← Nederland

ECLI:NL:PHR:2018:957

wet Aan de Hoge Raad der Nederlanden Hierbij wordt voorgedragen voor cassatie in het belang der wet: Vzr. Rb. Amsterdam 12 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:298, BIE 2017/5, m. nt. H.J. Koenraad, IER 2

Artikel 131

Abs.

Artikel 131

Absatz 1 neben der internationalen Zuständigkeit auch die sachliche Zuständigkeit der nationalen Gerichte innerhalb eines Mitgliedstaates regelt oder ob hierfür über Art.

Artikel 129

Abs.

Artikel 129

Absatz 3 das jeweilige nationale Verfahrensrecht Anwendung findet, in Deutschland die §§ ZPO § 937 Abs. ZPO § 937 Absatz 1, ZPO § 943 Abs. ZPO § 943 Absatz 1, ZPO § 943 Absatz 802 ZPO, wonach für einstweilige Verfügungen nur die in der Hauptsache zuständigen Gerichte zuständig sind. In Deutschland hat dies Relevanz für die Frage, ob für den Erlass einer einstweiligen Verfügung nach Art.

Artikel 131

nur die auch in der Hauptsache zuständigen Unionsmarkengerichte oder daneben alle nationalen Markengerichte sachlich zuständig sind. 3 Details Nach der wohl hM in der deutschen Literatur und nach Auffassung des OLG Köln zur parallelen Vorschrift in der GGV (vgl. OLG Köln BeckRS 2012, BECKRS Jahr 19761; Ströbele/Hacker/Kober-Dehm MarkenG § 125e Rn. 4; Ingerl/Rohnke MarkenG § 125e Rn. INGERLROHNKEMARKENGKO MARKENG § 125E Randnummer 18; Fayaz GRUR Int 2009, GRURINT Jahr 2009 Seite 459 (GRURINT Jahr 2009 469); zur GGV auch Eichmann/v. Falckenstein/Eichmann DesignG § 52 Rn. 8, DesignG § 63 Rn. 3) regelt Art.

Artikel 131

Abs.

Artikel 131

Absatz 1 auch die sachliche Zuständigkeit der nationalen Markengerichte, so dass für den Erlass einstweiliger Verfügungen nicht nur die Unionsmarkengerichte, sondern daneben alle nationalen Markengerichte zuständig sind. Nach anderer Ansicht (vgl. Menebröcker/Stier WRP 2012, WRP Jahr 2012 Seite 885 (WRP Jahr 2012 890); zur GGV Ruhl GGV Art. 88 Rn. 26) regelt Art.

Artikel 131

Abs.

Artikel 131Absatz 1 nur die internationale Zuständigkeit.

Für die Frage der sachlichen Zuständigkeit innerhalb eines Mitgliedstaates sei über Art.

Artikel 129

Abs.

Artikel 129Absatz 3 das jeweilige nationale Verfahrensrecht anzuwenden.

Hiernach wären in Deutschland aufgrund der §§ ZPO § 937 Abs. ZPO § 937 Absatz 1, ZPO § 943 Abs. ZPO § 943 Absatz 1, ZPO § 943 Absatz 802 ZPO nur die Gerichte der Hauptsache, dh die Unionsmarkengerichte, für einstweilige Verfügungen nach Art.

Artikel 131zuständig (vgl.

Menebröcker/Stier WRP 2012, WRP Jahr 2012 Seite 885 (WRP Jahr 2012 890); zur GGV Ruhl GGV Art. 88 Rn. 26).” Deze literatuur neigt in overwegende mate naar het standpunt dat geen sprake is van exclusiviteit voor type-art. 81 GModVo-vorderingen in kort geding. Ik zelf kom langs de hierna volgende lijnen tot een andere bevinding. Interpretatie artikel 90 GModVo 3.18 De bevoegdheidsvraag die ons bezighoudt gaat om uitleg van art. 90 GModVo. Schrijft deze bepaling voor dat voor het treffen van een voorlopige en/of beschermende maatregel inhoudende oplegging van een voorlopig bevel tot staking of voorkoming van een inbreuk op een Gemeenschapsmodel, ook voorzieningenrechters van andere rechtbanken dan de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel bevoegd zijn (voor zover het gaat om het eigen grondgebied) of kan een dergelijke bevoegdheidsregel niet in deze bepaling worden gelezen? 3.19 Ik maak uit de totstandkomingsgeschiedenis van het artikel en uit de systematiek van de Gemeenschapsmodellenverordening op dat is bedoeld om de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel te koppelen aan het type rechtsvorderingen genoemd in art. 81 GModVo (ongeacht het type procedure). Art. 90 GModVo inzake voorlopige en beschermende maatregelen is volgens mij geen uitzondering op de bevoegdheidsregel van art. 81 GModVo, maar een algemene bepaling voor voorlopige en beschermende maatregelen, die ook ziet op andere typen rechtsvorderingen dan genoemd in art. 81 GModVo en waarvoor de gewone rechterlijke instanties uit een lidstaat bevoegd zijn. Daartoe is het navolgende redengevend. Totstandkomingsgeschiedenis 3.20 Zoals hiervoor in 3.4 is besproken, is art. 90 GModVo gemodelleerd naar art. 36 van het Geschillenprotocol inzake Gemeenschapsoctrooien. De in die bespreking geciteerde Toelichting op dit artikel van de Nederlandse wetgever maakt duidelijk dat met dit artikel is beoogd te regelen dat voor Gemeenschapsoctrooien dezelfde voorlopige en beschermende maatregelen konden (of beter: zouden hebben kunnen) worden getroffen als voor nationale octrooien. Uit die Toelichting volgt niet dat men met dit artikel een interne bevoegdheidsregel heeft willen scheppen die afwijkt van de hoofdregel van art. 15 van het Geschillenprotocol dat Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg uitsluitende bevoegdheid hebben ter zake van onder meer “alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en – indien naar nationaal recht toegestaan – dreigende inbreuk op Gemeenschapsoctrooien”. Wel wordt in de Toelichting op art. 36 Geschillenprotocol uitdrukkelijk vermeld dat de bepaling een uitzondering is op de bevoegdheidsregels van art. 14, waar niet de interne, maar de internationale bevoegdheid wordt geregeld. Dus voor het verkrijgen van voorlopige en beschermende maatregelen inzake Gemeenschapsoctrooien was het idee dat men in verscheidene Verdragsstaten terecht kon, waarbij men niet gebonden was aan de internationale bevoegdheidsregels van art.

  1. Ratio daarvan is – volgens de Toelichting – dat men snel en effectief kon optreden op de plaats (en dus in feite: het land) waar het Gemeenschapsoctrooi wordt bedreigd. De voorlopige en beschermende maatregelen hebben volgens de Toelichting alleen gelding in de Verdragsluitende Staat waar ze worden uitgesproken. Een uitzondering op deze hoofdregel (uit lid 1) is dan weer opgenomen in lid 2: Gemeenschapsoctrooirechtbanken kunnen – indien zij bevoegd zijn op grond van de internationale bevoegdheidsregels – voorlopige en beschermende maatregelen uitspreken voor het grondgebied van alle Verdragsluitende Staten. 3.21 Voor wat betreft de totstandkomingsgeschiedenis wijs ik verder op het besproken algemene deel bij de Toelichting op het Geschillenprotocol waar expliciet is opgenomen dat voor “andere vorderingen” dan kort gezegd rechtsvorderingen inzake inbreuk en daarmee verband houdende nietigheid (vgl. art. 15 Geschillenprotocol, de pendant van art. 81 GModVo) de gewone rechterlijke instanties van de lidstaten bevoegd zijn (zie hiervoor in 3.4). Daarnaast wordt ook in de considerans van de Gemeenschapsmodellenverordening (hiervoor weergegeven in 3.2) de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschapsmodellenrechtbank gekoppeld aan “rechtsvorderingen wegens inbreuk en rechtsvorderingen tot nietigverklaring”, zonder dat er wordt gesproken over een uitzondering op deze regel voor voorlopige en beschermende maatregelen. Systematiek/opbouw van de GModVo 3.22 Ook met een wetssystematisch argument valt dit te onderbouwen. Uit de opbouw van de verordening lijkt te volgen dat art. 90 GModVo geen uitzondering is op de bevoegdheidsregel van art. 81 GModVo. De in de inleiding voor een deel geciteerde Afdeling 2 van de verordening ziet op geschillen terzake van inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen en dat is geplaatst tegenover Afdeling 3 die betrekking heeft op andere geschillen betreffende Gemeenschapsmodellen. Binnen Afdeling 2 is geregeld dat de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel exclusief bevoegd zijn voor type-art. 81-vorderingen, waaronder die met betrekking tot inbreuk, en dat ook alleen deze rechtbanken krachtens art. 89 bevoegd zijn om inbreukverboden op te leggen. Volgens art. 93 uit Afdeling 3 moeten dan andere rechtsvorderingen dan type-art. 81-vorderingen worden ingesteld bij de rechterlijke instanties die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een nationaal modelrecht van die lidstaat zouden betreffen. Ook uit deze artt. 89 en 93 GModVo volgt in mijn visie duidelijk dat de bevoegdheid van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel is gekoppeld aan de type-art. 81-vorderingen, ongeacht het type procedure. 3.23 Art. 90 GModVo is denk ik te zien als een algemene bepaling voor voorlopige en beschermende maatregelen in geschillen over inbreuk en geldigheid van Gemeenschapsmodellen. In dit soort geschillen kunnen ook andere vorderingen spelen dan type-art. 81-vorderingen (met inbreukvorderingen als de belangrijkste in dit verband), zoals een verzoek tot het leggen van (bewijs)beslag, een vordering tot opheffing van beslag of een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Ten aanzien van dit soort vorderingen/verzoeken zijn de “gewone rechterlijke instanties bevoegd” (zoals ook volgt uit de Toelichting op het Geschillenprotocol, hiervoor besproken in 3.4). Dit verklaart dan ook meteen de opeens in dit licht beschouwd niet meer problematische of raadselachtige passage aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel uit art. 90 lid 1 GModVo. Voor dit soort niet-type-art. 81-vorderingen zijn de “gewone” nationale rechtbanken bevoegd, waaronder in voorkomend geval ook die (in ons land: ene) aangewezen rechtbank voor het Gemeenschapsmodel. Dat vermijdt de onvermijdelijke a contrario-redeneringen uit het “niet-exclusief-kamp” waar we hiervoor over struikelden. Art. 3 Uvw 3.24 In dit nu wel sluitende systeem zie ik – na de nodige (stevige) aarzeling, want anders dan verschillende, ook nog eens gezaghebbende IE-auteurs, die daarvoor, als ik het goed zie, evenwel geen aanstonds aansprekende of overtuigende verklaring geven en ieder geval niet terug gaan naar de Gemeenschapsoctrooirechtelijke wortels van de bevoegdheidsregeling, waarin dit zoals we hebben gezien beter is uitgewerkt en toegelicht dan voor het Gemeenschapsmodel of het Uniemerk (wij kwamen dit tegen in 3.14 - 3.17) – geen aanleiding om aan te nemen dat art. 90 GModVo een uitzondering zou moeten zijn op de bevoegdheidsregel van art. 81 GModVo. Art. 3 Uvw, waarin de bevoegdheid van de Gemeenschapsmodellenrechtbank wordt gekoppeld aan type-art. 81-vorderingen – ook als de procedure een kort geding is – is dan gewoon een juiste implementatie van art. 81 GModVo. Nog iets preciezer uitgewerkt: Art. 93 GModVo geeft een bevoegdheidsregel voor andere rechtsvorderingen dan die ter zake van inbreuk en wel dat dan de rechter bevoegd is die dat absoluut en relatief zou zijn bij een nationaal (of zoals bij ons: Benelux-) modelrecht. In de literatuur lijkt deze regel te worden doorgetrokken naar inbreukvorderingen in kort geding (zie Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht en Industriële Eigendom 2 en 3, waaruit hiervoor in 3.17 is geciteerd). Dat lijkt mij als gezegd wetssystematisch niet kloppen. David Stone stelt onder 22.119 (vgl. hiervoor in 3.16) dat in het geval van voorlopige en beschermende maatregelen ook andere rechtbanken dan de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel bevoegd zijn, omdat, als ik hem goed begrijp, op die manier “dichtbij huis kan worden opgetreden”. Dit argument gaat volgens mij op voor de internationale bevoegdheid (art. 90 is inderdaad een uitzondering op art. 82), maar geldt niet voor de interne bevoegdheid voor zover het gaat over type-art. 81-vorderingen waarvoor in het door mij geschetste model alleen de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel bevoegd is. Zie andermaal de toelichting op art. 36 Geschillenprotocol, hiervoor geciteerd in 3.
  2. In de Duitse literatuur (vgl. hiervoor in 3.17) wordt – onder verwijzing naar een uitspraak van het Oostenrijkse Hooggerechtshof – aangenomen dat in het geval van een einstweilige Verfügungsverfahren de gemeenschaps(merken)rechtbanken geen exclusieve bevoegdheid hebben. Dit wordt gebaseerd op (de tekst van) art. 99 GMVo, thans art. 131 lid 1 UMVo (de pendant van art. 90 GModVo), zonder dat daarvoor een toelichting wordt gegeven (vgl. voetnoot 27 waar deze Oostenrijkse uitspraak deels is geciteerd). Er is echter ook een duidelijke stroming in de Duitse literatuur die van mening is dat art. 131 lid 1 UMVo alleen de internationale bevoegdheid regelt en niet de interne bevoegdheid (vgl. de tweede interpretatie van Schaafsma: het is aan de lidstaten overgelaten om te bepalen welke gerechten bevoegd zijn in kort geding) en dat de Duitse wet voorschrijft dat ook bij een einstweilige Verfügung geen andere dan de gemeenschaps(merken)rechtbanken exclusief bevoegd zijn. Als dit stelsel klopt (art. 93 GModVo geeft een bevoegdheidsregel voor andere dan art. 81 GModVo-vorderingen en art. 90 GModVo is geen uitzondering op art. 81 GModVo), dan zou aan de twee visies die Schaafsma in zijn in 3.14 weergegeven noot heeft geschetst – en die de Amsterdamse voorzieningenrechter-plaatsvervanger in zijn verwijzingsbeslissing van 15 september 2017 tot uitgangspunt heeft genomen – nog een variant kunnen (of liever: moeten) worden toegevoegd, die ik dan vooraan zou willen laten staan. Dat is de variant dat in het geval van voorlopige maatregelen waarin het gaat om type-art. 81-rechtsvorderingen het niet aan de lidstaten wordt overgelaten om te bepalen welke rechter intern bevoegd is, maar dat de verordening voor dat soort voorlopige maatregelen in art. 81 GModVo (vgl. ook art. 89 GModVo) dwingend voorschrijft dat de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel daarvoor exclusieve bevoegdheid heeft. Is dit stelsel nog te illustreren door een parallel te trekken met nationale octrooiprocedures in Nederland? Voor inbreuk en geldigheid is de Haagse rechter exclusief bevoegd (in bodem en in kort geding, zie: art. 80 lid 2 ROW 1995), maar voor bewijsbeslagperikelen bijvoorbeeld gelden de algemene bevoegdheidsregels (art. 83 lid 1 ROW 1995), zoals ook in de rechtspraak wordt geïllustreerd. Ook in het octrooirecht wordt de exclusieve bevoegdheid gekoppeld aan het type vordering ongeacht het type procedure. Eigenlijk een heel vertrouwd model dus zo bezien. Zie in dit verband ook Kamerstukken II, 1984-1985, 19 131 (R1295), A-B, p. 2: “Volgens de huidige tekst van het eerste lid is de kennisneming van een aantal vorderingen ter zake van octrooien in eerste aanleg opgedragen aan de Haagse rechtbank. Onder de daar genoemde vorderingen vallen niet die ter zake van de handhaving van octrooien; daarvoor geldt de gewone competentie. In kringen van belanghebbenden leeft reeds lang de wens om de Haagse rechter ook bij uitsluiting bevoegd te verklaren tot kennisneming van de vorderingen ter zake van handhaving van octrooien. Het wordt in die kringen als onbevredigend ervaren dat de bij deze vorderingen steeds aan de orde komende vraag of een handeling inbreuk maakt op een octrooi, met andere woorden de vaststelling van de beschermingsomvang van een octrooi, aan het oordeel van elke arrondissementsrechtbank kan worden onderworpen. Vele rechters komen met deze materie zo sporadisch in aanraking dat zij zich bezwaarlijk de ervaring en het gevoel voor technische problemen eigen kunnen maken die voor een goede berechting vereist zijn. Daarnaast wordt als een bezwaar gevoeld dat veelal de vaststelling van de beschermingsomvang, als zijnde van feitelijke aard, aan toetsing door de cassatierechter is onttrokken en derhalve het thans bestaande systeem eenheid van rechtspraak niet verzekert. Wij verenigen ons met deze zienswijze en achten het op deze gronden gewenst de uitsluitende bevoegdheid van de Haagse rechtbank tot genoemde vorderingen uit te breiden. Naast de vorderingen tot handhaving van octrooien worden in het nieuwe tweede lid ook genoemd daarmee verwante vorderingen, zoals de vorderingen uit hoofde van het voorgestelde nieuwe artikel 44A, de zogenaamde indirecte octrooi-inbreuk, de vorderingen tot het vaststellen van een redelijke vergoeding als bedoeld in de artikelen 43A en 43B, alsmede vorderingen welke worden ingesteld door een ander dan de octrooihouder ten einde te doen vaststellen dat bepaalde door hem verrichte handelingen niet strijdig zijn met een octrooi. De concentratie van deze vorderingen bij één rechter is ook in overeenstemming met de bij het Gemeenschapsoctrooiverdrag vastgestelde Resolutie betreffende centralisatie van de rechtspraak inzake inbreuk op Gemeenschapsoctrooien in de verdragsluitende staten. Daarin wordt weliswaar uitsluitend gesproken over inbreuk op Gemeenschapsoctrooien, maar omdat artikel 70 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag die rechterlijke instanties voor Gemeenschapsoctrooien bevoegd verklaart die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een in de betrokken verdragsluitende staat verleend nationaal octrooi zou betreffen, is uitvoering van de Resolutie alleen mogelijk door de rechtspraak inzake inbreuk op nationale octrooien te centraliseren.” 3.25 Dat deze hier voorzichtig voordringende visie, dus dat wetshistorisch en wetssystematisch volgens mij sluitend valt te beredeneren dat de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel ziet op de vorderingen genoemd in ar. 81 GModVo, ongeacht het type procedure (dus ook in geval van inbreuk/geldigheids kort gedingen op tegenspraak en ex parte), òok als de meest wenselijke kan worden beschouwd, is niet moeilijk te onderbouwen. Dan krijgen rechters van die Gemeenschapsmodellenrechtbank de mogelijkheid om zich te specialiseren en wordt eenheid van rechtspraak (eerder) bevorderd (dan zonder exclusiviteit voor dit type vorderingen in het voor IE (althans in Nederland) belangrijke procestype kort geding). Het verkleint bovendien de kans dat een nietigheidsverweer in kort geding wordt gepasseerd omdat dit verweer te complex is, zoals de Amsterdamse voorzieningenrechter in de bestreden klittenballetjes-zaak heeft gedaan (rov. 4.3). Koenraad schreef in zijn noot onder dit vonnis hierover het volgende: “Aangezien veel Uniemerken- en Gemeenschapsmodellenzaken in kort geding worden beslecht en partijen zich daarna vaak neerleggen bij het vonnis, is het de vraag of het wenselijk is dat dit soort zaken (en dan met name Gemeenschapsmodelrecht-inbreuk-zaken) ook door niet-Haagse voorzieningenrechters worden behandeld. Ik meen dat de behandeling door gespecialiseerde rechters een goede zaak zou zijn: zo wordt gewaarborgd dat alle aspecten van deze – soms complexe – zaken de aandacht krijgen die ze verdienen. Zo besloot de Amsterdamse voorzieningenrechter in de in deze noot besproken Gemeenschapsmodellenzaak tussen Spin Master en High5 Products om het nietigheidsverweer van de gedaagde voorshands te verwerpen, aangezien de vraag of een door haar aangedragen US design patent nieuwheidsschadelijk was, niet eenvoudig te beantwoorden viel, nader onderzoek vergde en daarom het bestek van het kortgeding te buiten ging. De kans dat een Haagse voorzieningenrechter van de Sectie IE een dergelijk nietigheidsverweer zou passeren op grond van complexiteit acht ik klein. (…)”. Dat zijn woorden die ik graag onderschrijf. Prejudiciële vragen aan het HvJEU? 3.26 Omdat het hier om de uitleg van een bepaling van secundair Unierecht gaat (nog wel “Gemeenschap”smodellenrecht geheten overigens), zou dit Uw Raad kunnen brengen tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU over de uitleg van art. 90 GModVo. Ik meen voorzichtig dat hier geen verplichting bestaat tot prejudiciële verwijzing, omdat te betogen valt dat dit een “acte clair” is. Daar kan men natuurlijk anders over denken; om niet te zeggen: het kan op de lachspieren werken om het in deze conclusie voor het eerst bepleite model dat afwijkt van literatuur en rechtspraak meteen tot “acte clair” te bestempelen, ik realiseer mij dat, maar uit de totstandkomingsgeschiedenis en de systematiek van de Gemeenschapsmodellenverordening volgt in mijn visie overtuigend (genoeg) dat art. 90 GModVo geen uitzondering kan zijn op art. 81 GModVo en art. 90 GModVo dus geen bevoegdheid schept voor voorzieningenrechters van andere rechtbanken dan de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel voor zover het gaat om type art. 81-vorderingen. Indien Uw Raad wel ruimte ziet voor gerede twijfel op dit punt, zou onder ogen moeten worden gezien dat het Luxemburgse hof een prejudiciële vraag in dit geval zou kunnen afwijzen, omdat dit speelt in een cassatie in het belang der wet. Het hof zou dit kunnen opvatten als een uitlegvraag die geen verband houdt met een reëel geschil of het voorwerp van het hoofdgeding. Ik acht die kans overigens niet groot, nu ook het Luxemburgse hof zal inzien dat het onwenselijk is dat de Hoge Raad om Unierechtelijk-procedurele redenen een door hem verlangde vraag van uitleg van secundair Unierecht niet beantwoord krijgt en daarmee gedwongen zou worden om in deze zaak zelf uitleg te geven aan dat Unierecht waarover bij hem twijfel bestaat. 3.27 Voor het geval tot het stellen van prejudiciële vragen zou worden overgegaan, geef ik Uw Raad in overweging dat als volgt te doen: “Betreft de regeling in art. 90 lid 1 GModVo een uitzondering op de bevoegdheidsregeling in art. 81 GModVo, in die zin dat ten aanzien van vorderingen genoemd in art. 81 GModVo ook andere rechterlijke instanties dan de rechtbank(en) voor het Gemeenschapsmodel bevoegd zijn voor zover het gaat om voorlopige maatregelen?”. 4Conclusie Op grond van vorenstaande uiteenzettingen vorder ik dat de Hoge Raad het bestreden vonnis in het belang der wet zal vernietigen, althans het geding zal schorsen teneinde een prejudiciële vraag (als hiervoor voorgesteld in 3.27) te stellen aan het HvJEU over de uitleg van art. 90 GModVo, en zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de rechten door betrokkenen verkregen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal Nederland heeft de rechtbank Den Haag aangewezen als enige rechtbank voor het Gemeenschapsmodel (en Uniemerk). Zie Bekendmaking van de lijsten van rechtbanken voor het Gemeenschapsmerk en rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel overeenkomstig artikel 95, lid 4, van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk respectievelijk artikel 80, lid 4, van Verordening (EG) nr. 6/2002 betreffende Gemeenschapsmodellen, PbEU 24 september 2014, C 332/
  3. Verordening 6/2002 van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen. Vgl. artikel art. 131 lid 1 Verordening 2017/1001 van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk. Stb. 2004/573, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2012/313 (inwerkingtreding: Stb. 2012/314). Vgl. artikel 3 Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, Stb. 1998/202, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2012/313 (inwerkingtreding: Stb. 2012/314). COM

(93)342 def. - COD 463 (3 december 1993). Verordening 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk. Het betreffende artikel stond niet in het oorspronkelijke voorstel voor deze verordening (COM
(1980)635, 25 november 1980), noch in het gewijzigde voorstel (COM
(1984)470, 9 augustus 1984) en is blijkbaar op een later moment toegevoegd. Een toelichting op art. 99 GMVo (oud) heb ik niet kunnen achterhalen. Art. 36 Geschillenprotocol luidt als volgt: “Voorlopige en beschermende maatregelen
  1. Aan de rechterlijke instanties, met inbegrip van Gemeenschapsoctrooirechtbanken, van een Verdragsluitende Staat kunnen voor een Gemeenschapsoctrooi dezelfde voorlopige of beschermende maatregelen worden gevraagd als het recht van die Staat kent voor nationale octrooien, zelfs indien een Gemeenschapsoctrooirechtbank van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit Protocol bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.
  2. Een krachtens artikel 14, eerste, tweede, derde of vierde lid, bevoegde Gemeenschapsoctrooirechtbank is bevoegd voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen die, onverminderd de vereiste procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig titel III van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, van kracht zijn op het grondgebied van elke Verdragsluitende Staat. Geen enkele andere rechterlijke instantie heeft deze bevoegdheid.
  3. Het Gemeenschappelijk Hof van Beroep is niet bevoegd voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen en bij het Gemeenschappelijk Hof van Beroep staat tegen een beslissing waarbij zulke maatregelen worden bevolen, geen beroep open.” Pb. EG L 401/
  4. Zie ook COM
(93)342 def. - COD 463, p.
  1. Dat art. 36 Geschillenprotocol is waarschijnlijk deels (te weten, lid 1) gebaseerd op art. 24 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 27 september
  2. Blijkens art. 13 van het Geschillenprotocol is dit verdrag namelijk van toepassing, tenzij het Protocol anders bepaalt. Art. 24 van dit verdrag luidt als volgt: “In de wetgeving van een verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de rechterlijke autoriteiten van die Staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere verdragsluitende Staat krachtens dit verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.”. Zie art. 1 van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien d.d. 15 december 1989, Trb. 1990/121, waar wordt bepaald dat het Verdrag betreffende het Europees Octrooi voor de gemeenschappelijke markt van 15 december 1975, Trb. 1976/103 (het Gemeenschapsoctrooiverdrag) wordt aangevuld met onder meer het Geschillenprotocol. In het oorspronkelijke Gemeenschapsoctrooiverdrag uit 1975 was nog geen bepaling over voorlopige of beschermende maatregelen opgenomen. Wel kende dit verdrag in art. 70 de volgende bepaling inzake de interne bevoegdheid bij inbreukgeschillen: “
  3. In de Verdragsluitende Staat waar de rechterlijke instanties volgens het bepaalde in de artikelen 68 en 69 bevoegd zijn, worden rechtsvorderingen ingesteld bij de rechterlijke instanties die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een in die Staat verleend nationaal octrooi zou betreffen.” De Nederlandse wetgever heeft gelet op deze bepaling en de Resolutie betreffende centralisatie van de rechtspraak inzake inbreuk op Gemeenschapsoctrooien in de verdragsluitende staten (PbEG L 17/36; Slotakte d.d. 26 januari 1976) de octrooirechtspraak bij inbreuk op nationale octrooien gecentraliseerd in Den Haag. Voordien waren daartoe ook andere rechtbanken bevoegd. Zie Kamerstukken II, 1984-1985, 19 131 (R1295), A-B, p.
  4. Zie mijn conclusie van 30 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:981 in de zaak Sun/Novartis onder 2.
  5. Kamerstukken II, 1994-1995, 23 953 (R 1524), nr.
  6. In art. 14 Geschillenprotocol is de internationale en niet de interne bevoegdheid geregeld. Kamerstukken II, 2003-2004, 29 631, nr. 3, p.
  7. Zie voor de toelichting op het corresponderende art. 3 Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk: Kamerstukken II, 1997-1998, 25 729, nr. 3 met nagenoeg dezelfde inhoud. Hof Amsterdam 4 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ5613 (Tommy Hilfiger/Basilicum). Hof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4858, IER 2008/41, m.nt. A. Kamperman Sanders (Europochette). Annotator Kamperman Sanders schrijft hierover onder 1: “(…) Nu is de bevoegde rechter op grond van art. 80 en 81 GModVo, alsmede art. 3 van de uitvoeringswet de rechtbank in Den Haag. Een beroep op onbevoegdheid werd echter verworpen door de rechtbank en ook in hoger beroep. In beide gevallen werd gerefereerd aan de uitzondering opgenomen in art. 90 lid 1 GModVo: ‘aan de rechterlijke instantie van de lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het gemeenschapsmodel kunnen voor gemeenschapsmodellen dezelfde maatregelen worden gevraagd als het recht van die staat kent voor nationale modellen’. De voorzieningenrechter zocht de ratio voor toepassing van art. 90 lid 1 GModVo in het voorkomen van de situatie waarin degene die zowel een voorlopige of beschermende maatregel wil aanbrengen ten aanzien van een nationaal model als van een gemeenschapsmodel, voor twee verschillende rechtbanken moet dagvaarden. Is er dan een rechtbank bevoegd te oordelen over een nationaal model, dan is het ook bevoegd te oordelen over een parallel gemeenschapsmodel. Het hof corrigeert impliciet de rechtbank onder verwijzing in r.o. 4.2 naar de woorden ‘met inbegrip van’, en leidt daaruit doodleuk af dat de Rechtbank 's‑Gravenhage niet bij uitsluiting bevoegd is van vorderingen in kort geding kennis te nemen. Rb. 's‑Gravenhage denkt daar duidelijk anders over. De voorzieningenrechter in Den Haag stelde op 4 maart jl. nog in een zaak over trainingsapparaten dat op grond van art. 3 van de uitvoeringswet de bevoegdheid in kort geding uitsluitend is. Een aardige discussie over uitleg en richtlijnconformiteit van de uitvoeringswet kan volgen.”. Vzr. Rb. Den Haag 4 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BI9036, BIE 2009/44, m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (Enanef e.a./Eurosolar), rov. 4.
  8. Zie met betrekking tot Uniemerken bijv.: Vzr. Rb. Den Haag 21 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7097 (Burberry), rov. 4.1, Vzr. Rb. Den Haag 7 mei 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1049 (Microsoft/Unicaresoft), rov. 4.1, Vzr. Rb. Den Haag 18 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6961 (Galaxy), rov. 4.1, Vzr. Rb. Den Haag 29 juli 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU4076, BIE 2006/41 (Dance Valley/Indian Valley), rov. 4.1 en Vzr. Rb. Den Haag 30 januari 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3985, IER 2004/48 (Dancevalley/Dancehill), rov.
  9. Vzr. Rb. Haarlem 13 januari 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BP0662 (Keezbord.nl/Keezenspel.nl), rov. 4.
  10. Vzr. Rb. Overijssel 9 april 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1944 (Top Twence/Goodmark). Zie ook eerder Vzr. Rb. Arnhem 2 februari 2006, ECLI:Nl:RBARN:2006:AW1889 (Deere), rov. 4.1, die oordeelde dat de voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank in kort geding bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van inbreukvorderingen op Gemeenschapsmerken. Vzr. Rb. Breda 27 mei 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BM6004, IER 2010/66, m.nt. S.J. Schaafsma (Bijoux Concept). Zie ook al eerder met betrekking tot een Uniemerk: Vzr. Rb. Amsterdam 17 maart 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AT1087, IER 2005/55 (PAGE-puppy), maar juist in NB tegenovergestelde zin Vzr. Rb. Amsterdam 15 september 2017, IEF 17110 vgl. verderop in deze conclusie in 3.
  11. Vzr. Rb. Assen 11 december 2008, IEF 7399 (Kembo/Drentea). Vzr. Rb. Arnhem 10 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC2898 (D-sign Denemarken/StudioSV). In Vzr. Rb. Arnhem 12 december 2000, ECLI:NL:RBARN:2000:AA8971, IER 2001/5, m.nt. Ch. Gielen (Wieland/Ratio), rov. 4.2, werd echter geoordeeld dat de rechtbank Den Haag bij uitsluiting bevoegd is ter zake van rechtsvorderingen betreffende inbreuk op gemeenschapsmerken. Annotator Gielen stelt dat de Arnhemse president wel in kort geding bevoegd was op grond van art. 99 GMVo. Vzr. Rb. Rotterdam 15 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1572 (Argene/Argen-X). Zie eerder al Vzr. Rb. Rotterdam 7 mei 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BI3272 (Ruan/Lonsdale), rov. 5.
  12. Vzr. Rb. Amsterdam 15 september 2017, IEF 17110 (verwijzingsvonnis wegens onbevoegdheid); vgl. ook Vzr. Rb. Den Haag 15 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10588, IER 2018/28 m.nt. F.W.E. Eijsvogels in dezelfde zaak (en van dezelfde datum), maar dan inhoudelijk (Toi-Toys/Tinnus Enterprises). IER 2010/
  13. Bedoeld zal zijn: aan. BIE 2017/
  14. Op deze plaats wordt in een voetnoot verwezen naar ÖsterrOGH GRUR Int 2014, 686, 687 ski in ski out. In de betreffende uitspraak van het Oostenrijkse Hooggerechtshof van 20 januari 2014 staat: “
  15. Die ausschließliche Zuständigkeit des Handelsgerichts Wien als Gemeinschaftsmarkengericht für die Erlassung einstweiliger Verfügungen besteht wegen des Vorrangs von § 387 Abs. 1 EO ausnahmsweise nicht, wenn die Klage bereits bei einem anderen – wenngleich unzuständigen – inländischen Gericht erhoben wurde (17 Ob 22/07 w = RIS-Justiz RS0122945). Die zitierte Entscheidung erging zu Art 99 Abs. 1 GMV in der Fassung der Verordnung (EG) Nr. 40/
  16. Der nunmehrige Art. 103 Abs. 1 GMV in der Fassung der Verordnung (EG) Nr. 207/2009 ist mit dieser Bestimmung wortgleich. Die Erlassung einstweiliger Verfügungen in Gemeinschaftsmarkensachen durch Gerichte, die nicht Gemeinschaftsmarkengericht sind, ist daher auch nach der geltenden Rechtslage zulässig.“. (onderstreping A-G). § 125e I Markengesetz luidt als volgt: “Für alle Klagen, für die nach der Verordnung über die Gemeinschaftsmarke die Gemeinschaftsmarkengerichte im Sinne des Artikels 91 Abs 1 der Verordnung zuständig sind (Gemeinschaftsmarkenstreitsachen), sind als Gemeinschaftsmarkengerichte erster Instanz ohne Rücksicht auf den Streitwert ausschlieβlich zuständig.” Dit kan in Nederland in een kort geding procedure volgens art 254 Rv of in een ex parte procedure volgens art. 1019e Rv. Dit laatste artikel is een implementatie van art. 9 lid 4 Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (Handhavingsrichtlijn, HhRi). Zie art. 90 lid 3 GModVo. De a-contrario redenering van Hof Amsterdam (zie hiervoor onder 3.8) dat de voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank bij uitsluiting bevoegd is om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen indien het gaat om maatregelen die van kracht zijn op het grondgebied van elke Lid-Staat en dat dus (?) voorzieningenrechters van andere rechtbanken bevoegd zijn voor zover de maatregelen slechts gelding hebben in de Verdragsluitende Staat waar ze worden uitgesproken, is naar ik meen niet in lijn met de systematiek van de GModVo en bedoelde ratio van (uiteindelijk ook) art. 90 GModVo (die blijkt uit de Toelichting op art. 36 van het Geschillenprotocol, zie onder 3.4 en 3.20). De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn advies inzake het concept-wetsvoorstel implementatie richtlijn handhaving intellectuele eigendom het volgende geadviseerd in het kader van art. 1019b Rv: “Dit artikel gaat ervan uit dat de voorzieningenrechters van alle rechtbanken bevoegd zijn. De Raad adviseert evenwel om voor die IE-rechten waarvoor de Haagse rechtbank in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd is (octrooien, gemeenschapsmerken en -modellen) ook de voorzieningenrechter uit die rechtbank voor het verlof bedoeld in 1019b exclusief bevoegd te maken. De voorzieningenrechter dient bij het bewijsbeslag immers over tamelijk inhoudelijke vragen een oordeel te vellen. Te denken valt aan vragen als welke vorm van bewijsbewaring in het betreffende geval geïndiceerd is (is conservatoir beslag nodig of is gedetailleerde beschrijving voldoende dan wel dienen er monsters te worden genomen), hoe eventuele beschrijving en monsterneming plaats dienen te vinden en op welke zaken het beslag kan worden gelegd (welke materialen, werktuigen of documenten zijn van belang, waarbij verder met name bij indirecte inbreuk op het octrooirecht de inbreukmakende roerende zaken niet altijd dadelijk duidelijk zijn). Te overwegen is voorts om de voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank ook bevoegd te verklaren in de overige conservatoir-beslagzaken (geldvordering dan wel revindicatoir) met als inzet (de inbreuk op) een octrooi, een gemeenschapsmerk of -model bij de voorzieningenrechter. Hiervoor pleit dat op deze wijze alles in één hand wordt gehouden. Thans is de regeling van artikel 700 Rv hierop van toepassing.” Dit advies is niet overgenomen, naar ik vermoed omdat dit voor wat betreft Gemeenschapsmodellen en Uniemerken in strijd zou komen met hogere Europese regelgeving (art. 90 GModVo en de merkenrechtelijke pendant daarvan). Het Bossche hof heeft uit deze tekst volgens mij ten onrechte afgeleid dat art. 90 GModVo een uitzondering is op art. 81 GModVo (zie hiervoor onder 3.8). Wetssystematisch loopt dat m.i. niet rond. In Duitsland is de bevoegdheid van Gemeenschapsmodellenrechtbanken geregeld in art. 63 lid 1 van het Designgesetz dat als volgt luidt: “Für alle Klagen, für die die Gemeinschafstgeschmacksmustergerichte im Sinne des Artikels 80 Absatz 1 der Verordnung (EG) Nr. 6/2002 züstandig sind (Gemeinschaftsgeschmacksmusterstreitsachen), sind als Gemeinschaftsgeschmacksmustergerichte erster Instanz die Landgerichte ohne Rücksicht auf den Streitwert ausschieβlich zuständig.”. Zie voor de merkenrechtelijke pendant van deze bepaling voetnoot
  17. Zie Menebröcker/Stier WRP 2012, 890: “In Deutschland is eine weitere Einschränkung zu beachtern: Da die deutschen Gerichte in Fall deren internationaler Zuständigkeit ihr nationales Verfahrensrecht und damit die Vorschriften der ZPO anwenden [onder verwijzing naar verdere literatuur, A-G], sind in eintsweiligen Verfügugnsverfahren die in der Hauptsache zuständigen Gerichte für den Erlass von eintsweiligen Verfügungen betreffend Gemeinschaftsmarken gem. Art. 96 GMV ausschleisslich Gemeinschaftsmarkengerichte. In Deutschland können somit wegen der internationalen Verfahrensvorschriften in de ZPO keine eintweiligen Massnahmen bei einem Gericht beantragt werden, welches nicht auch Gemeinschaftsmarkengericht ist [onder verdere verwijzing naar Sosnitza, GRUR 2011, 465, 468, A-G]. Art. 103 Abs. 1 GMV hat in Deutschland daher keine sachlichen Anwendungsbereich.” (onderstreping A-G). Zie in dezelfde zin: Ruhl, Gemeinschaftsgeschmacksmuster: Kommentar
(2010), art. 88, Rn.
  1. Anders hierover Vzr. Rb. Amsterdam 15 september 2017, IEF 17110, rov. 5.8.1 en 5.9., hiervoor in 3.13 geciteerd. Zie bijv. Vzr. Rb. Oost-Nederland 1 februari 2013, BIE 2013/5, m.nt. T.M. Blomme (Astellas/Synthon), rov. 4.1 en Vzr. Rb. Den Haag 27 juni 2008, IEPT20080627, rov. 1.3 en 1.
  2. Uitdrukkelijk als positief element gepositioneerd in de considerans onder 29 van de GModVo. Vgl. in dit verband ook de Resolutie betreffende centralisatie van de rechtspraak inzake inbreuk op Gemeenschapsoctrooien in de verdragsluitende staten. PbEG L 17/36 (Slotakte d.d. 26 januari 1976, ook al is het nooit tot Gemeenschapsoctrooien gekomen, de regeling waar wij ons nu over buigen is uit dat stelsel voortgekomen, zo hebben we gezien): “Verlangende in elk van de Verdragsluitende Staten de eenheid van rechtspraak inzake inbreuk op Gemeenschapsoctrooien zoveel mogelijk te bevorderen, Erkennende dat in alle Verdragsluitende Staten behoefte wordt gevoeld aan rechters met ervaring inzake inbreukprocedures, HEBBEN BESLOTEN ten spoedigste de maatregelen te treffen, die noodzakelijk zijn om voor hun grondgebied zo veel mogelijk te komen tot een zodanige centralisatie van de rechtspraak in eerste aanleg ter zake van inbreuk op Gemeenschapsoctrooien, dat behandeling door rechters met ervaring op dit gebied gewaarborgd is.”. Het geldt misschien in mindere mate voor modellen en merken dan voor octrooien, maar ook daar zijn deze aspecten van specialistische rechters en rechtseenheid van gewicht. IER 2017/
  3. Voor een tegengeluid: als nadeel van centralisatie van zaken bij één exclusief bevoegde rechtbank wordt wel het gebrek aan chocques des opinions genoemd, vgl. o.a. het rapport van de Raad voor de Rechtspraak, Specialisatie loont?! Ervaringen van grote ondernemingen met specialistische rechtspraakvoorzieningen
(2010), p. 95-135 over de IE-kamer van de Haagse rechtbank, m.n. p. 131-132: binnen het advocatenpanel bestaat brede steun voor een tweede specialistische rechtbank voor alle IE-zaken o.a. om het risico te beperken dat rechters met een exclusieve competentie een eigen koers gaan varen ( te eigengereid worden). Zie voor dit rapport: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectioDocuments/RM-Specialisatie-loont-pdf. Zo Schaafsma, IER 2010/66, zoals we al zagen. Vgl. ook Vzr. Rb. Breda 12 augustus 2010, IEF 9039 (Heerkens/Fergan). In deze zaak heeft de voorzieningenrechter blijkens rov. 4.3 overwogen om als prejudiciële vraag te stellen of art. 103 GModVo toelaat dat de nationale wetgever de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen en beschermende maatregelen exclusief toekent aan één gespecialiseerde rechtbank voor het gemeenschapsmerk zoals in Nederland de rechtbank Den Haag, maar dat toch uiteindelijk overgelaten aan het hof mocht het tot een appel komen. Het betrof hier overigens een vordering in kort geding tot opheffing van gelegde conservatoire beslagen, waarvoor volgens mij de Gemeenschapsmerkenrechtbank geen uitsluitende bevoegdheid heeft – maar dat terzijde. HvJEU 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335, NJ 1983, 55 (Cilfit), punt 16: “Tenslotte kan de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident zijn, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. Alvorens tot het besluit te komen dat dit het geval is, dient de nationale rechter ervan overtuigd te zijn dat die oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lid-staten en voor het Hof van Justitie. Enkel wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, kan de nationale rechter ervan afzien de vraag aan het Hof voor te leggen, en ze op eigen verantwoordelijkheid oplossen.” HvJEU 22 juni 2000, C-318/98, ECLI:EU:C:2000:337, NJ 2000/687 (Fornasar), punt 27: “(…) Een verzoek van een nationale rechter kan alleen worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie onder meer arresten van 16 juli 1992, Asociación Española de Banca Privada e.a., C-67/91, Jurispr. p. I-4785, punten 25 en 26, en 25 juni 1997, Tombesi e.a., C-304/94, C-330/94, C-342/94 en C-224/95, Jurispr. p. I-3561, punt 38 (NJ 1998, 722; red.)).” Uit navraag is mij gebleken dat partijen in het onderhavige geding de termijn voor appel ongebruikt hebben laten verlopen. In zo’n geval kan wel nog een cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Zie art. 78 lid 7 Wet RO en Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht
(2015), nr. 172. In zaken waarin een verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk werd verklaard ging het om hypothetische vragen (vgl. bijv. de gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13). Daarvan is hier geen sprake.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.