Zaaknr: 17/04328 mr. W.L. Valk Zitting: 8 juni 2018 Conclusie inzake: [eiser] tegen Theodoor Gilissen Bankiers N.V. Partijen worden hierna verkort aangeduid als respectievelijk of de bank. Deze zaak betreft de (inmiddels beëindigde) vermogensbeheerovereenkomst tussen [eiser] en Theodoor Gilissen. Centraal staat in het principaal beroep de omvang van de stelplicht van de klant met betrekking tot schade die hij heeft geleden omdat buiten het door hem aan de bank verleende ‘mandaat’ is belegd en in het incidenteel beroep de omvang van dat mandaat. 1Feiten en procesverloop 1.
(2)het verwijt dat Theodoor Gilissen buiten het verstrekte ‘mandaat’ heeft belegd in alternatieve beleggingen (hedge funds en feeder funds). In rechtsoverweging 3.2 bespreekt het hof eerstbedoeld verwijt en daartegen richt zich het cassatieberoep niet. Dat beroep richt zich wel tegen rechtsoverweging 3.3, die uitsluitend het laatstbedoelde verwijt betreft. Wat het hof heeft overwogen komt erop neer dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht omtrent de door hem als gevolg van de tekortkoming geleden schade. Daartegenover wijst [eiser] op hetgeen hij bij inleidende dagvaarding onder 124-126 heeft aangevoerd. Daar is het volgende te lezen: ‘Schade 124. [eiser] heeft aanzienlijke schade geleden als gevolg van de handelwijze van TGB. [eiser] dient in de positie te worden gebracht alsof de fout van TGB niet zou hebben plaatsgevonden. De positie waarin [eiser] zou hebben verkeerd zonder de fout van TGB dient te worden vastgesteld met behulp van een abstracte schadeberekening. Dat betekent dat aan de hand van een benchmark zal moeten worden bepaald in welke positie [eiser] zou hebben verkeerd indien TGB geen fout zou hebben gemaakt. Deze methode van schadeberekening is in overeenstemming met vaste rechtspraak over dit onderwerp. 125. De schade van [eiser] dient te worden begroot door de waarde van de portefeuilles vanaf 1 oktober 2005 te vergelijken met een benchmark. Deze benchmark bestaat, in overeenstemming met de brief van TGB van 30 augustus 2005, voor 20% uit zakelijke waarden en voor 80% uit vastrentende waarden. Als benchmark voor zakelijke waarden dient de MSCI World te worden genomen. Dit is de meest gangbare benchmark voor aandelenbeleggingen wereldwijd. Als benchmark voor vastrentende waarden dient de Barclays Global Aggregate Bond Index te worden gebruikt. Dit is een goed gespreide en wereldwijd gebruikte benchmark voor obligaties. 126. Op basis van deze uitgangspunten en rekening gehouden met stortingen en onttrekkingen, heeft de modelportefeuille het aanzienlijk beter gedaan dan de daadwerkelijke portefeuilles van cliënt. Voor wat betreft de beheerportefeuille bedraagt het verschil € 208.387,57, voor wat betreft de adviesportefeuille bedraagt het verschil € 584.293,91 (productie 20). Hierbij is uitgegaan van een schadeperiode tot en met het tweede kwartaal van 2009.’ 2.6. Wie vervolgens productie 20 opslaat, vindt daar inderdaad een berekening die uitkomt op de in de inleidende dagvaarding onder 126 genoemde bedragen. Uit de berekening, die als startpunt 1 oktober 2005 neemt en als eindpunt 30 juni 2009, blijkt intussen dat als benchmark is gehanteerd 50% MSCI World en 50% Barclays Global Aggregate Bond Index. Ik zocht vergeefs naar een verklaring voor dit verschil tussen de berekening en de verantwoording daarvan in de inleidende dagvaarding onder 125. 2.7. Wat valt hier nu van te zeggen? Heeft het hof deze berekening inderdaad ten onrechte links laten liggen? 2.8. Vooraf merk ik op dat rechtbank, hof en partijen met het begrip ‘mandaat’ klaarblijkelijk op het oog hebben het geheel van de tussen partijen geldende afspraken omtrent het te voeren beleggingsbeleid. In dat verband komt het niet alleen aan op de inhoud van de oorspronkelijke vermogensbeheerovereenkomst (hiervoor onder 1.1.2), maar ook op hetgeen nadien zich tussen partijen heeft voorgedaan, alles in het licht van de Haviltexmaatstaf, dus van hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hebben mogen begrijpen en verwachten. Vanaf het begin hielden de door partijen gemaakte afspraken in dat voor het overgrote deel in zakelijke waarden zou worden belegd en slechts zeer beperkt of niet in vastrentende waarden (vergelijk hiervoor onder 1.1.2 en 1.1.3). Een beperkte bijstelling van de afspraken volgt uit de brief van Theodoor Gilissen van 3 december 2002 (hiervoor onder 1.1.6). Vanaf dat moment zou worden belegd in 20% obligaties en/of liquiditeiten en 80% aandelen. Vervolgens is door Theodoor Gilissen in augustus 2005 nog wel een wezenlijke wijziging van het beleggingsbeleid voorgesteld, met een wisseling van een offensief beleggingsprofiel naar een defensief of gematigd defensief profiel, maar [eiser] heeft dat voorstel niet geaccepteerd (hiervoor onder 1.1.10). 2.9. Kortom, op 1 oktober 2005 (het door [eiser] gekozen startpunt) gold een mandaat – ik volg nu de door het hof en partijen gebruikte terminologie – dat uitging van een offensief beleggingsprofiel van 20% obligaties en/of liquiditeiten en 80% aandelen (zie hiervoor onder 1.1.6). Die 20-80 is een geheel andere verhouding dan genoemd in de door het onderdeel aangeduide passage van de inleidende dagvaarding (80-20) en ook anders dan die van productie 20 (50-50). Eerst vanaf 2007 is door Theodor Gilissen belegd in hedge funds en feeder funds. Ook wat betreft het startpunt van de berekening (1 oktober 2005) als zodanig bestaat er dus geen enkele aansluiting met een tekortkoming erin bestaande dat Theodor Gilissen het bij haar in beheer zijnde vermogen van [eiser] mede in zogenaamde alternatieve beleggingen heeft belegd. 2.10. Gelet op een en ander kunnen de in subonderdeel 1.1 aangehaalde stellingen van [eiser], evenmin als de daarbij behorende berekening, niet meebrengen dat ’s hofs oordeel dat [eiser] geen enkel aanknopingspunt heeft verschaft voor de bepaling van de financiële positie waarin hij zou hebben verkeerd als Theodoor Gilissen de beheerportefeuille steeds had ingericht conform het mandaat, onbegrijpelijk is. Een zodanige bepaling veronderstelt immers – zoals het hof met het slot van de tweede volzin van rechtsoverweging 3.3 ook aanduidt – een vergelijking van het feitelijk behaalde beleggingsresultaat (in de relevante periode) met een belegging in overeenstemming met het mandaat (in diezelfde periode). 2.11. Ik zeg het nog wat anders. Klaarblijkelijk heeft het hof de bedoelde stellingen en berekening opgevat als betrekking hebbend op schade als gevolg van de andere hiervoor onder 2.5 omschreven tekortkoming, namelijk schending van de zorgplicht. Die lezing lag alleszins voor de hand. Ervan uitgaande dat meer indringende waarschuwingen van Theodoor Gilissen [eiser] zouden hebben gebracht tot een keuze voor een defensief of gematigd defensief beleggingsprofiel, past daarbij wél een vergelijking met een benchmark die uitgaat van 80% obligaties en/of liquiditeiten en 20% aandelen of 50% obligaties en/of liquiditeiten en 50% aandelen vanaf een datum ruim voor 2007. Ook de verwijzing in de inleidende dagvaarding onder 125 naar de brief van Theodoor Gilissen van 30 augustus 2005 (hiervoor onder 1.1.10 weergegeven) gaf het hof (alle) aanleiding tot de bedoelde lezing. De stellingen van [eiser] omtrent de zorgplicht van de Theodoor Gilissen komen er immers op neer dat de bank eerder en meer indringend een min of meer defensief beleggingsprofiel had moeten adviseren. Daarbij past dat [eiser] het zijns inziens te late en niet voldoende indringend gepresenteerde advies van 30 augustus 2005 tot uitgangspunt nam van zijn berekening van de schade als gevolg van de beweerde schending van de zorgplicht. 2.12. ’ ’s Hofs oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook niet onjuist in het licht van de devolutieve werking van het appel. De positieve zijde van de devolutieve werking heeft uiteraard alleen betrekking op stellingen uit de eerste aanleg die ter zake doende zijn. Subonderdeel 1.1 treft geen doel. 2.13. Subonderdeel 1.2 mist feitelijke grondslag. Ik zie geen enkele aanleiding om in het arrest van het hof te lezen dat schade niet aan de hand van een benchmark vastgesteld kan worden. In plaats daarvan heeft het hof geoordeeld dat door [eiser] geen aanknopingspunten zijn verschaft voor een vaststelling van schade die uitgaat van het juiste uitgangspunt (dus vergelijkend met een belegging conform het mandaat). 2.14. Onder 2 betoogt [eiser] dat het oordeel van het hof dat [eiser] onvoldoende heeft weersproken dat alleen op de beleggingen in het Factor Credit Value Fund verlies is geleden, rechtens onjuist of onbegrijpelijk is. Het hof heeft daarmee bovendien miskend dat feiten die zijn gesteld door [eiser] en door Theodoor Gilissen niet zijn bestreden, vast staan ingevolge art. 149 Rv. Tot zover de eerste alinea van het onderdeel. In de daarop volgende alinea’s werkt [eiser] deze klachten uit met vermelding van vindplaatsen in de inleidende dagvaarding en de conclusie van antwoord. 2.15. Het onderdeel kan reeds geen doel treffen omdat het een overweging ten overvloede betreft. Zoals voldoende duidelijk is uit de formulering van de laatste volzin van rechtsoverweging 3.3 (let op de woorden ‘ook gelet op…’) heeft het hof het ontbreken van een aanknopingspunt voor een bepaling van de financiële positie waarin [eiser] zou hebben verkeerd als Theodoor Gilissen de beheerportefeuille steeds had ingericht conform het mandaat, als een zelfstandige grond voor afwijzing gebezigd. 2.16. Ten overvloede nog het volgende. De steller van het middel leunt zwaar op (
- i)stellingen in de inleidende dagvaarding onder 106 omtrent dalingen in de waarde van alternatieve beleggingen in de tweede helft van 2008 en (
- ii)de hiervoor reeds besproken berekening over de periode van 1 oktober 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2009. In het licht daarvan zou de stelling van Theodoor Gillissen waaraan het hof refereert, namelijk dat alleen op de beleggingen in het Factor Credit Value Fund verlies is geleden, geen behoorlijke betwisting inhouden van de stellingen van [eiser] omtrent ter zake van alternatieve beleggingen geleden schade. De sub i bedoelde stellingen betreffen echter slechts een korte periode en zeggen bovendien niets over de te maken vergelijking, namelijk met wat wel toegelaten beleggingen in dezelfde relevante periode deden. De sub ii bedoelde berekening gaat uit van een incorrect beleggingsprofiel en heeft een aanzienlijk te vroeg ingangstijdstip (vergelijk hiervoor onder 2.7). In dat licht dunkt mij allerminst onjuist of onbegrijpelijk dat het hof niet als vaststaand heeft aangenomen dat [eiser] ter zake van alternatieve beleggingen schade heeft geleden. Dat het hof wél heeft aangenomen dat [eiser] niet heeft weersproken dat alleen op de beleggingen in het Factor Credit Value Fund verlies is geleden, dunkt mij in hetzelfde licht evenmin onjuist of onbegrijpelijk. 2.17. Onderdeel 3 behelst een voortbouwklacht, die deelt in het lot van de onderdelen 1 en 2. 2.18. De slotsom is dat alle klachten in het principaal beroep falen. Ik geeft uw Raad in overweging om de zaak met toepassing van art. 81 Wet RO af te doen. 3Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel 3.1. De voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld, is dat het principaal cassatieberoep op enig punt slaagt. Uit het voorgaande volgt dat ik meen dat die voorwaarde niet is vervuld. Ten overvloede zal ik toch iets over het enige onderdeel van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep zeggen. 3.2. Ook dat onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 3.3 van het arrest van het hof (hiervoor onder 2.1 geciteerd). Theodoor Gilissen stelt dat het oordeel van het hof dat Theodoor Gilissen buiten het in 2002 overeengekomen mandaat heeft belegd, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Theodoor Gilissen heeft in feitelijke instanties betoogd dat zij ingevolge de beheerovereenkomst van 7 november 1997, in combinatie met bijlage 2 daarbij, binnen het aan haar verstrekte mandaat zelf de beleggingen kiest die geschikt zijn om het beleggingsdoel te realiseren. [eiser] heeft alleen een opmerking van fiscale aard gemaakt, maar geen beperkingen gesteld aan de effecten of categorieën van effecten die onder het beheermandaat mogen worden gekocht. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom dit betoog door het hof is verworpen. Indien en voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat partijen in 2002 een mandaat zijn overeengekomen dat verschilde van het mandaat in 1997, is dat oordeel onbegrijpelijk, of is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het hof de feitelijke grondslag van de vordering van [eiser] aangevuld. Geen van partijen heeft gesteld dat in 2002 een nieuw, beperkter mandaat is overeengekomen en daarover is door het hof ook niets vastgesteld. [eiser] heeft in hoger beroep naar aanleiding van hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 heeft overwogen, niet gesteld dat de bank een in 2002 overeengekomen mandaat heeft overschreden, maar dat Theodoor Gilissen jegens hem een informatieplicht zou hebben geschonden, en niet zelfstandig defensiever en zonder alternatieve beleggingen is gaan beleggen. Voor zover het hof met de verwijzing naar 2002 zou doelen op de brief van de bank aan [eiser] van 3 december 2002 is dit oordeel bovendien onbegrijpelijk, omdat die brief niet kan dienen als motivering van een oordeel dat in 2002 een nieuw mandaat is overeengekomen. De brief ging daar niet over, maar ging over een risicoprofiel, zodat het hof dan ten onrechte de feitelijke grondslag heeft aangevuld. [eiser] heeft niet gesteld dat daarin een nieuw mandaat is neergelegd en Theodoor Gilissen heeft gesteld dat zij in die brief heeft bevestigd dat [eiser] hetzelfde beleggingsrisico wilde kopen, welk betoog wordt ondersteund door de bewoordingen van de brief. Het in de brief genoemde profiel van 20% obligaties en/of liquiditeiten en 80% aandelen paste ook binnen de in 1997 overeengekomen bandbreedte. In elk geval kon het hof uit het enkele feit dat de brief alleen over obligaties en/of liquiditeiten en aandelen wordt gesproken, en niet expliciet over hedge funds en feeder funds, niet zonder nadere motivering oordelen dat in 2002 een nieuw mandaat is overeengekomen waaronder het beleggen in hedge funds en feeder funds niet viel. Nu het hof er niet vanuit kan gaan dat in 2002 een nieuw mandaat is overeengekomen en Theodoor Gilissen onderbouwd heeft betoogd dat zij bevoegd was te beleggen in hedge funds en feeder funds, kon het hof niet zonder nadere motivering een uitleg geven aan de brief van 2002 die erop neerkomt dat een mandaat is overeengekomen waaronder het beleggen in hedge funds en feeder funds niet viel. 3.3. Ik meen dat een of meer van deze klachten terecht worden voorgesteld. Ik licht dat kort toe. 3.4. [eiser] heeft in feitelijke instanties gesteld, kort samengevat, dat Theodoor Gilissen vanaf 2007 in toenemende mate alternatieve beleggingen heeft opgenomen in de beheerportefeuille, dat de alternatieve beleggingen blijkens informatie op de website van de AFM en lagere rechtspraak risicovol zijn, dat [eiser] geen kennis van en ervaring met alternatieve beleggingen had en dit ook aan Theodoor Gilissen heeft laten weten, alsmede dat de bank hem had moeten informeren over de kenmerken van alternatieve beleggingen. Ik ben niet geneigd in de stellingen van [eiser] te lezen dat het overeengekomen beleggingsbeleid (‘mandaat’) inhield dat niet in alternatieve beleggingen mocht worden belegd. Het lijkt erop dat [eiser] zich enkel op het standpunt heeft gesteld dat Theodoor Gilissen hem beter over de risico’s van alternatieve beleggingen had moeten informeren. 3.5. Theodoor Gilissen heeft naar aanleiding van de stellingen van [eiser] kort samengevat aangevoerd dat zij gelet op de beheerovereenkomst en de daarbij behorende bijlage 2 bevoegd was zelf de soort beleggingen te kiezen omdat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid beperkingen te stellen aan de soort financiële instrumenten die onder het beheermandaat mogen worden gekocht, dat gelet hierop – anders dan in de beleggingsadviesrelatie – een informatie- en waarschuwingsplicht ten aanzien van alternatieve beleggingen niet aan de orde was, en dat alternatieve beleggingen niet meer risico in zich herbergen dan andere. 3.6. In het licht van dit debat dunkt mij inderdaad onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd ’s hofs oordeel dat de belegging in alternatieve beleggingen plaatsvond ‘buiten het in 2002 overeengekomen mandaat’. Het is allerminst vanzelfsprekend dat die stelling kan worden gelezen in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd. Bovendien heeft Theodoor Gilissen gemotiveerd betoogd dat alternatieve beleggingen wel binnen het overeengekomen beleggingsbeleid (het ‘mandaat’) vielen. ’s Hofs oordeel behoefde in ieder geval (nadere) motivering, die ontbreekt. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vergelijk het arrest van het hof van 6 juni 2017 onder 2.3 (
- i)tot en met (xix). Vergelijk Asser/De Serière 2-IV 2018/771. Waarmee het hof klaarblijkelijk doelt op de conclusie van antwoord onder 104. Niet alleen hegde funds en feeder funds deden het in de tweede helft van 2008 slecht. Ter vergelijking: de hoogste stand van de AEX-index in de tweede helft van 2008 was op 1 juli 2008, namelijk 424,21 punten; de laagste stand was op 24 november 2008, namelijk 220,12. Zo in het onderdeel al de zelfstandige klacht valt te lezen dat onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft weersproken dat alleen op de beleggingen in het Factor Credit Value Fund verlies is geleden, dat wil zeggen afgezien van klacht dat omgekeerd Theodoor Gillissen de stellingen van [eiser] onvoldoende had betwist en dat het hof die stellingen daarom als vaststaand diende aan te merken. Inleidende dagvaarding onder 20-21, 61-62 en 103-104; memorie van grieven onder 2.3.3-2.3.7, 4.4.3, 4.4.16-4.4.22. Conclusie van antwoord onder 101-106 en memorie van antwoord onder 31 en 57.