Nr. 17/03980 A Zitting: 4 september 2018 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij strafvonnis van 21 juli 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens
(8)cheques van het bedrijf “ [A] ” verzilverd met telkens ronde bedragen voor in totaal ANG 150.800,00. [A] NV is exploitant van meerdere benzinestations in Curaçao. [verdachte] is directeur van [A] NV en tevens levensgezel van [medeverdachte] ; - [medeverdachte] ontvangt geld van [A] N.V. in de periode dat hij Eilandsraadslid is, tevens lid van de Centrale Commissie voor Economische Zaken en Toerisme; - [medeverdachte] beschikt rond juni 2010 over buitenlandse valuta (€ 18.000,00 en $ 73.422,00), dat wordt gestort op zijn rekening(en); - Uit de inhoud van uitgelekte bankafschriften van [verdachte] kan worden opgemaakt dat substantiële geldbedragen, afkomstig van het bedrijf “ [B] LIM” via de bankrekening van [verdachte] kennelijk doorgesluisd zijn naar [medeverdachte] . (…) Meldpunt Ongebruikelijke Transacties Curaçao (MOT Curaçao) Op grond van het gestelde in artikel 6, lid 2 van de Landsverordening MOT werd bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties te Curaçao een bevraging gedaan betreffende [medeverdachte] en directe familieleden en geassocieerden. Uit de verstrekte MOT-meldingen blijkt dat [medeverdachte] , directe familieleden en geassocieerden in de periode van maart 2007 tot januari 2013 betrokken zijn bij een groot aantal ‘MOT-meldingen’ voor een totaal bedrag van ANG 2.225.786,00. De inhoud van de meldingen sluit aan bij de inhoud van de aangiften die tegen [medeverdachte] zijn gedaan. (…) In de aangifte van 22 oktober 2012 wordt omschreven dat in mei en juni 2010 geldbedragen zijn overgemaakt van de vennootschap “ [B] LIM” naar de Amerikaanse bankrekening (…) van [verdachte] bij Citibank. Als bijlage bij deze aangifte is een overzicht van een bankrekening van de Citibank in Amerika gevoegd, waarop deze ontvangsten te zien zijn. Tevens blijkt uit dit overzicht dat bedragen worden overgemaakt naar het bedrijf “ [C] Ltd”. In de anonieme aangifte contra [medeverdachte] , de dato 22 oktober 2012, is vermeld dat twee bedragen ad US$ 15.000,00 en US$ 10.000,00 zijn overgemaakt naar het kennelijk aan [medeverdachte] gelieerde bedrijf “ [C] Ltd”. Bij de aangifte zijn bijlagen gevoegd. Onder bijlage 1 is een document in het Papiaments gevoegd dat afkomstig is van de website Curaleaks.org. In dit document wordt een relatie gelegd tussen [medeverdachte] en [C] Ltd. (…) Wanneer de informatie uit de aangiften vergeleken wordt met de informatie van het MOT blijkt het volgende: 14 mei 2010 Op 14 mei 2010 wordt op de bankrekening van [verdachte] bij de Citibank in Amerika een bedrag ad US$ 140.000,00 bijgeschreven, afkomstig van de vennootschap “ [B] LIM” (…). 17 mei 2010 Op 17 mei 2010 wordt vanuit de bankrekening van [verdachte] bij Citibank in Amerika een bedrag ad US$ 15.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van het bedrijf “ [C] Limited” (…). 14 juni 2010 Op 14 juni 2010 ontvangt [verdachte] een bedrag ad US$ 73.422,00 op haar rekening bij de Citibank in Amerika (…); Dezelfde dag wordt vanuit deze bankrekening een bedrag ad US$ 10.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van “ [C] Ltd” (…). 11 en 14 juni 2010 Op 11 en 14 juni 2010 worden in Miami twee geldbedragen, namelijk US$ 120.000,00 en US$ 53.432,00 opgenomen vanuit de bankrekening van [verdachte] bij Citibank (…). 15 juni 2010 Op 15 juni 2010 wordt op de bankrekening van [medeverdachte] de tegenwaarde van twee cheques bijgeschreven. Dit betreffen de bedragen US$ 53.422,00 en US 20.000,00. Het totaalbedrag, US$ 73.422,00,= komt exact overeen met het bedrag dat [verdachte] op 14 juni 2010 op haar bankrekening (…) bij Citybank kreeg bijgeschreven (bron: aangifte en MOT). Blijkens de inhoud van de situatiebeschrijving van het MOT zijn beide cheques uitgeschreven door [verdachte] en afkomstig van haar rekening (…) bij de Citibank in Amerika. Uit informatie op Internet blijkt dat de vennootschap [B] Limited is gevestigd aan [a-straat 1] te Rome (Italië). Uit informatie op Internet blijkt tevens dat [betrokkene 1] eigenaar is van het genoemde bedrijf [B] Limited. Tevens blijkt uit publicaties op Internet dat genoemde [betrokkene 1] ook eigenaar is van de “ [D] ”, met casino’s in Sint-Maarten, de Dominicaanse Republiek en in Curaçao.” 41. Gelet op de in het voorafgaande gerelateerde feiten en omstandigheden, getuigt het oordeel van het hof dat de uit het feitenonderzoek verkregen informatie voldoende is om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af de gestelde omstandigheid dat “de in het openbaar gelekte MOT-transacties volgens het MOT zelf niet verdacht waren en geen aanleiding gaven tot een onderzoek (…)”, reeds omdat het oordeel van het MOT in dezen niet doorslaggevend is. Het hof heeft zijn oordeel toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd. 42. Het tweede middel faalt. 43. Het derde middel behelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging subsidiair tot bewijsuitsluiting heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. 44. Kern van het in het middel bedoelde verweer van de verdediging is dat sprake is geweest van onrechtmatigheden in het kader van de MOT-meldingen en dat het openbaar ministerie de MOT-meldingen daarom niet had mogen gebruiken om een onderzoek, dat later resulteerde in een strafrechtelijk onderzoek, te starten en een verdenking op te baseren. Volgens de verdediging heeft het openbaar ministerie daarmee zijn vervolgingsrecht verspeeld dan wel zou het hof moeten overgaan tot bewijsuitsluiting. 45. Het hof heeft op het aangevoerde gereageerd zoals hiervoor onder 12 aangegeven. 46. Het hof heeft met de omstandigheden waaronder onrechtmatigheden bij het veiligheidsonderzoek relevant kunnen zijn voor de strafzaak kennelijk het oog gehad op de in HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336, m.nt. Schalken, rov. 4.7.2. omschreven bijzondere gevallen waarin de resultaten van een door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingesteld onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt. Dat is het geval wanneer doelbewust met het oog op het buiten toepassing blijven van strafvorderlijke waarborgen geen opsporingsbevoegdheden worden aangewend teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie of het optreden van de betrokken dienst een schending van de aan een verdachte toekomende fundamentele rechten heeft opgeleverd die van dien aard is dat daardoor geen sprake meer is van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM. 47. Art. 413 SvC is alleen van toepassing op normschendingen bij de uitoefening van bevoegdheden in een (voorbereidend) onderzoek onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie en op normschendingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Indien bewijsmateriaal onrechtmatig door derden wordt vergaard en vervolgens aan de politie wordt overhandigd, behoeft zulks nog niet tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering te leiden. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is in zodanig geval zelfs uitgesloten. In deze lijn in de rechtspraak klinkt de gedachte door dat onrechtmatig optreden waaraan de politie en het openbaar ministerie part noch deel hebben gehad niet aan de strafvorderlijke autoriteiten kan worden toegerekend. Deze nadruk op de betrokkenheid van de politie en het openbaar ministerie sluit aan bij de verdeling van verantwoordelijkheden in het strafproces. Het gaat in het algemeen niet aan het openbaar ministerie af te rekenen op fouten van derden waarover het geen zeggenschap heeft.Dit aspect wordt in het pleidooi van de raadslieden in hoger beroep en in de schriftuur – kennelijk in navolging van de opinie van J.M. Reijntjes in deze zaak – onvoldoende onderkend. Ook voor de pleidooien strekkende tot het – wederom kennelijk in navolging van de opinie van Reijntjes – gelijkschakelen dan wel analoog toepassen van rechtsgevolgen van onrechtmatigheden tijdens het oriënterend onderzoek en het voorbereidend onderzoek en voor het presenteren van niet-ontvankelijkheid als mogelijk rechtsgevolg in geval van inbreuk op rechten van de verdachte door derden, zie ik geen steun in de rechtspraak van de Hoge Raad. 48. Bij het voorafgaande moet voorts worden bedacht dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert. 49. Het hof heeft het voorafgaande niet miskend. Het heeft terecht overwogen dat het veiligheidsonderzoek waaraan volgens de verdediging onrechtmatigheden kleefden geen deel uitmaakte van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van de aan haar ten laste gelegde feiten en dat de stelling van de verdediging dat gedrag van welke overheidsinstantie zonder meer aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend niet kan worden gedeeld. Art. 413 SvC blijft om die reden buiten beeld. Voorts is het oordeel van het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122 en dat zulks ook overigens niet aannemelijk is geworden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd. 50. Het hof heeft de verdediging niet gevolgd in haar stelling dat het niet anders kan zijn dan dat het lekken van de informatie door overheidsdienaren is gebeurd. Ook als de verantwoordelijkheid voor het lekken wel bij de desbetreffende overheidsinstantie wordt gelegd, geldt als uitgangspunt dat daarmee nog niet is gezegd dat de onrechtmatigheid aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend en dat het openbaar ministerie de verkregen informatie niet zou mogen gebruiken met het oog op strafvorderlijke beslissingen. Bij zijn oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat het doel van de informatiegaring was om mogelijke integriteitsproblemen bij aankomende bewindslieden te onderzoeken en niet om deze informatie in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen de verdachte te gebruiken. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat de door de verdediging gestelde onrechtmatigheden ten aanzien van de MOT-meldingen – wat daar ook van zij - niet de conclusie rechtvaardigen dat het gebruik van de in het veiligheidsonderzoek vergaarde informatie door het openbaar ministerie als startinformatie onrechtmatig was, omdat het veiligheidsonderzoek niet alleen geen deel uitmaakte van het voorbereidend onderzoek maar er ook niet op was gericht om – met omzeiling van strafvorderlijke waarborgen – strafrechtelijk bewijs tegen de verdachte te vergaren, terwijl zich ook overigens niet de situatie voordoet waarin geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. 51. Het hof heeft aldus de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer toereikend gemotiveerd. 52. Het middel faalt. 53. Het vierde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde “weten of begrijpen dat de geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf” niet uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring in zoverre, mede in het licht van het door de verdediging aangevoerde, ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat: “zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 te Curaçao en Curaçao in de toenmalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander van geldbedragen van- 15.000 USD en- 10.000 USD en- 50.000 USD en- 50.000 USD en- 53.422 USD en- 20.000 USD, de herkomst heeft verhuld, terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten of begrepen dat deze geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.” 54. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen: “1. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de verdachte, op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende: Ik heb [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1] ) leren kennen via [medeverdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ). [medeverdachte] vroeg in de periode maart- mei 2010 of een donatie van [betrokkene 1] op mijn Citibank-rekening mocht worden gestort. Ik ben ermee akkoord gegaan dat de donatie op mijn rekening zou worden gestort en ik heb daartoe mijn bankgegevens aan [medeverdachte] gegeven. Ik zou een gedeelte van de flinke bedragen die ik had voorgefinancierd door de donatie van [betrokkene 1] terugbetaald krijgen.In mei 2010 ontving ik de eerste overboeking en in juni 2010 de tweede. Na de eerste overboeking in mei 2010 heb ik een geldbedrag van 15.000 USD overgeboekt naar [C] Ltd. De creditcard schuld van [C] zou met de donaties van [betrokkene 1] worden afgelost. In juni 2010 waren [medeverdachte] en ik een paar dagen in Miami. Ik heb daar een aantal cheques gekocht. Een gedeelte daarvan, ter waarde van 100.000 USD, is gekocht op naam van [A] . Dit werd gedaan om mijn schuld af te lossen die ik bij [A] had gemaakt. Dit heb ik zo met [medeverdachte] afgesproken. Dit bedrag heb ik laten storten op de bankrekening van [A] . Dit bedrag is in mindering gebracht op de persoonlijke schuld die ik bij [A] had. Op dezelfde dag dat ik de cheques op naam van [A] heb gekocht, heb ik ook een cheque gekocht op naam van [medeverdachte] . Ik wist van [medeverdachte] dat een gedeelte van de donatie daarnaartoe moest. Op 14 juni 2010 kwam het tweede gedeelte van de donatie van [betrokkene 1] op mijn rekening. Ik heb toen opnieuw een cheque gekocht op naam van [medeverdachte] . 2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 juni 2017, inhoudende, zakelijk weergegeven: Het klopt dat [medeverdachte] aan mij heeft gevraagd of er bepaalde bedragen op mijn rekening in de USA konden worden gestort. Ik vond dat goed. Ik wilde niet dat het op mijn privérekening in Curaçao zou worden gestort. Hij heeft mij de hoogte van de bedragen genoemd. De betalingen waren afkomstig van een ander bedrijf, maar ik wist dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] . Het was bedoeld voor de campagne. Ik had begrip voor zijn wens om de betalingen niet aan [medeverdachte] te doen, maar via mijn rekening, zodat het anoniem zou blijven. [medeverdachte] en ik hebben in Amerika het geld met cheques van mijn bankrekening opgenomen, dat is makkelijker, vooral als het om grotere bedragen gaat. Je toont je paspoort en je pas aan de balie en dan kan je het geld meteen opnemen. Ik kan met die rekening ook internetbankieren, maar dat is gecompliceerder, met name bij bedragen van meer dan 10.000 dollar. De betaling wordt dan namelijk eerst ongeveer een week aangehouden. Je moet redenen geven en dan gaan ze je bellen en moet je je identificeren. 3. Een geschrift, te weten een schriftelijke verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , op 24 mei 2017 door de verdediging aan het Hof verstrekt, voor zover inhoudende: Ik ken [betrokkene 1] al jaren. Begin mei 2010 bood [betrokkene 1] me aan om donaties te doen. [betrokkene 1] wilde niet dat dit publiekelijk bekend werd. Overeengekomen is dat de donatie(
- s)van [betrokkene 1] zou(den) worden gestort op de rekening van [verdachte] (het Hof begrijpt: de medeverdachte [verdachte] ). [verdachte] wist dat er geld van [betrokkene 1] binnen zou komen op haar rekening. Zij ging hiermee akkoord. Ik heb de bankgegevens van [verdachte] aan [betrokkene 1] doorgegeven. Op mijn laptop, alsmede op mijn externe harde schijf, zijn digitale bestanden/facturen aangetroffen. De Sony laptop was van mij. De harde schijf die bij [A] is aangetroffen, is ook van mij. Ik heb [verdachte] gevraagd die harde schijf voor mij te bewaren. Ik heb begrepen dat zij die op haar werk heeft bewaard. Op een gegeven moment [is/zijn een van] de aangetroffen (digitale) facturen naar mij toegestuurd door [betrokkene 1] , naar ik mij kan herinneren via [onder meer] e-mail. [betrokkene 1] heeft de donatie in twee keer gegeven. Een eerste keer heeft hij in mei 2010 een bedrag overgemaakt en in juni 2010 heeft hij nogmaals een bijdrage overgemaakt. Er zijn bedragen overgemaakt naar [C] Ltd. Ik ben begunstigde van [C] Ltd. We waren in juni 2010 een paar dagen in Miami (het Hof begrijpt: in de Verenigde Staten van Amerika). [verdachte] heeft daar twee cheques op naam van [A] en twee op naam van [medeverdachte] gekocht. Er is voor 100.000 dollars aan cheques op naam van [A] gekocht. Die twee bedragen (via cheques) zijn op de rekening van [A] gestort en in mindering gebracht op de persoonlijke schuld van [verdachte] aan [A] . Van de op naam van de [medeverdachte] gekochte cheques is een groot gedeelte op mijn MCB-rekening gestort. 4. Een ambtsedig proces-verbaal "vermoeden valsheid en geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] ", gesloten op 11 februari 2015, PV-nummer 187086 (zaakdossier), voor zover inhoudende: (p. 18) Op 27 augustus 2010 richt verdachte [medeverdachte] de politieke partij Movementu Futuro Korsou (MFK) op. Op 10 oktober 2010, bij de totstandkoming van het land Curaçao, is verdachte [medeverdachte] minister-president van dat land. Deze functie heeft hij bekleed tot eind september 2012.(p. 24) Verdachte [verdachte] is bestuurder en directeur van de vennootschap [A] NV op Curaçao. Deze vennootschap drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken.(p. 53) Citibank heeft de informatie verstrekt dat op 14 mei 2010 op een Citibankrekening op naam van verdachte [verdachte] een bedrag van USD 140.000,00, afkomstig van [B] Limited via de Banca Popolare di Milano is ontvangen.(p. 54-55) Vanaf de Citibankrekening van verdachte [verdachte] zijn de volgende geldstromen op gang gekomen:- op 17 mei 2010 is USD 15.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;- op 14 juni 2010 is USD 10.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Limited bij de UBS te Genève in Zwitserland;- op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van deCitibankrekening contant opgenomen. Het betreft twee cheques van elkUSD 50.000,00 en één cheque van USD 20.000,00;- op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van USD 53.422,00 van de Citibankrekening contant opgenomen.(p. 58-60) [C] Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands en heeft een bankrekening bij de UBS AG te Genève. Alle door de RST verkregen bankafschriften van die bank zijn geadresseerd aan " [C] Ltd, BP Geneve", zonder nadere adresaanduiding.(p. 66-67) Op 15 juni 2010 is een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Op 16 juni 2010 is opnieuw een bedrag van ANG 89.000,00 ontvangen op de MCB rekening van [A] . Deze bedragen zijn in mindering gebracht op de vordering die [A] op verdachte [verdachte] heeft.(p. 81-82) Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek Italië is een CD-rom verkregen, met excelbestanden erop, waaruit naar voren is gekomen dat vanaf een bankrekening die [B] aanhoudt bij Banco Populare di Milano twee betalingen zijn verricht naar [verdachte] bij de Citibank in Amerika, waaronder een bedrag van € 61.240,71 op 10 juni 2010. Informatie van Citibank USA houdt in dat op 14 juni 2010 USD 73.422,00 door de Banco Populare di Milano is gestort op de rekening van [verdachte] , met als opdrachtgever [B] Limited.(p. 85) De twee cheques met een totaalbedrag van USD 73.422,00 zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank te Curaçao en bij geschreven op de bankrekening van de [medeverdachte] .” 55. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt ten aanzien van de geldstromen waarop het onder 2 bewezen verklaarde betrekking heeft het volgende. In het voorjaar van 2010 heeft de medeverdachte [medeverdachte] aan de verdachte gevraagd of een donatie van [betrokkene 1] op haar rekening bij de Citibank mocht worden gestort. De verdachte stemde daarmee in en had daarbij begrip voor de wens van [betrokkene 1] om de betalingen niet aan de medeverdachte [medeverdachte] te doen, maar via haar rekening, zodat anonimiteit zou worden gegarandeerd (bewijsmiddelen 1 en 2). In mei 2010 ontving de verdachte op de genoemde rekening de eerste overboeking, in juni 2010 de tweede (bewijsmiddel 1). Op 17 mei 2010, na de eerste overboeking, heeft de verdachte een bedrag van $ 15.000 overgeboekt naar een bankrekening op naam van [C] Ltd bij de UBS te Genève. [C] Ltd. is gevestigd op de Marshall Islands. De medeverdachte is daarvan de begunstigde. De bankafschriften van deze bank bevatten geen nadere adresaanduiding. Op 11 juni 2010 is door middel van drie cheques een bedrag van de eerdergenoemde rekening van de Citibank opgenomen. Het betrof twee cheques van elk $ 50.000,- en een cheque van $ 20.000,-. Door de Banco Populare di Milano is op 14 juni 2010 een bedrag van $73.422,- gestort op de rekening op naam van de verdachte, met als opdrachtgever [B] Limited (bewijsmiddel 4). Op die datum is een bedrag van $ 10.000,- overgemaakt naar een bankrekening op naam van [C] Ltd bij de UBS te Genève, wederom zonder nadere adresaanduiding (bewijsmiddelen 3 en 4). Op 14 juni 2010 is door middel van een cheque een bedrag van $ 53.422,- van de desbetreffende rekening van de Citibank contant opgenomen, terwijl op 15 juni 2010 twee cheques tot een totaalbedrag van $ 73.422,- zijn aangeboden aan de Orco Bank te Curacao en zijn bijgeschreven op de bankrekening van de [medeverdachte] . Op 15 en 16 juni 2010 hebben bijschrijvingen plaatsgevonden op een bankrekening van [A] tot een bedrag van (telkens) ANG 89.000. 56. De verdediging heeft het onder 2 ten laste gelegde bestreden. Daartoe betoogde zij onder meer dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte wist of begreep dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Voor zover het hof zou oordelen dat de verdachte wist dat de voornoemde geldbedragen afkomstig waren uit valsheid in geschrift, heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte kennis heeft gehad van de facturen en dat zij de externe harde schijf die is aangetroffen bij [A] pas na de ten aanzien van de valsheid in geschrift ten laste gelegde periode in bewaring heeft genomen. Daarbij heeft de verdediging een beroep gedaan op de rapportage van registeraccount D. Contzé. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat ook indien het hof zou oordelen dat de verdachte wist of moest weten dat de geldbedragen afkomstig waren uit passieve ambtelijke omkoping, mede gelet op de door haar ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft geweten of begrepen dat de geldbedragen uit dat misdrijf afkomstig waren. Die verklaring hield in dat zij van haar partner had begrepen dat [betrokkene 1] zijn politieke campagne zou sponsoren en wordt ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] . Aangezien er een verkiezing zou gaan plaatsvinden en voor een politieke campagne veel geld nodig is, terwijl van de Landsverordening in het kader van de financiering van politieke partijen nog geen sprake was, heeft de verdediging zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat ook anderszins uit het dossier niet kan volgen dat de verdachte heeft geweten of redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat geen sprake was van een politieke donatie, maar van ambtelijke omkoping. 57. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Bewijsoverwegingen” (pag. 18), mede in reactie op het door de verdediging aangevoerde, ten aanzien van feit 2 voorts het volgende overwogen: “Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de rekening van de verdachte bij Citibank in Amerika op 14 mei 2010 USD 140.000,00 is ontvangen, afkomstig van [B] . Op 17 mei 2010 is USD 15.000,00 overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening van [C] Limited, een op de Marshall Islands gevestigde rechtspersoon, waarvan de medeverdachte [medeverdachte] de begunstigde is. De bankafschriften van deze bankrekening vermelden noch de naam, noch het adres van de verdachte.Op 11 juni 2010 hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] USD 120.000,00 van de Citibankrekening contant opgenomen en cheques gekocht van het opgenomen bedrag. Op 14 juni 2010 is op de Amerikaanse bankrekening nog USD 73.422,00 ontvangen, ook afkomstig van [B] .Op 14 juni 2010 is vanaf de Amerikaanse bankrekening nog USD 15.00,000 overgemaakt naar de Zwitserse bankrekening en nog USD 53.422,00 contant opgenomen en van het opgenomen bedrag is een cheque gekocht.Twee van de in totaal vier cheques zijn op 15 juni 2010 aangeboden aan de Orco Bank in Curaçao en bijgeschreven op de bankrekening van [medeverdachte] . De andere twee hebben op respectievelijk 15 juni 2010 en 16 juni 2010 geleid tot bijschrijvingen op een bankrekening van [A] bij de MCB Bank in Curaçao. Deze gang van zaken heeft tot gevolg gehad dat noch uit de boekhouding van de MFK, noch uit die van de [medeverdachte] , noch uit die van [C] Limited, noch uit die van [A] , noch uit die van [medeverdachte] kon blijken dat er gelden ontvangen waren van [betrokkene 1] of van [B] (uit de administratie van de verdachte kon dat slechts blijken als men ermee bekend was dat zij de Amerikaanse bankrekening had). De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 1] niet wilde dat publiekelijk bekend zou worden dat hij bedragen doneerde en de verdachte heeft verklaard dat haar dat bekend was. Uit het voorgaande, in samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gezamenlijk de herkomst hebben verhuld van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Het betoog van de raadsman dat de geldtransacties transparant zijn geweest, vindt hierin zijn weerlegging. Zijn stelling dat pas sprake is van witwassen als het geld ‘verdwijnt’, vindt geen steun in de wet of jurisprudentie en wordt door het Hof verworpen. De omschreven gedragingen gaan ook verder dan het enkel houden van uit eigen misdrijf afkomstige gelden. Dat het geld op eigen rekeningen is gestort en de cheques zijn verantwoord in de administratie van [A] doet daaraan niet af. Niet is bewezen dat de verdachte bekend was met de specifieke aard van het misdrijf waardoor het geld is verkregen. Wel is bewezen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dat wist of begreep, in die zin dat zij minst genomen welbewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard, dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was. Redengevend hiervoor is dat het om grote bedragen geld ging, dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] anoniem wilde blijven, dat zij niet wilde dat het geld op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat zij het geld op haar Amerikaanse rekening heeft laten storten en dat zij het geld later met de medeverdachte op heimelijke wijze een legaal aanzien heeft gegeven.” 58. Het hof heeft niet vastgesteld uit welk specifiek aangeduid misdrijf de in de bewezenverklaring opgenomen geldbedragen zijn verkregen. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging wel vastgesteld dat de verdachte wist of begreep – in de zin dat minst genomen sprake was van voorwaardelijk opzet – dat de geldbedragen die in de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde worden genoemd afkomstig waren uit enig misdrijf. Tegen dat oordeel richt zich het vierde middel. 59. Artikel 435c, eerste lid, sub a, SrNA (oud) luidde ten tijde van de bewezen verklaarde periode als volgt: “1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden: a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;” 60. De bepaling vormt de Caribische pendant van het Nederlandse art. 420bis, eerste lid, sub a, Sr. Voor een veroordeling voor witwassen op grond van art. 420bis Sr is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Op grond van doel en strekking van art. 420bis Sr en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Voor een veroordeling op grond van de genoemde bepaling is voorts vereist dat de verdachte ‘wist’ dat zijn gedraging een uit misdrijf afkomstig voorwerp betrof. Daaronder is ook het voorwaardelijk opzet begrepen. 61. Niet bestreden wordt het oordeel van het hof dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. De pijlen van de stellers van het middel zijn gericht op het oordeel van het hof dat de verdachte wist of begreep dat de in de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde opgenomen geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. In de toelichting op het vierde middel wordt in dit verband aangevoerd dat de omstandigheden dat de verdachte is vrijgesproken van valsheid in geschrift en een vervolging voor ambtelijke omkoping is uitgebleven, meebrengen dat er in de door het hof gebezigde bewijsvoering geen enkele indicatie voorhanden is voor het toerekenen aan de verdachte van de wetenschap van “enig misdrijf” waaruit het geld afkomstig had moeten zijn. 62. Voorts wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een (alternatieve) verklaring is gegeven voor de door het hof in aanmerking genomen grote geldbedragen, de omstandigheid dat [betrokkene 1] anoniem wilde blijven en de omstandigheid dat het geld op de Amerikaanse bankrekening van de verdachte is gestort. Die verklaring komt er in de kern op neer dat de verdachte ervan uitging dat de donaties betrekking hadden op de politieke campagne van de medeverdachte, dat met die campagne veel geld was gemoeid en het niet ongebruikelijk was dat politieke donaties anoniem werden gedaan en in het licht van het feit dat [betrokkene 1] anoniem wilde blijven gebruik is gemaakt van de Amerikaanse bankrekening van de verdachte. De hiervoor bedoelde verklaring brengt mee dat genoemde omstandigheden niet redengevend kunnen worden geacht voor de ten laste van de verdachte bewezen verklaarde wetenschap dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, hetgeen meebrengt dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd, aldus de stellers van het middel. 63. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd kan worden afgeleid dat zij heeft verklaard dat zij begrip had voor de wens van [betrokkene 1] om de betalingen niet aan de medeverdachte [medeverdachte] te doen om zo anoniem te blijven. Anders dan het middel wil, volgt uit die verklaring van de verdachte echter ook dat zij (zelf) niet wilde dat de geldbedragen op haar privérekening in Curaçao zouden worden gestort (bewijsmiddel 2). De betalingen die aan de verdachte werden overgemaakt in mei en juni 2010 waren afkomstig van een ander bedrijf, maar de verdachte heeft daarover verklaard dat zij wist dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] . De medeverdachte [medeverdachte] had de verdachte voorafgaand aan de betalingen de hoogte van de bedragen genoemd. De geldbedragen worden na de stortingen in korte tijd door een complex aan overboekingen van de op de bankrekening gestorte bedragen in tranches overgemaakt naar verschillende bankrekeningen, terwijl er voorts (in het buitenland) cheques worden gekocht. 64. Het hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld van enig misdrijf afkomstig was in aanmerking genomen dat er sprake was van grote bedragen, dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] anoniem wilde blijven en dat zij niet wilde dat het geld op haar op haar Curaçaose rekening zou worden gestort, dat zij het geld op haar Amerikaanse bankrekening heeft laten storten en het geld later met de medeverdachte op heimelijke wijze een legaal aanzien heeft gegeven. Het bewezen verklaarde acht ik in zoverre naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. 65. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de door de verdediging gegeven alternatieve verklaring – die er in de kern op neer komt dat de verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat er slechts sprake was van een politieke donatie, waarbij de donateur anoniem wenste te blijven – niet aannemelijk is, acht ik, gelet op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. 66. Het bestreden oordeel van het hof is voorts toereikend gemotiveerd. Hierbij merk ik nog op dat de stellers van het middel miskennen dat het aangevoerde niet een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 401, derde lid, SvC betreft, maar kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 402, tweede lid tweede volzin, SvC. De laatstgenoemde bepaling komt overeen met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Ook als het middel aldus wordt gelezen, dat het erover klaagt dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 402, tweede lid tweede volzin, SvC niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de zijde van de verdediging, kan het niet slagen. Het hof heeft in de hiervoor onder 57 geciteerde bewijsoverweging in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het tot vrijspraak strekkende standpunt van de verdediging. Daarin ligt, zoals hiervoor reeds opgemerkt, onder meer besloten dat het hof geen geloof hecht aan de lezing van de verdachte dat zij in de veronderstelling verkeerde dat er sprake was van slechts een politieke donatie. Hiermee is niet in tegenspraak dat het hof de verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd, voor zover daarin is neergelegd dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] en was bedoeld voor de campagne (bewijsmiddel 2). Die omstandigheid laat immers onverlet dat het hof in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] heeft vastgesteld dat de geldbedragen (tevens) voorwerp waren van ambtelijke omkoping. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de uit art. 402, tweede lid tweede volzin, SvC voortvloeiende motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ op elk detail van de argumentatie moet worden ingegaan. 67. Het middel faalt. 68. Het vijfde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde “verhullen” van de herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen niet uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring in zoverre, mede in het licht van het door de verdediging aangevoerde, ontoereikend is gemotiveerd. 69. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard hetgeen onder 53 van deze conclusie is opgenomen. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals aangehaald onder 54 van deze conclusie. 70. De verdediging heeft het onder 2 ten laste gelegde bestreden. Daartoe betoogde zij onder meer dat ten aanzien van de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] geen sprake is geweest van het verbergen en/of verhullen van de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Ter onderbouwing van dit standpunt beriep de verdediging zich op rapportage van een registeraccountant, D. Contzé. In de visie van de verdediging was sprake van los van elkaar staande, afzonderlijke directe betalingen en transacties van een bankrekeningnummer op naam van de verdachte naar andere bankrekeningen op naam van de verdachte of de medeverdachte dan wel naar hun bedrijf of stichting. Deze overboekingen kwamen volgens de verdediging niet voort uit een streven naar het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Deze hingen samen met de bevoorschotting die uit verschillende bronnen afkomstig was. De overboekingen strekten ter vereffening van de bevoorschotting, aldus de verdediging. 71. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Bewijsoverwegingen” (pag. 18), mede in reactie op het door de verdediging aangevoerde, ten aanzien van feit 2 overwogen hetgeen onder 57 van deze conclusie is opgenomen. 72. Zoals opgemerkt, vormt artikel 435c, eerste lid, sub a, SrNA (oud) de Caribische pendant van het Nederlandse art. 420bis, eerste lid, sub a, Sr. De parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt inzicht in de betekenis van de termen “verbergen” en “verhullen”. Volgens de toenmalige minister van justitie is daarvoor van belang dat zij een zekere doelgerichtheid impliceren; de handelingen zijn erop gericht om “het zicht op de aard, herkomst enz. van voorwerpen te bemoeilijken en zijn ook geschikt om dat doel te bereiken”. 73. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] wilde dat de donaties aan medeverdachte [medeverdachte] anoniem zouden blijven. De verdachte heeft verklaard dat de betalingen afkomstig waren van een ander bedrijf, maar dat zij wist dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] . Daarnaast volgt uit de bewijsvoering dat sprake is geweest van een complex aan overboekingen van de op de Amerikaanse bankrekening van de verdachte overgemaakte bedragen in tranches naar verschillende rekeningen, waarbij ten aanzien van een deel van de betalingen noch de naam noch het adres van de medeverdachte op de bankafschriften is vermeld. Het hof heeft vastgesteld dat deze gang van zaken tot gevolg heeft gehad dat noch uit de boekhouding van de MFK, noch uit die van de [medeverdachte] , noch uit die van [C] Limited, noch uit die van [A] , noch uit die van de medeverdachte [medeverdachte] kon blijken dat er gelden waren ontvangen van [betrokkene 1] of van [B] . 74. De stellers van het middel voeren in dit verband nog aan dat de omstandigheid dat niet direct blijkt dat de betalingen van [betrokkene 1] of van [B] Ltd afkomstig zijn niet is te wijten aan de aan de verdachte verweten gedragingen, maar aan het feit dat [betrokkene 1] / [B] Ltd de betalingen heeft gedaan op de Citibankrekening. De laatstgenoemde betalingen worden volgens de stellers van het middel niet aan de verdachte verweten. Ik kan de stellers van het middel hierin niet volgen. Uit bewijsmiddel 3 volgt dat de medeverdachte [medeverdachte] in het voorjaar van 2010 aan de verdachte vroeg of een donatie van [betrokkene 1] op haar Citibankrekening mocht worden gestort. Dat verzoek kan in de bewijsconstructie van het hof niet los worden gezien van hetgeen uit bewijsmiddel 1 volgt, te weten dat [betrokkene 1] begin mei 2010 aan de verdachte aanbood donaties te doen, dat [betrokkene 1] niet wilde dat dit publiekelijk bekend werd en dat “overeengekomen” is dat de donatie(
- s)van [betrokkene 1] zou(den) worden gestort op buitenlandse rekeningen van de verdachte. Zij wilde niet dat de bedragen op haar rekening in Curaçao zouden worden gestort. Daaruit volgt een actieve betrokkenheid van de verdachte bij de keuze om de donaties op haar Citibankrekening te storten. De suggestie in de schriftuur dat deze betaling de verdachte is overkomen, wordt dan ook gelogenstraft door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. 75. Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat het complex aan overboekingen erop is gericht de herkomst van de geldbedragen te verhullen en daartoe ook geschikt is, acht ik niet onbegrijpelijk en is voorts voldoende gemotiveerd.Hierbij merk ik op dat de stellers van het middel miskennen dat het aangevoerde niet een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 401, derde lid, SvC betreft, maar kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 402, tweede lid tweede volzin, SvC. De laatstgenoemde bepaling komt overeen met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. 76. Ook als het middel aldus wordt gelezen, dat het erover klaagt dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 402, tweede lid tweede volzin, SvC niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de zijde van de verdediging, kan het niet slagen. Het hof heeft in de hiervoor onder 57 geciteerde bewijsoverweging in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het tot vrijspraak strekkende standpunt van de verdediging. Daarin ligt onder meer besloten dat het hof geen geloof heeft gehecht aan de lezing van de verdachte dat het complex aan overboekingen niet was gericht op het verhullen van de herkomst van de gelden in de zin van art. 435c, eerste lid, sub a, SrNA (oud). Het hof heeft in dit verband redengevend kunnen achten dat de verdachte heeft verklaard dat zij wist dat [betrokkene 1] niet wilde dat publiekelijk bekend werd dat donaties werden gedaan. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de gang van zaken ten aanzien van de overboekingen die het voorwerp waren van ambtelijke omkoping daadwerkelijk tot gevolg heeft gehad dat niet kon blijken dat er gelden ontvangen waren van [betrokkene 1] of van [B] Ltd. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de uit art. 402, tweede lid tweede volzin, SvC voortvloeiende responsieplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ op elk detail van de argumentatie moet worden ingegaan. 77. De stellers van het middel merken ten slotte op dat in de hiervoor onder 137 geciteerde bewijsoverweging ten onrechte heeft overwogen dat op 14 juni 2010 $ 15.000,- in plaats van 10.000,- zou zijn overgemaakt. Die constatering is op zichzelf terecht (vgl. bewijsmiddel 4). Het gaat hierbij echter om een kennelijke verschrijving. Het vonnis leent zich in zoverre voor een verbeterde lezing. Voor zover het aangevoerde zou moeten worden gelezen als een zelfstandige klacht, faalt deze omdat daaraan na verbeterde lezing de feitelijke grondslag komt te ontvallen. 78. Het middel faalt. 79. Het zesde middel behelst de klacht dat het hof het onder 3 bewezen verklaarde, voor zover daarin is neergelegd dat de verdachte de frequency-jammers voorhanden heeft gehad met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107, eerste lid, SrC wordt gepleegd, mede in het licht van een door de verdediging gevoerd verweer, ontoereikend heeft gemotiveerd. 80. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezen verklaard dat: “(…)zij op 9 december 2013, in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander technische hulpmiddelen die ontworpen zijn voor het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van enig werk voor telecommunicatie, te weten een- frequency-jammer, merkloos met serienummer [001] [beslagnummer 33.3.6.4] inclusief bijbehorende afstandbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en- een frequency-jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer 33.4.2.50]met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd; en (voorhanden hebben radio-elektrische zendinrichting zonder machtiging)zij op 9 december 2013, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander twee radio-elektrische zendinrichtingen, te weten (een):- frequency-jammer, merkloos met serienummer [001] [beslagnummer 33.3.6.4] en/of inclusief bijbehorende afstandsbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en- een frequency-jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer 33.4.2.50]- (anders dan krachtens concessie) aanwezig heeft gehad terwijl aan haar, verdachte, hiertoe geen machtiging van de Minister (van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning) was afgegeven;” 81. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 3 doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen: “1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 juni 2