← Nederland

ECLI:NL:PHR:2018:921

Nr. 17/03977 A Zitting: 4 september 2018 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij strafvonnis van 21 juli 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens

  1. “als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd”,
  2. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 3 cumulatief “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” en 4 cumulatief “ééndaadse samenloop van: medeplegen van het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:107 van het Wetboek van Strafrecht met het oogmerk om daarmee een misdrijf te plegen als genoemd in dat artikel, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 15 van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek als bedoeld in art. 1:62 SrC. Voorts heeft het hof aan de verdachte de bijkomende straf van ontzetting uit het passieve kiesrecht opgelegd voor een periode van vijf jaren en beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het strafvonnis vermeld. De onderhavige zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (17/03980), waarin ik vandaag eveneens zal concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.G.J.A. Knoops en mr. J.A. Baaijens, beiden advocaat te Amsterdam, hebben veertien middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak gaat over het volgende. De verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen politicus in Curaçao, aanvankelijk als Eilandsraadslid van het Eilandsgebied Curacao. In 2010 richt de verdachte [verdachte] de politieke partij Movementu Future Korsou (MFK) op. Met ingang van 10 oktober 2010 is de verdachte de eerste minister-president van het land Curaçao. Deze functie bekleedt hij tot eind september
  3. De medeverdachte [medeverdachte] is de partner van de verdachte en in de bewezen verklaarde periodes bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. In de strafzaak tegen de verdachte staat centraal het aannemen van giften gedaan door of namens [betrokkene 1] . Het hof heeft onder meer bewezen verklaard dat de giften aan de verdachte werden gedaan teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen voor [betrokkene 1] en/of aan hem gelieerde bedrijven (feit 1). Facturen die in dat verband zijn verstuurd, zijn volgens het hof valselijk opgemaakt (feit 2). Ook hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] volgens het hof de herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen verhuld en zich daarmee schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen (feit 3). Ten slotte is de verdachte veroordeeld in verband met het voorhanden hebben van zogenaamde ‘frequency jammers’, die zijn ontworpen voor het veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van enig werk voor telecommunicatie (feit 4).
  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, verzoeken om de heer R. Pellicano, officier van justitie te Milaan, als getuige te horen, heeft afgewezen. In het onderstaande zal ik eerst het procesverloop weergeven. Vervolgens bespreek ik de door de stellers van het middel opgeworpen klachten.
  5. Bij brief van 21 oktober 2016 heeft de verdediging verzocht om de oproeping van een tiental getuigen, onder wie R. Pellicano. De verdediging is op de terechtzitting van 26 oktober 2016 in de gelegenheid gesteld de getuigenverzoeken toe te lichten. Zij heeft daartoe het woord gevoerd overeenkomstig de op voorhand aan het hof toegezonden en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Het verzoek van de verdediging om de getuige R. Pellicano op te roepen hangt samen met het verweer van de verdediging dat inhoudt dat het strafvorderlijk onderzoek tegen de verdachte is voortgekomen uit onrechtmatig verkregen en uitgelekte MOT-gegevens. De pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, voorts het volgende in: “(…)
  6. Voorzitter, het OM ziet dan kennelijk ook ten aanzien van de start van het onderzoek gezien de MOT-meldingen de strafvorderlijke "bui" hangen. Want wat dan gebeurt, is strafvorderlijk een anomalie.
  7. Nadat het strafrechtelijk onderzoek jegens cliënten ruim een jaar liep, wordt ineens door het OM een kennelijke andere (mede)aanleiding voor het onderzoek jegens cliënten in het dossier geïntroduceerd. Eerst op 19 mei 2014 wordt gerelateerd in een proces-verbaal stand van zaken (bijlage 51 zaaksdossier Babel) dat informatie die het OM van het OM te Milaan (Italië) had ontvangen mede aanleiding had gevormd voor de start van het onderzoek jegens cliënten. Ter ondersteuning hiervan wordt gewezen op een proces-verbaal opgemaakt door Van der Schans, op 20 februari 2014 – aldus opgemaakt ruim acht maanden nadat het strafrechtelijk onderzoek reeds liep.
  8. Op de precieze gang van zaken omtrent dit 'Italië-verhaal', en de daaraan te verbinden consequenties alsmede onderzoekswensen, zal hierna in paragaaf 5.6 van dit pleidooi worden terugkomen.(….) 5.6 Nader onderzoek t.a.v. door OM gestelde aanleiding onderzoek afkomstig uit Italië in 2012 5.6.
  9. Relevante context
  10. Voorzitter, zoals reeds opmerkt heeft het OM op enig moment zich kennelijk gerealiseerd dat de gehele gang van zaken ten aanzien van de MOT-meldingen en het daarop voortbouwend strafrechtelijke onderzoek op strafvorderlijke gevolgen zal kunnen gaan stuiten.
  11. Want, ineens verschijnt er in 2014 een nieuw startpunt van het onderzoek!
  12. Immers, eerst in februari 2014 wordt door Advocaat-Generaal Van der Schans een proces-verbaal opgemaakt, inhoudende dat medio 2012 een mail zou zijn ontvangen vanuit Italië met de enkele mededeling dat men daar in een lopend onderzoek naar [betrokkene 1] , stukken had gevonden die voor het OM in Curaçao van belang konden zijn, alsook inhoudende dat Van der Schans en een collega, de heer S.B.P. Lukowski, in december 2012 naar Italië de twee facturen van het bedrijf [A] ter inzage hebben gekregen. Overigens corrigeert Van der Schans bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 juli 2015 de datum van ontvangst van het e-mailbericht en stelt hij dat hij de betreffende e-mail ontving in de tweede helft van
  13. (…) Het horen van officier van justitie te Milaan, de heer Roberto Pellicano:
  14. Volgens het OM zou deze persoon de verzender van het betreffende e-mailbericht zijn geweest. Hij zou aldus kunnen bevestigen of dat hij dit e-mailbericht daadwerkelijk heeft verstuurd, alsook zou hij meer informatie kunnen verschaffen over de inhoud van het bericht en het daaropvolgende bezoek aan Italië. De verdediging wenst hem voorts te vragen of dat het OM te Milaan vanuit eigen initiatief het OM te Curaçao destijds heeft benaderd met de mededeling dat zij informatie hadden die relevant kon zijn, of dat dit mogelijk anders is geweest. Hiermee dient inzichtelijk te worden of, indien er contact is geweest met het OM te Italië, nog afgezien van de vraag of dit daadwerkelijk aanleiding zou hebben gevormd (zoals beweerd) voor onderhavig onderzoek, hierin daadwerkelijk een zelfstandige bron van verdenking lag, waarbij het MOT-traject geen rol zou spelen. De uitkomst hiervan is van belang voor de strafprocessuele gevolgen.
  15. Bovendien zou de heer Pellicano kunnen worden gevraagd of dat het klopt dat het e- mailbericht ook van de zijde van het OM te Milaan niet meer te traceren is. Ook kan hem worden gevraagd om bij het OM aldaar nader onderzoek te laten verrichten.
  16. Nu AG Van der Schans kennelijk meerdere malen contact heeft gehad met de heer Pellicano, onder meer nog kort voor zijn verhoor bij de RC, zal hij in ieder geval over diens contactgegevens beschikken. Bovendien kan contact worden opgenomen met het OM te Italië, alwaar hij werkzaam zou zijn. (….)”
  17. Bij beslissing van 16 november 2016 heeft het hof ten aanzien van het hiervoor weergegeven getuigenverzoek het volgende overwogen: “2.
  18. De verdediging heeft voorts het verzoek gedaan tot het horen van de volgende getuigen (in de volgorde zoals aangegeven in de brief van de verdediging van 21 oktober 2016):(…)-
  19. R. Pellicano(…) 2.
  20. De onder 1 tot en met 5 verzochte getuigen hebben allen - in de kern - betrekking op de door de verdediging gestelde onrechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek. De verdediging komt tot de conclusie dat er in het voorbereidend onderzoek, of anderszins onder omstandigheden die zij voor de ontvankelijkheidsvraag relevant acht, sprake is van jegens de verdachte begane onrechtmatigheden. Nader onderzoek, waaronder het horen van de getuigen, is volgens de verdediging van belang om nader inzicht te verkrijgen in deze gestelde onrechtmatigheden en om deze nader te kunnen onderbouwen. Dit moet leiden tot meer duidelijkheid over de rol en het handelen hierin van het Openbaar Ministerie, dit in het licht van zijn ontvankelijkheid. 2.
  21. Naar het oordeel van het Hof zijn in dit stadium uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen aanknopingspunten aannemelijk geworden die het gestelde belang van de verdediging - beoordeeld in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van vormverzuimen en het beoordelen van het verdedigingsbelang bij getuigenverzoeken ter zake - tot het horen van de onder 1 tot en met 5 verzochte getuigen in voldoende mate onderbouwen. Dit kan anders worden als uit het door de verdediging ondernomen onderzoek naar mogelijke onrechtmatigheden in het vooronderzoek meer concrete aanwijzingen blijken die in het licht van genoemde jurisprudentie tot het door de verdediging bepleite resultaat zou kunnen leiden. Het staat de verdediging vrij dit verzoek alsdan, voorzien van deze meer concrete onderbouwing, opnieuw aan het Hof te doen.Het verzoek tot het horen van de onder 1 tot en met 5 genoemde getuigen zal thans worden afgewezen. (…)”
  22. De verdediging heeft vervolgens onderzoek geïnitieerd en heeft op de uitkomsten daarvan een herhaald verzoek tot het horen van de Italiaanse officier van justitie Pellicano als getuige gegrond. Dat herhaalde verzoek is neergelegd in een daartoe op 10 maart 2017 aan het hof gezonden brief. Die brief bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken en houdt – kort samengevat – onder meer het volgende in.
  23. De verdediging heeft twee in Milaan gevestigde advocaten, Luparia en Padovani, benaderd om informatie te verkrijgen over de contacten tussen het Italiaanse openbaar ministerie en dat van Curaçao en de wijze waarop het contact tussen de beide instanties tot stand is gekomen. Daartoe hebben de beide voornoemde advocaten gesprekken met Pellicano gevoerd in verband met de door het openbaar ministerie gestelde gang van zaken midden en eind
  24. Luparia en Padovani hebben daarna mondeling aan de verdediging laten weten dat Pellicano ontkent dat het contact is verlopen op de wijze zoals door het openbaar ministerie in het dossier [verdachte] en [medeverdachte] is gesteld. Bij de hiervoor bedoelde brief bevindt zich een tweetal bijlagen. Het vorenstaande wordt ondersteund door de als bijlage 1 bij de brief gevoegde ondertekende schriftelijke verklaring van Luparia en Padovani, aldus de verdediging. De beschrijving die in de brief van 10 maart 2017 van deze bijlage wordt gegeven houdt in de kern in dat Pellicano heeft aangegeven dat hij bereid is om een getuigenverklaring af te leggen ten overstaan van het hof (welke verklaring in bijlage 2 van voormelde brief is opgenomen), maar eveneens heeft meegedeeld dat het voor hem, vanwege zijn positie als officier van justitie bij het openbaar ministerie in Milaan, niet mogelijk is om zijn lezing van de gebeurtenissen op voorhand op schrift te stellen. Voorts blijkt uit de verklaring van Luparia en Padovani dat zij menen dat de verklaring van Pellicano van aanzienlijk belang is om de stelling van de verdediging te onderbouwen, in aanmerking genomen dat hij relevante informatie kan verschaffen die de lezing van het openbaar ministerie te Curaçao op essentiële punten weerspreekt. Op grond van het voorafgaande, stelt de verdediging zich in de onderhavige brief op het standpunt dat de verklaring van Pellicano kan aantonen dat de door het openbaar ministerie in het dossier geschetste lezing niet in overeenstemming met de waarheid is, terwijl de nieuwe informatie aanleiding geeft om de beslissing op het eerder gedane getuigenverzoek te herzien.
  25. De verdediging heeft de getuigen Luparia en Padovani meegebracht naar de zitting in hoger beroep van 12 juni
  26. Daar zijn de beide getuigen gehoord. Door de verdediging is op de terechtzitting het verzoek tot het horen van de getuige Pellicano herhaald. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 13 en 14 juni 2017 houdt ten aanzien van het herhaalde getuigenverzoek, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “Stand van zaken(…) De voorzitter verzoekt de verdediging aan te geven op welke wijze zij haar verdediging wil voeren. (…) De raadsman verzoekt het Hof de beide meegebrachte getuigen, de heer Luparia (hierna: Luparia), en mevrouw Padovani (hierna: Padovani), alsmede de meegebrachte deskundige, de heer Contzé, (hierna: Contzé) hedenochtend te horen. (…) Tevens deelt mr. Knoops mede dat hij het verzoek doet de getuige dr. R. Pellicano (hierna: Pellicano) in persoon te horen, eventueel via een rogatoire commissie. Verzoek horen getuigenMr. Knoops licht het verzoek tot het horen van de getuigen als volgt toe.Het Gerecht in eerste aanleg heeft, op grond van een e-mail vanuit Milaan naar Curaçao, aangenomen dat het initiatief om contact te zoeken met het openbaar ministerie in Curaçao is uitgegaan van Pellicano. Wij hebben via een brief van 24 november 2016 navraag gedaan en op 2 december 2016 heeft Pellicano per brief geantwoord dat het initiatief voor het onderzoek niet van hem is uitgegaan. Op het moment dat de advocaat- generaal mr. Van der Schans op onderzoek uitging in Italië, was er helemaal nog geen sprake van een Italiaanse verdenking tegen de verdachte. De gang van zaken omtrent de e-mail is cruciaal voor ons verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Er is immers een concrete aanwijzing dat een aanname van het Gerecht omtrent één van de pijlers van het onderzoek niet klopt. Het proces-verbaal van de advocaat-generaal is naar ons oordeel in strijd met de waarheid opgemaakt en het Hof is hierdoor opzettelijk onjuist voorgelicht. Wij stellen ons op het standpunt dat dit de rechtmatigheid van de start van het onderzoek aantast. Het Hof heeft de plicht dit ambtshalve te onderzoeken. De meegebrachte getuigen kunnen verklaren wat Pellicano tegen hen heeft verklaard. Tevens verzoeken wij het Hof de getuige Pellicano alsnog in persoon te doen horen, om van hem te horen hoe het strafrechtelijk onderzoek is gestart. Procureur-generaal Rip reageert desgevraagd als volgt.Wij hebben tegen het horen van de meegebrachte getuigen geen bezwaar. Het openbaar ministerie heeft al schriftelijk verklaard dat wij ons verzetten tegen het verzoek om Pellicano als getuige te horen en de behandeling daartoe aan te houden. Wij blijven hierbij. Wij achten het verzoek allereerst onvoldoende onderbouwd. Er is geen nieuwe inhoudelijke informatie naar voren gekomen. De verdediging “gelooft” dat Pellicano in persoon relevant zou kunnen verklaren. Zij baseert dat op haar ervaring en op het “verloop van persoonlijke gesprekken met Pellicano”, maar zij laat niets los over de inhoud daarvan of over hetgeen hij precies tegenover haar heeft verklaard. Wij zijn van mening dat er geen enkele aanwijzing is voor onregelmatigheden bij de start van het onderzoek. De verdediging betoogt dat de manier waarop het contact tot stand gekomen is anders is verlopen dan in het proces-verbaal van mr. Van der Schans is gerelateerd. Wij hebben geen enkele reden om aan de juistheid van dit proces-verbaal of aan zijn getuigenverklaring te twijfelen. Bovendien kan men discussiëren over de vraag of het relevant is van wie het initiatief is uitgegaan. Vast staat dat het onderzoek is gestart op grond van Italiaanse verdenkingen. Het openbaar ministerie is van mening dat het verzoek tot het horen van Pellicano dient te worden afgewezen. Mr. Knoops antwoordt hierop als volgt.Pellicano heeft gezegd dat hij ten tijde van het eerste contact helemaal niet bekend was met [medeverdachte] of [verdachte] . Indien het initiatief niet van Italië is uitgegaan maar van mr. Van der Schans, is er tot twee keer toe een onjuiste ambtsedige verklaring afgelegd door een magistraat. Op een dergelijk stuk moet het Hof blind kunnen vertrouwen. Als er ook maar één opzettelijke onregelmatigheid in een ambtsedig proces-verbaal staat, is dat een aanwijzing voor mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Als het contact tussen Italië en Curaçao op een andere wijze tot stand is gekomen dan in de twee processen-verbaal is verklaard, moeten daar consequenties aan verbonden worden, dat kan niet worden genegeerd. Het opzettelijk onjuist voorlichten van het Hof wordt door de Hoge Raad onder het Zwolsmancriterium geschaard. Wij zijn van mening dat het horen van de getuige Pellicano cruciaal is voor het verkrijgen van een juist oordeel over de start van het onderzoek. De oudste rechter richt zich tot de verdediging met de volgende vraag.Het staat vast dat er in Italië een onderzoek naar de verdachte is gestart. Indien wij uitgaan van uw stelling dat het openbaar ministerie niet de waarheid verklaart over de wijze waarop het contact tussen Italië en Curaçao tot stand is gekomen, wat was dan het belang van het openbaar ministerie om dit contact te initiëren? Hoe kon het openbaar ministerie zonder informatie van de collega’s aldaar weten dat er in Italië mogelijk belastend materiaal over de verdachte te vinden was? Mr. Knoops deelt mee dat hij dit punt in zijn pleidooi nader zal uitwerken en licht dit als volgt toe.Ik verwijs naar het rapport van Reijntjes, dat zich in het dossier bevindt. Deze deskundige gaat er van uit dat het openbaar ministerie in eerste instantie slechts over de MOT meldingen beschikte en een hele grote behoefte had om de grondslag voor de start van het onderzoek naar de verdachte te verstevigen, omdat het op dun ijs was gebaseerd. Zonder de aanvullende informatie uit Italië was er eigenlijk helemaal geen reden om een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte te starten. De grondslag hiervoor is kunstmatig gecreëerd. Wij hebben een notitie van Pellicano onder ogen gehad, waarin hij uitlegt hoe het contact met Curaçao tot stand is gekomen. Het is van belang dat het Hof van Pellicano zelf verneemt dat er geen legitieme start was voor het onderzoek. In het eerste rechtshulpverzoek wordt alleen gesproken over witwassen en valsheid in geschrifte. Er is geen sprake van omkoping en ook de e-mail en het bezoek van de advocaat-generaal worden op dat moment niet vermeld. Deze elementen zijn later toegevoegd. De verdediging vindt het vreemd dat het openbaar ministerie heeft geweigerd om dit nader te verklaren. De antwoorden die u zoekt vindt u bij Pellicano. In Milaan is iets gebeurd dat niet strookt met het verhaal van het openbaar ministerie, en dat zou voldoende moeten zijn voor het Hof om deze kwestie ambtshalve te onderzoeken. De verdediging verzoekt het Hof om het onderzoek over te nemen. Wij hebben nieuwe informatie aangeleverd, die ten tijde van ons eerdere verzoek in oktober nog niet bekend was. Wij herhalen ons verzoek om de getuige Pellicano te horen en het is thans aan het Hof om hierover opnieuw te beslissen. De stelling van het openbaar ministerie dat het niet van belang is hoe het precies is gegaan, is niet in overeenstemming met de jurisprudentie met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Procureur-generaal Rip merkt ten antwoord op dat het dossier tevens twee aangiftes tegen de verdachte bevat, te weten een anonieme aangifte en de aangifte van [betrokkene 2] . Elk van deze aangiften op zich zou reeds voldoende grond vormen om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Het openbaar ministerie had geen belang om contact te leggen met Italië. Het Hof onderbreekt de behandeling voor korte duur voor beraad. De voorzitter hervat de behandeling en deelt als beslissing van het Hof het volgende mede. Het Hof acht het horen van de meegebrachte getuigen Luparia en Padovani in het belang van de verdediging en niet nodeloos, zodat het verzoek zal worden toegewezen. (…) De voorzitter doet de getuige Lupari voor zich verschijnen. (…) Mr. C. Knoops-Hamburger gaat over tot het ondervragen van de getuige Luparia. (…) De getuige beantwoordt deze vragen als volgt: (…)
  27. Ik heb Pellicano met betrekking tot dit onderwerp drie keer ontmoet.
  28. De ontmoetingen hebben plaatsgevonden op 2 december 2016, 20 januari 2017 en 17 februari
  29. Ik heb de inhoud van uw brief met hem besproken, en hem in algemene zin verteld dat u geïnteresseerd was in de manier waarop het strafrechtelijk onderzoek was gestart. Ik lees het gedeelte van de brief voor bij bulletpoint
  30. Hij reageerde meteen met de verklaring dat hij zich een heel andere versie van het gebeurde herinnerde. Hij was het niet eens met de informatie zoals die door het openbaar ministerie Curaçao was verstrekt.(…)
  31. Pellicano zei op 20 januari 2017 dat hij bereid was om een schriftelijke verklaring, een affidavit, af te geven over de specifieke omstandigheden rond de start van het onderzoek, en het feit dat die volgens hem anders waren dan in de versie van het openbaar ministerie Curaçao.
  32. In een later stadium besloot hij dat hij er de voorkeur aan gaf om niet een geschreven verklaring te geven, maar om zich direct door het Hof te laten horen. Hij is van mening dat dit de meest correcte manier is om deze kwestie te behandelen, te meer daar hij een collega is van de functionarissen van het openbaar ministerie.(…) De voorzitter doet vervolgens de getuige Padovani voor zich verschijnen.(…)
  33. Met betrekking tot deze zaak heb ik in totaal drie ontmoetingen met Pellicano gehad.
  34. De ontmoetingen hebben plaatsgevonden op 20 januari 2017, 17 februari 2017 en 21 februari 2017.(…)
  35. Het klopt dat wij bij al die gelegenheden over de zaak hebben gesproken. (…) Pellicano vertelde dat hij over deze zaak nooit een e-mail heeft gestuurd aan het openbaar ministerie van Curaçao. Hij vertelde ons ook dat hij zich een andere versie van de start van de zaak herinnerde. Hij was erg verrast omdat hij het niet eens was met de bewering dat hij degene was die een e-mail naar Curaçao zou hebben gestuurd.
  36. Hij was bereid om een affidavit af te geven omdat hij zich een andere versie van de gang van zaken herinnerde. (…) De jongste rechter vraagt aan de getuige: Als ik u goed begrepen heb, heeft Pellicano u meer info gegeven over de start van het onderzoek dan u ons nu vertelt, maar heeft hij u gevraagd om die informatie (nog) niet aan het Hof te vertellen, omdat hij het beter vond om die informatie rechtstreeks te geven. En omdat u het daar mee eens bent heeft u besloten om die informatie vandaag niet te verstrekken. Is dat correct?De getuige antwoordt als volgt: Ja, dat klopt. Wij hebben met Pellicano de versie van het openbaar ministerie Curaçao besproken, met betrekking tot de volgorde van de gang van zaken rond de start van het strafrechtelijk onderzoek. Hij gaf duidelijk aan dat hij het niet eens was met deze versie en zich een andere gang van zaken herinnerde. Tijdens het gesprek van 20 januari 2017 met de heer en mevrouw Knoops, stemde Pellicano er mee in om een schriftelijke verklaring aan ons af te geven, inhoudende alle feiten en omstandigheden rond de start van het strafrechtelijk onderzoek die hij zich herinnerde. Dit was, zoals gezegd, een andere versie dan die het openbaar ministerie Curaçao aan het Hof heeft voorgelegd. Maar tijdens het gesprek van 17 februari 2017, wat eigenlijk tot doel had om de affidavit definitief op te stellen en door Pellicano te doen ondertekenen, vertelde hij dat hij van gedachten was veranderd. Na erover te hebben nagedacht bleef hij weliswaar bij het standpunt dat de versie van het openbaar ministerie van Curaçao niet correct was, maar vanwege zijn status als openbaar ambtenaar en omdat zijn affidavit een verklaring onder ede van een collega van een ander land zou weerspreken, had hij zich gerealiseerd dat het correcter zou zijn om een verklaring af te leggen ten overstaan van het Hof.(…) Mr. Knoops vervolgt met het verzoek aan het Hof om de getuige Pellicano op te roepen en te horen. Het verzoek en de onderbouwing ervan zijn op schrift gesteld. Mr. Knoops draagt dit stuk voor en legt het over aan het Hof. Ter aanvulling betoogt hij het volgende. Voor ons is van belang dat het Gerecht in eerste aanleg op blz. 6 van het vonnis het hiervoor genoemde e-mailbericht als legitimatie van onderzoek heeft beschouwd. Daarbij is overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat dit mailbericht niet is verstuurd, aangezien er een ambtsedig proces-verbaal van de advocaat-generaal is, waarin wordt gezegd dat dit wel is gebeurd. Hetgeen wij vandaag van de getuigen hebben gehoord is derhalve cruciaal. Zij hebben allen verklaard dat volgens Pellicano de versie van het openbaar ministerie van Curaçao niet juist is. Pellicano is bereid in persoon te verklaren dat de start van het onderzoek helemaal niet heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het e-mailbericht uit Italië. Het openbaar ministerie Curaçao heeft een U-bochtconstructie geconstrueerd. Op oneigenlijke wijze is het onderzoek in Italië er bij gehaald omdat men zelf niet over voldoende gronden beschikte voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte. Het is niet relevant dat er later wel gronden zijn ontstaan, in de vorm van de aangiften tegen de verdachte. Het gaat om de stand van zaken ten tijde van het starten van het strafrechtelijk onderzoek. De door ons beschreven handelwijze van het openbaar ministerie van Curaçao is onrechtmatig en is voldoende aanleiding om tot niet-ontvankelijkheid te concluderen. Eén ding staat vast na hetgeen wij heden van de getuigen hebben gehoord. Er liggen thans voldoende concrete aanwijzingen om het proces-verbaal en de onder ede bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van mr. Van der Schans ter discussie te stellen. Er is bovendien nog meer informatie dan hetgeen de getuigen konden overbrengen. Hieruit blijkt dat het noodzakelijk is om Pellicano zelf te horen. Er hebben zich ernstige schendingen voorgedaan. Ik verzoek het Hof dan ook bij deze om Pellicano op te roepen en als getuige te horen, eventueel via een rogatoire commissie. Ik verzoek tevens om de behandeling van de zaak om die reden aan te houden. De procureur-generaal Rip verzet zich desgevraagd tegen dit verzoek en licht dit als volgt toe. Wij menen dat de getuigenverklaringen de zaak niet hebben verhelderd. Beiden houden het bij vage uitspraken. De eerste getuige komt niet verder dan dat Pellicano zich een andere gang van zaken herinnert, maar vertelt niet concreet welke dat is. Dat is beduidend minder hard dan hetgeen mr. Knoops beweert, namelijk dat mr. Van der Schans niet naar waarheid zou hebben verklaard. De tweede getuige verklaart uitsluitend dat Pellicano zegt dat hij geen e-mail heeft gestuurd. Ik heb vóór mij het proces-verbaal van 2014 van mr. Van der Schans, waarin hij relateert: “Medio 2012 ontving ik een email van het openbaar ministerie te Milaan.“ Dat is heel algemeen. Op vraag 3 tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris antwoordt hij : “Ik kan mij niet precies herinneren wie de afzender van die mail was. Ik dacht Pellicano.” In de e-mail van 24 november 2016, wordt beweerd dat het openbaar ministerie van Curaçao stelt dat “in de tweede helft van 2012 het openbaar ministerie van Milaan een email heeft gestuurd, signed by Pellicano.” Dat heeft mr. Van der Schans nooit gezegd. De getuigen zijn dus misleid. Als zij dit aan Pellicano hebben voorgelezen, zal hij zeker hebben ontkend dat hij de mail heeft gestuurd. Wat ons betreft zijn er dus helemaal geen concrete aanwijzingen dat er iets verkeerd is gegaan. Bovendien heeft de hele kwestie van de e-mail zich voor de start van het onderzoek voorgedaan, zodat het maar de vraag is of dit relevant is voor een beslissing in deze zaak. Wij stellen ons op het standpunt dat het verzoek tot het horen van Pellicano nodeloos is. Mr. Knoops reageert hierop als volgt. Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 7 tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris: “De email was niet persoonlijk aan mij gericht, maar aan het openbaar ministerie van Curaçao. Er stond wel de naam onder van Pellicano.” Mr. Van der Schans zegt dit zeer specifiek. Voor zover het openbaar ministerie zich op het standpunt stelt dat alleen normschendingen binnen het onderzoek van belang zijn, wijs ik u op jurisprudentie waaruit blijkt dat ook laakbare handelingen voorafgaand aan het onderzoek kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het Hof hoeft nu nog niet te beslissen over de niet-ontvankelijkheid, maar moet bezien of er voldoende aanwijzingen zijn voor nader onderzoek en dan met name het horen van Pellicano in persoon. Schalken betoogt, in de zaak Rodriguez, dat er ambtshalve aanleiding is tot het horen van getuigen indien er concrete aanwijzingen zijn van normschendingen. Wij hebben verklaard dat Pellicano meer concrete informatie kan verschaffen. De getuigen houden geen informatie achter. Het siert hen dat zij niet in naam van Pellicano willen verklaren dat zijn collega meineed heeft gepleegd, aangezien dit niet past binnen hun ethische code. Om die reden houdt Pellicano zich juist beschikbaar om in persoon hierover te getuigen. De procureur-generaal Rip persisteert bij hetgeen hij met betrekking tot dit verzoek eerder naar voren heeft gebracht. De voorzitter onderbreekt de behandeling voor het nemen van middagrust en beraad. De voorzitter hervat de behandeling en deelt als beslissing van het Hof het navolgende mede. De verklaringen van de getuigen Luparia en Padovani komen, samen genomen, in essentie op het volgende neer:- dat Pellicano hen heeft laten weten verbaasd te zijn over hetgeen in de brief van de verdediging van 24 november 2016 stond vermeld ten aanzien van de start van het onderzoek en dat hij zich een andere versie van de start van het onderzoek herinnert;- dat Pellicano persoonlijk geen e-mail aan het openbaar ministerie Curaçao heeft gestuurd;- dat Pellicano over de inhoudelijke gang van zaken nog meer heeft gezegd, maar dat daar door de getuigen geen nadere mededelingen over kunnen worden gedaan. Het Hof is van oordeel dat het bovenstaande onvoldoende concreet is om het verzoek tot het horen van de getuige Pellicano te dragen. Door mr. Van der Schans is in zijn verklaring niet met die stelligheid als door de verdediging naar voren gebracht verklaard dat de e-mail door Pellicano persoonlijk is ondertekend en verstuurd. Daarmee is er geen begin van aannemelijkheid dat de verklaring van mr. Van der Schans leugenachtig is. Voor het overige overweegt het Hof dat niet is onderbouwd wat het belang zou zijn om vast te stellen welke functionaris van het openbaar ministerie te Milaan dan wel de afzender of de ondertekenaar van voornoemde e-mail is geweest. Niet ter discussie staat dat de desbetreffende informatie van het Italiaanse openbaar ministerie afkomstig is.Nu de getuigen weliswaar hebben verklaard dat Pellicano meer aan hen heeft verteld over de inhoudelijke gang van zaken, maar geen enkele indicatie hebben gegeven wat dat meerdere dan inhoudt, biedt ook dat, zelfs in samenhang met hetgeen verder is verklaard, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat Pellicano iets kan verklaren dat van belang kan zijn voor enige door het Hof in deze zaak te nemen beslissing.Het Hof acht het horen van de getuige Pellicano, gelet op het bovenstaande, nodeloos en het verzoek zal worden afgewezen.”
  37. Vervolgens heeft de verdediging bij dupliek het verzoek om Pellicano als getuige te horen opnieuw herhaald. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 13 en 14 juni 2017 houdt daarover, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “DupliekDe raadsman merkt voor dupliek, het volgende op.Ten aanzien van het Italië-verhaal. Er kan toch niet ontkend worden dat mr. Van der Schans een duidelijk antwoord heeft gegeven op vraag 7 van zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris en uitdrukkelijk heeft gezegd dat onder de e-mail uit Italië de naam van Pellicano stond. Hij zegt ook dat hij met Pellicano heeft gebeld om te vragen of hij nog over de betreffende mail beschikt. Wij proberen geen verwarring te stichten. De verwarring is ontstaan door de handelwijze van het openbaar ministerie en met name door de verklaringen van mr. Van der Schans. Wij zijn van mening dat mr. Van der Schans in zijn proces-verbaal en tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris niet de waarheid heeft verteld. Het Hof moet volkomen kunnen vertrouwen op de juistheid van dergelijke stukken. Wij begrijpen niet dat het openbaar ministerie beweert dat het niet relevant is wie de e-mail heeft ondertekend of verzonden. Dat is juist bijzonder belangrijk. Als mr. Van der Schans hierover niet de waarheid vertelt en het openbaar ministerie Curaçao op eigen initiatief contact heeft gelegd met Italië, dan zijn wij allen vals voorgelicht. Dit is een ernstige kwestie, ik verwijs naar de bevindingen van de Hoge Raad in het Karman-arrest. Dit alles vormt te meer een reden om alsnog de getuige Pellicano in persoon te horen en aan de kennelijke verwarring die wij gesticht zouden hebben een einde te maken. Wij herhalen ons verzoek daartoe.”
  38. Bij strafvonnis van 21 juli 2017 heeft het hof het herhaalde getuigenverzoek wederom afgewezen. Het voornoemde vonnis houdt daarover het volgende in: “Voorvragen en normschendingenDe verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard althans dat bewijsuitsluiting op zijn plaats is wegens normschendingen.Hiertoe is onder meer gesteld dat er ten tijde van de start van het onderzoek onvoldoende verdenking jegens de verdachte bestond en dat het openbaar ministerie een “extra aanleiding” nodig had om het in 2013 tegen de verdachte lopende strafrechtelijke onderzoek meer gewicht te geven. Daartoe zou de advocaat-generaal mr. A.C. Van der Schans in 2014 met een (deels) onwaar verhaal over een e-mailbericht gekomen zijn dat door het openbaar ministerie in Milaan aan het openbaar-ministerie in Curaçao zou zijn gezonden. Als officieel vertrekpunt voor het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak dient te worden aangemerkt de brief van de procureur-generaal mr. D.A. Piar van 28 januari
  39. Deze brief is gericht aan het Hoofd van de Landsrecherche van het land Curaçao en behelst de opdracht tot een landrecherche-onderzoek naar ongebruikelijke transacties. De aanleiding daartoe is volgens de brief gelegen in de omstandigheid dat de stichting Akshon Sivil en diverse burgers in aanloop naar de verkiezingen van oktober 2012 bij het openbaar ministerie aandacht hebben gevraagd voor de ongebruikelijke transacties die gerelateerd kunnen worden aan de verdachte, zoals de afgelopen jaren gemeld bij en geregistreerd door het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) in Curaçao. Uit de brief blijkt verder dat deze transacties in het verleden niet zijn onderzocht in verband met personele onderbezetting en dat het belang van het onderzoek erin is gelegen een einde te maken aan (publiekelijke) speculaties over mogelijk strafrechtelijk verwijtbaar handelen van de verdachte. Het onderzoek moet volgens de procureur-generaal inhouden dat de transacties in kaart worden gebracht en dat nationaal en internationaal navraag dient te worden gedaan naar de herkomstbestemming opdat duidelijkheid ontstaat over de vraag of deze transacties al dan niet als “verdacht” moeten worden gekwalificeerd. Uit het dossier valt op te maken dat met het aandacht vragen door “diverse burgers” uit de brief wordt bedoeld de aangiften tegen de verdachte door de heer H. Verstappen van 18 september 2012 en die van een anonieme burger van 22 oktober 2012, beide gericht aan de procureur-generaal. Naar aanleiding van deze opdracht is door Landsrechercheur [verbalisant 4] op 21 mei 2013 een proces-verbaal “Bevindingen feitenonderzoek” opgemaakt. Daaruit blijkt dat bij het MOT een bevraging is gedaan op de verdachte en directe familieleden en geassocieerden, waaruit naar voren is gekomen dat deze in de periode van maart 2007 tot januari 2013 betrokken waren bij een groot aantal MOT-meldingen voor een totaal bedrag van ANG 2.225.786,
  40. Vervolgens is de informatie uit de gedane aangiften vergeleken met de informatie die is opgevraagd bij het MOT. De conclusie van dit onderzoek luidt dat de verdenking gerechtvaardigd is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer de volgende strafbare gedragingen:- witwassen van voorwerpen, waaronder grote contante geldbedragen;- opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte;- overtreding van de Landverordening Financiën Politieke Groeperingen. In vervolg hierop heeft de procureur-generaal bij brief van 6 juni 2013 opdracht gegeven het eerdere onderzoek tegen de verdachte voort te zetten als een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van advocaat-generaal mr. A.C. van der Schans van 20 februari 2014 waarin deze verklaart dat hij medio 2012 een bericht per e-mail heeft ontvangen van het Italiaanse openbaar ministerie dat men daar, in een lopend onderzoek naar [betrokkene 1] , stukken had gevonden die van belang konden zijn voor het openbaar ministerie. De advocaat-generaal is samen met een collega vervolgens naar Milaan gereisd en heeft daar op 19 december 2012 van de Italiaanse officier van justitie R. Pellicano enkele documenten ter inzage gekregen. Het ging om twee facturen van het bedrijf [A] , gericht aan [B] Ltd te Rome (hierna ook: [B] ). Uit de brief van de procureur-generaal van 28 januari 2013 komt een behoedzame benadering naar voren van de al langer op het internet circulerende geruchten rondom financiële transacties van de verdachte. Voordat het openbaar ministerie door middel van deze brief in actie kwam, waren meerdere, met bijlagen onderbouwde, aangiften gedaan. De brief van de procureur-generaal behelst nog geen opdracht tot een strafrechtelijk onderzoek op basis van een verdenking, maar de opdracht tot een onderzoek naar de in de aangiften genoemde transacties. Pas toen op grond van dit onderzoek bleek dat er voldoende verdenking jegens de verdachte aanwezig was, is het voortgezet als een strafrechtelijk onderzoek. Het Hof acht de gevolgde gang van zaken zorgvuldig en de uit het feitenonderzoek verkregen informatie voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Deze aanvankelijke verdenking betrof, zo blijkt uit de brieven van de procureur-generaal en het proces-verbaal van de landsrecherche van 21 mei 2013 nog niet de verdenking van valsheid in geschrift met betrekking tot de rekeningen van [A] aan [B] Ltd, het zogenaamde Italië-verhaal. Het proces-verbaal van advocaat- generaal mr. A.C. Van der Schans vermeldt dat dit een aanvang heeft genomen “medio 2012” (waarvan hij later heeft aangegeven daarmee te hebben bedoeld: in de tweede helft van 2012), terwijl deze verdenking tegen de verdachte pas in een proces-verbaal van 19 mei 2014 naar voren komt. Hoewel het voor de hand had gelegen dat de naar aanleiding van deze e-mail verkregen informatie in een eerder stadium aan het dossier was toegevoegd, is het standpunt van de verdediging dat het openbaar ministerie de verdenking hiermee wilde “verstevigen”, gelet op de hiervoor omschreven feitelijke gang van zaken, niet aannemelijk geworden, en wordt het op grond hiervan verworpen. De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in de aanloop van het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte dusdanig onrechtmatig zou hebben gehandeld dat niet meer sprake kan zijn van een eerlijk proces. De onrechtmatigheden zouden zich volgens de verdediging voorgedaan hebben in wat zij noemt:- de onrechtmatigheden in de MOT-aanleiding, en- het Italië-verhaal. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv - dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit - is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.6.5). Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het EHRM dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet- ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld (vgl. HR 13-09-2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, rov. 2.3.4). MOT-informatieDe verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van achtereenvolgende onrechtmatigheden ten aanzien van de MOT-meldingen waar de verdenking tegen de verdachte op is gebaseerd.Volgens de verdediging is om te beginnen op onrechtmatige wijze een veiligheidsonderzoek door de overheid uitgevoerd naar onder meer de verdachte, in het kader waarvan vertrouwelijke informatie bij overheidsdiensten, commerciële banken en dergelijke werd ingewonnen. De in het kader hiervan verkregen MOT-meldingen dienen eveneens als onrechtmatig te worden beschouwd. Deze MOT-gegevens zijn vervolgens gelekt en het kan volgens de verdediging niet anders zijn dan dat dat is gebeurd door een of meer overheidsdienaren. Het openbaar ministerie moet hiervoor verantwoordelijk worden gehouden en had op basis van deze informatie geen strafrechtelijk onderzoek mogen beginnen. Het Hof stelt vast dat het veiligheidsonderzoek geen deel uit maakt van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten. Dat neemt niet weg dat onder omstandigheden onrechtmatigheden bij het veiligheidsonderzoek relevant kunnen zijn voor de strafzaak (vergelijk HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336, rov. 4.7.2 en 4.8). Onvoldoende onderbouwd is echter dat van dergelijke omstandigheden sprake is en dat is ook overigens niet aannemelijk geworden. In de aangiften die aanleiding waren tot het feitenonderzoek waartoe de procureur- generaal op 28 januari 2013 opdracht had gegeven, wordt melding gemaakt van op de verdachte betrekking hebbende, uitgelekte, informatie, waaronder MOT-meldingen en een memo van de Veiligheidsdienst, die op het internet circuleerden. Het Hof is niet gebleken van feiten of omstandigheden die erop wijzen dat overheidsdienaren op enigerlei wijze betrokken zouden zijn bij het (moedwillig) lekken van deze informatie naar het internet of dat deze anderszins een rol hebben gespeeld die het gebruik van deze informatie door het openbaar-ministerie onrechtmatig zou hebben gemaakt. De stelling van de verdediging dat het niet anders kan zijn dan dat dat door overheidsdienaren is gebeurd, deelt het Hof dan ook niet. Daarnaast volgt het Hof de verdediging niet in haar stelling dat gedrag van welke overheidsdienaar dan ook zonder meer aan het openbaar ministerie moet worden toegerekend. Daarbij is in dit geval van belang dat het doel van deze informatievergaring was om mogelijke integriteitsproblemen bij aankomende bewindslieden te onderzoeken en niet om deze in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen de verdachte te (laten) gebruiken. Gang van zaken Italië Ten aanzien van het door de advocaat-generaal Van der Schans opgemaakte proces-verbaal van 20 februari 2014 over de ontvangst van een e-mail van het openbaar ministerie te Milaan, het zogenaamde Italië-verhaal, heeft de verdediging het volgende aangevoerd. De gang van zaken zoals door het openbaar ministerie geschetst is niet conform de werkelijkheid. Allereerst heeft het openbaar ministerie het Gerecht in eerste aanleg en het Hof misleid door te stellen dat de start van het onderzoek was gelegen in dit proces-verbaal. Daarnaast is er sprake van onverklaarbare tegenstrijdigheden in, en de gang van zaken rondom, dit proces-verbaal. De verdediging heeft de officier van justitie te Milaan, Pellicano, door professor en advocaat L. Lupario en wetenschappelijk medewerkster en advocate C. Padovani laten benaderen en deze hebben over Pellicano verklaard dat: “he could refer factual circumstances actually able to contradict essential elements of the course of events as stated by the Curaçao investigative authorities”. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de verdediging het Hof opnieuw verzocht Pellicano als getuige te horen over de aanvang van het Italië-verhaal. Het Hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek niet is gelegen in het proces-verbaal van advocaat-generaal Van der Schans. Dit valt op eenvoudige wijze uit het dossier op te maken, zodat van misleiding door het openbaar ministerie geen sprake is.Verder stelt het Hof vast dat de twee facturen waarvan advocaat-generaal Van der Schans in zijn proces-verbaal van 20 februari 2014 melding maakt daadwerkelijk hebben bestaan en dat kopieën daarvan zich in het dossier bevinden. De authenticiteit hiervan is dan ook niet in het geding. Deze kopieën zijn door middel van een rechtshulpverzoek aan Italië verkregen. Voor zover de gang van zaken rondom de e-mail en het daaropvolgende werkbezoek aan Italië niet (geheel) conform de verklaring van de advocaat-generaal zou zijn verlopen is de verdachte daardoor niet in zijn belangen geschaad, aangezien de kopieën van de beide facturen in aansluiting op dit werkbezoek op controleerbare en rechtsgeldige wijze zijn verkregen. De door de verdediging aangevoerde stellingen leiden niet, ook in niet onderling verband en samenhang bezien, tot de slotsom dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim of schending van het recht op een eerlijk proces. Het verweer wordt dan ook verworpen. Op grond van het voorgaande is er ook geen aanleiding voor bewijsuitsluiting. Het horen van Pellicano als getuige acht het Hof nodeloos nu zijn verklaring niet kan bijdragen aan enige in deze zaak te nemen beslissing. (…)”
  41. Uit de voorafgaande beschrijving van het procesverloop volgt dat de verdediging tot drie maal toe heeft verzocht om het horen van R. Pellicano als getuige. Die verzoeken hebben geleid tot beslissingen van het hof van

(1)16 november 2016,
(2)12 juni 2017 en
(3)21 juli 2017 (einduitspraak). Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst in de kern de klacht dat de (tussen)beslissingen van het hof van 12 juni 2017 en 21 juli 2017 tot afwijzing van het verzoek de Italiaanse officier van justitie Pellicano als getuige te horen onbegrijpelijk zijn in het licht van enerzijds hetgeen aan dat verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. De cassatieschriftuur houdt onder 49 in dat ook de tussenbeslissing van het hof van 16 november 2016, voor zover inhoudende de afwijzende beslissing Pellicano als getuige te horen, niet in stand kan blijven. Omdat een specifieke, op de motivering van deze tussenbeslissing toegesneden toelichting op het middel ontbreekt, concentreer ik mij in het vervolg op de onder
(2)en
(3)genoemde beslissingen.
  1. Het volgende kan worden vooropgesteld. Op grond van artikel 301, eerste lid, SvC kan de verdachte in hoger beroep zowel ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde als nieuwe getuigen en deskundigen doen dagvaarden. Artikel 301, tweede lid, SvC verklaart artikel 289, tweede tot en met vierde lid, SvC van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.
  2. Artikel 289, tweede tot en met vierde lid, SvC luidt als volgt: “
  3. Hij geeft deze daartoe ten minste drie dagen voor de terechtzitting in persoon ten parkette van de officier van justitie of schriftelijk bij aangetekende, aan de officier gerichte brief op. Hij vermeldt daarbij de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief, die onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van opgave.
  4. De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen, opgegeven met inachtneming van het tweede lid, onverwijld dagvaarden, tenzij er naar zijn oordeel dwingende gronden bestaan om de dagvaarding te weigeren. In dit laatste geval maakt hij de verdachte opmerkzaam op het bepaalde in artikel 318, derde lid.
  5. De getuigen en deskundigen, die zijn gedagvaard, worden gebracht op de in artikel 318, tweede lid, bedoelde lijst.”
  6. Artikel 318 SvC luidt voorts: “
  7. De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen over.
  8. Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier.
  9. Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen.
  10. Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.
  11. De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek tegenwoordig is geweest.
  12. Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.
  13. Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet.”
  14. Mijn ambtgenoot Machielse heeft er in eerdere conclusies reeds op gewezen dat de Caribische wetgever zich weliswaar heeft laten inspireren door de Nederlandse wetgeving, maar dat die wetgeving daarvan op het gebied van het oproepen van getuigen niettemin afwijkt. Daartoe wijst hij op de memorie van toelichting bij artikel 318 SvNA, oorspronkelijk artikel 323, die het volgende inhoudt: “Artikel 323De bevoegdheid, zowel van de officier van justitie als van de rechter ter zitting, het verhoor van door de verdachte opgegeven getuigen te weigeren, indien door het achterwege blijven daarvan de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad, is niet uit de Nederlandse regeling overgenomen. Door de Straatburgse jurisprudentie worden aan de verwezenlijking van het betreffende recht van de verdachte steeds zwaardere eisen gesteld. Het leek aangewezen om hetzelfde criterium, zoals omschreven in art. 6 van het Europese Verdrag (verdachte heeft dezelfde rechten als het OM), in artikel 323 op te nemen. In het licht van dat criterium moet derhalve de nodeloosheid van de ondervraging worden beoordeeld. Zo zal nodeloosheid niet te snel mogen worden aangenomen, als de getuige nog niet eerder (in het vooronderzoek) is verhoord.”
  15. Het oude artikel 318 SvNA komt overeen met het huidige artikel 318 SvC. Ten aanzien van de bepaling zoals opgenomen in artikel 318 SvNA merkte mijn ambtgenoot Machielse nog op dat uit de wetsgeschiedenis moest worden afgeleid dat in een geval als het onderhavige de door het hof te hanteren maatstaf de nodeloosheid van de ondervraging is, in de betekenis dat het horen al dan niet zonder noodzaak is, en dat deze in het licht van het in artikel 6 EVRM neergelegde beginsel van equality of arms moet worden beoordeeld. Voorts wijst hij erop dat het bepaalde in art. 318 SvNA nauw aansluit bij art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM.
  16. In de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie heb ik een nadere invulling van het criterium ‘nodeloos’ niet aangetroffen.
  17. Art. 6, derde lid onder d, EVRM verzet zich er niet tegen dat eisen aan de onderbouwing van een getuigenverzoek worden gesteld. Voorts staat ook de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van het ondervragingsrecht er niet aan in de weg dat eisen worden gesteld aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen.
  18. In de onderhavige zaak is het verzoek tot het horen van Pellicano als getuige geplaatst in de sleutel van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat in geval wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, van de verdediging wordt verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van een zodanig verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vormverzuim dat niet onherstelbaar is of dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit. Er is geen grond daarover anders te oordelen in geval van een beroep op art. 413, vijfde lid, SvC, welke bepaling immers in de kern overeenkomt met art. 359a, eerste lid, Sv. Ook in geval een beroep wordt gedaan op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens buiten het kader van het voorbereidend onderzoek begane onrechtmatigheden, zal van de verdediging mogen worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom de door de verdediging gewenste getuige dient te worden gehoord. Afwijzing ligt in een dergelijk geval in de rede indien de desbetreffende onrechtmatigheid niet tot het door de verdediging genoemde rechtsgevolg zal kunnen leiden.
  19. Het middel keert zich niet tegen de door het hof gebezigde maatstaf. Aan de orde is de vraag of de beslissingen tot het afwijzen van de verzoeken om Pellicano als getuige te horen begrijpelijk zijn in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop de verzoeken zijn afgewezen. Ik meen dat beide beslissingen de toets in cassatie kunnen doorstaan. Daartoe wijs ik op het volgende.
  20. Het hof heeft het ter terechtzitting van 12 juni 2017 door de verdediging herhaalde verzoek Pellicano als getuige te horen op dezelfde zitting afgewezen (zie hiervoor onder 10 van deze conclusie). Daarbij heeft het hof onder meer geoordeeld dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende concreet is om het verzoek tot het horen van de getuige te dragen, terwijl niet ter discussie staat dat de e-mail met informatie van het Italiaanse openbaar ministerie afkomstig is. Voorts heeft het hof overwogen dat de getuigen Luparia en Padovani weliswaar hebben verklaard dat Pellicano meer aan hen heeft verteld over de inhoudelijke gang van zaken, maar dat zij geen enkele indicatie hebben gegeven wat dat “meerdere” dan inhoudt en dat dat, ook in samenhang met hetgeen verder is verklaard, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat Pellicano iets kan verklaren dat van belang kan zijn voor enige door het hof te nemen beslissing.
  21. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het verzoek is afgewezen. Daarbij neem ik in aanmerking dat van de verdediging mocht worden verwacht het horen van een getuige ter onderbouwing van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een vormverzuim als bedoeld in art. 413, vijfde lid, SvC dan wel wegens onrechtmatigheden buiten het kader van het voorbereidend onderzoek te motiveren overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 21 is vooropgesteld. In dit verband is de verdediging uitvoerig ingegaan op de contacten van het openbaar ministerie te Curaçao met het openbaar ministerie te Milaan. Niet bestreden is dat het openbaar ministerie te Curaçao vervolgens kopieën van facturen naar aanleiding van bevindingen uit een Italiaans strafrechtelijk onderzoek door middel van een rechtshulpverzoek van Italië heeft verkregen. Het hof heeft – niet onbegrijpelijk - vastgesteld dat de brief van de procureur-generaal mr. D.A. Piar van 28 januari 2013 dient te worden aangemerkt als officieel vertrekpunt voor het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak. De verdediging wenste Pellicano vragen te stellen over de wijze waarop het contact tussen het openbaar ministerie te Curaçao en het openbaar ministerie te Milaan tot stand is gekomen. Het hof is ervan uitgegaan dat dat contact tot stand kwam in de tweede helft van 2012, dus voordat mr. Piar het startsein gaf voor een rechercheonderzoek naar ongebruikelijke transacties en ruim voordat hij bij brief van 6 juni 2013 opdracht gaf het onderzoek voort te zetten als een strafrechtelijk onderzoek. Dat betekent dat het initiatief tot het contact tussen de autoriteiten van beide landen buiten het kader van het voorbereidend onderzoek plaatsvond en reeds daarom niet binnen het bereik van art. 413 SvC valt. Ook overigens kon het hof oordelen dat de verdediging onvoldoende aanknopingspunten heeft aangereikt voor het oordeel dat Pellicano iets kan verklaren dat van belang kan zijn voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing. In het bijzonder valt niet in te zien dat de wijze waarop de contacten tussen de autoriteiten van beide landen tot stand zouden zijn gekomen zou kunnen meebrengen dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte. Daarbij moet worden bedacht dat zelfs als sprake zou zijn van een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 413 SvC valt, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking komt, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in de motivering van het getuigenverzoek onvoldoende aanknopingspunten heeft aangetroffen voor het oordeel dat Pellicano in dit verband iets kan verklaren dat van belang kan zijn voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing. De verdediging is immers onverkort in de gelegenheid geweest haar visie te geven op de betrouwbaarheid en de betekenis voor het bewijs van de (kopieën van) facturen die de Italiaanse autoriteiten ter inzage hebben gegeven en die na een rechtshulpverzoek aan de processtukken zijn toegevoegd.
  22. De verdediging heeft aan het (herhaalde) verzoek de getuige te horen (steeds) ten grondslag gelegd dat de gang van zaken ten aanzien van het contact met het openbaar ministerie in Italië zoals door het openbaar ministerie van Curaçao geschetst in het proces-verbaal niet conform de werkelijkheid is en dat de Italiaanse officier van justitie Pellicano als getuige kan verklaren dat het initiatief voor het onderzoek niet van hem is uitgegaan. In dat verband is de mogelijkheid geopperd dat de advocaat-generaal bij het hof bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard dat het e-mailbericht waarmee het contact tussen Curaçao en Italië tot stand is gekomen afkomstig was van Pellicano. Het hof heeft overwogen dat door de betrokken advocaat-generaal niet met de stelligheid als door de verdediging naar voren is gebracht, is verklaard dat de e-mail door Pellicano persoonlijk is ondertekend en verstuurd en achtte daarmee geen begin van aannemelijkheid aanwezig van de gestelde leugenachtigheid van de verklaring. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst. Het hof heeft daarbij kennelijk mede in aanmerking genomen dat de betrokken advocaat-generaal ten overstaan van de rechter-commissaris onder meer heeft verklaard dat hij zich niet precies herinnert wie de afzender van de e-mail was en dat hij dacht dat dat Pellicano was. De verdediging heeft twee advocaten, de heer Luparia en mevrouw Padovani, als getuigen meegebracht naar de terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2017 aangezien zij zouden kunnen verklaren over hetgeen Pellicano daarover tegen hen heeft verklaard. De beide getuigen zijn op diezelfde terechtzitting door het hof gehoord, waarna het hof het verzoek Pellicano eveneens ter terechtzitting te horen heeft afgewezen. Het oordeel van het hof dat de inhoud van de verklaringen van de getuigen Luparia en Padovani onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat Pellicano iets kan verklaren dat van belang kan zijn voor enige door het hof te nemen beslissing omdat zij geen enkele indicatie hebben gegeven van hetgeen Pellicano meer aan hen heeft verteld over de inhoudelijke gang van zaken, is in het licht van de door de desbetreffende getuigen afgelegde verklaringen niet onbegrijpelijk. Anders dan door de stellers van het middel wordt betoogd, houden die verklaringen immers niet in op welke essentiële punten de gang van zaken volgens Pellicano anders is gegaan dan is geschetst in het proces-verbaal van de advocaat-generaal bij het hof.
  23. Daarbij komt dat zelfs als het contact tussen de Italiaanse autoriteiten en het openbaar ministerie te Curaçao op een andere wijze tot stand zou zijn gekomen dan is gerelateerd, daarmee niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als rechtsgevolg in beginsel niet snel in beeld komt. Aan de motivering van het verzoek mogen in dit verband hoge eisen worden gesteld. In het bijzonder had van de verdediging mogen worden verwacht dat nader was onderbouwd waarom in dezen van een onherstelbaar verzuim sprake zou zijn en waarom aan het recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte tekort zou zijn gedaan. Voor zover het verzoek anticipeerde op een beroep op bewijsuitsluiting, merk ik op dat het desbetreffende relaas van de advocaat-generaal niet tot het bewijs is gebezigd, terwijl evenmin valt in te zien op welke andere wijze bewijsuitsluiting aan de orde zou kunnen komen.
  24. Het hof heeft in de bestreden uitspraak van 21 juli 2017 het bij dupliek door de verdediging opnieuw herhaalde verzoek om Pellicano als getuige te horen beoordeeld in het licht van het verweer van de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat bewijsuitsluiting moet volgen vanwege normschendingen ten tijde van de start van het (strafrechtelijk) onderzoek tegen de verdachte. Het hof heeft het desbetreffende verweer in de bestreden uitspraak uitvoerig gemotiveerd verworpen. Onderdeel daarvan vormen de overwegingen dat de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek niet is gelegen in het proces-verbaal van de advocaat-generaal en – aldus lees ik de overweging – in de gang van zaken die in het proces-verbaal is beschreven ten aanzien van het contact met het openbaar ministerie te Italië. Tevens heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad, omdat de kopieën van de facturen in aansluiting op het werkbezoek in Italië op controleerbare en rechtsgeldige wijze zijn verkregen en de authenticiteit daarvan niet in het geding is. Daarmee heeft het hof te kennen gegeven dat de verdediging niet is geschaad in haar uit art. 6 EVRM voortvloeiende verdedigingsrechten. Het hof kon uit één en ander afleiden dat het horen van Pellicano nodeloos was, omdat zijn verklaring niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing.
  25. Het voorafgaande brengt mee dat het hof de (herhaalde) verzoeken tot het horen van R. Pellicano als getuige op goede gronden heeft afgewezen.
  26. Het middel faalt.
  27. Het tweede middel en het derde middel komen er in de kern op neer dat het hof een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
  28. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hield verband met de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen stelling dat ten tijde van de start van het onderzoek onvoldoende verdenking ten aanzien van de verdachte bestond en dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld waarop een (strafrechtelijk) onderzoek gestart kon worden, aangezien de MOT-meldingen op zichzelf geen verdenking opleverden (middel 2). Voorts is ten aanzien van deze MOT-meldingen aangevoerd dat deze in verband met achtereenvolgende onrechtmatigheden niet mochten worden gebruikt om een onderzoek, dat later resulteerde in een strafrechtelijk onderzoek, te starten en een verdenking op te baseren, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting (middel 3). Het hof heeft in de bestreden uitspraak het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer samengevat en daarop overwogen hetgeen hiervoor onder 12 is geciteerd.
  29. Ik merk op dat het hof heeft verwezen naar art. 359a Sv. Het hof zal echter het oog hebben gehad op art. 413 SvC, welke bepaling – voor zover hier van belang – als volgt luidt: “
  30. Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting, ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige aanwijzingen geven. (…)
  31. Kan herstel als bedoeld in het eerste en tweede lid niet plaatsvinden, dan blijft de normschending, behoudens in geval van het vijfde lid, zonder gevolgen.
  32. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet: a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd; b. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad; c. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet. (…)
  33. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.”
  34. Hierbij moet worden bedacht dat art. 359a Sv in de kern overeenkomt met art. 413, vijfde en zevende lid, SvC.In zijn arrest van 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2679, NJ 2012/438, oordeelde de Hoge Raad dat in geval van een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken art. 413, vijfde lid, (oud) SvNA ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als art. 359a Sv.
  35. Aan het tweede middel is ten grondslag gelegd dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens het ontbreken van een verdenking jegens de verdachte heeft verworpen op gronden die die deze verwerping niet kunnen dragen.
  36. Voor zover het middel klaagt dat het hof – in strijd met art. 402, tweede lid, tweede volzin, SvC – onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, merk ik het volgende op.
  37. De Hoge Raad heeft eerder in zaken waar een beroep was gedaan op toepassing van art. 359a Sv geoordeeld dat klachten dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet of onvoldoende zou hebben gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging afstuiten op de omstandigheid dat het een verweer als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv betrof. Daarvoor geldt een andere motiveringsplicht, te weten die als bedoeld in HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma, rov. 3.
  38. In aanmerking genomen dat art. 359a Sv in de kern overeenkomt met art. 413, vijfde en zevende lid, SvC rijst de vraag of hetzelfde geldt ten aanzien van een beroep op toepassing van art. 413, vijfde lid, SvC. Een bevestigende beantwoording van deze vraag acht ik niet vanzelfsprekend. Anders dan art. 359a, derde lid, Sv, bevat art. 413 SvC immers geen expliciete voorziening voor het met redenen omkleden van de desbetreffende beslissingen. Ik laat dit punt verder rusten. Het betoog van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging kan immers tevens worden aangemerkt als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 401, derde lid, SvC, waarvan de verwerping op grond van art. 402, tweede lid, eerste volzin, SvC motivering behoeft.
  39. Het middel kan reeds niet slagen, omdat niet valt in te zien waarom het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld als zodanig zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het verweer van de verdediging en het middel berusten daarmee op een te wankel fundament.
  40. De vraag naar de betekenis van eventuele onrechtmatigheden in het kader van het verkrijgen van de zogenoemde MOT-meldingen bespreek ik bij het derde middel. Ten aanzien van de vraag of de informatie als zodanig een verdenking jegens de verdachte oplevert, kan ik kort zijn. Het hof heeft zijn oordeel dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit gebaseerd op “de uit het feitenonderzoek verkregen informatie”. Daarmee heeft het hof kennelijk het oog gehad op de inhoud van het door het hof aangehaalde proces-verbaal “Bevindingen feitenonderzoek”. Dat proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “In het kader van dit feitenonderzoek werd het volgende bevonden. [verdachte] is zakenman en politicus. Hij is thans leider van de politieke partij Movementu Futuro Korsou en lid van de Staten van Curaçao. Door [verdachte] werden de volgende politieke functies bekleed: - van februari 2006 tot december 2006 was hij gedeputeerde van Economische Zaken en Toerisme van het voormalige Eilandgebied Curaçao; - van juli 2007 tot september 2010 was hij Eilandsraadslid op Curaçao en zat in die hoedanigheid in de Centrale Commissie voor Economische Zaken en Toerisme, Openbare Orde en Preventie en Beroepszaken; - van oktober 2010 tot augustus 2012 was hij Minister President van Curaçao en - van oktober 2012 tot heden is hij lid van de Staten van Curaçao. Inhoud aangiften Uit de inhoud van de (…) aangiften en bijlagen blijkt het volgende: (…) - het is opvallend dat een eilandsraadslid, naast zijn salaris als zodanig, gedurende een lange periode, juli 2007 tot september 2010, grote hoeveelheden contant geld -ruim Naf. 1.062.095,=- op zijn rekening stort of laat storten; - deze stortingen betreffen niet zijn salarisbetalingen als eilandsraadslid, omdat zijn salaris als zodanig giraal betaalbaar werd gesteld; - voorts geeft [verdachte] zelf bij de bank aan dat dit contante geld voortkomt uit werkzaamheden als ondernemer en persoonlijk consultant(…); - [verdachte] geeft op zijn persoonlijke Linkedin-pagina niet aan dat hij persoonlijke consultant is of was(…); - In een relatief korte periode, van 7 juli 2009 tot en met september 2009, worden acht
(8)cheques van het bedrijf “ [A] ” verzilverd met telkens ronde bedragen voor in totaal ANG 150.800,
  1. [A] NV is exploitant van meerdere benzinestations in Curaçao. [medeverdachte] is directeur van [A] NV en tevens levensgezel van [verdachte] ; - [verdachte] ontvangt geld van [A] N.V. in de periode dat hij Eilandsraadslid is, tevens lid van de Centrale Commissie voor Economische Zaken en Toerisme; - [verdachte] beschikt rond juni 2010 over buitenlandse valuta (€ 18.000,00 en $ 73.422,00), dat wordt gestort op zijn rekening(en); - Uit de inhoud van uitgelekte bankafschriften van [medeverdachte] kan worden opgemaakt dat substantiële geldbedragen, afkomstig van het bedrijf “ [B] LIM” via de bankrekening van [medeverdachte] kennelijk doorgesluisd zijn naar [verdachte] . (…) Meldpunt Ongebruikelijke Transacties Curaçao (MOT Curaçao) Op grond van het gestelde in artikel 6, lid 2 van de Landsverordening MOT werd bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties te Curaçao een bevraging gedaan betreffende [verdachte] en directe familieleden en geassocieerden. Uit de verstrekte MOT-meldingen blijkt dat [verdachte] , directe familieleden en geassocieerden in de periode van maart 2007 tot januari 2013 betrokken zijn bij een groot aantal ‘MOT-meldingen’ voor een totaal bedrag van ANG 2.225.786,
  2. De inhoud van de meldingen sluit aan bij de inhoud van de aangiften die tegen [verdachte] zijn gedaan. (…) In de aangifte van 22 oktober 2012 wordt omschreven dat in mei en juni 2010 geldbedragen zijn overgemaakt van de vennootschap “ [B] LIM” naar de Amerikaanse bankrekening (…) van [medeverdachte] bij Citibank. Als bijlage bij deze aangifte is een overzicht van een bankrekening van de Citibank in Amerika gevoegd, waarop deze ontvangsten te zien zijn. Tevens blijkt uit dit overzicht dat bedragen worden overgemaakt naar het bedrijf “ [C] Ltd”. In de anonieme aangifte contra [verdachte] , de dato 22 oktober 2012, is vermeld dat twee bedragen ad US$ 15.000,00 en US$ 10.000,00 zijn overgemaakt naar het kennelijk aan [verdachte] gelieerde bedrijf “ [C] Ltd”. Bij de aangifte zijn bijlagen gevoegd. Onder bijlage 1 is een document in het Papiaments gevoegd dat afkomstig is van de website Curaleaks.org. In dit document wordt een relatie gelegd tussen [verdachte] en [C] Ltd. (…) Wanneer de informatie uit de aangiften vergeleken wordt met de informatie van het MOT blijkt het volgende: 14 mei 2010 Op 14 mei 2010 wordt op de bankrekening van [medeverdachte] bij de Citibank in Amerika een bedrag ad US$ 140.000,00 bijgeschreven, afkomstig van de vennootschap “ [B] LIM” (…). 17 mei 2010 Op 17 mei 2010 wordt vanuit de bankrekening van [medeverdachte] bij Citibank in Amerika een bedrag ad US$ 15.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van het bedrijf “ [C] Limited” (…). 14 juni 2010 Op 14 juni 2010 ontvangt [medeverdachte] een bedrag ad US$ 73.422,00 op haar rekening bij de Citibank in Amerika (…); Dezelfde dag wordt vanuit deze bankrekening een bedrag ad US$ 10.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van “ [C] Ltd” (…). 11 en 14 juni 2010 Op 11 en 14 juni 2010 worden in Miami twee geldbedragen, namelijk US$ 120.000,00 en US$ 53.432,00 opgenomen vanuit de bankrekening van [medeverdachte] bij Citibank (…). 15 juni 2010 Op 15 juni 2010 wordt op de bankrekening van [verdachte] de tegenwaarde van twee cheques bijgeschreven. Dit betreffen de bedragen US$ 53.422,00 en US 20.000,
  3. Het totaalbedrag, US$ 73.422,00,= komt exact overeen met het bedrag dat [medeverdachte] op 14 juni 2010 op haar bankrekening (…) bij Citybank kreeg bijgeschreven (bron: aangifte en MOT). Blijkens de inhoud van de situatiebeschrijving van het MOT zijn beide cheques uitgeschreven door [medeverdachte] en afkomstig van haar rekening (…) bij de Citibank in Amerika. Uit informatie op Internet blijkt dat de vennootschap [B] Limited is gevestigd aan [a-straat 1] te Rome (Italië). Uit informatie op Internet blijkt tevens dat [betrokkene 1] eigenaar is van het genoemde bedrijf [B] Limited. Tevens blijkt uit publicaties op Internet dat genoemde [betrokkene 1] ook eigenaar is van de “ [D] ”, met casino’s in Sint-Maarten, de Dominicaanse Republiek en in Curaçao.”
  4. Gelet op de in het voorafgaande gerelateerde feiten en omstandigheden, getuigt het oordeel van het hof dat de uit het feitenonderzoek verkregen informatie voldoende is om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af de gestelde omstandigheid dat “de in het openbaar gelekte MOT-transacties volgens het MOT zelf niet verdacht waren en geen aanleiding gaven tot een onderzoek (…)”, reeds omdat het oordeel van het MOT in dezen niet doorslaggevend is. Het hof heeft zijn oordeel toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd.
  5. Het tweede middel faalt.
  6. Het derde middel behelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging subsidiair tot bewijsuitsluiting heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
  7. Kern van het in het middel bedoelde verweer van de verdediging is dat sprake is geweest van onrechtmatigheden in het kader van de MOT-meldingen en dat het openbaar ministerie de MOT-meldingen daarom niet had mogen gebruiken om een onderzoek, dat later resulteerde in een strafrechtelijk onderzoek, te starten en een verdenking op te baseren. Volgens de verdediging heeft het openbaar ministerie daarmee zijn vervolgingsrecht verspeeld dan wel zou het hof moeten overgaan tot bewijsuitsluiting.
  8. Het hof heeft op het aangevoerde gereageerd zoals hiervoor onder 12 aangegeven.
  9. Het hof heeft met de omstandigheden waaronder onrechtmatigheden bij het veiligheidsonderzoek relevant kunnen zijn voor de strafzaak kennelijk het oog gehad op de in HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336, m.nt. Schalken, rov. 4.7.
  10. omschreven bijzondere gevallen waarin de resultaten van een door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingesteld onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt. Dat is het geval wanneer doelbewust met het oog op het buiten toepassing blijven van strafvorderlijke waarborgen geen opsporingsbevoegdheden worden aangewend teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie of het optreden van de betrokken dienst een schending van de aan een verdachte toekomende fundamentele rechten heeft opgeleverd die van dien aard is dat daardoor geen sprake meer is van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM.
  11. Art. 413 SvC is alleen van toepassing op normschendingen bij de uitoefening van bevoegdheden in een (voorbereidend) onderzoek onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie en op normschendingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Indien bewijsmateriaal onrechtmatig door derden wordt vergaard en vervolgens aan de politie wordt overhandigd, behoeft zulks nog niet tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering te leiden. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is in zodanig geval zelfs uitgesloten. In deze lijn in de rechtspraak klinkt de gedachte door dat onrechtmatig optreden waaraan de politie en het openbaar ministerie part noch deel hebben gehad niet aan de strafvorderlijke autoriteiten kan worden toegerekend. Deze nadruk op de betrokkenheid van de politie en het openbaar ministerie sluit aan bij de verdeling van verantwoordelijkheden in het strafproces. Het gaat in het algemeen niet aan het openbaar ministerie af te rekenen op fouten van derden waarover het geen zeggenschap heeft.Dit aspect wordt in het pleidooi van de raadslieden in hoger beroep en in de schriftuur – kennelijk in navolging van de opinie van J.M. Reijntjes in deze zaak – onvoldoende onderkend. Ook voor de pleidooien strekkende tot het – wederom kennelijk in navolging van de opinie van Reijntjes - gelijkschakelen dan wel analoog toepassen van rechtsgevolgen van onrechtmatigheden tijdens het oriënterend onderzoek en het voorbereidend onderzoek en voor het presenteren van niet-ontvankelijkheid als mogelijk rechtsgevolg in geval van inbreuk op rechten van de verdachte door derden, zie ik geen steun in de rechtspraak van de Hoge Raad.
  12. Bij het voorafgaande moet voorts worden bedacht dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert.
  13. Het hof heeft het voorafgaande niet miskend. Het heeft terecht overwogen dat het veiligheidsonderzoek waaraan volgens de verdediging onrechtmatigheden kleefden geen deel uitmaakte van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten en dat de stelling van de verdediging dat gedrag van welke overheidsinstantie zonder meer aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend niet kan worden gedeeld. Art. 413 SvC blijft om die reden buiten beeld. Voorts is het oordeel van het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122 en dat zulks ook overigens niet aannemelijk is geworden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd.
  14. Het hof heeft de verdediging niet gevolgd in haar stelling dat het niet anders kan zijn dan dat het lekken van de informatie door overheidsdienaren is gebeurd. Ook als de verantwoordelijkheid voor het lekken wel bij de desbetreffende overheidsinstantie wordt gelegd, geldt als uitgangspunt dat daarmee nog niet is gezegd dat de onrechtmatigheid aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend en dat het openbaar ministerie de verkregen informatie niet zou mogen gebruiken met het oog op strafvorderlijke beslissingen. Bij zijn oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat het doel van de informatiegaring was om mogelijke integriteitsproblemen bij aankomende bewindslieden te onderzoeken en niet om deze informatie in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen de verdachte te gebruiken. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat de door de verdediging gestelde onrechtmatigheden ten aanzien van de MOT-meldingen – wat daar ook van zij - niet de conclusie rechtvaardigen dat het gebruik van de in het veiligheidsonderzoek vergaarde informatie door het openbaar ministerie als startinformatie onrechtmatig was, omdat het veiligheidsonderzoek niet alleen geen deel uitmaakte van het voorbereidend onderzoek maar er ook niet op was gericht om – met omzeiling van strafvorderlijke waarborgen – strafrechtelijk bewijs tegen de verdachte te vergaren, terwijl zich ook overigens niet de situatie voordoet waarin geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
  15. Het hof heeft aldus de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer toereikend gemotiveerd.
  16. Het middel faalt.
  17. Het vierde tot en met het elfde middel komen met bewijsklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Daarom geef ik hierna eerst de door het hof ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde gebezigde bewijsmiddelen weer: “
  18. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de verdachte, op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende: Ik ken [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1] ) al jaren. Begin mei 2010 bood [betrokkene 1] me aan om donaties te doen. [betrokkene 1] wilde niet dat dit publiekelijk bekend werd. Overeengekomen is dat de donatie(s) van [betrokkene 1] zou(den) worden gestort op de rekening van [medeverdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ). [medeverdachte] wist dat er geld van [betrokkene 1] binnen zou komen op haar rekening. Zij ging hiermee akkoord. Ik heb de bankgegevens van [medeverdachte] aan [betrokkene 1] doorgegeven. Op mijn laptop, alsmede op mijn externe harde schijf, zijn digitale bestanden/facturen aangetroffen. De Sony laptop was van mij. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, is ook van mij. Ik heb [medeverdachte] gevraagd die harde schijf voor mij te bewaren. Ik heb begrepen dat zij die op haar werk heeft bewaard. Op een gegeven moment [is/zijn een van] de aangetroffen (digitale) facturen naar mij toegestuurd door [betrokkene 1] , naar ik mij kan herinneren via [onder meer] e-mail. [betrokkene 1] heeft de donatie in twee keer gegeven. Een eerste keer heeft hij in mei 2010 een bedrag overgemaakt en in juni 2010 heeft hij nogmaals een bijdrage overgemaakt. Er zijn bedragen overgemaakt naar [C] Ltd. Ik ben begunstigde van [C] Ltd. We waren in juni 2010 een paar dagen in Miami (het Hof begrijpt: in de Verenigde Staten van Amerika). [medeverdachte] heeft daar twee cheques op naam van [A] en twee op naam van [verdachte] gekocht. Er is voor 100.000 dollars aan cheques op naam van [A] gekocht. Die twee bedragen (via cheques) zijn op de rekening van [A] gestort en in mindering gebracht op de persoonlijke schuld van [medeverdachte] aan [A] . Van de op naam van [verdachte] gekochte cheques is een groot gedeelte op mijn MCB-rekening gestort. [betrokkene 1] heeft per mail op 29 juni 2010 de op mijn laptop aangetroffen "agreement" gestuurd. Toen ik dit ontving, heb ik het gelezen. Bij de e-mail van 29 juni 2010 was ook een 'promissary note' gevoegd. In de e-mail van [betrokkene 1] aan mij op 19 juli 2010 schrijft hij: het vereiste bedrag is heel groot en ik moet het op de een of andere manier terugkrijgen.Ik had met [betrokkene 1] veel contact over de MFK. [betrokkene 1] had commentaar op de situatie rond Payo en dat zegt hij in een e-mail. In de mail heeft hij de zin opgenomen: "dit is de prijs die we moeten betalen voor het hebben van zo'n nieuwe partij!!". Destijds overwoog mijn regering om [betrokkene 1] voor te dragen voor een functie/post. Vanuit mijn hoedanigheid als minister-president wilde ik een brief sturen naar de minister van binnenlandse en buitenlandse zaken van Italië. De juridische adviseurs van [betrokkene 1] hebben een draftbrief opgesteld. Deze draftbrief heb ik gebruikt. Ik heb als minister-president een brief gestuurd aan de minister van binnenlandse en buitenlandse zaken van Italië. Ik kreeg op 26 mei 2011 een brief van de Nederlandse ambassadeur van het Koninkrijk te Rome. Deze brief bevatte negatieve informatie over [betrokkene 1] . Nadat ik de brief had ontvangen, heb ik aan [betrokkene 1] laten weten dat er negatieve informatie was binnengekomen. Ik begreep van [betrokkene 1] dat hij erachter is gekomen dat de Italiaanse minister een brief aan mij zou sturen met informatie die totaal anders was dan die van de Nederlandse ambassadeur. [betrokkene 1] stuurde mij een e-mail met de titel "for your eyes only". In het dossier zit een mailwisseling over de mogelijke aanstelling van [betrokkene 3] . Ik kende [betrokkene 3] een beetje via [betrokkene 1] . [betrokkene 3] kwam als een optie naar voren voor benoeming in de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten. Dat er een goedkeuring was voor de voordracht heb ik gemaild naar [betrokkene 3] . In dit e- mailbericht is [betrokkene 1] ge'cced. [betrokkene 3] besloot te bedanken voor de functie. Hij wilde mij vooraf in kennis stellen van zijn weigeringsbrief. [betrokkene 1] heeft mij zijn weigeringsbrief voorgelegd. Ik heb op zijn e-mail geantwoord dat zijn brief prima was.Het klopt dat [betrokkene 1] mij een e-mail heeft gestuurd over mogelijkheden voor exploratie in de offshore te Curaçao. Hier zat een e-mail bij van [E] SPA. Omdat [betrokkene 1] bekend was met de top van [E] was er bilateraal contact via hem naar ons toe.[betrokkene 1] heeft mij verteld dat hij een aanbevelingsbrief nodig had in verband met het verkrijgen van een visum in de VS. Ik had van [betrokkene 1] begrepen dat hij wat problemen had met het verkrijgen van een visum. De advocaten van [betrokkene 1] hadden een draft van een aanbevelingsbrief gemaakt. Dat was wat ik toegestuurd kreeg.Omdat ik formateur was bij het vormen van een regering, zag het advies van [betrokkene 1] soms (ook indirect) op daarmee verband houdende zaken.
  19. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep: Het kan kloppen dat er vier versies van digitale facturen met het logo van [A] op mijn computer zijn aangetroffen. Ik heb die vier versies opgeslagen op mijn computer.
  20. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende: Ik heb [betrokkene 1] leren kennen via [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte). [verdachte] vroeg in de periode maart-mei 2010 of een donatie van [betrokkene 1] op mijn Citibank-rekening mocht worden gestort. Ik ben ermee akkoord gegaan dat de donatie op mijn rekening zou worden gestort en ik heb daartoe mijn bankgegevens aan [verdachte] gegeven. Ik zou een gedeelte van de flinke bedragen die ik had voorgefinancierd door de donatie van [betrokkene 1] terugbetaald krijgen.Ik heb geconstateerd dat het logo dat op de facturen stond die het RST mij heeft laten zien, een oud logo van [A] was. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, was van [verdachte] . [verdachte] had mij gevraagd die te bewaren. Ik heb deze op mijn werk bewaard, in een bureaula. Zoals gezegd zou een deel van de betaling van [betrokkene 1] dienen als betaling aan mij. Dit kon ik dan weer afboeken van mijn schuld aan [A] . In mei 2010 ontving ik de eerste overboeking en in juni 2010 de tweede. Na de eerste overboeking in mei 2010 heb ik een geldbedrag van 15.000 USD overgeboekt naar [C] Ltd. De credit card schuld van [C] zou met de donaties van [betrokkene 1] worden afgelost. In juni 2010 waren [verdachte] en ik een paar dagen in Miami. Ik heb daar een aantal cheques gekocht. Een gedeelte daarvan, ter waarde van 100.000 USD, is gekocht op naam van [A] . Dit werd gedaan om mijn schuld af te lossen die ik bij [A] had gemaakt. Dit heb ik zo met [verdachte] afgesproken. Dit bedrag heb ik laten storten op de bankrekening van [A] . Dit bedrag is in mindering gebracht op de persoonlijke schuld die ik bij [A] had. Op dezelfde dag dat ik de cheques op naam van [A] heb gekocht, heb ik ook een cheque gekocht op naam van [verdachte] . Ik wist van [verdachte] dat een gedeelte van de donatie daarnaartoe moest. Op 14 juni 2010 kwam het tweede gedeelte van de donatie van [betrokkene 1] op mijn rekening. Ik heb toen opnieuw een cheque gekocht op naam van FGS.
  21. Een ambtsedig proces-verbaal "vermoeden valsheid en geschrift en witwassen contra [verdachte] en [medeverdachte] en ambtelijke corruptie contra [verdachte] ", gesloten op 11 februari 2015, PV-nummer 187086 (zaakdossier), voor zover inhoudende: (p. 18) Op 27 augustus 2010 richt verdachte [verdachte] de politieke partij Movementu Future Korsou (MFK) op. Op 10 oktober 2010, bij de totstandkoming van het land Curaçao, is verdachte [verdachte] minister-president van dat land. Deze functie heeft hij bekleed tot eind september 2012.(p. 24) Verdachte [medeverdachte] is bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. Deze vennootschap drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken.(p. 39-41) Tijdens de huiszoeking op 9 december 2013 op het kantooradres van [A] is er in de lade van het bureau van verdachte [medeverdachte] een externe harde schijf aangetroffen. Op die externe harde schijf is op de volgende plaatsen (een gelijke afbeelding van) het bestand "Invoice Ital-Ol.xlsx" aangetroffen: - \GS Documents\ Invoice Ital-Ol.xlsx - \info\ [verdachte] \Documents\Invoice Ital-Ol.xlsx - \LAPTOP BACKUP DEC 06 2010\Documents\Invoice Ital-01 .xlsx De kop van de invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] .De invoice draagt het nummer
  22. De omschrijving is:"Advisory and consulting services & Special Services Fees $ 120,000.00".De kaderlijn van het vak "description" is doorbroken. Het bestand heeft als laatste datum van schrijven: 19 oktober 2009 en als naam van de auteur: "User".(p. 41-43) Een bestand onder de naam "Invoice [B] .xlsx"(het Hof begrijpt dat met [B] wordt bedoeld: [B] Ltd, of [B] Ltd) is aangetroffen op de externe harde schijf op de volgende locaties: - \info\ [verdachte] \Documents\Invoice [B] .xlsx - \GS Documents\ Invoice [B] .xlsx - \LAPTOP BACKUP DEC 06 2010\Documents\Invoice [B] .xlsx De kop van de invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] .De invoice draagt het nummer
  23. De omschrijving is:"Electronic materials $ 140,000.00". De kaderlijn van het vak "description" is doorbroken. Het bestand heeft als laatste datum van schrijven: 29 april 2010 en als naam van de auteur "User", die ook het bestand als laatste heeft opgeslagen.(p. 43-45) Tijdens de huiszoeking op 9 december 2013 te Willemstad op het woonadres van verdachten [verdachte] en [medeverdachte] is een laptop computer van het merk Sony in beslag genomen. Op die laptop is het volgende bestand aangetroffen: \Users\ [verdachte] \AppData\Local\Microsoft\Outlook\ […] .ost Dit is een gegevensbestand van het account [emailadres] . In dit e-mailbestand is in de inbox een e-mailbericht aangetroffen waarin het bestand "Invoice [B] .xlsx" als bijlage is meegezonden. De e-mail is op 3 mei 2010 verzonden vanaf het e-mailadres [emailadres] naar [emailadres] . De kop van de als bijlage meegezonden invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] , lauwerkrans met aanduiding "40", adres: [adres] , achter "for:" de omschrijving "Ital-01", een totaalbedrag van USD 140.000,00 en omschrijvingen: "Assembly and Testing Player Tracking Module (Vit Italian market)" en "On-Board Firmware testing". De kaderlijn van het vak "description" is aan de linkerkant doorbroken. Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan "C/o [medeverdachte] , Citibank, Account […] ." De auteur van het bestand is "User". Het bestand is als laatste opgeslagen door "Proprietario".(p. 48-49) Op 10 november 2011 zijn tijdens een huiszoeking bij het bedrijf [B] Ltd. te Rome, Italië, twee invoices aangetroffen op naam van [A] te Willemstad. De invoice met nummer 91210 heeft een totaalbedrag van USD 140.000,00 en heeft als omschrijvingen: "Assembly and Testing Player Tracking Module (Vit Italian market)" en "On-Board Firmware testing". De kaderlijn van het vak "description" is doorbroken. De invoice is als bijlage 2 bij dit proces-verbaal gevoegd. De invoice met nummer 91213 heeft een factuurbedrag van USD 73.447,
  24. Deze invoice is als bijlage 3 bij dit proces-verbaal gevoegd.(p. 53) Citibank heeft de informatie verstrekt dat op 14 mei 2010 op een Citibankrekening op naam van verdachte [medeverdachte] een bedrag van USD 140.000,00, afkomstig van [B] Limited via de Banca Popolare di Milano is ontvangen.(p. 54-55) Vanaf de Citibankrekening van verdachte [medeverdachte] zijn de volgende geldstromen op gang gekomen: - op 17 mei 2010 is USD 15.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland; - op 14 juni 2010 is USD 10.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland; - op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van de Citibankrekening contant opgenomen. Het betreft twee cheques van elkUSD 50.000,00 en één cheque van USD 20.000,00; - op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van USD 53.422,00 van de Citibankrekening contant opgenomen. (p. 58-60) Nobrand Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands en heeft een bankrekening bij de UBS AG te Genève. Alle door de RST verkregen bankafschriften van die bank zijn geadresseerd aan " [C] Ltd, BP Geneve", zonder nadere adresaanduiding.(p. 66-67) Op 15 juni 2010 is een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Op 16 juni 2010 is opnieuw een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de vordering die [A] op verdachte [medeverdachte] heeft.(p. 75-77) Een bestand onder de naam "Invoice [B] 2.xlsx" is aangetroffen op de externe harde schijf op de volgende locaties: - \GS Documents\New Campaign MFK 2010\Documents Campaign\Invoice [B] 2.xlsx - \info\ [verdachte] \Documents\New Campaign MFK 2010\Documents Campaign\Invoice [B] 2.xlsx - \LAPTOP BACKUP DEC 06 2010\Desktop\New Campaign MFK 2010\ Documents CampaignMnvoice [B] 2.xlsx De kop van de invoice is voorzien van de companyname en het logo van [A] , toont een lauwerkrans met aanduiding "40", adres: [adres] . Achter "for:" staat "Ital-13". De omschrijving is: "Assembly and Testing Player Tracking Module (Vit Italian market)" en "On-Board Firmware testing" en als totaalbedrag $ 73.447,
  25. De kaderlijn van het vak "description" is aan de linkerkant doorbroken.Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan "C/o [medeverdachte] , Citibank, Account […] ."De auteur van het bestand is "User".(p. 81-82) Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek Italië is een CD-rom verkregen, met excelbestanden erop, waaruit naar voren is gekomen dat vanaf een bankrekening die [B] aanhoudt bij Banco Populare di Milano twee betalingen zijn verricht naar [medeverdachte] bij de Citibank in Amerika, waaronder een bedrag van €61.240,71 op 10 juni 2010.Informatie van Citibank USA houdt in dat op 14 juni 2010 USD 73.422,00 door de Banco Populäre di Milano is gestort op de rekening van [medeverdachte] , met als opdrachtgever [B] Limited.(p. 85) De twee cheques met een totaalbedrag van USD 73.422,00 zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van de [verdachte] .(p. 92-98) Op de in beslag genomen Sony laptop zijn aangetroffen:- document betreffende visumaanvraag [betrokkene 1] (bijlage 105);- documenten betreffende overwogen benoeming [betrokkene 3] (bijlagen 95 en 102); [betrokkene 3] is de managing director van [D] NV, een rechtspersoon waarvan [betrokkene 1] aandeelhouder is.- niet-ondertekende overeenkomst oprichting MFK (bijlage 78);- e-mailbericht van [betrokkene 1] van 12 september 2010 (bijlage 89);- niet-ondertekende promissory note (bijlage 93);- e-mailbericht van [betrokkene 1] van 19 juli 2010 (bijlage 117);Op de in beslag genomen externe harde schijf zijn aangetroffen:- niet-ondertekende overeenkomst oprichting MFK (bijlage 4);- niet-ondertekende promissory note (bijlage 5);- document betreffende brief aan de Italiaanse minister van buitenlandse zaken (bijlage 95). 4a. Bijlage 2 bij voornoemd proces-verbaal, p. 4, zijnde een geschrift: Een kopie van een invoice d.d. 4 mei 2010, uitgeschreven aan [B] Ltd, voorzien van de companyname en het logo van [A] , lauwerkrans met aanduiding "40", adres: Schottegatweg z/n, met nummer 91210, achter "for:" de omschrijving "Ital- 01", een totaalbedrag van USD 140.000,00 en omschrijvingen: "Assembly and Testing Player Tracking Module (Vit Italian market)" en "On-Board Firmware testing". De kaderlijn van het vak "description" is aan de linkerkant doorbroken. Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan "C/o [medeverdachte] , Citibank, Account #9114349814, SWIFT # CITIUS33, ABA routing # 266086554." 4b. Bijlage 3 bij voornoemd proces-verbaal, p. 6, zijnde een geschrift: Een kopie van een invoice d.d. 7 juni 2010, uitgeschreven aan [B] Ltd, voorzien van de companyname en het logo van [A] , lauwerkrans met aanduiding "40", adres: [adres] , achter "for:"de omschrijving "Ital- 13", een totaalbedrag van USD 73.447,00 en omschrijvingen: "Assembly and Testing Player Tracking Module (Vit Italian market)" en "On-Board Firmware testing". De kaderlijn van het vak "description" is aan de linkerkant doorbroken. Vermeld wordt dat het bedrag moet worden overgemaakt aan "C/o [medeverdachte] , Citibank, Account […] ." 4c. Bijlage 4 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 13), zijnde de printout van een computerdocument, getiteld [betrokkene 1] - [verdachte] .docx, voor zover inhoudende: "AGREEMENT Between [betrokkene 1] (...) And [verdachte] (...), WHEREAS [betrokkene 1] and [verdachte] are desirous to set up a new political party in Curaçao, to be named MFK, to be controlled by both parties on an equal share basis. (...) NOW THEREFORE IT IS MUTUALLY AGREED UPON AS FOLLOWS Parties agree to jointly take all decisions relating to MFK and specifically, but not limited to: the determination of the persons who will feature on a list of MFK for any and all elections (...) In the event that [verdachte] takes unilateral decisions for and on behalf of MFK of which [betrokkene 1] has not been advised or informed or his not given his consent to [betrokkene 1] may opt to either (...) or to withdraw from this Agreement (...). In the latter case [verdachte] may be put in default by [betrokkene 1] of a certain promissory note between Parties. Signed on this day of June 2010 (...)" 4d. Bijlage 5 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 22), zijnde een printout van een computerdocument, getiteld prom note [verdachte] .doc, voor zover inhoudende: "Promise to pay. For monies received on loan, [verdachte] (Borrower) promises to pay [betrokkene 1] (Lender) $700.000,- and interest at the yearly rate of 6% (six percent) on the unpaid balance as specified below." 4e. Bijlage 78 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 273), zijnde een printout van een computerdocument, getiteld [betrokkene 1] - [verdachte] .docx, en met dezelfde inhoud als hiervoor weergegeven bij bijlage
  26. 4f. Bijlage 89 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p 404-405), zijnde een printout van een e-mailbericht van [betrokkene 1] aan de verdachte van 12 september 2010, voor zover inhoudende: "Unfortunately as I told you as soon you get 300 people that vote for you all of a sudden you become Einstein and have the cure of all the world problems. (...) Just because you are a good doctor does not mean you can be a good health minister. (...) Well this is the price we have to pay for having such a new party! ! ! (...) Below an email that I just received from Payo." 4g. Bijlage 93 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p 437-446), zijnde een printout van e-mailberichten van R. [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] en van [betrokkene 1] aan de verdachte van 29 juni 2010, voor zover inhoudende: [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] : "Hi [betrokkene 1] , have a look at attached draft docs for [verdachte] and let me know your comments." [betrokkene 1] aan de verdachte: "Hi [verdachte] , this are the two documents I wish to sign. Please review them and make the necessary corrections." Met als bijlagen een document [betrokkene 1] - [verdachte] .docx en een document prom note [verdachte] .doc, zoals weergegeven in bijlagen 4 en
  27. 4h. Bijlage 95 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlagen, zijnde: (p. 544) de afdruk van een document, ingericht als brief van de minister-president van Curaçao aan de minister van Binnenlandse Zaken van Italië, voor zover inhoudende: "The Government which I have the honour to chair, will soon take a decision to give [betrokkene 1] a prestigious and important instutional function. The investigative work carried out by our authorities has allowed us to determine the absolute fitness of [betrokkene 1] , which happens to be also a citizen of your country where he is a reputed businessman. Having to finalize the appointment procedure, I would be grateful if you can send me, by way of your Ministry, a note on the reputation that [betrokkene 1] has." (p. 546) de afdruk van een document, ingericht als brief van 26 mei 2011 van de ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden te Rome aan de verdachte als minister-president, voor zover inhoudende: "Prefect Mazzuca (...) verstrekte mondeling de volgende informatie met verzoek deze aan de autoriteiten van Curaçao over te brengen. - Van [betrokkene 1] (...) zijn geen strafrechtelijke veroordelingen bekend; - Bij politieonderzoek gedurende de jaar 1995-1997 inzake [betrokkene 1] is gebleken dat: - Deze persoon betrokken was bij internationale drugshandel en [betrokkene 1] een belangrijke persoon betrof in de Siciliaanse maffia; - Na (...) is [betrokkene 1] een toeristisch centrum in Sint Maarten gestart via welke witwassen van geld plaatsvond. - Deze informatie is zowel door de Italiaanse politie als de Italiaanse inlichtingendienst bevestigd." (p. 560) de afdruk van een document, ingericht als e-mailbericht van [betrokkene 1] van 4 juni 2011 aan de verdachte, voor zover inhoudende: "Dear [verdachte] , in order to use the info I will send you a letter requesting where my nomination stands. You will reply that you have gotten negative info on my name from the Italian counterpart and so you cannot proceed. And from there I or my lawyers will ask what kind of informations and you will be obliged to release them." (p. 562) de afdruk van een document, ingericht als e-mailbericht van de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken aan [betrokkene 1] van 8 juni 2011 aan [betrokkene 1] , voor zover inhoudende: "Dear [betrokkene 1] , hope you are fine, here is the information we received through the Dutch embassy in Italy." (p. 571) de afdruk van een document, ingericht als e-mailbericht van [betrokkene 1] aan onder meer de verdachte van 30 juni 2011, voor zover inhoudende: "For your eyes only reserved. This is the letter translated that you will receive from foreign affairs. (...) In relation to the request made by the Minister of Curacao on the proposal to give the coral a Italian citizen francis institutional function, notice that the findings made by the SDI nothing is found against the appointed object which is also free of slope or from prosecution to the competent judicial offices." 4i. Bijlage 102 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlagen, zijnde: (p. 635) de afdruk van een document, een curriculum vitae van [betrokkene 3] , met als (hoogste) opleiding de Hotelschool te Den Haag; (p. 638) een e-mailbericht van 22 maart 2011 van de verdachte aan [betrokkene 3] , met cc naar [betrokkene 1] , voor zover inhoudende: "Green light, will be passed tomorrow in the council of ministers", en een antwoord van [betrokkene 3] , inhoudende: "Great!" (p. 639-643) een e-mailbericht van 1 april 2011 van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] , inhoudende "pls tell me your opinion", met als bijlage een brief waarin [betrokkene 3] de benoeming voor de functie van voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten weigert. (p. 653) twee e-mails van 1 april 2011 van de verdachte met als subject "brief [betrokkene 3] ", de eerste inhoudende "Lek esaki abo!" (lek jij dit!) en de tweede inhoudende "pa di 2 x biaha"(voor de tweede keer). 4j. Bijlage 105 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlagen, zijnde: (p. 756) een e-mailbericht van [betrokkene 1] aan de verdachte van 23 februari 2012, voor zover inhoudende: "los abogados de Miami me pidieron si tu puedes firmar una carta de este tipo para mi proxima reunion en la visa del consulado." (de advocaten van Miami hebben mij gevraagd of jij een gelijksoortige brief kunt tekenen voor mijn eerstvolgende vergadering in visum van het consulaat). (p. 759) een conceptbrief, voor zover inhoudende: "[TO BE PRINTED ON OFFICIAL STATIONARY OF THE OFFICE OF THE PRIME MINISTER] Dear Consul Belon: In my official capacity as Prime Minister of Curacao, I am submitting this letter in support of [betrokkene 1] 's application for a multiple entry, B-1/B-2 U.S. visa." 4k. Bijlage 117 bij voornoemd proces-verbaal, onderbijlage (p. 901), zijnde een e-mailbericht van [betrokkene 1] van 19 juli 2010 aan de verdachte, voor zover vertaald inhoudende (p. 900): "Tot nu toe heb ik jou heel veel gesteund zonder jou iets hiervoor te vragen maar het vereiste bedrag is heel groot en ik moet het op de één of andere manier terugkrijgen." 4l. Bijlage 142 bij voornoemd proces-verbaal, p. 1413, zijnde een geschrift: Een verklaring van mr. S.R. Cijntje, griffier van de Staten van Curaçao, voor zover inhoudende dat de verdachte [verdachte] van 30 juni 2007 tot 8 oktober 2010 lid is geweest van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao.
  28. Een ambtsedig proces-verbaal "verhoor getuige [betrokkene 4] ", gesloten op 23 mei 2014 (getuigendossier, p. 11-23), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] : Ik ben onderdirecteur van [A] N.V.[Wij tonen de getuige facturen 91210 en 91213, aangetroffen in Italië bij [B] Ltd.]Deze facturen zijn niet afkomstig uit onze administratie. [A] doet geen zaken met Italië.
  29. Een ambtsedig proces-verbaal "verhoor getuige [betrokkene 1] ", gesloten op20 mei 2014 (getuigendossier, p. 49-64), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] : Ik ben aandeelhouder van [B] Ltd of [B] Ltd. Het is een groot bedrijf dat de gokautomaten controleert en de belastingen incasseert van bedrijven voor de Italiaanse overheid. Ik ken [verdachte] reeds ongeveer 15 jaar. Zijn vriendin heeft een bedrijf.[Medegedeeld: er is een ongetekende overeenkomst tussen [verdachte] en [betrokkene 1] aangetroffen waarin beiden het verlangen uitspreken een politieke partij op te richten met de naam MFK, de beide oprichters zullen in het algemeen gezamenlijk de beslissingen nemen in de nieuwe politieke partij en in het bijzonder beslissingen over plaatsingen van kandidaten op de kieslijst]. Ik weet dat [verdachte] hiermee bezig is geweest. Ik weet dat hij mij gevraagd heeft de partij te financieren. Ik heb [E] Spa in contact gebracht met de overheid in Curaçao.
  30. Een Italiaans proces-verbaal "procedimento penale n. 151/2014 RGGIP Rog. Allegato N. 3" van 20 maart 2014 (getuigendossier p. 108-129), zoals vertaald, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] : Ik ben sinds mei 2010 administratief en financieel manager bij [B] . De feitelijke eigenaar van dit bedrijf is [betrokkene 1] .”
  31. Het vierde, vijfde, zesde en zevende middel bevatten in de kern de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
  32. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010, te Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en Italië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, twee facturen van [A] N.V. (gericht aan [B] Ltd), te weten:- een factuur met factuurnummer 91210 (gedateerd 4 mei 2010) ten bedrage van 140.000,00 USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and Testing Playing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en “On-Board Firmware testing”) en- een factuur met factuurnummer 91213 (gedateerd 7 juni 2010) ten bedrage van 73.447,00 USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and testing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en “On-Board Firmware testing”); zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, bestaande die valsheid hierin dat verdachte en zijn mededader(s)- opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in genoemde facturen hebben vermeld dat door het bedrijf [A] N.V. vermelde werkzaamheden en/of diensten zijn verricht (voor het bedrijf [B] Ltd), terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht en- opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in genoemde facturen hebben vermeld dat de facturen afkomstig zijn van het bedrijf [A] N.V en op naam gesteld zijn op het bedrijf [A] N.V., terwijl in werkelijkheid de facturen niet afkomstig zijn van het bedrijf [A] N.V. en- opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde facturen de factuurnummers 91210 en 91213 heeft vermeld als factuurnummers van het bedrijf [A] N.V., terwijl in werkelijkheid vermelde factuurnummers niet zijn uitgegeven door het bedrijf [A] N.V.;”
  33. Het hof heeft de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 doen steunen op de inhoud van zeven, hiervoor onder 52 weergegeven, bewijsmiddelen. Daarin is niet per bewijsmiddel uitdrukkelijk een beperking opgenomen tot één van de drie feiten.
  34. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Bewijsoverwegingen” (pag. 29) ten aanzien van feit 2 voorts het volgende overwogen: “Feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat op diverse plaatsen op de externe harde schijf van de verdachte het bestand Invoice Ital-01.xlsx en het bestand Invoice [B] .xlsx zijn aangetroffen en dat de verdachte nog een bestand Invoice [B] .xlsx door [betrokkene 1] toegemaild heeft gekregen. Deze bestanden bevatten drie versies van een invoice met nummer
  35. Die versies bevatten zodanige overeenkomsten en verschillen dat het Hof concludeert dat zij opeenvolgende bewerkingen zijn bij het opmaken van een en dezelfde factuur. Het toegemailde bestand komt overeen met de invoice met nummer 91210 die bij de huiszoeking in Rome is aangetroffen. Daarnaast is op de externe harde schijf het bestand Invoice [B] 2.xlsx aangetroffen. Dat komt overeen met de invoice met nummer 91213 die bij de huiszoeking in Rome is aangetroffen. Uit deze bewijsmiddelen, in samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte heeft deelgenomen aan de uitvoering van het opmaken van beide facturen, dat er een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen is geweest, en dat de bijdrage van de verdachte aan de uitvoering van zodanig gewicht is geweest dat sprake is van medeplegen. In dit verband overweegt het Hof nog dat de beide facturen zeer specifieke informatie bevatten die in dit verband enkel van de verdachte afkomstig kan zijn, zoals het nummer van de Amerikaanse bankrekening van [medeverdachte] . Bij dit laatste oordeel is mede van belang dat, zoals hierna zal worden gemotiveerd, een aannemelijke verklaring van de verdachte is uitgebleven (vgl. HR 5 juli 2015, ECLI:NL:HR:2016:1323). Dat de facturen niet op de in beslag genomen Sony laptop zijn opgemaakt, zoals door de verdediging is aangevoerd en ook aannemelijk is geworden, doet niet af aan voorgaande oordelen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft (HR 22 december 2009, NJ 2010/314). Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de verschillende versies van de facturen weliswaar toegezonden heeft gekregen en heeft opgeslagen (en naar eigen zeggen: ook weggegooid), maar dat hij voor het overige niet betrokken is geweest bij het opmaken ervan. Het is ongeloofwaardig dat [betrokkene 1] (of iemand anders) tot viermaal toe valse (concept)facturen opstuurt naar iemand die daar niet van gediend is (maar deze wel opslaat). Dit klemt te meer, omdat niet valt in te zien waarom, indien [betrokkene 1] (of iemand anders) de facturen slechts heeft opgemaakt om ze in de administratie van [B] te kunnen gebruiken, het dan nodig was (concepten van) de facturen aan de verdachte te doen toekomen. Het argument van de verdachte dat hij geen reden had aan een vervalsing mee te werken aangezien hij wel aan originele facturen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.