Zaaknr: 17/03117 mr. W.L. Valk Zitting: 15 juni 2018 Conclusie inzake: 1. Sundio Group B.V. 2. Rotterdam Leisure Holding B.V. tegen 1. [verweerster 1] 2. Bitt Holding B.V. Partijen worden hierna verkort aangeduid als Deze zaak betreft een aandelenoverdracht tussen [verweersters] (verkopers) en Sundio c.s. (kopers). Kern van het geschil is de uitleg van artikel 4 Share Purchase Agreement (SPA) omtrent de vaststelling van de definitieve koopprijs en de daarbij te hanteren grondslagen. Verder is aan de orde (
(3)op principes van het jaarrekeningenrecht die eensdeels niet bepalend kunnen zijn voor de juiste uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen en anderdeels reeds zijn verdisconteerd in de correcties op jaarrekening 1 op basis van het onderzoek van de deskundige. Juist is dat een aanbod tot tegenbewijs niet behoeft te worden gespecificeerd, maar dat betekent niet dat de rechter die over de feiten oordeelt een partij tot tegenbewijs dient toe te laten zo vaak als hij anders beslist dan die partij heeft bepleit. 2.13. Ik vermeld naar aanleiding van onderdeel 2 ten overvloede nog dat uit het rapport van de deskundige blijkt dat hem van de zijde van Sundio c.s. is meegedeeld dat de administratie over het boekjaar 2005/2006 van Travel Trex niet meer (volledig) beschikbaar is omdat de back-up tapes waren overschreven. Hij spreekt daar zijn bevreemding over uit tegen de achtergrond van de wettelijke bewaartermijn en het geschil tussen partijen. Dat riep bij mij de vraag op hoe het verder zou moeten indien – anders dan waarvoor mijns inziens grond is, zie hiervoor – overeenkomstig het standpunt van Sundio c.s. jaarrekening 2 in plaats van jaarrekening 1 tussen partijen bepalend zou zijn. Het valt te betwijfelen of in dat geval [verweersters] een faire kans hebben gehad, dan wel in het geding na verwijzing alsnog kan worden geboden, met betrekking tot hún bezwaren tegen jaarrekening 2. Dat EY niet over een nacht ijs is gegaan, zoals Sundio c.s. aanvoeren, wil ik graag aannemen, maar is in dit verband uiteraard niet voldoende. In het licht van een en ander acht ik de keuze van rechtbank en hof om jaarrekening 1 tot uitgangspunt te nemen en met correcties op die jaarrekening te volstaan, te meer invoelbaar. 2.14. Onderdeel 2 treft geen doel. 2.15. Onderdeel 3 richt zich tegen rechtsoverweging 3.14 tot en met 3.17. Deze rechtsoverwegingen luiden: ‘3.14 Nu vast staat dat Verkopers op 19 mei 2007 een op jaarrekening 1 gebaseerde berekening van de definitieve koopprijs aan Kopers hebben gestuurd en zij hen vervolgens op 13 juni 2007 ook de door EY gecontroleerde en goedgekeurde jaarrekening 1 hebben gestuurd, is de in artikel 4.2.3 bedoelde termijn van 4 weken op 13 juni 2017 gaan lopen en waren Kopers in beginsel gehouden om binnen die termijn hun eventuele bezwaren tegen de op jaarrekening 1 gebaseerde door Verkopers opgestelde berekening van de definitieve koopprijs kenbaar te maken. Grieven 1 en 2 falen. 3.15 Met grieven 3 tot en met 7 komen Kopers op tegen de oordelen van de rechtbank in het vonnis van 4 november 2015 dat de omstandigheid dat de mede door Verkopers opgestelde jaarrekening 1 op onderdelen onjuist is meebrengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien Verkopers desondanks jegens Kopers met succes een beroep zouden kunnen doen op de in artikel 4.2.3 SPA opgenomen bezwaartermijn, dat zulks ertoe moet leiden dat die termijn in zoverre moet worden ‘opgerekt’ dat ook de met het rapport van PWC van 3 december 2007 opgeworpen bezwaren geacht moeten worden tijdig te zijn ingebracht, maar dat een verdere oprekking van die termijn niet gerechtvaardigd is, zodat nadien opgekomen bezwaren te laat zijn ingediend. 3.16 Kopers betogen in dat kader allereerst dat toepassing van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW meebrengt dat een tussen partijen geldende regel niet van toepassing is. Kopers menen dat de rechtbank de termijn van artikel 4.2.1 SPA daarom geheel buiten toepassing had moeten laten en niet slechts had moeten ‘oprekken’. Kopers betogen vervolgens dat er geen goede grond bestaat om de aan de hand van de rapporten van PWC van 5 juli en 3 december 2007 aangevoerde bezwaren wel toe te laten, maar voor de nadien nog opgekomen bezwaren tegen de berekening van de definitieve koopprijs, zoals die blijken uit jaarrekening 2 en de door de deskundige genoemde aanvullende correcties, een beroep van Verkopers op het verstrijken van de termijn van artikel 4.2.3 wel toelaatbaar te achten. 3.17 Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat door partijen in artikel 4 van de SPA is overeengekomen dat de definitieve koopprijs binnen de in de SPA gestelde termijnen en grenzen moet zijn vastgesteld en dat het Kopers dus in beginsel niet vrijstaat om buiten die termijnen op basis van voortschrijdend inzicht met nadere bezwaren tegen die vaststelling te komen. Echter, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen geldende regel niet van toepassing voor zover zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Mede in aanmerking genomen het aan het Burgerlijk Wetboek ten grondslag liggende uitgangspunt dat nietigheden in beginsel niet verder reiken dan de strekking daarvan meebrengt, welk uitgangspunt mede van belang is bij de beoordeling van een beroep op de onderhavige bezwaartermijn (vgl. Hoge Raad 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717), heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat Verkopers beroep op de in artikel 4.2.3 SPA opgenomen termijn onaanvaardbaar is voor zover Kopers als gevolg van de aan Verkopers te verwijten onjuistheden in jaarrekening 1 daadwerkelijk zijn belemmerd in hun mogelijkheden om tijdig inhoudelijk bezwaar te maken tegen de door Verkopers opgestelde berekening van de definitieve kooprijs. Dit brengt mee dat Verkopers zich tot het moment waarop Kopers niet langer door de aan Verkopers te verwijten onjuistheden in jaarrekening 1 worden beperkt in hun mogelijkheden om tijdig bezwaar te maken, niet met succes kunnen beroepen op de bezwaartermijn van artikel 4.2.3 SPA. 3.17 Kopers hebben vervolgens geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij op 3 december 2007 beschikten over de administratie van de onderneming en de beide rapporten van PWC en dat zij daarmee op dat moment over alle informatie konden beschikken die nodig was om hun bezwaren tegen de op basis van jaarrekening 1 opgestelde berekening van de definitieve kooprijs kenbaar te kunnen maken. Dit betekent dat er van moet worden uitgegaan dat Kopers op dat moment niet langer gehinderd werden door het feit dat jaarrekening 1 onjuistheden bevatte en zij dus in staat waren om al hun bezwaren kenbaar te maken. Mede bezien in het licht van de tussen partijen in de SPA gemaakte afspraken waarbij, als gezegd, is overeengekomen dat de definitieve koopprijs binnen de gestelde termijnen en grenzen moet zijn vastgesteld, mocht van Kopers worden verwacht dat zij dat vervolgens ook tijdig zouden doen. Kopers hebben met de toezending van het rapport van PWC van 3 december 2007 hun bezwaren tegen de berekening van de definitieve kooprijs als bedoeld in artikel 4.2.3 SPA aan Verkopers kenbaar gemaakt. Verkopers kunnen zich daarom ter zake van de nadien nog opgekomen bezwaren, zoals vervat in jaarrekening 2 en de door de deskundige voorgestelde aanvullende correcties, alsnog met succes beroepen op de overschrijding van de in artikel 4.2.3 SPA daarvoor gestelde termijn. De grieven 3 tot en met 7 falen.’ 2.16. De inleiding op het onderdeel begint met een voortbouwklacht die deelt in het lot van onderdeel 2. Vervolgens worden rechtsklachten, begrijpelijkheidsklachten en motiveringsklachten ingeleid, die in de subonderdelen 3.1-3.3 (deels weer onderverdeeld met a en b of a, b en
- c)worden uitgewerkt in een nieuwe reeks van sterk verwante klachten. 2.17. Die klachten berusten op de op zichzelf aannemelijke gedachte dat voor de uitleg van een beding waarmee een kwestie wordt geregeld waarvoor de wet regels van aanvullend recht formuleert, de inhoud van dat aanvullend recht mede van betekenis kan zijn (de voorbeeldfunctie van het aanvullende recht). Hier hebben we van doen met een vervalbeding en het onderdeel gaat ervan uit dat de genuanceerde rechtspraak van uw Raad over de klachtplicht van art. 6:89 en 7:23 BW daarom voor de uitleg van dat beding medebepalend behoort te zijn. Alleen een toetsing aan de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid volstond volgens het onderdeel daarom niet. Daarbij beroept het middel zich op het arrest Afvalzorg/Slotereind, waarin inderdaad voor de uitleg van een vervalbeding vergelijkbare gezichtspunten relevant zijn geacht als die in het kader van art. 6:89 en 7:23 BW een rol spelen. Er bestaat echter een meer dan verwaarloosbaar verschil tussen het vervalbeding in de zaak Afvalzorg/Slotereind en het vervalbeding in de onderhavige zaak. Het vervalbeding in de zaak Afvalzorg/Slotereind verbond verval van recht aan het niet ‘zo spoedig mogelijk’ melden van inbreuken. Het vervalbeding in de onderhavige zaak (artikel 4.2.3 SPA) omschrijft de klachttermijn veel nauwkeuriger, namelijk als volgt: ‘Any objections to the abovementioned drafts shall be notified by the Purchaser to the Sellers within four weeks of the drafts being submitted. Where no objections have been submitted against the drafts within the aforesaid objection period of four weeks, calculations reflected therein shall be binding on the Parties. (...)’ 2.18. Mij dunkt dat een doorwerking van de rechtspraak omtrent de uitleg van het criterium ‘binnen bekwame tijd’ in de zin van art. 6:89 en 7:23 BW naar een vervalbeding dat eveneens een onbepaalde termijn bevat, zich vele malen gemakkelijker laat voorstellen dan een doorwerking naar een door partijen concreet omschreven termijn (hier van vier weken). Eerlijk gezegd zie ik geen plaats voor een uitleg als bepleit door het onderdeel, volgens welke de vraag wat vier weken is, afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval en van een afweging van de belangen van partijen. Hierop stuiten de meeste klachten van het onderdeel reeds af. 2.19. Ik zeg ‘reeds’ omdat ik betwijfel of een uitleg als door het onderdeel bepleit, zou hebben gepast binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. De strekking van de grieven 3 tot en met 7 is mijns inziens niet dat het vervalbeding anders moet worden uitgelegd dan de rechtbank heeft gedaan, maar dat de rechtbank in de toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid niet ver genoeg is gegaan. Ik twijfelde enkel een ogenblik bij de derde alinea op pagina 24 van de memorie van grieven, waar een beroep wordt gedaan op rechtspraak van uw Raad omtrent art. 6:89 BW en de in dat verband relevante belangen van partijen. Gelet op de context – de alinea begint met de woorden: ‘Daarbij moet ook betekenis worden toegekend aan…’, terwijl de voorafgaande alinea onmiskenbaar in de sleutel van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid staat – meen ik uiteindelijk dat ook daarin geen grief valt te lezen tegen de door de rechtbank aanvaarde uitleg van het vervalbeding. De steller van het middel heeft een en ander vermoedelijk onderkend. In het slot van subonderdeel 3.3 (onder
- b)doet hij immers een beroep op het gebod van aanvullen van rechtsgronden (art. 25 Rv). Hij ziet mijns inziens daarmee echter ten onrechte voorbij aan het grievenstelsel en het verbod van aanvullen van feitelijke gronden (art. 24 Rv). 2.20. Met wat ik onder 2.18 heb gezegd, bedoel ik niet dat de voorbeeldfunctie die (de rechtspraak omtrent) art. 6:89 en 7:23 BW kan vervullen, per se alleen betekenis heeft voor de uitleg van een vervalbeding. Ze kan ook van betekenis zijn voor de invulling die behoort te worden gegeven aan de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid met betrekking tot zo’n beding. Mijns inziens gaat dit echter niet zo ver als subonderdeel 3.1 onder c ons wil doen geloven. De daar opgenomen klacht veronderstelt dat de rechter de bedoelde rechtspraak omtrent art. 6:89 en 7:23 BW uitdrukkelijk in zijn motivering dient te betrekken. Ik meen dat volstaat dat het hof aandacht heeft gehad voor de omstandigheid dat Sundio c.s. deels als gevolg van aan [verweersters] te verwijten onjuistheden in jaarrekening 1 zijn belemmerd in hun mogelijkheden om tijdig inhoudelijk bezwaar te maken tegen door [verweersters] opgestelde berekening van de definitieve koopprijs en zich heeft verenigd met het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [verweersters] op het vervalbeding in zoverre naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daaruit volgt dat het hof oog heeft gehad voor de gevolgen die het vervalbeding voor Sundio c.s. heeft en voor de bij de toepassing van dat beding betrokken belangen. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof niet gehouden. 2.21. Aanvullend nog iets afzonderlijk over subonderdeel 3.2. Dat richt zich tegen rechtsoverweging 3.14 en 3.17 (hiervoor weergegeven onder 2.15). Het standpunt van Sundio c.s. komt erop neer dat waar enige bezwaren van vóór 3 december 2007 tijdig zijn, ook alle nadien kenbaar gemaakte bezwaren ‘kunnen en moeten worden geacht (ook) “tijdig” te zijn’. Waarom dit steeds, althans in beginsel, zo zou moeten zijn, is mij echter niet duidelijk geworden. ’s Hofs oordeel omtrent de rechtsgevolgen van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid voor de afwikkeling van de bezwaren van Sundio c.s. tegen jaarrekening 1 is verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Voor zover Sundio c.s. hun standpunt bepleiten op grond van uitleg van artikel 4.2.3 SPA geldt daarvoor wat ik onder 2.19 heb gezegd. Zou ’s hofs uitlegoordeel in cassatie al wel aan de orde kunnen komen, dan geldt ook voor dat uitlegoordeel dat het in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. Op een en ander stuiten ook de klachten van subonderdeel 3.2 af. 2.22. Ten overvloede wijs ik op de schriftelijke toelichting van de advocaten van [verweersters] (onder 50). Mijns inziens wordt daar terecht betoogd dat de in subonderdeel 3.2 bepleite uitleg van (het eerste deel van) artikel 4.2.3 SPA niet past bij de betekenis naar normaal spraakgebruik daarvan, mede in het licht van de verderop in dat artikel opgenomen regeling dat eventuele geschillen die niet binnen twee weken na het eindigen van de bezwaartermijn in der minne kunnen worden opgelost door bindend advies dienen te worden beslecht binnen de overeengekomen termijnen. Navolgbaar dunkt mij dat, zoals [verweersters] aanvoeren, daaruit de bedoeling van partijen blijkt om te voorkomen dat eventuele geschillen zich langere tijd voort zouden kunnen blijven slepen. 2.23. Ook onderdeel 3 kan niet tot cassatie leiden. 2.24. Onderdeel 4 richt zich tegen rechtsoverweging 3.19, waar het hof de grieven van Sundio c.s. verwerpt die opkomen tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 4 november 2015 dat jaarrekening 1 als grondslag kan dienen voor de berekening van de definitieve koopprijs en daarbij slechts aanpassing behoeft ten aanzien van de door de deskundige in kolom A van de tabel opgenomen correcties. Voor zover het onderdeel op de voorgaande onderdelen voortbouwt, deelt het uiteraard het lot daarvan. De subonderdelen 4.1-4.3 bevatten echter ook zelfstandige klachten. 2.25. Subonderdeel 4.1 richt zich tegen rechtsoverweging 3.19 (eerste en tweede volzin): ‘3.19 Kopers betogen allereerst dat de door de deskundige vastgestelde onjuistheden meebrengen dat jaarrekening 1 geen getrouw beeld geeft en dat dit, blijkens het tussenvonnis van 7 juli 2010 en de in dat kader aan de deskundige verstrekte opdracht, er toe moet leiden dat jaarrekening 1 in het geheel niet als grondslag voor de berekening van de definitieve kooprijs kan dienen. Kopers miskennen daarmee echter dat de rechtbank in het tussenvonnis van 7 juli 2010 heeft overwogen dat jaarrekening 1 niet als grondslag voor de berekening van de definitieve kooprijs zal kunnen dienen indien en voor zover deze geen (waarheids)getrouw beeld geeft van het vermogen en het resultaat van de onderneming. (…)’ Het subonderdeel komt erop neer dat het hof aan rechtsoverweging 4.3 van het tussenvonnis van 7 juli 2010 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven. Die overweging moet volgens de klacht aldus worden uitgelegd dat, ik zeg het nu met mijn eigen woorden, als zou blijken dat de jaarrekening op een of meer onderdelen geen getrouw beeld geeft van het vermogen en het resultaat van de onderneming, die jaarrekening in het geheel niet als grondslag voor de berekening van de definitieve koopprijs zal kunnen dienen. 2.26. In het tussenvonnis van 7 juli 2010 heeft de rechtbank het volgende overwogen (cursivering toegevoegd): ‘4.1. Partijen hebben ernaar gestreefd tot een zo reëel mogelijke waardering van de aandelen te komen. Daarbij hebben zij in de SPA de door de accountant gecontroleerde jaarrekening 2006 tot uitgangspunt genomen. Kopers is een termijn gegeven om bezwaren tegen die jaarrekening naar voren te brengen, waarover partijen het vervolgens binnen een volgende termijn eens konden worden. De resterende geschilpunten dienden zij vervolgens tijdig voor te leggen aan een bindend adviseur. 4.2. Dit door partijen gekozen systeem brengt mee dat de koopsom in beginsel binnen de in de SPA gestelde termijnen en grenzen moet zijn vastgesteld en dat het kopers bijvoorbeeld niet vrijstaat om naderhand op basis van voortschrijdend inzicht met een gewijzigde jaarrekening te komen als grondslag voor de bepaling van de koopsom. 4.3. Dat wordt echter anders indien en voor zover zou komen vast te staan dat de jaarrekening die de grondslag vormde voor de bepaling van de koopsom geen waarheidsgetrouw beeld gaf van het vermogen en het resultaat van de onderneming. Voor zover dat het geval is, zal die jaarrekening niet kunnen dienen als grondslag voor de berekening van de koopprijs. 4.4. Met het rapport van PWC van 5 juli 2007 en 3 december 2007 en de in juli 2008 door E&Y alsnog goedgekeurde jaarrekening 2006 hebben kopers voorshands voldoende twijfel gezaaid aan de waarheidsgetrouwheid van de jaarrekening van april 2007. Voor een definitief oordeel hierover heeft de rechtbank echter behoefte aan deskundige voorlichting. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat zij het voor dit geval eens zijn over de persoon van H. Viskil, accountant te Rotterdam, als deskundige. Deze deskundige heeft zich inmiddels ook bereid verklaard als zodanig op te treden.’ 2.27. De uitleg die het hof aan deze overwegingen heeft gegeven, dunkt mij allerminst onbegrijpelijk. Hetgeen het subonderdeel in dit verband aanvoert, heeft mij niet van iets anders kunnen overtuigen. Ik merk nog op dat uit de inhoud van het gedeeltelijk eindvonnis van 4 november 2015 (vergelijk de hiervoor onder 1.6 gegeven samenvatting) blijkt hoe de rechtbank zélf haar overwegingen uit het tussenvonnis van 7 juli 2010 uitlegde. In dat licht is ’s hofs uitleg nog te minder onbegrijpelijk. Met dit laatste heb ik ook gezegd dat ik, anders dan de steller van het middel, in het vonnis van 4 november 2015 niet lees dat de rechtbank van een eerder gegeven bindende eindbeslissing is teruggekomen. 2.28. De subonderdelen 4.2 en 4.3 bouwen op subonderdeel 4.1 voort en falen eveneens. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Volgens verweerders in cassatie is de correcte naam: [verweerster 1] (s.t. voetnoot 1). Vergelijk het arrest van het hof van 28 maart 2017, onder 2.1 tot en met 2.9. Deze samenvatting van de vorderingen van partijen, alsmede van het overige procesverloop in eerste aanleg, heb ik (vrijwel ongewijzigd) ontleend aan het arrest van het hof van 28 maart 2017, onder 3.1-3.8. Vergelijk het arrest van het hof van 28 maart 2017, onder 3.8. Dit herstelvonnis bevindt zich niet in de in cassatie door ieder van partijen overgelegde procesdossiers. Vergelijk het arrest van het hof van 28 maart 2017, onder 1. De appeldagvaarding van 8 maart 2016 bevindt zich niet in de in cassatie door ieder van partijen overgelegde procesdossiers. 1 maart 2017 is de dag van inwerkingtreding van onder meer art. 30n Rv in verband met de digitalisering van vorderingsprocedures bij de Hoge Raad. Zie Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017/16. Mij dunkt dat die datum niet bepalend is voor waar het hier om gaat, namelijk de vraag of het gerechtshof Amsterdam verplicht was proces-verbaal van de pleitzitting op te maken en een afschrift daarvan aan partijen af te geven. Art. 30n Rv geldt immers ook heden nog niet voor procedures ten overstaan van het gerechtshof Amsterdam. Het middel verwijst naar HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336, RvdW 2015/1268, onder 3.3.1. Het middel verwijst naar Parl. Gesch. Boek 3, p. 915. Vergelijk de conclusie van A-G Hartlief van 4 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:461, onder 4.4 e.v. De procesinleiding (p. 4) noemt ook rechtsoverwegingen 3.10, 3.11 en 3.14, maar ik lees in de procesinleiding daartegen in onderdeel 2 geen klachten. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/404; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW A5), 2017/24. Repliek mr. Bruning, onder 7. Deskundigenbericht 20 juni 2014, p. 81. Vergelijk onder meer de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie van [verweersters] , onder 4.2.1 e.v. Repliek mr. Bruning, onder 6. Vergelijk in dit verband intussen de conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie van [verweersters] , onder 4.1.9. Vergelijk W.L. Valk in H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, preadviezen Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen: Paris 2016, p. 78-79. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260, NJ 2015/274 m.nt. Jac. Hijma (Afvalzorg/Slotereind). Zie art. 4.2.3 SPA. De SPA is overgelegd bij de inleidende dagvaarding, productie 3. De aanhef van onderdeel 4 noemt ook rechtsoverwegingen 3.18 en 3.23 maar daartegen heb ik in de procesinleiding geen specifieke klachten aangetroffen.