ECLI:NL:PHR:2018:773
Nr. 16/05816 Zitting: 29 mei 2018 Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, wegens “laster” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken waarvan drie voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden als in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
Voor een goed begrip van de zaak zal ik alvorens de klachten te bespreken de bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen weergeven.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat: ‘hij in de periode van 18 juli 2015 tot en met 21 juli 2015 in de gemeente Tynaarlo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk de eer en goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een poster/pamflet te maken en te verspreiden, inhoudende dat een vermissing van de kinderen [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in verband wordt gebracht met handelingen van [betrokkene 1], terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was.’ 5. De in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen houden in, met weglating van verwijzingen: ‘1.
Een in de wettelijke vorm op 21 juli 2015 opgemaakt proces-verbaal van aangifte, (…), opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Noord- Nederland, district Drenthe, basisteam Noord-Drenthe, (…) in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, en gesloten op 30 juli 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [betrokkene 1], aangeefster, Ik doe aangifte en zo nodig klachte van laster, smaad en/of smaadschrift, waardoor mijn eer en/of goede naam door de verdachte is aangerand. Ik ben ruim zes jaar geleden officieel gescheiden van de heer [verdachte]. Uit ons huwelijk zijn drie kinderen geboren, genaamd [betrokkene 2] (16 jaar), [betrokkene 3] (14 jaar) en [betrokkene 4] (10 jaar).
Na de scheiding zijn de kinderen uiteindelijk aan mij toegewezen. Er is geen omgangsregeling afgesproken en ook heeft [verdachte] geen gezag meer over de kinderen. Dit alles bij uitspraak van het hof in Leeuwarden van 30 april 2015. Afgelopen zaterdagmiddag, 18 juli 2015, omstreeks 14.00 uur, kwam onze zoon [betrokkene 2] bij mij en liet mij op zijn telefoon een afbeelding zien van een poster die een vriend van hem, die aan de [a-straat] in Paterswolde woont, naar hem had gestuurd via Whatsapp. Op deze afbeelding waren de foto’s van onze kinderen te zien. Dit zijn de schoolfoto’s van 2007. Ze stonden afgedrukt op een poster onder de kop: “VERMIST” en daaronder de tekst: “verdwenen sinds 26 maart 2007” en “Beloning € 10.000,-“. Het betreft een poster, zoals je die vaak ziet bij vermissing van personen.
Kort nadat [betrokkene 2] mij deze afbeelding liet zien, kwam de kleuterjuf van de basisschool bij mij thuis, met een daadwerkelijke poster op A4-formaat, zoals die op de afbeelding die [betrokkene 2] me liet zien. Deze juf kent mijn geschiedenis. Zij vertelde mij dat zij de poster in een envelop in de brievenbus had aangetroffen. Uit de tekst op de poster moet blijken dat ik onze kinderen heb ontvoerd en met hen naar onbekende bestemming ben vertrokken. Ook wordt op de poster mijn volledige naam en geboortedatum vermeld. Ik voel me hierdoor enorm in mijn eer en goede naam aangerand. Het blijkt dat de poster in groten getale in Eelde/Paterswolde is verspreid. Tevens is de poster door [verdachte] gepost op Facbook en heeft hij het via zijn Twitter account verspreid. Verder is gebleken dat hij de landelijke pers heeft benaderd naar aanleiding van het politiebericht dat hij was aangehouden voor het verspreiden van de posters. In het verhaal naar de pers toe geeft hij nogmaals aan dat ik de kinderen zou hebben ontvoerd.
Wat mijzelf betreft, ben ik huiverig voor het onvoorspelbare gedrag van [verdachte]. Ik heb de laatste jaren veel rare gedragingen van hem meegemaakt.
2 Een schriftelijk stuk, te weten een pamflet op Af-formaat, (…) bevattende de door aangeefster in haar hiervoor weergegeven aangifte genoemde foto’s en teksten.
3.
Een schriftelijk stuk, te weten een screenshot van de Facebookpagina van verdachte, (…) bevattende de door aangeefster in haar hiervoor weergegeven aangifte genoemde foto’s en teksten.
4.
Een in de wettelijke vorm op 18 juli 2015 opgemaakt proces-verbaal van verhoor, (…) opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland, district Drenthe, basisteam Noord-Drenthe, (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [verdachte], verdachte:
Ondanks het feit dat de kinderen haar zijn toegewezen, blijf ik proberen de kinderen terug te krijgen. Vorige week besloot ik om brieven te maken en folders, waarop duidelijk zou worden dat mijn kinderen ontvoerd zijn door hun moeder [betrokkene 1].
Ik maakte een brief met opschrift, zoals de brief die u mij toont. (Aan de verdachte wordt een brief op A4-formaat getoond die in beslag genomen is bij de verdachte). Ik maakte rond de 4000 van die brieven. Ik deed deze brieven in enveloppes om bij mensen in de bus te gooien. Ik maakte ook 50 grotere folders A3-formaat met ongeveer dezelfde tekst, die u mij toont. (Aan de verdachte wordt een folder getoond die bij hem in beslag genomen is. Ik besloot die brieven rond te brengen in Eelde en Paterswolde en in de buurt van de school van de kinderen in Haren. Ik ben ook van plan om dezelfde tekst op Facebook en Twitter te zetten. Dat gaat morgen gebeuren. Vandaag ben ik begonnen met het verspreiden van de brieven in Eelde en Paterswolde. Ik heb ongeveer vierhonderd brieven bezorgd in Eelde en Paterswolde. Ik deed dat daar, omdat ik weet dat ze in Paterswolde wonen.
Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat Eelde en Paterswolde behoren tot de gemeente Tynaarlo.
5.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 4 oktober 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U houdt mij voor dat de rechter op 30 april 2015 heeft beslist dat ik geen gezag meer over de kinderen heb. Dat klopt. Dat weet ik.’ 6. Het hof heeft daar in de aanvulling nog een opmerking aan toegevoegd: ‘Opmerking: Het hof acht niet bewezen dat verdachte het bewezen verklaarde tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Verdachte heeft bij de verspreiding van de pamfletten weliswaar praktische hulp gehad van een ander, doch niet kan worden gezegd dat er ten aanzien van de bewezen verklaarde laster sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof heeft per abuis verzuimd dat deel van de tenlastelegging uit de bewezenverklaring te verwijderen.’ 7. In het verkort arrest heeft het hof voorts de volgende bewijsoverweging opgenomen: ‘Overwegingen omtrent het bewijs voor het primair ten laste gelegde De context van hetgeen verdachte ten laste is gelegd laat zich als volgt samenvatten:
Verdachte en aangeefster [betrokkene 1] zijn in 1997 met elkaar in het huwelijk getreden. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, thans 18, 16 en 12 jaar oud. Uit de aangifte van [betrokkene 1] komt naar voren dat zij op 26 maart 2007 'hals-over-kop' is vertrokken naar een Blijf-van-mijn-Lijfhuis. Er was weliswaar geen sprake huiselijk geweld, maar [betrokkene 1] wilde het huwelijk beëindigen, hetgeen voor verdachte - het hof begrijpt: met name vanwege overwegingen van culturele en religieuze aard - onbespreekbaar was. Op grond van door verdachte gedane uitlatingen en bedreigingen vreesde [betrokkene 1] (en vreest zij thans nog steeds) voor ontvoering van haar kinderen naar verdachtes land van herkomst, Libanon. De daarop volgende jaren werden gekenmerkt door de juridische strijd over het gezag over en de omgang met de kinderen, welke strijd zich in een volledig verstoorde verstandhouding tussen de gewezen echtelieden heeft afgespeeld. Het gezag werd toegewezen aan [betrokkene 1]. Meerdere verzoeken van verdachte tot vaststelling van een omgangsregeling werden afgewezen wegens de onmogelijk gebleken communicatie tussen de ouders en de zwaarder wegende belangen van de kinderen.
De tot het dossier behorende beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2015 op het ook in eerste aanleg afgewezen verzoek van verdachte tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen bevat een uitvoerige uiteenzetting van de in feite al sinds 2007 bestaande patstelling. Aan het ontstaan en voortduren daarvan zou het feit dat verdachte de opvoedingswijze van zijn ex-echtgenote voortdurend ernstig diskwalificeert en zijn opvatting dat hij vanwege zijn geloof verplicht is de opvoeding van de kinderen ter hand te nemen in aanzienlijke mate debet zijn.
Verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan laster. Hij zou dit hebben gedaan door pamfletten te verspreiden, waarin - kort gezegd - wordt gesteld dat [betrokkene 1] de kinderen op 26 maart 2007 heeft ontvoerd, dat zij met onbekende bestemming is vertrokken, dat de kinderen sindsdien zijn vermist en dat er niets meer van hen is vernomen. Boven de tekst staat - zo stelt het hof vast - met grote letters 'VERMIST' en 'BELONING € 10.000,-'. Het pamflet bevat voorts foto's van de kinderen, hun namen en hun geboortedata, alsmede de volledige namen en de geboortedatum van aangeefster. Verdachte zou met de verspreiding van die pamfletten, wetende dat de inhoud daarvan in strijd met de waarheid was en is, de eer en goede naam van [betrokkene 1] hebben aangerand.
Verdachte heeft van meet af aan erkend dat hij - naast een vijftigtal posters op A3-formaat - 4.000 flyers heeft vervaardigd met een identieke inhoud. Hij heeft verklaard dat hij daarvan tot het moment van zijn aanhouding op 21 juli 2015, 429 stuks heeft verspreid in Eelde en Paterswolde, gelegen in de gemeente Tynaarlo, waar [betrokkene 1] en de kinderen woonachtig zijn.
De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en de subsidiair ten laste gelegde smaad bewezen verklaard. De advocaat-generaal heeft overeenkomstig gevorderd. Het hof is echter van oordeel dat hier sprake is van laster, als bedoeld in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Thans kan gezien het tijdsverloop niet meer worden vastgesteld of de term 'ontvoering' op waarheid berust. Dat de kinderen sindsdien zouden zijn vermist en er niets meer van hen is vernomen is echter in strijd met de waarheid, hetgeen verdachte - mede gelet op het feit dat verdachte voortdurend de nabijheid van zijn ex-echtgenote en kinderen opzoekt - wist. Dat die wetenschap wellicht niet strookt met zijn subjectieve beleving van de situatie maakt dat niet anders.
Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.’ 8. Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het beroep dat door de verdediging is gedaan op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 261, derde lid, Sr. Ter onderbouwing wordt aangevoerd dat laster een bijzondere vorm van smaad is en dat daarom mag worden aangenomen dat ook een verdachte die ter zake van laster terecht moet staan, de mogelijkheid heeft zich op deze bijzondere rechtvaardigingsgrond te beroepen.
Artikel 262 1. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Daarmee werd niet langer geëist dat de dader ‘klaarblijkelijk’ had gehandeld ter noodzakelijke verdediging. En toegevoegd werd dat ook het te goeder trouw hebben kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was tot straffeloosheid kon leiden.
Knigge en Wolswijk zouden tegen deze achtergrond bij art. 46b Sr van een kwalificatie-uitsluitingsgrond willen spreken. De Hullu vindt ‘de wettelijke formulering geforceerd’ en zou de vrijwillige terugtred mede ‘om een zekere eenheid van begrip bij de excepties te bewaren’ liever als strafuitsluitingsgrond willen behandelen. Het bezwaar dat de wettelijke formulering wat geforceerd is, komt mij bij art. 46b Sr niet ongegrond voor; nu inmiddels bij meer strafbaarstellingen (ook ongeschreven) kwalificatie-uitsluitingsgronden zijn erkend speelt het argument van de eenheid van begrip minder. Bij art. 261 lid 3 Sr doet de wettelijke formulering naar het mij voorkomt niet geforceerd aan. Tegen de achtergrond van het voorgaande zou ik, met Janssens, art. 261 lid 3 Sr als een kwalificatie-uitsluitingsgrond willen aanmerken.
1ᵒ. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid noodig acht ter beoordeeling van de bewering van den beklaagde dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft;
2ᵒ. wanneer aan een ambtenaar een feit begaan in de uitoefening zijner bediening wordt te laste gelegd.
Artikel 264 Het in artikel 263 bedoeld bewijs is niet toegelaten, indien het te laste gelegde feit niet dan op klachte kan worden vervolgd en geene klachte is gedaan.’ 17. Uit deze redactie van de bepalingen zoals zij uiteindelijk waren komen te luiden, wordt al duidelijk dat het bewijs van de waarheid en het verweer dat tot noodzakelijke verdediging gehandeld is, nauw verbonden waren. De redactie is het resultaat van een discussie waar dat eveneens uit naar voren kwam. Zo is in het Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord te lezen: ‘Nevens het bewijs der waarheid wordt toegelaten het bewijs dat de dader genoegzame gronden had om het voor waar te houden. Deze bijvoeging is billijk, omdat, vooral bij de beoordeling van de publieke zaak het bewijs der waarheid dikwijls niet is te leveren en eerst door de discussie mogelijk wordt. De goede trouw en de waarschijnlijkheid van het feit mogen echter ook in het geval van noodzakelijke verdediging voldoende worden geacht om de subjectieve strafwaardigheid uit te sluiten.’ Daaruit volgt dat de Tweede Kamer voor ogen stond dat alleen bij de waarheid of het te goeder trouw aannemen van de waarheid van een bewering van ‘noodzakelijke verdediging’ kon worden gesproken.
Hij heeft de pamfletten verspreid met twee doelen.
Het eerste doel was dat zijn kinderen ervan bewust zouden worden dat zij destijds door hun moeder tegen zijn zin en rechten als gezaghebbende vader zijn meegenomen. Waarvan zij hem steeds beschuldigde te gaan doen, heeft zij zelf gedaan. Nadat de kinderen van destijds 2, 6 en 8 jaar oud door haar van de ene op de andere dag werden meegenomen, heeft [verdachte] op geen enkele manier meer contact met hen gehad. In de laatste familierechtelijke procedure zijn de kinderen door het Gerechtshof gehoord. Daarbij hebben zij aangegeven bang te zijn voor [verdachte]. Het kan niet anders dan dat dat door indoctrinatie door hun moeder is gekomen. Voordat moeder met de kinderen vertrok, was sprake van een harmonieus gezin waarbij (en dat bevestigt [betrokkene 1] zelf ook) geen sprake van huiselijk geweld was.
Het enkel negatief spreken over de andere ouder waardoor het kind bang voor die andere ouder wordt en waardoor er geen contact tussen dat kind en die ouder mogelijk is, is een vorm van psychische kindermishandeling. Op grond van het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind heeft ieder kind recht op omgang met beide ouders. Ook heeft elk kind recht zijn identiteit te behouden waaronder ook het onderhouden van familiebanden valt. En het kind heeft recht op bescherming tegen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling. [verdachte] wil hen daarvoor behoeden en wil niet dat zijn kinderen een, zoals de reclassering dat noemt “irreëel vaderbeeld” hebben. Hij had geen andere mogelijkheid om aan hen bekend te maken dat daarvan sprake is dan met het verspreiden van deze pamfletten in de hoop dat die onder ogen van de kinderen zouden komen en zij zich dan zouden afvragen wat er daadwerkelijk gebeurd is. [verdachte] heeft alle andere wegen bewandeld. Aanvankelijk is - kort gezegd - het gezag aan [betrokkene 1] toegekend op basis van een zeer eenzijdig en bevooroordeeld rapport van de Raad voor de Kinderbescherming die zonder enig onderzoek of hoor en wederhoor toe te passen volledig afgegaan is op het verhaal van [betrokkene 1] dat zij vreesde voor ontvoering van de kinderen naar Libanon dat geen uitleveringsverdrag met Nederland kent. Zij hoefde maar te roepen dat zij bang was voor ontvoering en de Raad ging daar volledig in mee. Nadat [verdachte] daarover een klacht had ingediend bij de Nationale Ombudsman is hij volledig in het gelijk gesteld en door de Raad voor de Kinderbescherming gerehabiliteerd. Die adviseerde hem om opnieuw gedeeld gezag en een omgangsregeling bij de rechtbank te vragen. Uiteindelijk heeft het Gerechtshof dat verzoek afgewezen omdat de situatie na al die jaren niet opnieuw moest worden veranderd, de kinderen zelf angstig voor vader waren geworden en er geen communicatie tussen [verdachte] en [betrokkene 1] mogelijk was. Hierdoor waren alle wegen voor contact met zijn kinderen voor [verdachte] afgesneden, terwijl - achteraf beschouwd - de beslissing van de rechtbank aanvankelijk heel anders zou hebben geluid als de Raad voor de Kinderbescherming de zaak direct goed had aangepakt.
Ondertussen had [verdachte] via het Gerechtshof gehoord dat de kinderen bang voor hem waren geworden. Het kan niet anders dan dat dat - zoals gezegd - door indoctrinatie door moeder is gebeurd, wat psychische kindermishandeling oplevert. Hij heeft hiervan melding gemaakt bij de politie, via zijn eigen huisarts bij de huisarts van de kinderen en de Raad voor de Kinderbescherming. Allen hebben naar aanleiding daarvan een melding bij Veilig Thuis gedaan dat er onderzoek moest komen naar de situatie van de kinderen, maar tot op heden is daarmee niets gebeurd en zit [verdachte] met lege handen. Vanuit zijn katholieke geloof is hij verplicht om goed voor zijn kinderen te zorgen en hen te beschermen. Dat lukt hem niet via de geëigende wegen. Hij zag daarom geen andere mogelijkheid dan zijn kinderen van het hun aangedane onrecht op de hoogte te brengen dan via het verspreiden van pamfletten in hun woonomgeving.
Hij heeft dit dan ook gedaan ter noodzakelijke verdediging waardoor van smaadschrift ex lid drie van artikel 261 Sr geen sprake is.
Maar er was nog een reden. Hij heeft ook gemeend dat het algemeen belang dit eiste.
Uit onderzoek van juriste Aline Nederveen in opdracht van de Universiteit Utrecht blijkt dat in 86 procent van de kinderontvoeringen de moeder de dader is, terwijl over het algemeen de vader vaak gezien wordt als de ontvoerder, een beeld dat mede is ingegeven door een aantal mediagenieke zaken. Maar over ontvoeringen door moeders hoor je niets. Dit heeft tot twee belangrijke dingen geleid: allereerst is moeder op geen enkele manier aangepakt voor haar onrechtmatige gedrag. Het is [verdachte] geweigerd door de politie om aangifte van onttrekking aan het gezag te doen. Ook heeft de Raad voor de Kinderbescherming met dit feit niets gedaan. Ten tweede is het juist de Raad voor de Kinderbescherming geweest die klakkeloos aanneemt dat als een vrouw roept bang te zijn dat haar kinderen ontvoerd worden, dit ook een reële kans is. Immers, mannen die uit het buitenland komen zouden hun kind mee kunnen nemen en als er geen verdragen met dat land bestaan, is er helemaal een risico. Maar vanuit deze beredenering bezien, hebben allochtone mannen geen enkel recht als hun ex-vrouw zoiets roept. [verdachte] heeft al vanaf 1993 de Nederlandse nationaliteit, maar wordt nog steeds als buitenlander gezien en is kennelijk in dit soort zaken volkomen rechteloos. En hij is niet de enige man die dit overkomt.
Er is in de media veel te weinig aandacht voor deze kant van het verhaal. Niet voor niets zijn organisaties als Fathers4Justice opgericht. In internationale huwelijken is dit nog veel schrijnender. Als mannen doen wat [betrokkene 1] gedaan heeft, volgt niet zelden publicatie van foto’s en andere persoonlijke gegevens op televisie of internet. [verdachte] vraagt zich af of dit niet evenzeer smaad is. Als het dan wel gerechtvaardigd is om foto’s e.d. te publiceren, waarom mag hij dat dan niet? Na terugkeer volgt vervolgens niet zelden een strafrechtelijke veroordeling van de man. Van een veroordeling van vrouwen heeft [verdachte] nog nooit gehoord.’ 22. Naar het mij voorkomt brengt de verhouding tussen art. 261 lid 3 Sr en de strafbaarstelling van laster mee dat het betoog van de raadsvrouw zijn weerlegging vindt in de bewezenverklaring en de bewijsconstructie. In de bewezenverklaring is vastgesteld dat de verdachte wist dat het door hem aan zijn vroegere echtgenote ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was. In dit verband heeft het hof overwogen: ‘Het hof is (…) van oordeel dat hier sprake is van laster, als bedoeld in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Thans kan gezien het tijdsverloop niet meer worden vastgesteld of de term 'ontvoering' op waarheid berust. Dat de kinderen sindsdien zouden zijn vermist en er niets meer van hen is vernomen is echter in strijd met de waarheid, hetgeen verdachte - mede gelet op het feit dat verdachte voortdurend de nabijheid van zijn ex-echtgenote en kinderen opzoekt - wist.’ Daaruit volgt dat de verdachte niet ‘tot noodzakelijke verdediging’ heeft gehandeld.
Tegen deze achtergrond was het hof niet verplicht om ingevolge art. 358 lid 3 Sv (dat in het algemeen gesproken op een kwalificatie-uitsluitingsgrond eveneens van toepassing is), in verbinding met art. 359 lid 2 Sv, afzonderlijk op het gestelde in te gaan. Ik merk daarbij nog op dat zich, gegeven de bewezenverklaring, het geval voordoet dat de verdachte door valse beschuldigingen een -in zijn ogen- goede zaak tracht te bevorderen. De wetgever heeft, zo bleek, met zoveel woorden aangegeven dat hij dergelijke beschuldigingen niet onder art. 261 lid 3 Sr wilde brengen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG BFK: Bedoeld zal zijn A3- of A4-formaat.
Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1891, deel II, p. 389. Zie over (de geschiedenis van) deze bepaling uitgebreider A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Thela-Thesis, Amsterdam 1998, p. 36-38 en p. 309 e.v.; A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, derde druk, Kluwer, Deventer 2011, p. 151-164; P.C. Bogert, Voor rechtvaardiging en schulduitsluiting, Kluwer, 2005, p. 127-133.
Rapport van de Werkgroep artikel 117 van het Wetboek van Strafrecht, 1969, p. 4, 9 en 14.
De voorgestelde wijziging is uiteindelijk wet geworden door de wet van 25 maart 1978, Stb. 1978, 155.
Kamerstukken II 1970-71, 11 249, nr. 3, p. 5.
Op dezelfde bladzijde in de memorie van toelichting staat: ‘De ondergetekenden zouden ondubbelzinnig tot uitdrukking willen brengen, dat het in het tweede deel van de ontwerpbepaling, evenals in het eerste deel daarvan, om een rechtvaardigingsgrond gaat. Daarom zijn de woorden ”te goeder trouw heeft aangenomen” in het regeringsontwerp vervangen door ”te goeder trouw heeft kunnen aannemen”.‘ Vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 6.1 bij art. 261 Sr (actueel t/m 1 oktober 2008), waar tegen deze achtergrond niet nader op dit punt wordt ingegaan.
Janssens, a.w., p. 354.
Kamerstukken II 1990-91, 22 268, nr. 3, p. 4.
G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 249.
J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Wolters Kluwer, Deventer 2018, p. 428-429.
Janssens, a.w., p. 353-355. In dezelfde zin Janssens en Nieuwenhuis, a.w., p. 150 en Bogert, a.w., p. 298. Praktisch gesproken behoeft deze andere rubricering weinig consequenties te hebben. Ter illustratie kan worden gewezen op een voorbeeld uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1970-71, 11 249, nr. 3, p. 5). Wie had geholpen met ‘het verspreiden van een geschrift met een voor een derde compromitterende inhoud, en die van de onjuistheid van de daarin vervatte beschuldigingen overtuigd was’, zou mogen profiteren van de goede trouw van de schrijver die had kunnen aannemen dat de beschuldigingen wel juist waren. Dat resultaat kan ook bij rubricering als kwalificatie-uitsluitingsgrond worden bereikt.
A.w., p. 310.
A.w., p. 148, 150-151, 154.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3498, NJ 2015/212 m.nt. Rozemond en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3493.
Een -betrekkelijk hypothetische- uitzondering geldt wellicht de medeplichtige aan smaadschrift die -zo bleek eerder- in de jaren ’70 in de memorie van toelichting werd opgevoerd.
Vgl. Smidt, a.w., p. 395.
Smidt, a.w., p. 399.
Smidt, a.w., p. 401.
Smidt, a.w., p. 405.
Vgl. over de parlementaire behandeling van de oorspronkelijke strafbaarstelling van laster uitgebreider Janssens, a.w., p. 41-44.
Vgl. ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 6.2 bij art. 261 Sr (actueel t/m 1 oktober 2008).
Vgl. Kamerstukken II 1970-71, 11 249, nr. 3, p. 5: ‘Men kan zich afvragen of het wel nodig is als afzonderlijke eis te stellen, dat de dader te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat de door hem geponeerde beschuldiging waar was. (…) De ondergetekenden zouden deze willen overnemen, om elke twijfel uit te sluiten omtrent de strafbaarheid van valse beschuldigingen, ook voor zover deze woorden worden geuit ter bestrijding van een kwalijke of ter bevordering van een op zichzelf wel goede zaak’. Zie ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 6.3 bij art. 261 Sr (actueel t/m 1 oktober 2008).
Vgl. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750, NJ 2009/379 m.nt. Dommering.
Uw Raad oordeelde in de betreffende strafzaak dat anders dan het hof had geoordeeld, ‘niet in zijn algemeenheid (kan) worden gezegd dat bij verwerping van een beroep op art. 10 EVRM aan een beroep op art. 261, derde lid, Sr geen zelfstandige betekenis meer kan toekomen.’ Zie HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504 m.nt. Dommering. Deze overweging duidt erop dat Uw Raad beide verweren uit elkaar houdt, en het omgekeerde eveneens voor juist houdt. Zie ook HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541 over de verhouding tussen art. 10 EVRM en de strafuitsluitingsgrond van art. 266 lid 2 Sr bij eenvoudige belediging: het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting is voor een deel in art. 266 lid 2 Sr tot uitdrukking gebracht.
Vgl. in dit verband de noot van Knigge onder EHRM 23 september 1994, Jersild v. Denemarken, appl. no. 15890/89, NJ 1995/387; Janssens en Nieuwenhuis, a.w., p. 164-165 en de noot van Dommering onder het in de vorige noot genoemde arrest NJ 2011/504.
Zie ook de bespreking van het derde middel.
Iets vergelijkbaars zien wij bij de culpa, waar een beroep op een strafuitsluitingsgrond een bewijsverweer oplevert. Vgl. HR 19 februari 1963, NJ 1963/512 m.nt. Röling (waarin Uw Raad overwoog dat het beroep op afwezigheid van alle schuld ‘zou hebben bestaan in een ontkenning van de bewezenverklaarde omstandigheid, dat requirante in een mindere of meerder mate van grove onoplettendheid heeft gehandeld, zodat een afzonderlijke beslissing daaromtrent niet vereist was’) en HR 12 maart 1974, NJ 1974/216 (waarin Uw Raad overwoog dat het beroep op afwezigheid van alle schuld ‘neerkomt op een ontkenning van het telastegelegde en mitsdien zijn weerlegging vindt in de met redenen omklede bewezenverklaring’. Zie ook De Hullu, a.w., p. 273-274; Knigge en Wolswijk, a.w., p. 142.
Vgl. De Hullu, a.w., p. 224-228.
Ook Janssens is van mening dat het niet in de rede ligt ‘wederrechtelijk’ in het begrip ‘aanranden’ in te lezen (a.w., p. 99-100).
Vgl. HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898, rov. 2.4.
Vgl. HR 26 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0813, NJ 2008/148.
Vgl. HR 23 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0052, NJ 1995/631.
Knigge en Wolswijk, a.w., p. 208.
Vgl. Janssens, a.w., p. 98.
Pleitnota, p. 1.
Vgl. ook Janssens, a.w., p. 153, die daarbij de vraag bespreekt of hieronder ook een feit valt dat wel gepleegd is maar door de lasteraar ten onrechte in verband wordt gebracht met het slachtoffer, en deze vraag positief beantwoordt.
Zie in dit verband bewijsmiddel 1: ‘Ze stonden afgedrukt op een poster onder de kop: “VERMIST” en daaronder de tekst: “verdwenen sinds 26 maart 2007” en “Beloning € 10.000,-“. Het betreft een poster, zoals je die vaak ziet bij vermissing van personen.’ De desbetreffende passage uit de pleitnota wordt, zo bleek, in de schriftuur ook geciteerd in het kader van het eerste middel dat betoogt dat het verweer dient te worden aangemerkt als een beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 261, derde lid, Sr.
Vgl. G. Knigge en B.F. Keulen, Strafprocesrecht, dertiende druk, Wolters Kluwer, Deventer 2016, p. 580-581; G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Wolters Kluwer, Deventer 2014, p. 865-866 en De Hullu, a.w., p. 381.
Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 224-225 en 307-308. Zie bijvoorbeeld HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3098, NJ 2008/180 m.nt. Buruma, rov. 4.4.