”, nabij de grens met Guinee. Het hof heeft in het bestreden arrest (onder J.1 tot en met J.4) uitvoerig uiteengezet welke gruwelijkheden zich in deze steden en de nabij gelegen dorpen hebben afgespeeld. De door de Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten (meermalen) begane oorlogsmisdrijven die het hof heeft bewezenverklaard, bestaan (onder meer) uit: - het gericht doodschieten van burgers; - het onderwerpen van burgers aan spervuur; - het in brand steken van huizen waarin zich burgers bevinden; - het onthoofden van burgers; - het verbrijzelen van de schedels van baby’s; - het in een put gooien van levende baby’s; - het uit hun huis drijven en opsluiten van burgers, en het daarna naar binnen gooien van een handgranaat; - het verkrachten van vrouwen en kinderen; - het martelen van burgers; en - het plunderen van de bezittingen van burgers. 9. In het voorjaar van 2004 is tegen de verdachte in Nederland een opsporingsonderzoek gestart. Aanleiding daarvoor waren een rapport uit december 2000 van een door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: VN) ingesteld “Panel of Experts” en een rapport van Global Witness uit 2003. In deze rapporten kwamen de verdachte en [D] naar voren als belangrijke participanten in illegale wapenhandel in de regio. De verdachte heeft evenwel, van begin af aan, pertinent ontkend zich met de invoer van wapens in Liberia te hebben ingelaten of anderszins te hebben bijgedragen aan de gewapende strijd. De raadsvrouwe die de verdachte in alle feitelijke instanties van rechtsbijstand voorzag (verder: de raadsvrouwe), heeft dienovereenkomstig de verdediging gevoerd en daarbij telkens gewezen op haars inziens voorkomende tekortkomingen in het strafrechtelijk onderzoek en inconsistenties, discrepanties en andere mogelijke onbetrouwbaarheden in het voorhanden bewijsmateriaal. Op alle onderdelen van de tenlastelegging heeft zij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie respectievelijk vrijspraak bepleit. 10. De rechtbank te Den Haag veroordeelde de verdachte in 2006 tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wegens medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Sanctiewet 1977 (feiten 4 en 5). Strafbare betrokkenheid bij de tenlastegelegde oorlogsmisdrijven achtte de rechtbank niet bewezen. Het gerechtshof te Den Haag kwam in 2008 tot een integrale vrijspraak van de verdachte. Het daartegen gerichte cassatieberoep van het openbaar ministerie achtte de Hoge Raad in 2010 gegrond: de afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek om de rechter-commissaris de getuigen A03 en A04 op de voet van art. 226a Sv te doen horen, had het hof ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof te Den Haag en verwees de zaak naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch dat als gezegd arrest wees op 21 april 2017. De betrekkelijk lange duur van deze nieuwe behandeling in hoger beroep is onder meer het gevolg geweest van de omvang en de complexiteit van het onderzoek, de vele onderzoekwensen van het openbaar ministerie en de verdediging, de internationale component van het onderzoek en de daarmee gepaard gaande afhankelijkheid van de medewerking van buitenlandse autoriteiten, en verder ook van de in West-Afrika gedurende de berechting ontstane ebola-crisis. I.3 De bewijsvoering 11. De bewezenverklaringen heeft het hof in het bestreden arrest opgenomen na onderdeel N.1. 12. Voor een adequate beoordeling van de cassatiemiddelen en een goed begrip van deze conclusie is van belang voor ogen te hebben welke door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof tezamen het oordeel dragen dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij de door Liberiaanse regeringstroepen in (en nabij) Guéckédou, Voinjama en Kolahun begane oorlogsmisdrijven. Het hof heeft over de betrokkenheid van de verdachte bij deze oorlogsmisdrijven in het bestreden arrest als volgt overwogen: “L. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de oorlogsmisdrijven Met betrekking tot de rol van verdachte in, dan wel betrokkenheid bij vorenbedoelde oorlogsmisdrijven is op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen en hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt, vast komen te staan dat hij: - in de bewezenverklaarde periodes eigenaar was van [C] en president was van [D] ; - in de periode 2000 tot 2003, met het bedrijf [D] , actief betrokken is geweest bij het invoeren van wapens met de Antarctic Mariner in de haven van Buchanan en ook wapens heeft geleverd aan (het regime van) Charles Taylor (zie H. tot en met H.6); personeel van de bedrijven, [D] en [C] , ter beschikking heeft gesteld om de wapens en munitie uit te laden, maar ook te vervoeren naar ‘the Loop’ in Buchanan, the Executive Mansion en White Flower in Monrovia en kamp Bomi Wood nabij Tubmanburg. Dat betreffen plekken waar die wapens werden opgeslagen en/of verdeeld onder verdachtes personeel en/of de Liberiaanse gecombineerde strijdkrachten (zie H. tot en met H.6). Die wapens en munitie zijn ook door personeel van [D] / [C] , getransporteerd naar de frontlinies. - personeel van de bedrijven, [D] en [C] , ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de strijd bij het gewapende conflict in Lofa County en Guéckédou. Deze personeelsleden maakten daarbij veelal gebruik van de wapens die door de bedrijven aan hen waren uitgedeeld (zie onder J.1 tot en met 4); - heeft toegelaten dat [R.D.] , [betrokkene 7] en [getuige 10] , zijnde personen die nauw verbonden waren aan verdachte en die bedrijven, maar ook aan (het regime van) Charles Taylor, belangrijke rollen hebben gespeeld in het gewapende conflict in Lofa County en Guéckédou en personeel van die bedrijven hebben bevolen om deel te nemen aan gewapende conflict in Lofa County en Guéckédou (zie onder J.l tot en met 4); - het [C] -kamp Bomi Wood kennelijk als bewaarplaats ter beschikking heeft gesteld voor wapens en munitie afkomstig van de Antarctic Mariner. Tevens werd deze plaats gebruikt voor het verdelen van die wapens en munitie onder de bevelhebbers aan de frontlinies van het gewapende conflict, onder meer door [getuige 10] (zie onder J.l tot en met 4); - dat kamp meerdere keren heeft bezocht en daar ook strijders heeft aangemoedigd om te vechten; - in de directe omgeving stond toen het bevel werd gegeven om zware wapens te gebruiken bij de aanval op Guéckédou. Verdachte heeft de soldaten uitdrukkelijk toegezegd dat er geplunderd mocht worden (“de soldaten moesten de missie volbrengen en (...) beloofde dat ze alles mochten houden wat ze na afloop zouden aantreffen").” 13. Deze overweging houdt na het tweede opsommingsteken in dat de verdachte actief betrokken is geweest bij de invoer van wapens door middel van het aan [D] toebehorende schip Antarctic Mariner (in de stukken van het geding ook wel aangeduid als AM) via de haven van Buchanan. De actieve betrokkenheid bij de invoer van wapens behelst niet alleen één van de belangrijkste aspecten van de bewezenverklaring van de medeplichtigheid van de verdachte aan het medeplegen van oorlogsmisdrijven, maar vormt tevens de basis voor de strafrechtelijke veroordeling van de verdachte wegens het medeplegen van opzettelijke overtredingen van de VN-wapenembargo’s. Over de levering van wapens en munitie met de Antarctic Mariner heeft het hof in het bestreden arrest onder H.4 het volgende overwogen (met weglating van de voetnoten): “H.4 Levering wapens en munitie door de Antarctic Mariner Ten aanzien van leveringen van wapens en munitie met het schip de Antarctic Mariner: - [D] is vanaf 2000 eigenaar van het schip de Antarctic Mariner. - Tussen 2000 en 2003 werden via Serway Shipping (voorheen: Global Star Shipping Company) goederen met Antarctic Mariner van/voor [D] en [C] tussen Liberia en Azië vervoerd. Het schip gebruikte daarvoor de haven van Buchanan te Liberia. - Uit het logboekoverzicht van de Antarctic Mariner blijkt dat het schip in de periode augustus 2000 tot april 2003 acht keer de haven van Buchanan is binnengelopen om goederen te lossen. Daarbij overweegt het hof, dat blijkens de aan dit overzicht onderliggende gegevens het schip in tegenstelling tot hetgeen in de logboekgegevens staat niet op 21 april 2003, maar op 25 april 2003 in de haven van Buchanan is binnengelopen. Het schip is derhalve in de maanden augustus 2000, januari 2001, juni 2001, november 2001, februari 2002, augustus 2002, december 2002 en april 2003 de haven van Buchanan binnengelopen. - Uit de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen komt een consistent beeld naar voren ten aanzien van een min of meer vaste procedure die werd gevolgd als de Antarctic Mariner de haven van Buchanan binnenliep en er wapens en munitie aan boord waren (dit kan niet volledig worden vastgesteld voor de levering van augustus 2002, zie hierna onder H 4.2). i. Hooggeplaatste personen van [D] en de regering van Taylor kwamen naar de haven van Buchanan. De aanwezigheid van deze personen wisselde, maar vaak waren verdachte en [getuige 10] daarbij. ii. Beveiligers van [D] kregen de opdracht om de haven te sluiten en ervoor te zorgen dat alleen de hooggeplaatste personen, [D] -beveiligers en [D] -medewerkers betrokken bij het uitladen van wapens, aanwezig waren. iii. Verdachte heeft ladingen met wapens en munitie een aantal keer zelf geïnspecteerd. iv. Verdachte heeft en aantal keer rechtstreeks de opdracht gegeven om de wapens en munitie uit te laden. v. De hooggeplaatste personen verdwenen vervolgens uit de haven, waar-na diverse getuigen, waaronder personen die behoorden bij de beveiliging van [D] , het schip op zijn gegaan en de wapens en munitie hebben gelost. vi. Dat lossen van wapens en munitie gebeurde alleen gedurende de late avond en nacht, omdat de leiding van [D] niet wilde dat de aard van de goederen aan boord van het schip bekend werd. De reguliere “commerciële” goederen werden wel overdag uitgeladen. vii. De wapens en munitie zaten in houten kratten/kisten (‘‘wooden crates/cartons/ boxes ”) en containers. viii. Diverse getuigen hebben gezien dat er in die containers en houten kratten/kisten wapens en/of munitie zaten. Er wordt door die getuigen verklaard over RPG’s, AK 47’s en grote machinegeweren (GMG’
- s)en de daarbij behorende munitie. Ook hebben getuigen op de containers en houten kratten/kisten opschriften zien staan die duiden op de aanwezigheid van de hiervoor genoemde wapens (bijvoorbeeld “AMMO”, “ak47 rifle” "RPG"). Enkele getuigen hebben wapens gezien in kisten/kratten, omdat die kisten/kratten tijdens het transport of het uitladen kapot zijn gegaan. ix. De wapens werden geladen op vrachtwagens, loggingtrucks (onder andere diepladers) en/of pick-up’s ( “trucks ”). De containers en kratten werden afgedekt met netten of dekzeilen. - Voorts komt uit die getuigenverklaringen een algemeen beeld naar voren ten aanzien de plaatsen waar de wapens en munitie die door Antarctic Mariner naar de haven van Buchanan zijn gebracht naartoe werden vervoerd, werden opgeslagen en werden uitgedeeld: x. Een deel van de wapens en munitie werd direct in de haven van Buchanan uitgedeeld aan beveiligers van [D] . xi. Onder escorte van de Anti Terrorist Unit (ATU) werden de ‘trucks ’ met daarop de containers en kratten/kisten met wapens en munitie vervoerd. Een deel van de wapens en munitie werd naar ‘The Loop’ gebracht. Op het terrein ‘The Loop’ stonden villa’s die in gebruik waren bij het management van [D] . Wapens en munitie werden daar opgeslagen en uitgedeeld aan beveiligers van [D] . xii. Wapens en munitie werden vervolgens ook vervoerd naar Monrovia, zowel naar White Flower, een residentie van Charles Taylor in Congatown, als naar de Executive Mansion in Monrovia. In (de directe nabijheid van) beide residenties werden wapens en munitie opgeslagen en uitgedeeld aan regeringstroepen (onder meer) om te gebruiken bij de gewapende strijd in de frontlinies. xiii. Delen van de lading zijn vervolgens vervoerd naar Bomi Wood, een klein ‘base camp ’ van [C] in de buurt van Tubmanburg. Ook daar zijn wapens verdeeld onder de regeringstroepen, die vervolgens naar de frontlinies werden gebracht.” 14. De bewezenverklaringen en de nadere feitelijke vaststellingen en overwegingen heeft het hof doen steunen op de inhoud van 89 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest. 15. Dat het hof in het bestreden arrest tot een zo wezenlijk ander dictum is gekomen dan het gerechtshof in Den Haag eerder kwam, is hoofdzakelijk het gevolg van een andere waardering van het voorhanden bewijsmateriaal en dan in het bijzonder van het getuigenbewijs. Onder de bewijsmiddelen bevinden zich 33 bewijsmiddelen (b.m. 29 tot en met 56 en 80 tot en met 84) die de ten overstaan van de politie of de rechter-commissaris afgelegde, belastende verklaringen van in totaal 21 getuigen inhouden. Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer dat de verdachte een vooraanstaande rol vervulde binnen [D] en [C] , dat hij nauwe banden met (het regime van) Taylor onderhield, in de wij-vorm sprak over de regeringstroepen en zich met die troepen identificeerde, dat door regeringstroepen oorlogsmisdrijven zijn begaan, dat de Antarctic Mariner aan de verdachte en zijn bedrijven ter beschikking stond en dat dit schip een aantal malen per jaar in de haven van Buchanan is aangemeerd. Maar dat met het schip wapens zijn ingevoerd, dat de verdachte een actieve rol had bij die invoer en bijvoorbeeld aanwezig was in de haven en inspecties uitvoerde en dat personeel van [D] en [C] met wetenschap en goedkeuring van de verdachte naar het front werd gezonden, zoals door de verdediging steeds is ontkend, kan goed beschouwd uitsluitend worden afgeleid uit de hiervoor genoemde getuigenverklaringen. In de literatuur is al meer in het algemeen gesignaleerd dat veelal weinig ander bewijs dan getuigenbewijs voorhanden is in strafzaken over internationale (oorlogs)misdrijven, terwijl juist in dit soort zaken de beoordeling van de betrouwbaarheid van de beschikbare getuigenverklaringen een heikele kwestie betreft. Dit is in de onderhavige strafzaak bepaald niet anders gebleken. Gedurende de gehele strafzaak heeft het voornamelijk om deze ene vraag gedraaid: zijn de belastende getuigenverklaringen voldoende betrouwbaar om de zo ernstige beschuldigingen bewezen te achten, of niet. Het hof heeft ten aanzien van de betrouwbaarheid van het getuigenbewijs geconcludeerd dat het “in het geheel geen reden [heeft, EH] te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van [getuigen]verklaringen, voor zover tot het bewijs gebezigd”. Het gerechtshof in Den Haag zag eerder daarentegen nog “een onoverbrugbaar beletsel om op grond van deze bewijsmiddelen de overtuiging te vormen”, want het gaat “niet aan al hetgeen deze getuigen tegenstrijdig, onmogelijk of anderszins weinig plausibel hebben verklaard, te negeren en uit hun verklaringen - uiterst selectief - "een enkel graantje te pikken" dat een bewezenverklaring kan dragen.” I.4 De toetsingsruimte in cassatie 16. Tegen de bovenbeschreven achtergrond kan het niet verbazen dat thans ook in cassatie de pijlen worden gericht op het door het hof verrichte feitenonderzoek, diens selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal en de overwegingen die het aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen wel, of juist niet heeft gewijd. Met uitzondering van het dertigste cassatiemiddel keren alle middelen zich tegen de bewezenverklaringen en/of tegen ’s hofs afwijzende beslissingen op onderzoekverzoeken. In het licht van de voorgeschiedenis van de zaak is het niet verrassend dat de middelen daarbij veelvuldig de grenzen verkennen van de mate waarin de bewijsbeslissing vatbaar is voor toetsing in cassatie. 17. Dat laatste neemt echter niet weg dat de mogelijkheden om in cassatie te toetsen of het hof terecht tot een veroordeling is gekomen (zeer) beperkt zijn. In het arrest van 19 december 2017 in de zaken die gezamenlijk bekend staan als “De zes van Breda”, heeft de Hoge Raad de eigen beperkingen bij de toetsing van de bewijsbeslissing nog eens kernachtig samengevat (en van overeenkomstige toepassing verklaard op de cassatieprocedure op een hernieuwde veroordeling na herziening): “[..] in cassatie [..] kan [niet] worden onderzocht of de rechter [..] die op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal het tenlastegelegde heeft bewezenverklaard, terecht tot dat oordeel is gekomen dan wel of de door de rechter [..] in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die hij heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsvoering zijn vervat. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen [..] in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530). Voorts is het in geval van een bewezenverklaring aan die rechter om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in 2005 heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat hij in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Die motiveringsplicht gaat echter niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393.)” 18. Ik zal niet uitvoeriger in algemene zin ingaan op de restricties, die het cassatieprocesrecht op dit vlak met zich brengt. Hier is slechts van belang voor ogen te houden dat zij bestaan en dat zij bij de beoordeling van de voorgestelde cassatiemiddelen in de onderhavige zaak van grote betekenis zijn. De meer specifieke beperkingen van de toetsing in cassatie bespreek ik waar zij voor de beschouwing van de desbetreffende middelen relevant zijn. 19. De opstellers van de cassatieschriftuur hebben daarin zelf een zekere opbouw en structuur aangebracht, waarbij zij de middelen naar onderwerp hebben gegroepeerd. Voor zoveel mogelijk zal deze conclusie de door hen voorgestelde volgorde van behandeling van de middelen en klachten aanhouden. Slechts sporadisch vind ik in de onderlinge samenhang tussen bepaalde middelen van cassatie voldoende reden om van de voorgestelde volgorde af te wijken. II. De middelen één tot en met drie: afgewezen getuigenverzoeken II.1 Aan de middelen één tot en met drie voorafgaande opmerkingen 20. De eerste drie middelen van cassatie concentreren zich op ’s hofs afwijzing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen. 21. In de periode waarin de onderhavige zaak bij het hof in behandeling is geweest, heeft de rechtsontwikkeling in de rechtspraak van de Hoge Raad op het terrein van de beoordeling van getuigenverzoeken zeker niet stilgestaan. Ofschoon het hof op deze rechtspraak niet in alle opzichten bedacht heeft kunnen zijn, moeten zijn beslissingen uiteraard wel worden beoordeeld aan de hand van de daaraan naar huidig inzicht te stellen eisen. 22. Voorop dient te worden gesteld dat bij de beoordeling van de cassatiemiddelen in het bijzonder in acht moet worden genomen dat voor de cassatierechter slechts beperkte ruimte bestaat om de door de feitenrechter op getuigenverzoeken genomen beslissingen te toetsen. Over deze ruimte heeft de Hoge Raad in het overzichtsarrest inzake het oproepen en horen van getuigen van 1 juli 2014 onder meer het volgende overwogen: “2.73. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging daarom alleen worden geklaagd over (
- a)de beslissing van het hof tot het niet horen van een ter terechtzitting verschenen getuige en (
- b)de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het oproepen van een aldaar niet verschenen getuige. Voorts kan worden geklaagd over het verzuim van het hof op zo een verzoek te beslissen. Over beslissingen of verzuimen van het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg kan door de verdediging in cassatie dus niet worden geklaagd. 2.74. Wat betreft de onder (
- a)en (
- b)genoemde beslissingen kan in cassatie niet over de juistheid ervan worden geklaagd. De Hoge Raad kan immers niet beoordelen of het hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen of gehoord. Wel kan in cassatie worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing. [..] 2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van — als waren het communicerende vaten — enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (
- i)het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (
- ii)de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen — al dan niet op vordering van de advocaat-generaal — (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting. 2.77. Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.” 23. Geklaagd kan dus worden over de bij de beslissing gehanteerde maatstaf en over de begrijpelijkheid van de beslissing. Over de maatstaven merk ik kort het volgende op. In de voorliggende zaak gaat het om getuigenverzoeken die zijn gedaan tijdens het, in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering op dit punt – om met Mevis te spreken – wellicht wat “ondergeregelde” geding na cassatie. Sinds de invoering van de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 2004, 579) is in hoger beroep een beoordeling van getuigenverzoeken aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang enkel nog aangewezen waar het gaat om bij appelschriftuur opgegeven getuigen of zonder oproeping verschenen getuigen. De behandeling in hoger beroep na cassatie wordt echter niet ingeleid met zo een appelschriftuur, terwijl zowel aan de ‘doorwerking’ van de oorspronkelijke appelschriftuur als aan het niet bieden van een mogelijkheid een getuigenverzoek aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang te doen beoordelen, knellende bezwaren kleven. 24. De Hoge Raad heeft deze plooien in de wettelijke regeling in zijn arrest van 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262, m.nt. Mevis gladgestreken: “Dat betekent dat na verwijzing of terugwijzing wat betreft de opgave door de verdediging van getuigen art. 263, tweede tot en met vijfde lid, en art. 264 Sv onverkort gelden. Wel moet na verwijzing of terugwijzing, ook in het geval van een door de verdachte ingesteld hoger beroep, de toepasselijkheid worden aangenomen van art. 418, tweede lid, Sv. Dat betekent dat ook dan, ingeval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping van een door de verdediging op de voet van art. 414 in verbinding met art. 263 Sv opgegeven getuige die ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, door het hof kan worden geweigerd op grond van het noodzakelijkheidscriterium.” 25. Kort gezegd komt één en ander erop neer dat in de fase van hoger beroep ná cassatie in grote lijnen dezelfde maatstaven gelden als in het geding in eerste aanleg. Voor getuigen die voor het verstrijken van de in art. 263, tweede lid, Sv bedoelde termijn in persoon of schriftelijk zijn opgegeven aan de advocaat-generaal geldt derhalve het criterium van het verdedigingsbelang, zij het dat na berechting in eerste aanleg op tegenspraak het verzoek tot het horen van getuigen die reeds door de rechter-commissaris en/of de zittingsrechter zijn gehoord, wordt beoordeeld aan de hand van de noodzakelijkheid. Dit laatste criterium geldt eveneens voor de eerst na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting verzochte getuigen. 26. Behalve de gehanteerde maatstaf kan in cassatie ook de begrijpelijkheid van de beslissing van het hof in discussie worden gebracht. In het hiervoor geciteerde overzichtsarrest van 1 juli 2014 legt de Hoge Raad het zwaartepunt uitdrukkelijk bij deze begrijpelijkheidstoets. In rechtsoverweging 2.76 beklemtoont de Hoge Raad dat de begrijpelijkheid primair dient te worden beoordeeld aan de hand van de onderbouwing van het verzoek enerzijds en de motivering van de beslissing op dat verzoek anderzijds, “als waren het communicerende vaten”. Daarnaast noemt de Hoge Raad het stadium van het geding waarin het verzoek wordt gedaan. De onderbouwing van het verzoek, het stadium waarin het is gedaan en de motivering van de beslissing op het verzoek vormen tezamen echter niet de limitatieve opsomming van de in de beoordeling van de begrijpelijkheid te betrekken factoren. Zo wijst Borgers in zijn annotatie bij het genoemde overzichtsarrest op de uitspraak van de Hoge Raad van eveneens 1 juli 2014, met vindplaats ECLI:NL:HR:2014:1559, NJ 2014/442. In die zaak had het hof een getuigenverzoek afgewezen dat in essentie had moeten dienen ter staving van een alternatief scenario voor de bewezenverklaring. De Hoge Raad vond de afwijzende beslissing niet onbegrijpelijk. De grond voor dat oordeel lijkt de Hoge Raad, gezien zijn overwegingen, niet (zozeer) te hebben gevonden in de door het hof voor de afwijzing van het verzoek gegeven motivering, maar (vooral) in ’s hofs bewijsoverwegingen waarin het hof wees op inconsistenties en onwaarschijnlijkheden in dat alternatieve scenario. 27. Dat meer aspecten van de zaak van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de afwijzende beslissing op een getuigenverzoek, neemt intussen niet weg dat de onderbouwing van het verzoek eensdeels en de motivering van de op het verzoek genomen beslissing anderdeels daarbij wel een centrale plaats innemen. Het lijdt weinig twijfel dat de Hoge Raad de eisen aan de onderbouwing van een verzoek getuigen te horen, thans zwaarder aanzet dan voorheen. In dat verband is vooral een tweetal arresten van de Hoge Raad van 4 juli 2017 instructief. De Hoge Raad overwoog (ik vat samen) dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en horen van getuigen, ongeacht of het een getuige à charge of à décharge betreft, dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek te beoordelen en het recht op een eerlijk proces zo vroegtijdig mogelijk bij de beoordeling van het verzoek te betrekken. De aan het verzoek te verbinden motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuigen een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van art. 348 en art. 350 Sv te nemen beslissing. Voor de onderbouwing van een getuigenverzoek kan niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd, maar dient te worden gemotiveerd waarin, gegeven de voeging van de reeds afgelegde verklaring bij de processtukken, de relevantie van het horen van de getuige is gelegen. Ingeval het verzoek een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering in te houden wat het belang is van het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van art. 348 en art. 350 Sv te nemen beslissing. 28. Dezelfde arresten onderstrepen anderzijds ook de verantwoordelijkheid die hier op de zittingsrechter rust. Uit (onder meer) art. 6 EVRM vloeit volgens de Hoge Raad voort dat de feitenrechter bij afwijzing van een verzoek, de feitelijke en/of juridische gronden waarop deze afwijzing berust in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel in de uitspraak dient op de nemen. 29. Aan de eerste drie voorgestelde cassatiemiddelen gaat in de cassatieschriftuur een gemeenschappelijk juridisch kader vooraf. Voor zover niet reeds aan de orde gekomen in het hiervoor door mij vooropgestelde, wordt in de cassatieschriftuur nader ingegaan op de uitspraken van de Grote Kamer van het EHRM die bekend staan als Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk en Schatschaschwili/Duitsland. In de cassatiemiddelen waarop het juridisch kader van de stellers van de middelen ziet, wordt schending van het ondervragingsrecht van art. 6, derde lid onder d, EVRM evenwel niet gesteld, zodat de interpretatie van die arresten hier mijns inziens onbesproken kan blijven. Wel hecht ik eraan, voordat ik de middelen inhoudelijk bespreek, terzijde op te merken dat de in de cassatieschriftuur aan de Straatsburgse uitspraak Lorefice/Italië gegeven interpretatie mij te extensief voorkomt. In de schriftuur wordt uit deze uitspraak namelijk afgeleid dat de rechter ambtshalve gehouden is alle getuigen te (doen) horen indien de vorige instantie deze getuigen eveneens heeft gehoord en vervolgens de verdachte heeft vrijgesproken. Tot een zo ver strekkende uitleg van art. 6 EVRM noopt Lorefice/Italië naar mijn inzicht niet. Het ging in deze zaak om twee cruciale belastende getuigen, van wie de rechtbank in eerste aanleg er één ter terechtzitting had gehoord. Blijkens de motivering van haar integrale vrijspraak, achtte de rechtbank beide getuigen(verklaringen) aantoonbaar onjuist, volstrekt ongeloofwaardig en zelfs mogelijk meinedig. Het hof van beroep te Palermo kwam echter tot een bewezenverklaring van de feiten, en wel op basis van een geheel ander oordeel over de geloofwaardigheid van juist deze twee getuigen (zonder deze zelf te hebben gehoord). Het hof van beroep legde Lorefice een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en zes maanden op. Daarbij baseerde het hof van beroep zich geheel op het procesdossier. Maar niet had het ervan blijk gegeven de mogelijkheden en/of de wenselijkheid de getuigen opnieuw ter terechtzitting te horen te hebben onderzocht en overwogen. Het was déze gang van zaken die in zijn geheel beschouwd een schending van art. 6, eerste lid, EVRM opleverde. Algemene regels geeft het Europees Hof in deze uitspraak niet en zulke regels laten zich uit het arrest mijns inziens ook niet afleiden. Veeleer worden in Lorefice/Italië de bijzondere omstandigheden van de zaak door het Europees Hof benadrukt. II.2 Het eerste middel 30. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het als getuigen horen van de kapiteins en eerste stuurmannen van de schepen die gelijktijdig met de Antarctic Mariner in de haven van Buchanan lagen. 31. Het proces-verbaal van de op 21 en 22 december 2010 en 1 februari 2011 gehouden terechtzitting van het hof houdt in dat het hof na binnenkomst van het procesdossier daaraan onder meer een aan de advocaat-generaal gerichte brief met bijlagen van 5 december 2010 van de raadsvrouwe – bevattende de onderzoekwensen van de verdediging alsmede enige verzoeken aan het openbaar ministerie – heeft toegevoegd. Deze brief bevindt zich onder de stukken van het geding en houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in (p. 56 e.v.): “7. Onderzoekswensen van de verdediging [..] Een onderzoek naar de “andere schepen”, die tegelijkertijd met de AM in de haven van Buchanan verbleven. De verdediging heeft op enig moment na onderzoek naar de schepen, die ook en soms zelfs tegelijkertijd met de AM in de haven van Buchanan verbleven en dus direct getuige moesten worden geacht van de wijze waarop die haven functioneerde en hoe de AM werd bejegend, aan de hand van de havenlogboeken kunnen vast stellen welke dat waren, van welke rederij en het uiterlijk van deze schepen nagetrokken en heeft al deze resultaten in het dossier gevoegd (deel in PPP) en uiteraard aan het openbaar ministerie overgelegd met het dringend verzoek die rederijen te contacteren en aldus de betreffende kapitein of andere bemanningsleden te traceren, die immers dan ter plaatse moeten hebben kunnen vast stellen, of 's nachts de haven kon worden ingevaren, of er een geleidelicht bestond, of deze haven kon worden afgesloten, werd afgesloten, alle personeel van douane, gezondheidsinspectie, ander personeel werd weggestuurd, gewapende militaire eenheden ter plaatse waren en zelfs in plaats van het betreffende havenpersoneel de AM uitlaadde, de kranen zou bedienen enz. Zoals u weet is uit al het verzamelde feitenmateriaal (alleen al de film en foto’s van de haven in die tijd) al lang duidelijk, dat er geen wapens zijn vervoerd met de AM (ook geen luchtafweergeschut, dat volgens sommige van uw getuigen op de voorplecht dan zou hebben gestaan vanaf China, via Singapore en al die andere tussenhavens. Een stelling, die met grote hilariteit van de scheepsdeskundige was aangehoord en hem de opmerking deed ontlokken, dat dat wel wereldnieuws dan moet zijn geweest en overigens op die plek nimmer kan hebben gestaan omdat aldaar alle touwen van ankers enz liggen en bediend moeten worden). De verdediging heeft u ook gevraagd om bij de Nederlandse marine na te gaan hoe hun ervaringen dan in de haven van Buchanan was, gelet op de foto die zij volgens het World port guidelinesbook kennelijk ter plaatse hebben gemaakt. U heeft steeds geweigerd enige activiteit te ontplooien en zelfs gewoon vooral niet gereageerd. Omdat u blijkbaar nog steeds persisteert bij uw stellingen en zelfs terug wenst te komen op uw aanvankelijk vrijspraakeis omtrent het onder B te laste gelegde inzake art 9 WOS ook dus na dat requisitoir waarvan het Hof Den Haag aangaf onder 9.12 ten aanzien van de door de verdediging ingebrachte verklaringen bij voorbeeld van havenautoriteiten en scheeps en havendocumenten: Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep de verklaringen van een aantal getuigen ten grondslag gelegd aan zijn requisitoir dat strekte tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Bij zijn requisitoir is het openbaar ministerie echter niet ingegaan op de waarde die aan deze verklaringen qua betrouwbaarheid zou mogen worden gehecht, hoewel die vraag in de onderhavige zaak bepaald aandacht verdient en daarvoor door de verdediging ook meermalen nadrukkelijk de aandacht is gevraagd, kan ik niet anders, mocht het Hof deze verwijzing toch doen eindigen in een volledig “overdoen” van alle onderzoek en argumenten en niet thans reeds concluderen, dat met een aan de hand van de door u achtergehouden stukken en een beter inzicht in de wijze waarop u geprocedeerd heeft, “verbeterde” afwijzing van al uw verzoeken en zo niet alsnog de niet ontvankelijkheid, althans tot vrijspraak concludeert, dan alsnog verzoeken de betreffende kapiteins en overige bemanningsleden van de betreffende schepen, die tezamen met de AM in de haven van Buchanan hebben gelegen als getuigen op te doen roepen.” 32. Het hof heeft de zo-even genoemde terechtzitting van 21 en 22 december 2010 en 1 februari 2011 aangemerkt als regiezitting. Aldaar heeft de advocaat-generaal op 21 december 2010 het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van deze zitting gehechte “Aantekeningen van de zijde van het openbaar ministerie ten behoeve van de regiezitting d.d. 21 december 2010”, die, voor zover voor de beoordeling van het middel (en met vernummering van de voetnoten en weglating van vindplaatsen in die voetnoten), het volgende inhouden: “V Onderzoekswensen van de zijde van de verdediging [..] C. Overige onderzoekswensen — bemanningsleden van “andere schepen” Tenslotte verzoekt de verdediging de kapiteins en overige bemanningsleden van schepen te horen, die tegelijk met de Antarctic Mariner in de haven van Buchanan hebben gelegen, omtrent het reilen en zeilen in de haven van Buchanan en meer specifiek hoe aldaar met de Antarctic Mariner werd omgegaan. Nu zijn in het dossier meerdere verklaringen te vinden betreffende de gang van zaken in de haven van Buchanan. Over de gang van zaken met betrekking tot de Antarctic Mariner ligt het meer in de rede om verklaringen van bemanningsleden van de Antarctic Mariner te verkrijgen dan van bemanningsleden van andere schepen, van wie het nog maar de vraag is wat zij überhaupt mee hebben gekregen van de werkzaamheden rondom de Antarctic Mariner. Daarom zijn er ook verklaringen van bemanningsleden van de Antarctic Mariner in het dossier te vinden en hebben wij aangekondigd ons niet te zullen verzetten tegen het verhoor van getuige No, indien de verdediging hier wederom om zou verzoeken. Gelet hierop wordt de verdediging in geen enkel belang geschaad indien deze groep personen niet wordt gehoord, reden waarom wij ons verzetten tegen dit verzoek.” 33. Blijkens het meergenoemde proces-verbaal heeft de raadsvrouwe van de verdachte op 22 december 2010 op dezelfde terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde “pleitnotities ten aanzien van de onderzoekswensen”. Deze notities zijn aan het proces-verbaal gehecht en herhalen gedeeltelijk de inhoud van de hiervoor aangehaalde brief van 5 december 2010. Zij behelzen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in het middel bedoelde verzoek: “Een onderzoek naar de “andere schepen”, die tegelijkertijd met de AM in de haven van Buchanan verbleven. De verdediging heeft op enig moment na onderzoek naar de schepen, die ook en soms zelfs tegelijkertijd met de AM in de haven van Buchanan verbleven en dus direct getuige moesten worden geacht van de wijze waarop die haven functioneerde en hoe de AM werd bejegend, aan de hand van de havenlogboeken kunnen vast stellen welke dat waren, van welke rederij en het uiterlijk van deze schepen nagetrokken en heeft al deze resultaten in het dossier gevoegd (deel in PPP) en uiteraard aan het openbaar ministerie overgelegd met het dringend verzoek die rederijen te contacteren en aldus de betreffende kapitein of andere bemanningsleden te traceren, die immers dan ter plaatse moeten hebben kunnen vast stellen, of 's nachts de haven kon worden ingevaren, of er een geleidelicht bestond, of deze haven kon worden afgesloten, werd afgesloten, alle personeel van douane, gezondheidsinspectie, ander personeel werd weggestuurd, gewapende militaire eenheden ter plaatse waren en zelfs in plaats van het betreffende havenpersoneel de AM uitlaadde, de kranen zou bedienen enz. Omdat het openbaar ministerie blijkbaar nog steeds persisteert bij zijn stellingen en zelfs terug wenst te komen op de aanvankelijk vrijspraakeis omtrent het onder B te laste gelegde inzake art 9 WOS ook dus na dat requisitoir waarvan het Hof Den Haag aangaf onder 9.12 ten aanzien van de door de verdediging ingebrachte verklaringen bij voorbeeld van havenautoriteiten en scheeps en havendocumenten: Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep de verklaringen van een aantal getuigen ten grondslag gelegd aan zijn requisitoir dat strekte tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Bij zijn requisitoir is het openbaar ministerie echter niet ingegaan op de waarde die aan deze verklaringen qua betrouwbaarheid zou mogen worden gehecht, hoewel die vraag in de onderhavige zaak bepaald aandacht verdient en daarvoor door de verdediging ook meermalen nadrukkelijk de aandacht is gevraagd, kan ik niet anders, dan alsnog verzoeken de betreffende kapiteins en eerste stuurmannen van de betreffende schepen, die tezamen met de AM in de haven van Buchanan hebben gelegen als getuigen op te doen roepen. Een kopie van het betreffende overzicht met bijlagen treft u in de Hof PPP aan.” 34. De advocaat-generaal heeft daarop als volgt gereageerd (ter terechtzitting): “Hetgeen de raadsvrouwe heeft voorgedragen, was grotendeels terug te vinden in haar schrijven van 5 december 2010. Wij hebben gisteren getracht daar voor het grootste deel op te reageren. Vandaag willen wij alleen reageren op nieuwe zaken. Wij persisteren bij ons schrijven van 17 november 2010, ons schrijven van 15 december 2010 en hetgeen wij gisteren naar voren hebben gebracht.” 35. Het proces-verbaal van voormelde terechtzitting houdt voorts in dat het hof op de door het openbaar ministerie en de verdediging naar voren gebrachte onderzoekwensen heeft beslist. Het hof heeft daarbij onder meer het verzoek van de advocaat-generaal om de haven in Buchanan, “The Loop” in Buchanan, “The Executive Mansion” in Monrovia en “White Flower” in Monrovia opnieuw te schouwen, toegewezen, en zo ook het verzoek van het openbaar ministerie om tien getuigen te (doen) horen. Wat betreft de onderzoekwensen van de verdediging, heeft het hof toewijzend beslist op haar verzoek tot het door het openbaar ministerie laten beantwoorden van ruim honderd vragen en het verzoek tot het horen van vijftien met name genoemde getuigen en in de opsporing ingezette vertrouwenspersonen. Het verzoek van de verdediging om de deskundige Combs te horen werd afgewezen; de raadsheer-commissaris kreeg de opdracht tot het doen opmaken van een rapport door deze deskundige en erop toe te zien dat de verdediging in de gelegenheid zou worden gesteld daaraan voorafgaand vragen op te geven. Het verzoek van de verdediging tot het horen van twee officieren van justitie en een advocaat-generaal is afgewezen op de grond dat het horen van deze functionarissen in beginsel niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering. 36. Het enige andere verzoek van de verdediging tot het (doen) horen van getuigen dat toen is afgewezen, betreft het in het middel bedoelde verzoek. Het hof heeft op dat verzoek als volgt overwogen en beslist: “Het verzoek van de verdediging om de kapiteins en de eerste stuurmannen van de schepen die tegelijkertijd met de Antarctic Mariner in de haven van Buchanan verbleven, wijst het hof af. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Daartoe overweegt het hof, dat mochten deze personen verklaren dat zij niet hebben gezien dat er wapens uit de Antarctic Mariner kwamen, zulks immers nog geen afbreuk kan doen aan het hieromtrent door het openbaar ministerie gestelde.” 37. De verdediging heeft het horen van de bemanning van andere schepen opnieuw aan de orde gesteld op de terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 en op de terechtzitting van 2 juni 2016. Ook bij pleidooi d.d. 24 februari 2017 heeft de raadsvrouwe ervan blijk gegeven nog altijd belang te hechten aan het horen van deze getuigen. Bij het persisteren bij het eerdere verzoek, wordt voornamelijk nadruk gelegd op de door de verdediging verrichte inspanningen ter identificatie van de schepen. Van zelfstandig onderbouwde verzoeken is echter geen sprake. Het hof heeft deze latere verzoeken afgewezen en daarbij volstaan met een korte motivering die erop neerkomt dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. 38. Aangezien het in het middel bedoelde verzoek een getuigenverzoek betreft dat is gedaan in de procedure die in hoger beroep is gevolgd ná verwijzing van de zaak door de Hoge Raad, zijn art. 263, tweede tot en met vijfde lid, Sv en art. 264 Sv van overeenkomstige toepassing. De oproeping van de getuigen is bij brief van 5 december 2010, en derhalve meer dan tien dagen vóór de eerste terechtzitting van 21 december 2010, schriftelijk aan de advocaat-generaal verzocht. Het hof heeft door het criterium van het verdedigingsbelang te hanteren, dan ook de juiste maatstaf toegepast. 39. Het middel en de toelichting daarop klagen echter (uiteraard) niet over de gebruikte maatstaf, maar richten de pijlen op de motivering van ‘s hofs oordeel dat door afwijzing van het op 22 december 2010 ter terechtzitting gedane verzoek het verdedigingsbelang niet wordt geschaad. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof op slechts een gedeelte van de onderbouwing van het verzoek heeft gereageerd, namelijk alleen voor zover deze getuigen mogelijk zouden (kunnen) verklaren niet te hebben waargenomen dat uit de Antarctic Mariner wapens kwamen. Nu echter aan het verzoek ook ten grondslag is gelegd dat deze getuigen zouden kunnen verklaren over – kort gezegd – de situationele omstandigheden in de haven van Buchanan destijds, heeft het hof door het verzoek af te wijzen op voornoemde gronden blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het “niet beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting”, aldus de stellers van het middel. Ten tweede zou hetgeen het hof wél heeft overwogen onjuist althans onbegrijpelijk zijn, nu de verklaringen van de hier bedoelde getuigen wel degelijk van zwaarwegende invloed kunnen zijn op de bewijswaardering, zodat het hof met zijn overwegingen hetzij ervan heeft blijk gegeven zich reeds een oordeel te hebben gevormd omtrent de feitelijke toedracht van het tenlastegelegde, hetzij op de mogelijke inhoud van de getuigenverklaringen is vooruitgelopen. 40. De betekenis in dit verband van de in de toelichting op het middel nog eens herhaalde formulering dat het hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting, is mij niet op slag duidelijk. Deze bewoordingen worden doorgaans gereserveerd voor klachten die inhouden dat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op het gehele onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, dan wel dat het hof in zijn beoordeling feiten en omstandigheden heeft betrokken die niet uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De stellers van het middel hebben ogenschijnlijk veeleer van dat laatste het tegenovergestelde (het spiegelbeeld) op het oog: het hof heeft bepaalde wel ter terechtzitting aangevoerde omstandigheden niet in zijn beoordeling betrokken. Zulks brengt echter niet mee dat het hof buiten de grenzen van het onderzoek ter terechtzitting is getreden. Het hof heeft evenmin verzuimd een beslissing te nemen die het op grond van het onderzoek ter terechtzitting gehouden was te nemen, zodat ik het ervoor houd dat kennelijk met de eerste klacht is beoogd te klagen dat de afwijzende beslissing op het getuigenverzoek onbegrijpelijk is, omdat niet op alle onderdelen van het aan dat verzoek ten grondslag gelegde gemotiveerd zou zijn gerespondeerd. 41. Anders dan de stellers van het middel tot uitgangspunt nemen, ben ik van mening dat met hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet ondubbelzinnig naar voren is gebracht dat de verdediging de bemanningsleden wenste te horen met het oog op de situationele omstandigheden in de haven van Buchanan. De hiervoor in randnummer 31 geciteerde passage uit de brief van 5 december 2010 houdt in de eerste plaats in hoe de verdediging de desbetreffende schepen heeft weten te identificeren en dat op enig eerder moment aan het openbaar ministerie is verzocht de rederijen te contacteren en de opvarenden te traceren, omdat deze getuigen zouden kunnen verklaren over de situatie in de haven. Na drie korte alinea’s over de verzuimen van het openbaar ministerie, volgt dan in de tweede plaats het nieuwe verzoek, waaraan feitelijk enkel ten grondslag wordt gelegd dat het openbaar ministerie in zijn stellingen persisteert en het zelfs wenst terug te komen van een vrijspraakeis. De advocaat-generaal heeft in haar reactie op het verzoek uitvoerig uiteengezet waarom bij het horen van de bemanningsleden van andere schepen met betrekking tot de wijze waarop werd omgegaan met de Antarctic Mariner geen verdedigingsbelang bestaat. Tevens heeft de advocaat-generaal kenbaar gemaakt dat naar haar opvatting over de (algemene) situatie in de haven zich in het procesdossier reeds vele verklaringen bevinden. Op de eerste terechtzitting heeft de verdediging het verzoek aan het hof gericht, maar daarbij niet duidelijk gemaakt waarom in het bijzonder déze getuigen juist over de situationele omstandigheden in de haven belangwekkend zouden kunnen verklaren. 42. Het hof heeft daarop geoordeeld dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek niet in zijn verdediging wordt geschaad. Dat oordeel is voor zover het de situatie in de haven van Buchanan betreft niet nader gemotiveerd. Desondanks acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat: (
- i)het verzoek op dit punt niet ondubbelzinnig naar voren is gebracht; (
- ii)het verzoek op dit punt niet nader is onderbouwd; (iii) de advocaat-generaal met verwijzing naar getuigenverklaringen heeft opgegeven waarom de verdediging bij een nadere omschrijving van de haven van Buchanan door de verzochte getuigen geen belang heeft; (
- iv)de raadsvrouwe in reactie daarop niet heeft aangegeven welk belang juist op dat punt bij getuigenverklaringen zou bestaan; en (
- v)op dezelfde terechtzitting diverse getuigenverzoeken die de verdediging heeft gedaan ten behoeve van de toetsing van de betrouwbaarheid van de belastende getuigen wel door het hof zijn toegewezen en tevens op verzoek van het openbaar ministerie opnieuw een schouw in de haven van Buchanan is gelast. Ten overvloede merk ik op dat in een later stadium van het onderzoek weliswaar opnieuw is aangedrongen op het horen van de bedoelde getuigen, maar daarbij niet is aangevoerd waarom (juist) déze personen ’s hofs voorstelling van de situatie in de haven zouden kunnen wijzigen op punten die voor de beoordeling van de zaak redelijkerwijs van belang zijn en (dus) ook niet is aangevoerd op welke punten de huidige beschikbare informatie tekort zou schieten. 43. De eerste klacht faalt. 44. De tweede klacht luidt dat ‘s hofs overweging dat verklaringen van bemanningsleden van andere schepen over de wijze waarop in de haven van Buchanan met de Antarctic Mariner werd omgegaan geen afbreuk kunnen doen aan de stellingen van het openbaar ministerie onjuist of onbegrijpelijk is. De stellers van het middel zien daarin vooringenomenheid over de feitelijke toedracht van het tenlastegelegde en/of ontoelaatbaar vooruitlopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. Van het één noch het ander is sprake. Het hof heeft zich bij zijn afwijzing verplaatst in de hypothetische situatie dat de bedoelde getuigen zouden verklaren overeenkomstig de stellingen van de verdediging. Het is enkel daarom uitgegaan van het scenario dat deze getuigen inderdaad zouden verklaren niet te hebben gezien dat wapens van de Antarctic Mariner werden gelost. Ook in dat geval zouden naar het oordeel van het hof de stellingen van het openbaar ministerie dat deze uitladingen wél hebben plaatsgevonden niet zijn ontzenuwd. De hypothetische strekking van de overweging brengt mee dat het hof daarmee op de verklaring van de getuigen niet is vooruitgelopen, terwijl de overweging evenmin blijk geeft van vooringenomenheid. Ook overigens is zij niet onbegrijpelijk. 45. De tweede klacht mist doel en daarmee faalt het eerste middel in beide onderdelen. II.3 Het tweede middel 46. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om de scheep(vaart)deskundige Hendrik Bakker als getuige te (doen) horen. 47. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 maart 2011 en 12 april 2011 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “Scheepsdeskundige Bakker van Ameyde shipping Zoals al aangegeven, heeft de verdediging steeds bij gebreke aan betwisting van het openbaar ministerie en gelet op de beslissingen van zelfs de rechtbank en zeker het Hof Den Haag er van uit mogen gaan, dat hetgeen aan hier bedoeld maten en fysieke en logistieke mogelijkheden ten aanzien van de AM, de vaarroute, de maten, de ruimen, de losmomenten, de aankomst en vertrektijden, de haven van Buchanan, de lichten, kranen, kade omstandigheden, daar aanwezige gebouwen, de functie daarvan, de daar werkzame diensten, zoals stuwadoors, loodsen, plaatselijk personeel, douane, Port authority, afwezige hekken, de doorgaande weg, de gehele gang van zaken bij havens op weg naar Buchanan van de AM en de daar uitgevoerde controles enz, als vast staande gegevens werden aangenomen. De heer Bakker is destijds door de rechter-commissaris gehoord en hij heeft nog enkele tekeningen en literatuur, zoals de Port Guidelines van Liberia verstrekt. ook deze zijn nimmer betwist door het openbaar ministerie. Net zoals het openbaar ministerie niet heeft betwist, dat op het moment, dat de AM in de haven van Buchanan lag en zelfs op dezelfde momenten, dat gelost werd, ook andere (vergelijkbaar grote) schepen van allerlei rederijen zich in de haven bevonden en dus direct zicht moeten hebben gehad op de gang van zaken ter plaatse, dus eveneens konden zien of de haven ontruimd zou zijn, kranen werden plotseling werden bediend door allerlei militaire groeperingen, de haven werd gesloten met hekken (die overigens niet bestonden) enz. Uw Hof heeft de aan die schepen verbonden getuigen niet toegewezen. De verdediging vreest met uw uitlatingen als “de beslissing van het Hof Den Haag is van tafel geveegd” en “als niet met deze helikopter, dan toch mogelijk met andere helikopters”, dat het absoluut nodig is, wederom elk fysieke gegeven ter zitting vast te stellen. In dat kader Verzoek ik ter zitting als deskundige te horen dhr. Bakker, scheepsdeskundige.” 48. Voormeld proces-verbaal houdt voorts in dat de raadsvrouwe van de verdachte aldaar in aanvulling op haar pleitnotities nog het volgende ter onderbouwing van dit verzoek heeft aangevoerd: “Bakker zou gehoord moeten worden gezien de uitlatingen van het hof en omdat ik vind dat hij nog meer in detail kan beschrijven, bijvoorbeeld waarom het onmogelijk is de logboeken te vervalsen en dat die logboeken dus de waarheid spreken. Hij verklaarde eerder dat men anders de hele vaarroute zou moeten vervalsen, de logboeken in alle havens. De scheeps- en havenlogboeken zijn namelijk op elkaar geënt en worden eens in de zoveel tijd gecontroleerd door de vlaggenstaten. Bakker kan nog veel meer in detail verklaren. Daarom vind ik het van belang dat hij het hof het scheepswezen waar deze zaak op hangt, namelijk op het bestaan van de Antarctic Mariner en het invoeren van wapens daarmee, nader uitlegt. Het is de kern van deze zaak. Het gaat om de geloofwaardigheid van de verklaringen.” 49. Het hof heeft naar aanleiding van dit verzoek ter terechtzitting van 1 maart 2011 en 12 april 2011 als volgt overwogen en beslist: “Het verzoek om scheepsdeskundige Bakker van Ameyde shipping te horen wijst het hof af. Deze getuige is op 9 mei 2007 in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord. Van de noodzaak tot het thans (opnieuw) horen van deze getuige is niet gebleken.” 50. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek de juiste maatstaf toegepast. Opgekomen wordt tegen voorgemelde motivering en aldus kennelijk tegen de begrijpelijkheid van de beslissing. De motivering schiet volgens de stellers van het middel tekort, omdat het hof zou hebben nagelaten de feitelijke gronden op te geven waarop de afwijzing steunt en omdat het hof slechts zou hebben verwezen naar de omstandigheid dat de getuige eerder is gehoord zonder nader in te gaan op de door de raadsvrouwe aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden. 51. Gelet op de opgegeven redenen voor het verzoek tot het – opnieuw – horen van Bakker als getuige, heeft het hof de afwijzing ervan zonder meer kunnen baseren op de feitelijke omstandigheid dat deze getuige reeds door de rechter-commissaris was gehoord. In wezen komt de onderbouwing van het verzoek er immers op neer dat de verklaring van Bakker voor de nieuwe beoordeling van de betrouwbaarheid van de belastende getuigenverklaringen na verwijzing van de zaak volgens de raadsvrouwe van de verdachte van eminent belang is. Dat het hof het in het eerste middel bedoelde verzoek heeft afgewezen, zou dat belang haars inziens nog groter maken, omdat aan het hof moet worden getoond dat in casu belastende getuigenverklaringen onwaarschijnlijkheden en onmogelijkheden bevatten. Daarvoor kan echter op zichzelf een indringende bestudering van de door Bakker eerder afgelegde verklaring volstaan. Het enkel benadrukken van het belang van een in het procesdossier aanwezige verklaring van een bepaalde persoon, geeft aan het verzoek om deze als getuige te horen uiteraard nog niet de gewenste onderbouwing. Waarom de getuige juist opnieuw en aanvullend zou moeten worden gehoord, is slechts beargumenteerd met de bewering dat Bakker “nog veel meer in detail” kan verklaren. Zo’n lichte stelling maakt, lijkt mij, niet dat het hof door te volstaan met de overweging dat de getuige eerder door de rechter-commissaris is gehoord en de noodzaak tot een (nieuw) verhoor niet is gebleken, zijn beslissing onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. 52. Wellicht ten overvloede merk ik op dat de door Bakker op 9 mei 2007 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring bovendien leert dat het hof van de eerdere verklaring van Bakker niet alleen heeft kennisgenomen, maar daarvan in zijn arrest ook niet in wezenlijke mate is afgeweken. De onderdelen van belastende getuigenverklaringen die in strijd zijn met de verklaring van Bakker, heeft het hof niet of nauwelijks tot het bewijs gebezigd. Het hof is uiteindelijk enkel tot een ander antwoord dan de verdediging gekomen op de vraag of de aan de hand van de verklaring van Bakker te signaleren onvolkomenheden in de verklaringen van belastende getuigen aan de betrouwbaarheid van die getuigenverklaringen voor het overige in de weg staan. Gesteld is niet door de verdediging dat een nieuw verhoor op die vraag een ander licht had kunnen werpen. Ook daarom is het oordeel dat het opnieuw horen van Bakker niet noodzakelijk was, niet onbegrijpelijk en doet de afwijzende beslissing – anders dan in de toelichting op het middel wordt gesuggereerd – niet af aan de eerlijkheid van het strafproces van de verdachte. 53. Het tweede middel faalt. II.4 Het derde middel 54. Het derde middel is gericht tegen de afwijzende beslissingen van het hof op de bij herhaling naar voren gebrachte verzoeken om [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen te (doen) horen. 55. Deze verzoeken zijn door de raadsvrouwe een eerste maal gedaan op de terechtzitting van 5 juli 2011. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft zij het woord gevoerd overeenkomstig de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnotities, die, voor zover hier relevant, het volgende inhouden: “Gelet op de vorenbeschreven gebrekkige gang van zaken ten aanzien van de bepaling van een correcte weergave van de locaties de Loop en de haven in 2000-2003 en de schouwen, verzoekt de verdediging wederom als getuigen alsnog te horen: o [getuige 1] - General Affairs [D] ( Handeling /filling/etc) o [getuige 2] - Account assistant [D] o [getuige 3] - Accountant [D] Deze getuigen werkten op het hoofdkantoor van [D] . De verdediging moge verwijzen naar hun u reeds voor de goede orde gezonden kopieen van hun in het dossier af afgelegde verklaringen en de daarbij behorende plattegrond van het hoofdkantoor en van de loop, de warehouses en de [D] organisation chart.” 56. Het proces-verbaal van deze terechtzitting vermeldt voorts als beslissing van het hof: “Voor zover het verzoek om de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] te horen als zelfstandig, niet met de schouw verwant, verzoek moet worden aangemerkt, is het hof van oordeel dat van de noodzaak tot het horen van deze personen thans onvoldoende is gebleken, in het bijzonder gelet op het feit dat de schouw nog niet heeft plaatsgevonden en de resultaten hiervan derhalve thans nog niet bekend zijn. Het verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.” 57. Op de terechtzitting van 30 november 2012 en 13 december 2012 heeft de verdediging het woord gevoerd overeenkomstig een aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte brief d.d. 25 november 2012, die onder meer de volgende inhoud bevat: “Ter zitting van 9 september 2011 heeft u de getuigen [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] , de eerste werkten in de accountancy, de laatste betreffende de inklaring en alle werkzaam in het tijdens de schouw bezichtigde kantoor in de Loop 1, afgewezen in afwachting van de schouw. Juist gelet op de naar de overtuiging van de verdediging met die schouw en het opvoeren van de kwaliteit aan de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] en straks te produceren 380 graden beelden door het openbaar ministerie mede gelet op het hardnekkig negeren van objectieveerbare beelden en gegevens uit de betreffende periode 2000-2003 en het kennelijk tot op vandaag door het openbaar ministerie negeren van de kennelijke leugenachtigheid van haar getuigen, door het openbaar ministerie beoogde doen verrijzen van een niet juist beeld van de feitelijke situatie van de Loop en de haven, meent de verdediging dat alsnog deze getuigen als immers direct daar werkend voor [D] te horen, met name omtrent de functie en gebruik van de specifieke gebouwen en plaatsen en containers. De getuige [getuige 1] kan dan tevens worden gehoord omtrent de gang van zaken met de bill of ladings en de toepasselijke controles op de inhoud van de containers.” 58. Het hof heeft op dit verzoek ter terechtzitting het volgende overwogen en beslist: “Voorts heeft de raadsvrouw het hof ter vaststelling van de situatie in de Loop en de haven van Buchanan verzocht: [..]- [getuige 3] , [getuige 1] , [getuige 2] en de voormalig Amerikaanse ambassadeur Blaney als getuigen te horen. Het hof wijst deze verzoeken af, nu het hof de noodzaak hiervan ten behoeve van enige door het hof te nemen beslissing thans niet is gebleken. Er heeft immers in juli 2012 een schouw plaatsgevonden van de Loop en de haven van Buchanan, terwijl het hof nog in afwachting is van de resultaten van deze schouw.” 59. Op de terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 heeft de raadsvrouwe doen weten alle tot dat moment nog niet toegewezen en/of gehoorde getuigen te willen horen. In het proces-verbaal is onder meer gerelateerd: “Ik blijf bij mijn verzoek op pagina 17 van mijn brief onder punt 4 om alle toegewezen getuigen die nog niet zijn gehoord en alle afgewezen getuigen alsnog te horen. Ik kan niet anders, want als ik niet bij dat verzoek bleef zou ik een slechte raadsman zijn, vind ik. De verdediging heeft voortdurend gevraagd, kan het openbaar ministerie erkennen bijvoorbeeld dat vaststaat dat [getuige 6] het heeft over hevige gevechten die er niet waren. Dat gebeurt niet. Vervolgens moet de verdediging. Dat is die hele analyse van wat er heeft plaatsgevonden aan getuigenverhoren en nog moet plaatsvinden. We hebben zelfs aangegeven wat het belang van die getuigen was. Ik heb daarbij met name aangegeven dat wat nog moest gebeuren met name rond de verkrijging van die getuigen.” 60. De raadsvrouwe van de verdachte doelt kennelijk op de brief van haar hand gedateerd 13 oktober 2014, ingekomen bij het hof op 21 oktober 2014, waarvan de voorzitter blijkens het proces-verbaal van laatstgenoemde terechtzitting heeft meegedeeld dat deze aan het procesdossier is toegevoegd. Deze brief bevindt zich inderdaad in cassatie onder de stukken van het geding en houdt – voor zover van belang – het volgende in: “4. Overige voor de verdediging van fundamenteel verdedigingsbelang zijnde relevante doch nog niet gehoorde getuigen en onderzoekswensen en die de verdediging u bij deze verzoekt alsnog toe te wijzen in het kader van de daar reeds genoemde verdedigingsbelangen en de door uw hof te nemen beslissingen betreffende de ontvankelijkheid, de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding ex art 6 EVRM. Het betreft daarbij. a. Getuigen die door uw Hof zijn toegewezen, doch nog niet gehoord.De verdediging verwijst naar de lijst, zoals deze in het kader van het geeindigdverklaringsverzoek is bijgevoegd en ook u al is gezonden in kopie. b. Getuigen, die door uw hof tot op heden nog niet zijn toegewezen, doch wel al eerder door de verdediging zijn verzocht (prod 4).De verdediging verwijst naar de bijgaande lijst van die getuigenverzoeken en verwijst voorts naar het per zitting opgestelde overzicht, waarbij nog eveneens werd verzocht niet met naam genoemde getuigen, die uw hof tot op heden eveneens had afgewezen en die thans in prod 5 worden genoemd. c. Overige getuigen en onderzoekswensen, die uw Hof tot op heden heeft afgewezen (prod 5). De verdediging verwijst naar bijgaande lijst van de betreffende onderzoekswensen, die per zitting zijn omschreven door de verdediging doch tot op heden door u werden afgewezen in het kennelijke licht van resultaten van wel toegewezen te verrichten onderzoek, dat echter tot op heden niet heeft plaats gevonden en voorzienbaar ook niet meer zal kunnen plaats vinden. [..]” 61. Uit de onderliggende gedingstukken blijkt dat de in de brief genoemde bijgaande lijsten de in het middel bedoelde getuigen vermelden. 62. Het hof heeft ter terechtzitting van 17 november 2014 het verzoek als volgt samengevat en afgewezen: “Voorts heeft de raadsvrouw verzocht alsnog toe te wijzen: - getuigen die door het hof tot op heden nog niet zijn toegewezen, maar wel al eerder door de verdediging zijn verzocht; - overige getuigen en onderzoekswensen, die het hof tot op heden heeft afgewezen. Gelet op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd ter onderbouwing van dit verzoek, zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die nopen tot een andere beslissing op de verzochte getuigen en onderzoekswensen. Aangezien daarvan ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af onder verwijzing naar de eerdere beslissingen van het hof met betrekking tot deze getuigen en onderzoekswensen.” 63. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 februari 2017 vermeldt dat de raadsvrouwe overeenkomstig haar aan het hof overgelegde pleitaantekeningen het woord heeft gevoerd. Voor zover van belang, houden deze aantekeningen het volgende in: “De verdediging verzoekt u voorts alsnog als getuigen te horen: - [getuige 1] - general affairs handeling - filling clearing containers - [getuige 3] - financial controller - [getuige 2] - assistant account department Deze drie, werkend destijds in de administratie van [D] dienen alsnog te worden gehoord omtrent de opbouw van het bedrijf, concessies, kamp, gebruik haven, functies van o.a. cliënten dus de feitelijke achtergrond van de door het openbaar ministerie door middel van kennelijk leugenachtige getuigen gepresenteerde vermeende werkelijkheid met name ook het weerleggen van de door [getuige 27] en [W.] afgelegde verklaringen, die kennelijk in onderling verband en invloed van derden in strijd met de werkelijkheid hebben verklaard. Weliswaar bestaan van hen affidavits en heeft u de gehele geschiedenis van Liberia, in uitklapvorm en PP en geografie en feiten rond haven en bedrijf en concessies in beeld en in documenten en getuigenverklaringen, doch ik weet niet of u anders dan het Hof Den haag door het op enkele derden geronselde “gevaarlijke former fighters” hoe fysiek onmogelijk ook hun verhalen zijn, wel als bewijsmateriaal wenst te gebruiken.” 64. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsvrouwe in aanvulling op haar pleitaantekeningen en volgens de door de griffier in de pleitaantekeningen aangebrachte nummering over de hiervoor weergegeven verzoeken nog het volgende aangevoerd: “Ik heb eerder gevraagd deze getuigen te horen over de gang van zaken met betrekking tot [D] en [C] . Zij hebben ooit verklaringen afgelegd en kaartjes getekend. Onder meer hebben zij verklaard over [W.] en het eerste schip dat binnenkwam. Al dat materiaal zegt wat wel en niet heeft bestaan. Het openbaar ministerie heeft daar nimmer op gereageerd. De ingeleverde analyses zijn nooit betwist, maar het openbaar ministerie heeft ook niet gezegd wat wel waar zou zijn. Het is als eenzijdig tegen een muur praten. De beslissing is aan het hof. Omdat ik niet weet wat het hof denkt en omdat de verdediging voortdurend geconfronteerd is geweest met de afwezigheid van [W.] , heeft de verdediging gemeend dat het nodig is om deze drie getuigen te horen.” 65. Op dit verzoek heeft de advocaat-generaal op dezelfde zitting van 6 februari 2017 als volgt gereageerd: “De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn twee keer eerder verzocht door de verdediging. Het hof heeft het verzoek om hen te horen twee maal afgewezen. Nu worden ze gevraagd met een iets andere onderbouwing. Zij zouden moeten worden gehoord omtrent de opbouw van het bedrijf, de concessies, het personeel, de kampen, de haven, functies et cetera. De raadsvrouw somde zelf ook al een hele lijst van stukken die zich in het dossier bevinden op die betrekking hebben op juist die onderwerpen. Gelet op het moment waarop deze getuigen nu met een andere onderbouwing worden gevraagd en alles wat er al in het dossier zit omtrent deze onderwerpen, zien wij de noodzaak niet om deze getuigen op dit moment te horen. Het dossier zit al vol met stukken die kunnen bijdragen aan opheldering van onderwerpen die door de raadsvrouw ter onderbouwing worden aangedragen.” 66. Het hof heeft op het verzoek als volgt beslist: “De raadsvrouw heeft verzocht [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen te horen omtrent de opbouw van [D] , concessies, personeel, kampen, het gebruik van de haven en de functies van onder andere verdachte. Het hof acht zich hierover op grond van hetgeen zich thans in het dossier bevindt voldoende voorgelicht. Het hof is de noodzaak van het horen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] derhalve niet gebleken, zodat het hof dit verzoek afwijst.” 67. Over ’s hofs toepassing van het noodzakelijkheidscriterium wordt opnieuw (en wederom terecht) niet geklaagd. Het middel heeft hoofdzakelijk betrekking op de (juistheid
- en)begrijpelijkheid van de beslissing van het hof op het ter terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 verwoorde verzoek (zie randnummers 59 tot en met 61). Bij zijn afwijzende beslissing (zie randnummer 62) heeft het hof verwezen naar de eerdere beslissingen die het heeft uitgesproken op de terechtzittingen van 5 juli 2011 en 30 november en 13 december 2013 (hierna: de eerdere verzoeken). Voor deze eerdere afwijzende beslissingen is in het bijzonder als reden genoemd dat de resultaten van de schouw in Liberia moesten worden afgewacht. Ten tijde van ’s hofs beslissing op de terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 waren deze resultaten hem inmiddels bekend. “Reeds hierom” is de afwijzing onbegrijpelijk gemotiveerd, zo menen de stellers van het middel. 68. Gezien de verwijzing in de toelichting op het middel naar HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9343, NJ 2007/625, m.nt. Mevis gaan de stellers van het middel er kennelijk van uit dat het hof ten tijde van de eerdere verzoeken waaraan het bij zijn beslissing van 17 november 2014 heeft gerefereerd, zich onvoldoende geïnformeerd heeft geacht om die verzoeken te kunnen toewijzen. In het in de schriftuur genoemde arrest uit 2007 besliste de Hoge Raad dat het niet in de rede ligt dat de rechter ingeval hij ten tijde van een regiezitting over onvoldoende gegevens meent te beschikken om een verantwoorde beslissing op een dergelijk verzoek te geven, niettemin toch in voorlopige zin een dergelijk verzoek afwijst. Het verdient dan de voorkeur dat de rechter de beslissing op het verzoek aanhoudt. Als het hof had bedoeld de eerdere verzoeken in voorlopige zin af te wijzen omdat het zich onvoldoende geïnformeerd achtte om deze toe te wijzen, dan zou een verwijzing naar die eerdere beslissingen de bestreden beslissing wellicht niet kunnen dragen. Verdedigbaar is dat dan nadere motivering zou behoeven waarom op de terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 nog steeds niet voldoende informatie beschikbaar was om tot toewijzing van het getuigenverzoek te komen. 69. Ik zie echter geen aanleiding om aan te nemen dat het hof het vorenbedoelde arrest van de Hoge Raad terzijde heeft geschoven en op de door de Hoge Raad gelaakte wijze in voorlopige zin heeft beslist. Uit zijn beslissingen blijkt dat het hof zich ten tijde van de eerdere verzoeken voldoende geïnformeerd heeft geacht om verantwoord en definitief op deze verzoeken te kunnen beslissen zoals het heeft gedaan. In die beslissingen van het hof ligt aldus niet besloten dat de resultaten van de schouw nodig waren om tot een verantwoorde beslissing op de verzoeken te komen, doch dat het hof ervan uitgaat dat de resultaten van de schouw het hof zodanig zullen voorlichten over de onderwerpen ter zake waarvan de verdediging [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] wenste te horen, dat hun verhoor als getuigen niet noodzakelijk is. Na het plaatsvinden van de schouw en het bekend worden van de resultaten daarvan, heeft het hof overwogen dat er geen nieuwe gegevens zijn (aangevoerd) die nopen tot een ander oordeel. In deze motivering ligt besloten dat het hof het in het licht van de resultaten van de schouw niet noodzakelijk acht de bedoelde getuigen alsnog te horen. Dat oordeel is derhalve geheel in overeenstemming met de eerdere beslissingen van het hof en de verwijzingen daarnaar zijn niet onbegrijpelijk. Ook overigens behoefde dat oordeel geen nadere motivering, nu de verdediging op de terechtzitting van 29 oktober en 17 november 2014 slechts het uitvoerige, maar niet substantieel onderbouwde verzoek heeft gedaan alle getuigen ten aanzien waarvan het hof in voor de verdediging negatieve zin had beslist, alsnog te horen. Een onderbouwing waarom juist [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] naar aanleiding van de schouw of in aanvulling daarop zouden moeten worden gehoord, ontbreekt. Tot een nadere motivering van zijn beslissing was het hof dan ook niet gehouden. 70. Het middel klaagt voorts over de begrijpelijkheid van de beslissing op het verzoek van 6 februari 2017. De toelichting op het middel wekt de indruk dat deze klacht uitsluitend is bedoeld om te voorkomen dat de Hoge Raad de aangevoerde onbegrijpelijkheid van ‘s hofs beslissing van 17 november 2014 repareert met de motivering die het hof heeft gegeven in reactie op het verzoek van 6 februari 2017. In zoverre behoeft de klacht geen bespreking, aangezien de beslissing van het hof van 17 november 2014 geen reparatie vergt. Voor zover over de beslissing van het hof van 6 februari 2017 ook zelfstandig wordt geklaagd, faalt die klacht eveneens. Hetgeen de verdediging ter onderbouwing van dat verzoek heeft aangevoerd, is hiervoor reeds genoemd in de randnummers 63 en 64. Daarin stelt de verdediging in feite zelf dat alle benodigde informatie zich in het dossier bevindt, maar dat de verdediging niet kan inschatten of het hof deze informatie wel op de (in de optiek van de verdediging) juiste wijze zal waarderen. In dat licht bezien, en gelet op het stadium waarin de procedure zich toen bevond, acht ik het oordeel van het hof dat het zich op deze onderwerpen reeds voldoende voorgelicht achtte en dat dienvolgens de noodzaak tot het horen van deze getuigen ontbreekt, niet onbegrijpelijk. Dat het hof in het bestreden arrest uiteindelijk tot een andere waardering van het getuigenbewijs is gekomen dan de raadsvrouwe, maakt dat niet anders. Daarbij komt nog dat het hof de verklaringen van de in de onderbouwing van het verzoek (meermalen) genoemde belastende getuige [W.] uiteindelijk niet voor het bewijs heeft gebruikt. 71. De niet onderbouwde stelling dat het hof met de afwijzing van de verzoeken tot het horen van deze getuigen het recht van de verdachte op een eerlijk proces heeft veronachtzaamd, kan ik niet volgen. 72. Het derde middel faalt. III. De middelen vier tot en met zes: verzuimen te reageren op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten III.1 Aan de middelen vier tot en met zes voorafgaande opmerkingen 73. De middelen vier en vijf, en de tweede klacht van het zesde middel behelzen elk in de kern dat het hof heeft verzuimd te reageren op een bewijsverweer. 74. Alhoewel de stellers van de middelen niet telkens met zoveel woorden benoemen welke wetsbepaling daardoor zou zijn geschonden, neem ik steeds aan dat niet-naleving van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv wordt betoogd. Sinds de invoering van die bepaling moet de rechter zijn bewijsbeslissing nader motiveren indien hij daarbij afwijkt van door of namens de verdachte “uitdrukkelijk onderbouwde standpunten”. 75. Niet ieder ingenomen standpunt noopt tot nadere motivering. Wil het ingenomen standpunt een verplichting tot een gemotiveerde respons scheppen, dan zal het moeten voldoen aan hoge eisen: het standpunt dient duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te worden gebracht. Of hetgeen is aangevoerd aan deze eisen voldoet en aldus als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden aangemerkt, is primair een oordeel dat is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie kan dat oordeel slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Cassatieklachten die inhouden dat de rechter heeft verzuimd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te responderen, hebben eerst dán kans van slagen indien hetgeen is aangevoerd “bezwaarlijk anders kan worden verstaan” dan als zo een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. 76. De mate waarin de feitenrechter de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient te motiveren, laat zich niet in algemene regels vatten. Wel heeft de Hoge Raad vanaf de invoering van deze motiveringsplicht beklemtoond dat het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv geen wijziging brengt in de vrijheid van de over de feiten oordelende rechter ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal. Die selectie en waardering zal wel in sommige gevallen nader moeten worden gemotiveerd. Bij de bepaling van de omvang van die plicht komt onder meer betekenis toe aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp en aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. In elk geval gaat de motiveringsverplichting niet zo ver dat op ieder detail van de argumentatie dient te worden ingegaan. 77. De ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv voorgeschreven motiveringsplicht neemt bovendien niet weg dat de nadere motivering van de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de bestreden uitspraak reeds besloten kan liggen, en dat tevens het geval zich kan voordoen dat het verzuim van zodanig ondergeschikte betekenis is dat het niet tot nietigheid van de uitspraak hoeft te leiden. Laat de rechter evenwel in het geheel na op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te reageren, terwijl de verwerping daarvan niet impliciet in het bestreden arrest besloten ligt en het ook geen punt van zodanig ondergeschikt belang betreft dat het hof daaraan zonder nadere motivering voorbij mocht gaan, dan zal dat verzuim krachtens art. 359, achtste lid, Sv doorgaans de nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg hebben. 78. Voor aan de Hoge Raad voor te leggen motiveringsklachten geldt in het algemeen dat in de cassatieschriftuur met bepaaldheid en precisie moet worden vermeld welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Deze eis brengt tevens en meer in het bijzonder met zich dat indien een cassatieklacht is gebaseerd op in feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(
- en)van die stellingen in de stukken van het geding behoort te vermelden. Een cassatiemiddel dat aanstuurt op schending van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zal dan ook voldoende precies moeten aanduiden op welk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt gedoeld. 79. De vraag ligt voor of de stellers van de middelen dit vereiste bij de formulering van het vierde tot en met het zesde middel ter harte hebben genomen. Uitvoerig wordt in de toelichtingen op de middelen geciteerd uit de pleitaantekeningen van de raadsvrouwe, die zij bij haar ter terechtzitting van 24 februari 2017 gehouden pleidooi, respectievelijk bij dupliek van 17 maart 2017 heeft voorgedragen. Het betreft een 205 pagina's tellend pleidooi en een dupliek die 66 pagina's beslaat. Beide zijn voorzien van omvangrijke bijlagen. 80. Over de opbouw van het pleidooi kort het volgende. In het bestreden arrest onder C.1 heeft het hof overwogen dat “de raad[s]vrouw [..] een omvangrijk verweer naar voren [heeft] gebracht (pagina’s 17-108 van de pleitnota), dat uiteenvalt in diverse onderdelen en losse kritiekpunten en waaraan primair de conclusie is verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging dient te worden verklaard.” Klaarblijkelijk heeft het hof het op pagina 17 tot en met 108 van het pleidooi aangevoerde begrepen als te zijn gericht op toepassing van art. 359a Sv, althans op het verbinden van rechtsgevolgen aan de handelwijze van politie en openbaar ministerie in het vooronderzoek (en zelfs ter terechtzitting). Deze, in beginsel aan de feitenrechter voorbehouden, uitleg van hetgeen is aangevoerd, acht ik zonder meer begrijpelijk. Alhoewel de raadsvrouwe in dit gedeelte van het pleidooi regelmatig te spreken komt over allerlei andere onderwerpen, luidt, zo begrijp ik, het verwijt in wezen dat de opsporings- en vervolgingsautoriteiten bij hun optreden vele steken hebben laten vallen. Door de bank genomen wordt aangestuurd op het aan dat laakbare optreden verbinden van strafvorderlijke consequenties. Bij ’s hofs uitleg van het pleidooi sluiten bovendien aan de door de verdediging op pagina 17 van het pleidooi aangebrachte tussenkop “Ik verzoek u het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren, althans het door het openbaar ministerie verzamelde materiaal, althans delen daarvan uit te sluiten van het bewijs en cliënt hoe dan ook vrij te spreken van al het ten laste gelegde”, de op bladzijde 108 weergegeven conclusie “Ik verzoek u het openbaar ministerie derhalve primair niet ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging, althans alle materiaal uit te sluiten van het bewijs en cliënt vrij te spreken, op de gronden zoals betoogd.” en de daaropvolgende nieuwe tussenkop “Ten aanzien inhoudelijk van de ten laste gelegde feiten.” De eerste 17 pagina’s van het pleidooi hebben betrekking op de toepassing van de Liberiaanse amnestiewet (zie daarover mijn bespreking van middel 30) en op het ontbreken van rechtsmacht ter zake van de tenlastegelegde feiten (zie daarover de bestreden uitspraak onder A.3 en volgende). Deze opbouw van het pleidooi brengt mijns inziens mee dat eerst hetgeen door de verdediging vanaf pagina 108 van het pleidooi naar voren is gebracht door het hof als op de bewijsbaarheid van de feiten gericht verweer moest worden begrepen. III.2 Het vierde middel 81. Het vierde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het verweer dat de verklaringen van belastende getuigen over wapenleveranties via de haven van Buchanan onjuist en onbetrouwbaar zijn, gelet op onderzoeken van de VN, verklaringen van (onder meer) Charles Taylor, militairen en de Amerikaanse militaire attaché Ferguson, die alle erop zouden wijzen dat wapenleveranties aan het regime van Charles Taylor uitsluitend door middel van vliegtuigen plaatsvonden. 82. Ter onderbouwing van de stelling dat inderdaad een bewijsverweer van de in het middel beschreven strekking is gevoerd dat tevens als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt had moeten worden aangemerkt, wordt in de toelichting op het middel uitgebreid uit de pleitaantekeningen van de raadsvrouwe geput. Een aanzienlijk deel daarvan is afkomstig van de pagina’s 29 tot en met 53 en kan derhalve reeds om de hiervoor in randnummer 80 genoemde reden aan het middel geen steun bieden. Ook (meer) materieel beschouwd, betreffen het overigens hoofdzakelijk betogen in het kader van de vraag of het openbaar ministerie wel op goede gronden een strafvorderlijk onderzoek naar de verdachte is gestart. 83. De overige in de toelichting op het middel weergegeven passages uit de pleitaantekeningen van 24 februari 2017, zijn afkomstig van de pagina’s 136, 180, 201-202 en (opnieuw) 180-181 van het pleidooi en zijn als volgt in de cassatieschriftuur aangehaald: “[..]Een van die vooral in het begin van de procedure hardnekkige beschuldigingen van het openbaar ministerie betroffen betalingen betreffende een boot, die een civiele boot betrof, maar door het openbaar ministerie stug als een soort wapenconnectie werd gepresenteerd. De VN had al lang vast gesteld dat die beschuldiging ongegrond was na dat te hebben uitgezocht. Helaas moest ook die onschuld nogmaals in deze procedure worden aangetoond. () De deskundige van de VN Callemand: stelt “wel heb ik de baas van [D] ontmoet in Monrovia. Dat was [betrokkene 1] . Hij heeft zich gepresenteerd aan mij en ook gedragen als baas van [D] .. [verdachte] heb ik...nooit ontmoet. Ik weet wel van zijn bestaan. Ik weet niet wat zijn functie is bij [D] . Art Blundell, eveneens VN deskundige, tegenover de rechter-commissaris stelt: [verdachte] functie is mij niet geheel duidelijk... ik weet niet of hij de dagelijkse leiding had. Hij bleef in Buchanan, hij ging niet naar het woud, ook niet toen ik daar heen ging. Bovendien stelt hij Ik begreep dat [betrokkene 1] degene was die de ware beslissingen nam over de houtkap. () Vast staat, dat nimmer en ook niet bij inspecties van de VN enig wapen is aangetroffen. Niet aan boord, niet bij cliënt. Niets. () Met andere woorden indien al geen wapens zijn binnen gekomen, hoe moet cliënt deze waar dan ook, al of niet als enige blanke aan enig front of niet bestaand kamp/oefenterrein deze hebben uitgedeeld. U weet, dat in geen enkel rapport van geen enkele ngo of Buza rappoortage of VN organisatie wordt gesproken over enige [D] of [C] militie of enige blanke zakenman die ten strijde trok. Ongetwijfeld omdat deze niet bestond. Ik herinner u nog aan hetgeen in de VN rapportage staat over de logica in deze in het UN rapport S/2003/498 Onder punt 104 geeft het Panel aan: "in het geval van Liberia is het onwaarschijnlijk dat er op dit moment veel wapens het land inkomen over zee en wel om de navolgende redenen: - de vraag naar wapens is relatief klein en er zijn weinig signalen, dat er zwaar wapentuig wordt ingezet. Dat hebben wij ook kunnen vast stellen bij de inventarisatielijsten van het disarmementprogram! - Snelle aflevering door de lucht geeft minder kans op ontdekking omdat de vervoerstijd kort is - Bij luchtvracht is het eenvoudiger om de route en de afleveringstijd te wijzigen - Omdat de tijdspanne tussen aankomst, lossen en vertrek bij vliegtuigen kort is, is de kans op ontdekking kleiner. Onder 105 geeft het Panel aan geen bewijs voor wapeninvoer dmv van houtschepen te hebben gevonden. () Ferguson, verbonden aan de militaire attaché van de Amerikaanse ambassade in Liberia, geeft aan tegenover de rechter-commissaris, dat [betrokkene 1] degene is geweest met wie hij contact had, dat dat de persoon was, die de dagelijkse leiding had, zelfs als de general manager [betrokkene 2] aanwezig was en dat cliënt slechts degene was die de concessie [C] had ingebracht en hij hem slechts bij de lunch en diner ontmoette.” 84. Deze door de stellers van het middel onder elkaar geplaatste onderdelen van het pleidooi, staan (als gezegd) in de tekst van de pleitnotities ver uit elkaar. In de pleitnotities wordt een verband tussen die onderdelen niet op andere wijze, bijvoorbeeld door kruisverwijzingen, gemarkeerd. Dat is op zichzelf reeds een sterke reden dat het hof de opgeworpen punten niet als een geïntegreerd betoog, dat wil zeggen als één duidelijk en samenhangend standpunt, behoefde te begrijpen. Maar daarbij komt dan nog, dat ook inhoudelijk enig verband ertussen bepaald niet inzichtelijk wordt gemaakt. 85. Hetgeen in de cassatieschriftuur is overgenomen uit de pleitnotities van de raadsvrouwe van 17 maart 2017 bevindt zich in deze pleitnotities onder de tussenkop “De VN rapporten en de rest, de verdenking, de fatale gevolgen van de onderzoeks en proceshouding van het openbaar ministerie en nog even weer [getuige 16] .” Onder dat paragraafhoofd wordt onder meer ingegaan op een VN-rapport dat inhoudt dat wapeninvoer over zee niet bevestigd kan worden, maar luchttransporten wel zijn vastgesteld. De raadsvrouwe heeft het echter tevens over andere onderwerpen, zoals de rapporten van de VN en Global Witness die aanleiding zijn geweest voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Bepleit wordt dat “op kwaad gerucht” een onderzoek is gestart, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden. De paragraaf uit de dupliek waaruit geciteerd wordt eindigt met de volgende, eveneens in de cassatieschriftuur opgenomen slotzin: “Het openbaar ministerie blijft gewoon blind de werkelijkheid ontkennen en onderzoek daarnaar [..] vermijden.” Ondubbelzinnig lijkt mij deze conclusie niet, en zeker niet voor zover daarin een bewijsverweer zou moeten worden gelezen. 86. Kortom, de in de toelichting op het middel aangehaalde onderdelen uit het ter terechtzitting gevoerde verweer staan in tekstueel opzicht ver van elkaar verwijderd, zien op verschillende van de in art. 348 en art. 350 Sv beschreven vragen, hebben geen evident inhoudelijk verband en zijn noch afzonderlijk noch gezamenlijk voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Het kennelijk oordeel van het hof dat het in het middel bedoelde verweer geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is waarop het ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv was gehouden te reageren, acht ik dan ook zonder meer begrijpelijk. 87. Het vierde middel faalt. III.3 Het vijfde middel 88. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de haven van Buchanan niet is en niet kon worden gebruikt voor de invoer van wapens, onder meer omdat deze haven niet (door middel van een hek en/of door militairen) afsluitbaar was en het feitelijk onmogelijk was in die haven een schip te ontladen zonder dat een groot aantal derden daarvan getuige zou zijn geweest. 89. Vooropgesteld moet worden dat het hof in het bestreden arrest heeft vastgesteld dat via de haven van Buchanan door middel van het schip de Antarctic Mariner wapens zijn ingevoerd. De veroordeling van de verdachte voor de tenlastegelegde feiten 4 en 5 berust daarop, terwijl één en ander tevens een belangrijke pijler is waarop de veroordeling voor medeplichtigheid aan het medeplegen van oorlogsmisdrijven steunt (feiten 1A, 2A en 3A, telkens meer subsidiair). 90. Over de door de verdediging gestelde feitelijke onmogelijkheid om de haven van Buchanan af te sluiten en/of aldaar onzichtbaar voor derden wapens uit een schip te laden, heeft het hof in zijn arrest niets overwogen. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden niet in dat de haven werd afgezet of afgesloten voorafgaand aan het uitladen van wapens, noch dat daarbij gebruik werd gemaakt van hekken. 91. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin Sv. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, vanwege het navolgende: (
- i)De uit de pleitaantekeningen van het pleidooi en de dupliek geciteerde passages vormen ook nu geen aaneengesloten geheel. Het gaat om citaten uit de pagina’s 25, 26, 29, 38, 49, 92, 168, 170, 189, 199-200 en 204 van het pleidooi en bladzijden 35-39 en 53-54 van de dupliek. Dat wijst erop dat de vertogen die volgens de stellers van het middel nu als één verweer moeten worden beschouwd, ter terechtzitting in hoger beroep van elkaar zijn gescheiden door korte en lange andere betogen. De onderliggende pleitaantekeningen bevestigen dit. Daarin zijn de geciteerde passages niet als één duidelijk en samenhangend geheel te herkennen; (
- ii)De geciteerde passages vormen inhoudelijk geen coherent betoog. Sommige onderdelen ervan hebben betrekking op de afsluitbaarheid van de haven, op de aanwezigheid van inspectiediensten aldaar, op andere schepen waarop zich getuigen zouden hebben bevonden en op de aanwezigheid van geleidelichten. Andere onderdelen zien evenwel bijvoorbeeld op de weigering van het openbaar ministerie om in een eerder stadium van het geding de logboeken van de Antarctic Mariner in ontvangst te nemen, op de onwaarde van de verklaring van de getuige [getuige 7] en op de onmogelijkheid ’s nachts aan te meren; (iii) Nog daargelaten dat het door mij hiervoor in randnummer 80 over de structuur van het pleidooi vooropgestelde reeds meebrengt dat het hof de stukken uit de pleitnotities die zich vóór pagina 108 bevinden niet als een bewijsverweer behoefde op te vatten, blijkt ook bij bestudering van de inhoud van het geciteerde dat het doel waarmee de in het middel bedoelde feiten en omstandigheden in de betogen van de verdediging zijn verwerkt, sterk uiteenloopt. De afsluitbaarheid van de haven of de aanwezigheid van een hek respectievelijk van militairen is veelal bedoeld als illustratie of onderbouwing van een meeromvattend verweer, maar de aard van dat verweer is onbestendig. Zo worden de in het middel bedoelde feiten en omstandigheden (afkomstig van het pleidooi van 24 februari 2017) onder meer aangegrepen om aan de kaak te stellen dat het openbaar ministerie “de techniek [heeft] gevolgd van het opschrijven van hetgeen een door derden geronselde getuige zei, daarbij niet door te vragen naar enige bron van wetenschap” (p. 25 e.v.), dat het openbaar ministerie nimmer zelfstandig onderzoek in de zaak heeft verricht (p. 49), en dat de politie heeft verzuimd aan getuigen bepaalde cruciale vragen te stellen (p. 92 e.v.). Maar in andere passages lijkt het vooral te doen te zijn om de bewijswaarde van de afsluitbaarheid van de haven, en wordt de stelling dat afsluiting van de haven onmogelijk was, opgevoerd als afzonderlijk uit onderzoek door de verdediging verkregen ontlastend bewijsmateriaal (p. 199 e.v.) of ter onderbouwing van het bestaan van “aperte tegenstrijdigheden” tussen getuigenverklaringen (p. 200-201). Ook in dupliek worden deze feiten en omstandigheden aangevoerd om te illustreren dat de haven er geheel anders uitzag dan de getuigen ‘van’ het openbaar ministerie beweren (p. 35); (
- iv)Het hiervoor onder (iii) opgemerkte brengt reeds mee dat het in het middel bedoelde standpunt niet is voorzien van één ondubbelzinnige conclusie. Daarnaast zijn de afzonderlijke passages die betrekking hebben op de onmogelijkheid via de haven heimelijk wapens in te voeren niet voorzien van een eigen, afzonderlijke (ondubbelzinnige) conclusie. Het gevolg dat door het hof had moeten worden verbonden aan hetgeen is aangevoerd, blijft daardoor in het ongewisse. De in de toelichting op het middel geciteerde slotpassage uit het pleidooi van 24 februari 2017 (p. 204, vgl. ook p. 36, p. 101), waarin de raadsvrouwe het hof ter afsluiting van haar breedvoerige pleidooi in het algemeen verzoekt “het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren, althans alle bewijs, althans gedeeltelijk uit te sluiten, althans hoe dan ook cliënt bij gebreke aan wettig maar vooral overtuigend bewijs vrij te spreken van het te laste gelegde”, is naar mijn mening in dit geval op zichzelf ook niet een voldoende ondubbelzinnige conclusie om het standpunt als “uitdrukkelijk onderbouwd” te kwalificeren en daarmee een op art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gebaseerde responsieplicht in het leven te roepen. 92. Het kennelijke oordeel van het hof dat het in het middel bedoelde verweer geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv acht ik derhalve zonder meer begrijpelijk. 93. Het vijfde middel faalt. III.4 Het zesde middel 94. Het zesde middel valt in twee klachten uiteen. De eerste klaagt over de afwijzing van het verzoek het openbaar ministerie op te dragen ervoor te zorgen dat het de door UNMIL/ECOMIL en VN-organen verzamelde onderzoeksresultaten over bij [D] gehouden inspectiereizen en controles zou verkrijgen. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. 95. De eerste klacht heeft betrekking op verzoeken tot nader onderzoek gedaan op de als regiezitting aangemerkte terechtzitting van het hof van 30 november en 13 december 2012. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt onder meer in dat de raadsvrouwe van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van een door haar aan het hof toegezonden en aan het proces-verbaal gehechte brief van 25 november 2012. 96. De op pagina 6 van deze brief geformuleerde, in het middel bedoelde verzoeken heeft het hof op dezelfde terechtzitting van 13 december 2012 als volgt samengevat en afgewezen: “De raadsvrouw heeft het hof verzocht: - het openbaar ministerie met de VN contact te doen opnemen teneinde hun onderzoeksresultaten te verkrijgen ten aanzien van de inspectiereizen en controles om deze te kunnen inbrengen in de onderhavige procedure; - het openbaar ministerie op te dragen de bij de UNMIL/ECOMIL en VN-organen verzamelde onderzoeksresultaten betreffende [D] op te vragen en in het dossier te voegen of ter inzage aan de verdediging te verstrekken ter selectie ten behoeve van het dossier; - het openbaar ministerie op te dragen onderzoek te doen naar de personen, bedrijven of instanties verbonden aan de kant van de verkoop of verscheping van goederen die met de Antarctic Mariner in de periode 2000-2003 zijn verzonden naar [D] en in de haven van Buchanan zijn aangekomen en uitgeladen. Gelet op hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht, is het hof de noodzaak hiervan niet gebleken, zodat het hof deze verzoeken afwijst. Daartoe overweegt het hof dat de antwoorden niet van belang kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing.” 97. Het betreft hier telkens een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 en art. 415 Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheden genoemd in art. 315 Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is het noodzakelijkheidscriterium. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf toegepast. 98. Echt verstevigd wordt de eerste klacht niet. De toelichting op het middel houdt slechts in dat ’s hofs motivering van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of onbegrijpelijk is, omdat het resultaat van door of op last van de VN in de haven van Buchanan uitgevoerde, specifiek op de eventuele aanwezigheid van wapens in de Antarctic Mariner en/of die haven gerichte inspecties “wel degelijk van belang kan zijn voor de weging van het tegen de verdachte aanwezige bewijs”. 99. De stellers van het middel zijn het met de (motivering van) de beslissing van het hof kennelijk niet eens. Niet geconcretiseerd is evenwel in welk opzicht de beslissing en de motivering daarvan onbegrijpelijk zouden zijn. Naar het mij voorkomt voldoet de klacht daarmee niet aan de eis dat met bepaaldheid en precisie wordt aangegeven welke beslissing ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk is en waarom. 100. Ook als daarover anders wordt gedacht, acht ik overigens het oordeel van het hof dat de noodzaak tot de verzochte onderzoekhandelingen niet is gebleken, niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen in de brief is aangevoerd en daaraan ter terechtzitting door de advocaat-generaal en de raadsvrouwe is toegevoegd. 101. De eerste klacht faalt. 102. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, in de woorden van de stellers van het middel inhoudend “dat (verkort zakelijk weergegeven) belastende verklaringen ten aanzien van de aanvoer van wapens door middel van de Antarctic Mariner onjuist en onbetrouwbaar zijn gelet op de omstandigheden dat: uit objectieve gegevens als logboeken van het schip, havenlogboeken en verklaringen van de gehoorde kapiteins/bemanningsleden niet vastgesteld is dat wapens ooit in het schip zijn geladen; het schip een waarde had van vele miljoenen; het schip geheel andere ladingen heeft vervoerd; de reizen van het schip georganiseerd zijn door de eigenaar van het schip; de eigenaar een zeer grote onderneming is met 80.000 werknemers; onaannemelijk is dat personen met kisten met daarin 50-300 wapens op hun rug met een trapje vanuit het ruim door een luik konden klimmen; wapens dan weer los, dan weer in rijstzakken of in dozen of in kisten in het ruim werden vervoerd.” 103. Deze klacht is tot falen gedoemd om meer dan één reden. Reeds de weergave in de cassatieschriftuur van het ‘standpunt’ verraadt dat van één, aan de hoge eisen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt beantwoordend verweer geen sprake is. De ter toelichting op de deelklacht in de schriftuur weergegeven betogen van de raadsvrouwe blijken bij lezing ervan inderdaad geen duidelijke en samenhangende eenheid te vormen. Van een betoog dat bezwaarlijk anders dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden opgevat, is dan ook geen sprake en wel vanwege dezelfde soort gebreken als bij de bespreking van het vierde en het vijfde middel ten aanzien van de daar bedoelde standpunten zijn geconstateerd. Reeds daarom is de tweede klacht niet doeltreffend. 104. Daarnaast meen ik dat het hof, alhoewel het geen afzonderlijke overweging aan het aangevoerde heeft gewijd, in de kern wel degelijk op de bezwaren van de verdediging heeft gerespondeerd. Een aantal van de in de toelichting op het middel als onderbouwing van het ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunt’ gepresenteerde onmogelijkheden en onwaarschijnlijkheden in de verklaringen van belastende getuigen, zijn door het hof niet voor het bewijs gebruikt en dus ook kennelijk niet voor waar of voldoende betrouwbaar aangenomen. Dat onaannemelijk is dat iemand kisten met tientallen vuurwapens op zijn rug een trap op draagt, heeft het hof ongetwijfeld wel willen onderschrijven, evenals de stelling van de verdediging dat men zonder communicatiehulpmiddelen tussen ruim en dek van de Antarctic Mariner niet eenvoudig kan communiceren. In zoverre is het hof van het standpunt dan ook niet afgeweken. Voorts heeft het hof – zoals hierna voorafgaand aan het negende middel nog uitgebreider aan bod komt – te kennen gegeven deze en andere door de verdediging gesignaleerde discrepanties en onmogelijkheden in de verklaringen van belastende getuigen te hebben gezien, maar daardoor niet aan de betrouwbaarheid van de essentie van die verklaringen te twijfelen. Daarmee is op de hoofdlijn van het door de verdediging gevoerde verweer gerespondeerd, terwijl het hof als gezegd niet gehouden was op elk detail van de redenering afzonderlijk in te gaan. 105. De tweede klacht mist eveneens doel, zodat het zesde middel in beide onderdelen faalt. IV. Het zevende middel: het ondervragingsrecht 106. Het zevende middel klaagt in samenhang met de toelichting daarop en naar de kern bezien over het oordeel van het hof dat de beperkingen in de mogelijkheden van de verdediging om de door haar gewenste getuigen te ondervragen niet kunnen leiden tot bewijsuitsluiting. De stellers van het middel doelen daarbij op (kort gezegd) het ‘beletten van vragen’ door de rechter-commissaris en/of de raadsheer-commissaris. Daarnaast, en naar ik begrijp in het verlengde daarvan, komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat het gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in art. 187b, eerste lid, Sv door een rechter-commissaris en/of raadsheer-commissaris niet ter beoordeling van het hof stond. 107. Alhoewel in de toelichting op het middel de ter terechtzitting door de verdediging geuite kritiek op het verloop van het voorbereidend onderzoek nog eens voor het voetlicht wordt gebracht en ook de overwegingen die het hof daaraan in de bestreden uitspraak onder C.3 en C.3.1 heeft gewijd zijn opgenomen in de schriftuur, klaagt het middel – als ik het goed zie – niet over ’s hofs afwijzing van het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Wel wordt allereerst opgekomen tegen de afwijzing van het beroep op bewijsuitsluiting wegens schending van het ondervragingsrecht. Het bedoelde verweer heeft het hof onder E.4. als volgt samengevat en verworpen: “E.4 Overige verweren strekkende tot bewijsuitsluiting Voorts heeft de verdediging verzocht om verklaringen van diverse met naam genoemde getuigen uit te sluiten van het bewijs en in dat kader (onder meer) verwezen naar (in haar ogen) feitelijke onjuistheden of onmogelijkheden van in die verklaringen gestelde feiten en op inconsistenties in achtereenvolgens door een bepaalde getuige afgelegde verklaringen. In een enkel geval heeft de raadsvrouw gesteld dat de getuige niet afdoende kon worden ondervraagd door de verdediging. E.4.1 Afwijzing verzoeken strekkende tot bewijsuitsluiting Het hof verwijst naar hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de juistheid en betrouwbaarheid van getuigenverklaringen (zie onder L en L.1). Het hof heeft op grond het onderzoek ter terechtzitting en overziende de inhoud van het gehele dossier en in het bijzonder de inhoud van de getuigenverklaringen een afdoende beeld gekregen om te kunnen oordelen over de (on)betrouwbaarheid en juistheid van de (delen van
- de)verklaringen van getuigen. Een aantal getuigenverklaringen is niet tot het bewijs gebezigd, juist vanwege een gebrek aan betrouwbaarheid of redengevendheid. Enkele inconsistenties of onjuistheden geven het hof echter nog geen reden om steeds de gehele verklaring van een getuige uit te sluiten. De diverse keren opgeworpen suggesties van sturing van het onderzoek door derden en instructies door derden, die van invloed zouden zijn op de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Voor zover het verweer op de stelling berust dat het ontbreken van een adequate gelegenheid tot het ondervragen van een belastende getuige ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot bewijsuitsluiting zou dienen te leiden, wordt het verweer reeds verworpen, omdat deze stelling geen steun vindt in het recht. Van het bewijs dient wel te worden uitgesloten een in het vooronderzoek afgelegde en de verdachte belastende verklaring van een getuige, indien deze getuige door de verdediging niet adequaat is kunnen worden ondervraagd en die belastende verklaring van de getuige voor het bewijs van beslissende betekenis is geweest (“solely and decisive”) of, anders gezegd, die in onvoldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal. Echter, van geen enkel(
- e)(deel van
- de)getuigenverklaring - voor zover deze tot het bewijs worden gebezigd - kan worden gesteld dat (dat deel van) die verklaring op zichzelf staat, nu deze telkens op zich voldoende bevestiging vinden in de inhoud van overige gebezigde bewijsmiddelen. Het hof verwerpt bijgevolg de verweren strekkende tot uitsluiting van het bewijs.” 108. Bij de beoordeling van een op schending van het ondervragingsrecht toegesneden cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Aan de hand van de rechtspraak van het EHRM ter zake van de genoemde bepaling heeft de Hoge Raad in arresten van 4 juli 2017 uitgelegd hoe de Nederlandse rechter de bruikbaarheid voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht behoort te beoordelen. Uit de Straatsburgse rechtspraak leidt de Hoge Raad af dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid er niet aan in de weg staat dat een door de desbetreffende getuige afgelegde verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. Daaraan is in het bijzonder voldaan wanneer de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel indien het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van de getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. Of de bewezenverklaring in beslissende mate berust op de verklaring van de getuige, hangt af van de mate waarin die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. De steun dient betrekking te hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring. Het gewicht van de verklaring van de getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel, is daarbij mede bepalend. Voor de toetsing in cassatie van het rechterlijk oordeel dat de verklaring voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal kan voorts de voor dat oordeel gegeven motivering nog van belang zijn. Dienaangaande heeft de Hoge Raad tevens opgemerkt dat een op de betrouwbaarheid van de getuige toegespitste overweging op zichzelf ontoereikend is. 109. Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de stelling dat het ontbreken van een adequate gelegenheid tot het ondervragen van een belastende getuige ingevolge art. 359a Sv tot bewijsuitsluiting dient te leiden, geen steun vindt in het recht, faalt het. De rechtsopvatting van het hof is namelijk juist. Het gaat hier per slot van rekening om het (vermeende) verzuim de verdachte in de gelegenheid te stellen een getuige te ondervragen. Dat verzuim kan zich pas ter terechtzitting voordoen, wanneer aldaar niet tot een (nieuw) verhoor van de getuige wordt besloten. Art. 359a Sv strekt zich evenwel uitsluitend uit over in het voorbereidend onderzoek (als bedoeld in art. 132 Sv) begane vormverzuimen. 110. In de toelichting op het middel wordt het oordeel van het hof tevens aangevallen, voor zover het inhoudt dat van géén van de belastende getuigenverklaringen kan worden gezegd dat deze beslissend (‘sole or decisive’) in