← Nederland

ECLI:NL:PHR:2019:1163

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01401 Zitting 15 november 2019 CONCLUSIE P. Vlas In de zaak Het Openbaar Ministerie tegen 1. De Nederlandse afdeling van de Bandidos Motor

niet in waarom de omstandigheid dat er een website bestaat waarop alle landen van de wereld met Bandidos-chapters worden genoemd en waarop doorgeklikt kan worden naar de lokale chapters, niet mee zou kunnen wegen in het geheel van omstandigheden, omdat niet duidelijk is geworden wie deze website beheert en onderhoudt. Hetzelfde geldt ten aanzien van clubkleding, logo’s en onderscheidingstekens waarover het hof heeft overwogen dat niet duidelijk is geworden dat een wereldwijde organisatie daarvoor verantwoordelijk is. En ook de door het hof genoemde omstandigheid dat een internationaal handboek (‘Bible’) zou ontbreken, betekent naar mijn mening nog niet dat er geen sprake kan zijn van een organisatie die als zelfstandige eenheid naar buiten toe optreedt. Het hof gaat voorbij aan de omstandigheid dat, zoals de rechtbank in rov. 3.10 heeft overwogen, Bandidos-leden zichzelf beschouwen als lid van de wereldwijde motorclub BMC Internationaal en dat in de editie 2014/2015 van de ‘Bible of the Bandidos Motorcycleclub Europe’ is vermeld: ‘The Bandidos Motocycleclub is now a worldwide biker brotherhood, being the best and strongest of all1%er Motorcycle Clubs worldwide’. Op grond van dit alles ben ik van oordeel dat het hof een te strenge invulling heeft gegeven aan de toepassing van het corporatiebegrip van art. 10:122 BW. Daarbij mag het doel van die bepaling niet uit het oog worden verloren, namelijk het voorkomen dat buitenlandse organisaties laakbare activiteiten in Nederland verrichten. Het subonderdeel slaagt dus op dit punt. 3.13 Het subonderdeel klaagt verder nog dat het hof in rov. 4.11 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven door te overwegen dat niet duidelijk is gemaakt wie de gemeenschappelijke website van BMC Internationaal beheert en onderhoudt. Het OM heeft gesteld dat het beheer van de website door BMC Internationaal werd uitgevoerd, wat door BMC Sittard en BMC Europe niet is betwist, zodat het hof dit dan ook tot uitgangspunt had moeten nemen, aldus het subonderdeel. 3.14 De klacht faalt. In de door het OM genoemde vindplaats lees ik niet dat het OM heeft gesteld dat de website door BMC Internationaal wordt beheerd en onderhouden. Het OM heeft aldaar gesteld dat het ‘uitdrukkelijk om één motorclub (…) gaat die zich aan de wereld toont met een gemeenschappelijke internationale clubwebsite’. Het hof heeft deze kwestie vervolgens aan de orde gesteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaak. Het hof is, gelet op het debat van partijen, niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft evenmin een onbegrijpelijke beslissing gegeven. 3.15 Subonderdeel A2 klaagt dat het hof heeft miskend dat het inzicht in de hiërarchie en organisatiestructuur van de corporatie niet door het OM behoeft te worden gegeven in het geval waarin bewust is gekozen voor een wijziging van de organisatiestructuur om een verbod van de gehele organisatie te voorkomen. Het OM heeft dit onderbouwd gesteld en het hof heeft die stelling niet verworpen. Het subonderdeel klaagt dat het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op deze (essentiële) stelling over de aanpassing van de structuur van de organisatie. Dat klemt te meer, nu BMC Europe en BMC Sittard hun stellingen op het punt van de ontvlechting steeds hebben aangepast, nadat een weerlegging daarvan door het OM volgde, aldus de klacht. 3.16 Over dit subonderdeel merk ik het volgende op. In eerste aanleg heeft het OM de stelling dat de wijziging van de organisatiestructuur bewust is gekozen om een verbod van de gehele organisatie te voorkomen als volgt toegelicht: ‘Verweerders geven een schets van een gelaagde organisatie binnen Bandidos MC met onafhankelijke ‘zusterverenigingen’ die op tal van punten in strijd is met de feiten. Uit interne notulen blijkt dat Bandidos MC begin 2016 doelbewust een papieren rookgordijn heeft opgetrokken om de ware organisatie van de club te verhullen uit vrees voor overheidsmaatregelen zoals een verbod. Dat rookgordijn is op zich zelf beschouwd al weinig overtuigend: het combineert de fictie dat alle Bandidos chapters in de wereld volledig zelfstandig zijn met tal van verplichtingen voor die chapters (en al degenen die daarbij zijn aangesloten) en verregaande bevoegdheden van internationale bestuurders. Zo hebben individuele leden nog steeds een internationale contributieplicht en opkomstplicht bij bepaalde (internationale) activiteiten en wordt bijvoorbeeld in maart 2016 genotuleerd dat Europese secretaris [betrokkene 1] toezicht houdt op alle secretarissen en zo nodig de vervanging kan eisen van een secretaris in een chapter als deze niet goed functioneert’. 3.17 In hoger beroep heeft het OM deze stelling als volgt toegelicht: ‘In het onderhavige hoger beroep zijn door appellanten geen nieuwe gronden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden uitgegaan van zelfstandige rechtspersonen die zich niet zouden scharen onder de overkoepelende rechtspersoon BMC. Appellanten verwijzen opnieuw naar hun eerdere stellingen dat BMC als zodanig niet meer zou bestaan en dat zij voortbestaat in de vorm van op zichzelf staande rechtspersonen in een federatieve structuur. De ‘federatieve structuur’ die door appellanten wederom wordt aangevoerd en die namens BMC is bedacht om juridische procedures tegen de club te frustreren, wordt binnen BMC inconsequent doorgevoerd (er blijken toch vele internationale bestuursbanden en regels te zijn, leden zijn zich in het dagelijks uitoefenen van hun verenigingsactiviteiten niet bewust van het bestaan van de federaties en

n zichzelf als lid van BMC, niet alle chapters voeren de naamgeving door die vanuit de federaties verwacht zou worden, etc.)’. 3.18 De onderbouwing van deze stelling van het OM is met name te vinden in de aanvullende bijlagen 66 en 67 bij het inleidende verzoekschrift. Het subonderdeel verwijst ook naar een passage uit de notulen van een ‘National-meeting in Essen 16 January 2016’: ‘We are changing the structure of BMC. On the chapter level it stays as it is. On a national level the structure will change. It is a matter of separating things in order to prevent the club from being forbidden. The European National Chapter will consist of [betrokkene 2] , [betrokkene 3] and [betrokkene 1] with Europe side-rocker. There will be 9 regional federations with National side-rocker and other identifying features (…). If something happens with the club it can only be forbidden in one region. (…). The National office will make sure that the clubs standards are the same everywhere. (…) Governments are analyzing the National Chapter right now. (…)’. 3.19 Het hof mocht voorbij gaan aan de stelling van het OM over de aanpassing van de organisatiestructuur in 2016, omdat deze stelling voor de verbodenverklaring van BMC Internationaal op grond van art. 10:122 BW niet relevant is. De aanpassing van de organisatiestructuur

t op BMC Europe. Ten aanzien van BMC Internationaal is de in 2016 gewijzigde federatieve structuur van BMC Europe niet van belang. Een federatieve structuur staat mijns inziens overigens ook niet in de weg aan het bestaan van een corporatie in de zin van art. 10:122 BW. Het subonderdeel faalt dus. 3.20 Subonderdeel A3 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.11 heeft beslist dat voldoende aannemelijk is dat van een nauwe samenwerking tussen de Bandidos-motorclubs in Amerika, Europa, Australië en Azië sinds 2007 vanwege een conflict geen sprake meer is, en dat van een zelfstandige eenheid in de zin van art. 10:117 BW daarom sindsdien geen sprake meer is. 3.21 De klacht is gericht tegen het eerste deel van rov. 4.11, waarin het hof, kort gezegd, een feitelijke vaststelling heeft gegeven over het ontstaan van motorclubs onder de naam Bandidos. Deze vaststelling berust op hetgeen het OM in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld: ‘Er bestaan aanwijzingen dat er op enig moment een conflict is geweest tussen de Amerikaanse afdeling van de Bandidos MC enerzijds en de Aziatische, Europese en Australische afdelingen anderzijds, waarna in juli 2007 een interne splitsing volgde’. Ter onderbouwing heeft het OM verwezen naar de Amerikaanse website van de Bandidos, waar onder meer het volgende is opgenomen: ‘It was discussed at the annual chapter Presidents meeting in February 2006, there is was decided by 100 vote to set Europe, Asia, free to follow their own path. On July 17th, 2007, the club was split. Though we share a common name and a similar patch, we are no longer associated with the Bandidos MC in Europe, Asia and Australia. Leaving us to get back to our roots, embodying the true meaning of Motorcyclism’. 3.22 Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, voor zover het klaagt over de feitelijke vaststelling van het hof over een conflict sinds 2007 tussen de Bandidos-motorclubs in Amerika en de Bandidos-motorclubs in Europa, Australië en Azië. Deze vaststelling brengt niet zonder meer met zich dat na 2007 geen sprake meer zou kunnen zijn van een corporatie als bedoeld in art. 10:122 BW. Voor het bestaan van een corporatie is immers niet de interne structuur beslissend, maar de vraag of de Bandidos als zelfstandige eenheid naar buiten optreden. Daarin is door de kennelijke splitsing in 2007 geen verandering gebracht. De Bandidos-motorclubs blijven immers volgens het hierboven aangehaalde citaat van de Amerikaanse website wereldwijd ‘a common name and a similar patch’ delen, hetgeen ook door het hof in rov. 4.13 is overwogen. 3.23 Subonderdeel A4 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.9 heeft overwogen (en in rov. 4.11 tot uitgangspunt heeft genomen) dat het OM heeft gesteld dat BMC Internationaal een in de Verenigde Staten gevestigde corporatie is. Het OM heeft enkel gesteld dat het internationale bestuur traditioneel gevestigd is in de Verenigde Staten. Het hof heeft de vraag of sprake is van een wereldwijde organisatie ten onrechte beperkt tot de vraag of sprake is van een in de Verenigde Staten gevestigde corporatie, terwijl het had moeten onderzoeken of een wereldwijde zelfstandig als eenheid naar buiten optredend samenwerkingsverband bestond, ongeacht waar dat is gevestigd. 3.24 Voor zover het subonderdeel is gericht tegen rov. 4.9 heeft het OM geen belang bij de klacht, omdat rov. 4.9 betrekking heeft op de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de verzoeken van het OM. Het verzoek op grond van art. 2:20 BW gericht tegen BMC Holland heeft geen internationaal karakter. BMC Holland is een statutair in Nederland gevestigde (informele) vereniging. Voor dat verzoek heeft de Nederlandse rechter zonder meer bevoegdheid. Het hof heeft in rov. 4.9 over het verzoek op grond van art. 10:122 BW gericht tegen BMC Internationaal overwogen dat het is gericht tegen een (volgens het OM) in de Verenigde Staten gevestigde corporatie en dat er geen aanwijzingen zijn dat BMC Internationaal (ergens anders) in Europa haar vestigingsplaats heeft. Het hof heeft overwogen dat de Nederlandse rechter op grond van art. 3, aanhef en onder a, Rv bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, omdat het OM als verzoeker woonplaats in Nederland heeft. De feitelijke vaststelling van het hof dat BMC Internationaal niet in een EU-lidstaat is gevestigd, strookt met de stellingen van het OM. De klacht van het subonderdeel stuit op het voorgaande af. 3.25 Onderdeel B klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.31-4.34, alsmede rov. 4.18 (voor zover het hof daarin oordeelt dat de chapters verenigingen zijn), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd. Het onderdeel valt in vier subonderdelen (genummerd B1-B4) uiteen. 3.26 Subonderdeel B1 is gericht tegen rov. 4.33. Het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de verbodenverklaring en ontbinding van een (hoofd)vereniging zich mede uitstrekken over de afdelingen van die (hoofd)vereniging, ook indien die afdelingen zelf ook informele verenigingen zijn en dus rechtspersoonlijkheid bezitten. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit in deze zaak miskend, omdat er een sterke verwevenheid bestaat tussen BMC Holland als hoofdvereniging en de chapters als afdelingen met rechtspersoonlijkheid. Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onbegrijpelijk. 3.27 Subonderdeel B2 is ook gericht tegen rov. 4.33 en klaagt dat het hof heeft miskend dat (

  1. i)een afdeling van een vereniging in beginsel zelf geen vereniging is en dus in beginsel geen rechtspersoonlijkheid bezit, (
  2. ii)een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de statuten en/of reglementen van de (hoofd)vereniging en/of de afdeling daarin expliciet of impliciet voorzien, en (iii) een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de afdeling als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn beslissing niet naar behoren gemotiveerd. 3.28 De beide subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Ik stel daarbij de volgende beschouwing over de informele vereniging en de positie van de afdeling voorop. 3.29 Art. 2:26 lid 2 BW vereist voor de oprichting van een vereniging een meerzijdige rechtshandeling. Ook voor het bestaan van een informele vereniging is een dergelijke oprichtingshandeling vereist. Bij gebreke daarvan kan de rechter de vereniging ontbinden, omdat aan haar totstandkoming gebreken kleven (art. 2:21 lid 1, onder a, BW). De oprichting van een informele vereniging is vormvrij, zodat voor een ‘club’ die zich als vereniging (rechtspersoon) is gaan gedragen moet worden aangenomen dat er een oprichtingshandeling is geweest. De oprichtingshandeling biedt dus weinig houvast voor het vaststellen dat een informele vereniging is ontstaan. De bestuurders van een informele vereniging kunnen haar doen inschrijven in het handelsregister (art. 2:30 lid 3 BW). Als inschrijving achterwege blijft, wat in de praktijk meestal het geval zal zijn, moet mede aan de hand van andere omstandigheden worden vastgesteld of een informele vereniging is ontstaan. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld dat sprake is van een informele vereniging. 3.30 In het bestuursrecht zijn drie cumulatieve vereisten geformuleerd voor het bestaan van een informele vereniging: (
  3. i)er moet een ledenbestand zijn; (
  4. ii)het moet gaan om een organisatorisch verband dat is gericht op het behalen van een bepaald doel (af te leiden uit regelmatige ledenvergaderingen, een functionerend bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht); en (iii) de organisatie dient als een eenheid deel te nemen aan het rechtsverkeer. Het beoordelen of sprake is van een informele vereniging – en daarmee van een rechtspersoon – is in het bestuursrecht bijvoorbeeld van belang voor de vraag of wordt voldaan aan het belanghebbende-begrip van art. 1:2 Awb of voor de vraag of aan de organisatie als overtreder een last onder dwangsom kan worden opgelegd. 3.31 Uit de civielrechtelijke rechtspraak zijn uitspraken bekend waar in essentie aan dezelfde vereisten wordt getoetst voor de vraag of sprake is van een informele vereniging. Niet zonder meer beslissend is of partijen op enig moment de bedoeling hebben gehad een vereniging op te richten. Als een partij zich te gemakkelijk zou kunnen beroepen op het bestaan van een informele vereniging, zou dat tot chicaneuze procespraktijken kunnen leiden. Het moet gaan om de geobjectiveerde bedoeling van de oprichters van de vereniging die moet worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden, waarbij met name wordt gelet op de hierboven genoemde criteria onder (i)-(iii). Het naar buiten optreden als zelfstandige eenheid is niet voldoende om een informele vereniging aan te nemen. Dat is één van de vereisten voor een informele vereniging. De interne organisatie moet ook op het bestaan van een vereniging duiden. Dat wordt tot uiting gebracht met de vereisten geformuleerd achter (
  5. i)en (ii). In de literatuur wordt het treffend als volgt verwoord: ‘Voor het kunnen aannemen van de oprichting van een vereniging achten wij niet voldoende dat er slechts sprake is van het in het maatschappelijk verkeer optreden als een zelfstandige eenheid. Alvorens van een dergelijke vormvrije oprichting kan worden gesproken, dient naar ons oordeel bovendien sprake te zijn van een interne, de essentialia van de vereniging weerspiegelende organisatie die werkzaam is ter realisering van een bepaald doel. Indien aan deze vereisten is voldaan kan genoegzaam worden geconcludeerd tot de oprichting van een vereniging op de voet van art. 2:26 lid 2 jo. art. 3:37 en 3:59 BW, ook al kan het exacte moment van oprichting wellicht niet met zekerheid worden bepaald’. 3.32 In de onderhavige zaak speelt de vraag of sprake is van een informele vereniging bij de toepassing van art. 2:20 lid 1 BW. In het kader van de invoering van Boek 2 BW in 1976 werd de verbodsprocedure uit de toenmalige Wet ‘tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering’ van 22 april 1855 overgeheveld naar Boek 2 BW. In dat kader kwam bij de Commissie voor Justitie de volgende – praktische – vraag op: ‘De commissie heeft zich afgevraagd hoe men een niet-rechtspersoon kan ontbinden. Voor een maatschap zou dit nog denkbaar zijn, maar hoe gaat dit bijv. bij een informeel optredend gezelschap zonder rechtspersoonlijkheid en zonder enige juridische binding? Kan men een zuiver feitelijke samenwerkingsvorm wel ontbinden? De commissie zou het op prijs stellen wanneer de Minister enkele voorbeelden gaf van niet-rechtspersonen welke voor ontbinding in aanmerking komen’. 3.33 De minister van Justitie heeft zich naar aanleiding van deze vraag op het standpunt gesteld dat toepassing van de regeling voor het ontbinden van samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid zich niet in alle gevallen even gemakkelijk laat denken. De wetgever heeft er bij de invoering van Boek 2 BW dan ook voor gekozen de ontbindingsregeling te beperken tot rechtspersonen. Enkele jaren na de invoering van Boek 2 BW heeft de minister van Justitie in de memorie van antwoord van het wetsvoorstel inzake wijziging van enige bepalingen over verboden rechtspersonen, die keuze nog eens bevestigd: ‘Bij de Invoeringswet zijn organisaties zonder rechtspersoonlijkheid van de bepaling uitgesloten, omdat ontbinding van een informeel optredend gezelschap zonder juridische binding niet goed denkbaar werd geacht en voor maatschappen en dergelijke vennootschappen vooralsnog niet nodig’ (mijn curs., A-G). 3.34 In recente literatuur is opgemerkt dat deze redenering weinig overtuigend is, omdat samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde ook op andere wijzen bestendig kunnen zijn vormgegeven. Voor de verbodenverklaring van buitenlandse corporaties in de zin van art. 10:122 BW wordt dit al langer onderkend. De keuze van de regering om de reikwijdte van art. 2:20 lid 1 BW te beperken tot organisaties met rechtspersoonlijkheid lijkt in zoverre achterhaald. Ik wijs in dit verband nog op het recente initiatiefwetsvoorstel voor een Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd een bestuursrechtelijke bevoegdheid voor de minister voor Rechtsbescherming te introduceren om organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden bij beschikking te verbieden. Deze voorgestelde bevoegdheid is, in lijn met het corporatiebegrip van art. 10:117, aanhef en onder a, BW, niet beperkt tot rechtspersonen, maar

t ook op ‘ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten tredend lichaam of samenwerkingsverband’. Naar aanleiding hiervan is in de literatuur gesuggereerd deze zinsnede ook aan art. 2:20 lid 1 BW toe te voegen. 3.35 Uit het voorgaande volgt, dat met het oog op de toepassing en het doel van art. 2:20 BW niet te strenge eisen moeten worden gesteld aan het bestaan van een informele vereniging. Het doel van art. 2:20 BW is met een ruime uitleg van het begrip ‘informele vereniging’ gediend. De essentie van de bepaling is immers dat een halt wordt toegeroepen aan rechtspersonen waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. De bepaling wordt in die zin beschouwd als onderdeel van de weerbare democratie. 3.36 Dit halt toeroepen gebeurt in civielrechtelijke zin door ontbinding van de rechtspersoon. Eventuele baten van de rechtspersoon moeten worden vereffend. Deelname aan de voortzetting van de werkzaamheid van een rechtspersoon die op grond van art. 2:20 lid 1 BW (of op grond van art. 10:122 BW) verboden is verklaard, is bovendien strafbaar gesteld op grond van art. 140 lid 2 Sr. Met name in deze verbodenverklaring schuilt het samenspel tussen het civiele recht en het publiekrecht. Ook vanuit de functie van publiekrechtelijk repressiemiddel van de verbodenverklaring krachtens art. 2:20 lid 1 BW is een ruime uitleg van het informele verenigingsbegrip aangewezen. De grondrechtelijke vrijheid van vereniging verzet zich niet tegen een dergelijke ruime uitleg. Art. 8 Gw en art. 11 EVRM gaan juist ook uit van een ruime uitleg van het verenigingsbegrip, ongeacht de rechtsvorm en zonder rechtspersoonlijkheid van de vereniging noodzakelijk te achten. Voor het beschermen van deze grondrechtelijke vrijheid is het niet nodig hoge eisen te stellen aan de onderbouwing van het bestaan van een informele vereniging. De bescherming van de grondrechtelijke vrijheid van vereniging is erin gelegen dat een rechtspersoon niet lichtvaardig door de rechtbank wordt verboden verklaard en ontbonden. Die bescherming biedt art. 2:20 lid 1 BW niet zozeer door hoge eisen te stellen aan de rechtspersoonlijkheid, maar door te verlangen dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde. In de eerdere zaken waarover de Hoge Raad in het kader van art. 2:20 BW heeft geoordeeld, heeft de Raad de grote terughoudendheid die in verband met de in art. 8 Gw en art. 11 EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging moet worden betracht bij het verbieden en ontbinden van een rechtspersoon ook nadrukkelijk geplaatst in de sleutel van het stellen van hoge eisen aan een werkzaamheid in strijd met de openbare orde. In die zaken ging het overigens om Nederlandse rechtspersonen, die bij notariële akte waren opgericht en ook waren ingeschreven in het handelsregister. In het geval van een informele vereniging dient eerst de vraag te worden beantwoord of daarvan sprake is. 3.37 In de bestreden beschikking heeft het hof geoordeeld dat de verbodenverklaring zich niet uitstrekt tot de lokale chapters in Nederland. Deze chapters, waaronder BMC Sittard, zijn volgens het hof zelf ook te beschouwen als informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid en mogen hun eigen werkzaamheden slechts voortzetten ‘voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kunnen worden aangemerkt’ (rov. 4.33). De reikwijdte van een verbodenverklaring wordt door het OM ervaren als een knelpunt (

rov. 4.34). Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof op 18 augustus 2018 is daarover van de zijde van het OM op een vraag van de voorzitter waarom niet ook om verbodenverklaring van de chapters is gevraagd, het volgende opgemerkt (proces-verbaal, p. 15-16): ‘Omdat we oprecht menen dat er wettelijk geen noodzaak voor is. Omdat wij denken dat als je de rechtspersoon verbiedt, dat je niet ieder afzonderlijk onderdeel van de rechtspersoon nog eens hoeft te verbieden, ook niet als die zich heeft ingeschreven bij de KvK of een zekere vorm van zelfstandigheid heeft. Plus we denken dat het een grotere precedentwerking heeft. Want er wordt natuurlijk onder dit soort verenigingen heel goed nagedacht, nu duidelijk is dat er wel verboden worden uitgevaardigd. Zou je menen dat het niet voldoende is om de club als zodanig te verbieden, maar dat je ook ieder onderdeel moet verbieden, dan denken wij dat het niet lang zal duren voor er niet alleen chapters zijn, maar nog 200 of 1000 andere georganiseerde vormen daaronder. Want dat is natuurlijk heel eenvoudig. Wij denken ook dat als wij wel de chapters mee hadden verboden, dat het argument dan nog was: ja, maar we hebben nog een stichting en die stichting is niet verboden en daarom mogen wij in de stichting met elkaar verder. Wij denken dat het belangrijk is dat het op het niveau waar de openbare orde wordt geschonden, wordt verboden, dat dat een effectief middel (…) is en daar laat de wet ook ruimte voor’. 3.38 Daarmee komt de vraag aan de orde of chapters zijn te beschouwen als zelfstandige (informele) verenigingen of als afdelingen van de hoofdvereniging. Een afdeling is een organisatorische eenheid binnen een vereniging, waarin leden van die vereniging, de hoofdvereniging, kunnen zijn ingedeeld. Het kan gaan om plaatselijke of regionale afdelingen, maar ook een indeling op basis van niet-geografische criteria is denkbaar, zoals functionele afdelingen, of om een combinatie van dergelijke criteria. In de literatuur wordt aangenomen dat een impliciete of expliciete statutaire grondslag voor het instellen van afdelingen is vereist. In beginsel hebben afdelingen géén rechtspersoonlijkheid. Het woord ‘afdeling’ wijst al in de richting van het zijn van een onderdeel van een hoofdvereniging. Overigens kunnen verschillende benamingen worden gebruikt om afdelingen aan te duiden, zoals club, groep, sectie of chapter. De mogelijkheid dat een afdeling rechtspersoonlijkheid heeft, is niet uitgesloten, maar terughoudendheid bij het aannemen daarvan is gepast, omdat de afdeling in organisatorisch opzicht onderdeel uitmaakt van de hoofdvereniging. Evenmin is het uitgesloten dat een afdeling een informele vereniging kan zijn, waardoor deze nauwelijks van een gewone afdeling (zonder rechtspersoonlijkheid) is te onderscheiden. Voor de vraag of een afdeling kwalificeert als informele vereniging dient in beginsel eveneens aan de drie hierboven onder 3.30 genoemde cumulatieve vereisten voor het bestaan van een informele vereniging te worden getoetst. Naast de drie genoemde eisen gelden aanvullende vereisten voor het aannemen van eigen rechtspersoonlijkheid van de afdeling. Een van deze eisen is dat de afdeling zelf kan beslissen omtrent de toelating van leden en beëindiging van het lidmaatschap. 3.39 In de concept memorie van toelichting bij het eerder genoemde initiatiefwetsvoorstel voor een Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties is het volgende opgenomen over de positie van de afdeling van een OMG: ‘De kern van dit wetsvoorstel is dat OMG’s en vergelijkbare organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden, bij besluit van de Minister kunnen worden verboden. Omdat OMG’s meestal op bovenlokaal niveau opereren is een landelijk verbod de aangewezen manier om hen in hun handelen te belemmeren. Daarbij komt dat de meeste OMG’s rechtspersoon zijn. Een rechtspersoon heeft die hoedanigheid in het hele land. Ook om die reden is een lokaal of regionaal verbod van een OMG niet zinvol. (…) Het is niet uit te sluiten dat OMG’s zullen proberen om onder de reikwijdte van het bestuurlijk verbod uit te komen door te kiezen voor een organisatievorm die niet voldoet aan de criteria van een informele vereniging. Om dit te voorkomen stellen de initiatiefnemers voor om het verbod dezelfde reikwijdte te geven als artikel 10:122 BW. (…)Een opgelegd bestuurlijk verbod geldt ook voor onzelfstandige deelorganisaties, die onderdeel zijn van de verboden organisatie. Of een organisatie moet worden aangemerkt als een deelorganisatie, is afhankelijk van de mate van verwevenheid tussen de deel- en moederorganisatie. In de Satudarah-zaak werden bijvoorbeeld twee zgn. «support clubs» aangemerkt als deelorganisatie en mede betrokken in het verbod. Als een organisatie voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het bestuurlijk verbod maar niet kan worden aangemerkt als een deelorganisatie, dan kan jegens haar uiteraard een zelfstandig bestuurlijk verbod worden opgelegd’. 3.40 In de literatuur is hierover opgemerkt - onder verwijzing naar de bestreden Bandidos-beschikking - dat het ‘in één keer verzoeken van een verbod voor alle motorclubs onder dezelfde naam dus volgens geldend recht niet zonder meer mogelijk [wordt] geacht als onderdelen van bepaalde motorclubs volledige (juridische) zelfstandigheid als rechtspersoon hebben. Het opnemen in een memorie van toelichting van een mogelijkheid om dat wel te kunnen doen lijkt daarom ook in strijd met het geldend recht, waarbij een verbod van iedere zelfstandige rechtspersoon afzonderlijk verzocht dient te worden. De initiatiefnemers lijken dit in te

n en houden een slag om de arm door te stellen dat een opgelegd bestuurlijk verbod weliswaar ook geldt voor onzelfstandige deelorganisaties die onderdeel zijn van de verboden organisatie, maar dat logischerwijs ook een zelfstandig bestuurlijk verbod kan worden opgelegd als een organisatie niet kan worden aangemerkt als een deelorganisatie. Iedere zelfstandige rechtspersoon heeft het recht zich afzonderlijk te kunnen verweren tegen een verbod. Dat recht zou illusoir worden indien een zelfstandige rechtspersoon beschouwd zou kunnen worden als een onzelfstandige ondervereniging, afdeling, sectie of groep’. 3.41 Ook rijst de vraag of het mogelijk is dat een hoofdvereniging die zelf een informele vereniging is, afdelingen heeft. In de literatuur is naar aanleiding van de bestreden beschikking opgemerkt dat voor afdelingen een statutaire basis is vereist, dat statuten bij de Bandidos ontbreken en dat evenmin een getrapte uitoefening van zeggenschap met afgevaardigden in plaats van alle leden in de algemene ledenvergadering aanwezig is en dat daarom weinig ruimte bestaat voor afdelingen van een informele vereniging. Inderdaad is een statutaire grondslag vereist voor het instellen van afdelingen. Ook een informele vereniging heeft statuten, zij het dat deze niet noodzakelijkerwijs op schrift behoeven te zijn gesteld. Bij een informele vereniging moet de vraag of er op schrift gestelde statuten zijn bovendien in materiële zin worden beoordeeld, zodat enkele organisatieregels zonder het opschrift ‘statuten’ kunnen volstaan. 3.42 In de bestreden beschikking heeft het hof niet vastgesteld dat statuten ontbreken. Het hof heeft in rov. 4.18 verwezen naar de feiten genoemd in rov. 3.14 van de beschikking van de rechtbank en is ook van die feiten uitgegaan. Een van die door de rechtbank opgesomde feiten luidt als volgt: ‘Er zijn door BMC Sittard zogenaamde “Holland Regels” opgesteld die kennelijk ook gelden voor (de leden van) andere Nederlandse chapters. De stelling van BMC Sittard dat deze regels zijn opgesteld op het moment dat BMC Sittard het enige chapter in Nederland was en dus alleen gelden voor BMC Sittard, volgt de rechtbank niet. In de “Holland Regels” staat immers onder meer: “Alle aanmeldingen lopen over Chapter sittard. Als we iets laten maken van bandidos holland voor een anniversary of soortgelijke feesten wordt dat gedeeld door de chapters holland’. 3.43 Ook de andere eis voor het hebben van afdelingen, te weten een getrapte uitoefening van zeggenschap door de leden, is mijns inziens niet strikt noodzakelijk. Een indeling in afdelingen gaat vaak gepaard met getrapte uitoefening van zeggenschap door de leden, door middel van afgevaardigden, maar dit is niet noodzakelijk. Het is dus niet uitgesloten dat een informele vereniging afdelingen kan hebben. Ik wijs er in dit verband nog op dat de rechtbank in de Satudarah-zaak ook lijkt uit te gaan van een informele afdeling met ‘onzelfstandige onderdelen’ (afdelingen) bestaande uit chapters en (twee) support clubs. 3.44 Ik keer terug naar de subonderdelen B1 en B2. Uit het voorgaande volgt dat subonderdeel B1 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door te betogen dat ook al zouden de chapters zelfstandige informele verenigingen zijn, het verbod en de ontbinding van de hoofdvereniging (BMC Holland) zich ook uitstrekt tot de zelfstandige informele verenigingen (de chapters van BMC Holland). Verbodenverklaring en ontbinding van een hoofdvereniging kan zich alleen uitstrekken tot afdelingen die zelf vereniging-rechtspersoon zijn in het geval dat ten aanzien van die vereniging-rechtspersonen een zelfstandig verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding is gedaan. Het OM heeft dergelijke zelfstandige verzoeken ten aanzien van de chapters niet gedaan. In zoverre getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Voor dat oordeel maakt het geen verschil of de afdelingen als formele of informele verenigingen kwalificeren. Ook een informele vereniging heeft immers rechtspersoonlijkheid, zij het dat de rechtsbevoegdheid van de informele vereniging is beperkt. De omstandigheden die het subonderdeel onder a t/m f noemt, doen aan dat oordeel niet af. Deze omstandigheden duiden op het bestaan van een afdelingsverhouding van de chapters tot BMC Holland. Indien moet worden aangenomen dat de chapters eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, en in die zin ‘zelfstandig’ zijn, vallen zij om die reden, ongeacht de ‘onzelfstandigheid’ in de zin van de afdelingsverhouding, niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van BMC Holland. Art. 2:20 lid 1 BW knoopt nu eenmaal aan bij de rechtspersonen in de zin van art. 2:3 BW. Subonderdeel B1 faalt om die reden. 3.45 Subonderdeel B2 is gericht tegen rov. 4.33, waarin het hof heeft overwogen dat lokale Nederlandse Bandidos-chapters geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland zijn, maar zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Volgens het subonderdeel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof heeft miskend dat (i) een afdeling van een vereniging in beginsel zelf geen vereniging is en dus in beginsel geen rechtspersoonlijkheid bezit, (ii) een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de statuten en/of reglementen van de (hoofd)vereniging en/of de afdeling daarin expliciet of impliciet voorzien, en (iii) een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de afdeling als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer. Het subonderdeel betoogt dat daarvoor is vereist dat de afdeling in overwegende mate onafhankelijk van de vereniging functioneert, althans dat die afdeling volgens de interne regels van de (informele) vereniging aanspraak moet kunnen maken op een zelfstandig bestaan. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn beslissing niet naar behoren gemotiveerd. Verder klaagt het subonderdeel dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer heeft aangevuld, voor zover het heeft beslist dat niet alleen chapter Sittard een zelfstandige informele vereniging is, maar ook de chapters Nijmegen, Utrecht en Alkmaar dit zijn, aangezien voor die chapters niet is gesteld dat is voldaan aan de vereisten voor het zijn van informele vereniging. 3.46 Het hof heeft in rov. 4.33, voor zover relevant, het volgende overwogen: ‘De chapters zijn - voor zover het hof in deze zaak heeft kunnen beoordelen - geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Dat de chapters zelfstandige informele verenigingen zijn, leidt het hof af uit de omstandigheden - in samenhang bezien - dat zij een eigen bestuur (president, vice-president, sergeant at arms), een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding hebben en uit de omstandigheid dat zij zich ook naar buiten toe als zelfstandige eenheid presenteren’. 3.47 Onder 3.30 van deze conclusie heb ik gewezen op de drie cumulatieve vereisten die gelden voor de vraag of sprake is van een informele vereniging, kort gezegd: (i) een ledenbestand, (ii) een organisatorisch bestand gericht op een bepaald doel en (iii) het als eenheid deelnemen aan het rechtsverkeer. Zoals ik heb geschreven onder 3.38 gelden deze drie vereisten in beginsel ook voor de vraag of een afdeling kwalificeert als informele vereniging, waarbij voor het aannemen van eigen rechtspersoonlijkheid van de afdeling nog de eis geldt dat de afdeling zelf kan beslissen over de toelating van leden en de beëindiging van het lidmaatschap. Uit de vaststaande feiten blijkt dat dit voor de chapters van BMC Holland niet het geval is. Het hof is van de feiten uitgegaan zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld (rov. 4.18). De rechtbank heeft in rov. 3.14 vastgesteld dat er zogenoemde ‘Holland Regels’ zijn opgesteld die kennelijk gelden voor (de leden van) alle Nederlandse chapters. In deze Holland Regels is onder meer opgenomen ‘Alle aanmeldingen lopen over Chapter sittard’ (

ook hierboven onder 3.42). Verder zijn in dit verband de volgende feitelijke vaststellingen van het hof van belang: ‘4.22 Voor het hof is voldoende duidelijk geworden dat [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) niet alleen president is van BMC Sittard, maar dat hij ook als president van BMC Holland is opgetreden. In die hoedanigheid oefent hij in een zekere mate zeggenschap uit over de Nederlandse chapters en over de daarbij aangesloten Bandidos-leden in Nederland. [betrokkene 4] presenteert zich als de persoon die het wat BMC Holland betreft voor het zeggen heeft en die BMC Holland naar buiten toe vertegenwoordigt en als haar woordvoerder optreedt. Het hof verwijst daarvoor naar de feiten die de rechtbank in haar beschikking van 20 december 2017 onder 3.14 heeft opgesomd. Hieruit leidt het af dat in ieder geval [betrokkene 4] feitelijk bestuurder van BMC Holland is. Het is niet voldoende duidelijk geworden of [betrokkene 4] het feitelijk alleen voor het zeggen had of dat er nog andere bestuursleden van BMC Holland zijn. (…) (…) 4.26 Het bestuur van BMC Holland heeft voorgeschreven dat leden die weg willen zich in Sittard moeten komen verantwoorden. Het is vervolgens aan het bestuur (“kader”) om te beslissen of een Bandidos-lid in good standing of in bad standing de vereniging mag verlaten. Het OM heeft dat met een voldoende mate van zekerheid aannemelijk gemaakt met zijn bijlagen 2.6, 12 en 37. Het hof leidt daaruit af dat het bestuur van BMC Holland ( [betrokkene 4] in het bijzonder) ook zeggenschap heeft over de beëindiging van leden van de lokale chapters in good standing of in bad standing. Het OM heeft (met genoemde bijlagen) ook voldoende aannemelijk gemaakt dat Bandidos-leden die in bad standing de vereniging verlaten, te maken (kunnen) krijgen met geldboetes en met geweld of dreiging met geweld tegen hen door Bandidos-leden. Zo hebben Bandidos-leden in november 2014 in het clubhuis een Bandidos-lid (hangaround) van BMC Alkmaar, die in bad standing BMC Alkmaar heeft verlaten, mishandeld, onder andere met een ijzeren staaf, afgeperst en met de dood bedreigt. Daarbij heeft het lid zich zo bedreigd gevoeld dat hij een afspraak maakt om afscheid te nemen van zijn kinderen. Dat volgt uit afgeluisterde gesprekken (

de bijlage 12 van het OM) en BMC Europe en BMC Sittard hebben dat niet (voldoende) tegengesproken’. 3.48 Uit het bovenstaande volgt dat de chapters van BMC Holland géén eigen rechtspersoonlijkheid bezitten. Aan het aanvullende afdelingsvereiste dat de chapters zelf kunnen beslissen omtrent toelating van leden en beëindiging van het lidmaatschap wordt immers niet voldaan. Het hof heeft aangenomen dat het bestuur van BMC Holland daarover zeggenschap heeft. Nu de plaatselijke chapters in Nederland geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, vallen deze chapters onder de reikwijdte van de verbodenverklaring op grond van art. 2:20 lid 1 BW. 3.49 Het hof heeft in rov. 4.1 van de bestreden beschikking vastgesteld dat BMC Sittard en BMC Europe zich in de procedure bij de rechtbank en het hof als zelfstandige rechtspersonen hebben gepresenteerd, die belanghebbenden zijn bij de verzoeken van het OM. Het hof heeft (in cassatie onbestreden) overwogen dat BMC Sittard en BMC Europe als belanghebbenden in hoger beroep mogen komen van een beschikking die hun belangen raakt (art. 358 lid 2 Rv). Daarmee is niet gezegd dat BMC Sittard en BMC Europe zelfstandige rechtspersonen zouden zijn die reeds daarom niet onder de reikwijdte van de verbodenverklaring van BMC Internationaal en/of BMC Holland zouden vallen. Uit rechtspersoonlijkheid vloeit procesbevoegdheid voort, maar het omgekeerde geldt niet zonder meer. Het aannemen van rechtspersoonlijkheid – in de rechtsvorm van een informele vereniging – kan niet reeds worden afgeleid uit het hebben van procesbevoegdheid, maar moet worden vastgesteld aan de hand van de genoemde vereisten voor het bestaan van een informele vereniging. Dat in de procedure aan BMC Sittard procesbevoegdheid is toegekend, behoeft daarom niet aan het oordeel in de weg te staan dat ook dit chapter geen eigen rechtspersoonlijkheid bezit. Dat juist BMC Sittard verweer heeft gevoerd, houdt mijns inziens verband met de omstandigheid dat BMC Sittard als ‘moederchapter’ wordt aangemerkt (

ook rov. 4.22) en dat het bestuur van BMC Sittard, in ieder geval wat betreft de president samenvalt met dat van BMC Holland. 3.50 Uit het bovenstaande volgt dat het subonderdeel slaagt. 3.51 De subonderdelen B3 en B4 zijn voorgesteld voor het geval de beschikking van het hof zo gelezen moet worden dat het hof ervan uitgaat dat de chapters géén afdelingen zijn van BMC Holland. Gelet op het slagen van subonderdeel B2 behoeven de subonderdelen B3 en B4 geen bespreking. 3.52 Onderdeel C is gericht tegen rov. 4.35 en tegen rov. 3.4 van de bestreden beschikking. De klacht gericht tegen rov. 4.35 houdt in dat onjuist is het oordeel van het hof dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een beschikking waarin de rechter een verbodenverklaring en ontbinding uitspreekt, niet mogelijk is. De klacht tegen rov. 3.4 is gericht tegen het oordeel van het hof dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad betekent dat de beslissing werking heeft, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld. Volgens de klacht heeft het hof heeft daarmee miskend dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet

t op de werking van een uitspraak in het geval dat een rechtsmiddel is ingesteld, maar slechts op de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van die uitspraak. 3.53 Het hof heeft in rov. 4.35 overwogen dat het de beslissing van de rechtbank om de verbodenverklaring en ontbinding van BMC Holland uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in stand moet laten, omdat daartegen geen grieven zijn gericht. De tegen rov. 4.35 gerichte klacht faalt daarom bij gebrek aan belang. 3.54 De klacht gericht tegen rov. 3.4 gaat uit van een onjuiste lezing van de beschikking en faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 3.4 heeft het hof overwogen dat het OM aan de rechtbank heeft gevraagd om op grond van art. 10:122 BW met een beschikking voor recht te verklaren dat de werkzaamheid van BMC Internationaal in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW en dat het OM de rechtbank daarbij heeft gevraagd die beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, ‘wat wil zeggen dat de beslissing werking heeft, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld’. Het hof heeft in deze overweging het woord ‘werking’ gebruikt. Dit is kennelijk ingegeven door de wens van het hof om de beschikking in klare taal inzichtelijk te maken voor een niet in het recht geverseerd publiek. Zo legt het hof in rov. 4.2 uit wat het dictum betekent en duidt het hof de grieven aan als bezwaren (rov. 4.5,

ook rov. 4.35). Het omzetten van juridische begrippen in klare taal kan gemakkelijk leiden tot misverstand, zoals deze klacht laat

n. Het onderdeel gaat er terecht vanuit dat het instellen van hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking schorst. Ik neem aan dat het hof dit ook in rov. 3.4 heeft bedoeld te zeggen. Dat het hof de betekenis van uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet heeft miskend, blijkt ook uit hetgeen het hof daarover in rov. 4.35 heeft overwogen. Het onderdeel faalt daarom. 3.55 Onderdeel D bevat klachten onder de voorwaarde dat van de zijde van verweersters incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld en dat incidentele cassatieberoep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, behoeft dit onderdeel geen bespreking. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G

het procesverloop weergeven in rov. 3.4-4.4 van de bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, JOR 2019/52, m.nt. C.D.J. Bulten. Rb. Midden-Nederland 20 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6241, AB 2018/60, m.nt. J.G. Brouwer & J. Koornstra, JOR 2018/66, m.nt. R.J.B. Schutgens, JIN 2018/12, m.nt. R.Y. Kamerling. Rb. Amsterdam 18 november 1998, ECLI:NL:RBAMS:1998:AD2961, NJ 1999/

  1. Rb. Almelo 29 augustus 2001, ECLI:NL:RBALM:2001:AD3265, bekrachtigd door Hof Arnhem 14 januari 2002 (niet gepubliceerd). Rb. Assen 27 juni 2012, ECLI:NL:RBASS:2012:BW9477, JOR 2012/316, m.nt. E. Schmieman, Ondernemingsrecht 2013/7, m.nt. M.A. Verbrugh, vernietigd door Hof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6041, JOR 2013/134, m.nt. C.D.J. Bulten, JBPr 2013/47, m.nt. L.M.H.A.A. Hennekens. De beschikking van het hof is gecasseerd: HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, m.nt. E.A. Alkema, JOR 2014/227, m.nt. C.D.J. Bulten, Ondernemingsrecht 2015/17, m.nt. M.A. Verbrugh, AB 2014/348, m.nt. J.G. Brouwer, AA20140834, m.nt. R.J.B. Schutgens, JBPr 2014/31, m.nt. L.M.H.A.A. Hennekens. Rb. Amsterdam 1 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY
  2. Rb. Amsterdam 31 maart 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AT2894, JOR 2005/118, m.nt. E. Schmieman, bekrachtigd door Hof Amsterdam 5 januari 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AY0279, JOR 2006/200, m.nt. E. Schmieman.

hierover ook H.J. de Kluiver, Verboden rechtspersonen: betekenis en beperkingen van een privaatrechtelijk perspectief, WPNR 2005/6633, p.

  1. Kamerstukken II 2011/12, 29911, nr.
  2. Rb. Midden-Nederland 17 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:113, JOR 2018/67, m.nt. R.J.B. Schutgens, AB 2019/93, m.nt. J.G. Brouwer & J. Koornstra. Rb. Den Haag 18 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7183, JOR 2019/51, m.nt. C.D.J. Bulten, AB 2019/267, m.nt. J.G. Brouwer & J. Koornstra, bekrachtigd door Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1451, JOR 2019/185, m.nt. J. van der Weele. Voor zover de verbodenverklaring van Satudarah uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd. Tegen de beschikking van het hof is op 18 september 2019 door Satudarah cassatieberoep ingesteld (aanhangig onder zaaknummer 19/04311). Rb. Midden-Nederland 29 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:
  3. Rb. Noord-Nederland 7 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2445.

www.om.nl/actueel/nieuwsberichten/@106421/vraag-rechtbank/.

Rb. Rotterdam 24 november 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ2993 (Stichting Hells Angels MC); Rb. Haarlem 24 november 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ3072 (Stichting Hells Angels Haarlem); Rb. Amsterdam 11 april 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2747 (Stichting Hells Angels Holland); Rb. Amsterdam 11 april 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2761 (Stichting Hells Angels Amsterdam); Rb. Leeuwarden 6 maart 2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ9940, JOR 2007/116, m.nt. E. Schmieman (Stichting Hells Angels Northcoast Harlingen en vereniging Rockers Northcoast MC), bekrachtigd door Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782, cassatieberoep verworpen door HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2009/222, m.nt. E. Schmieman; Rb. Maastricht 29 mei 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5843 (Stichting Hells Angels Nomads), bekrachtigd door Hof ’s-Hertogenbosch 25 april 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0560, JOR 2008/155, m.nt. E. Schmieman.

Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/42 en 137.

Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/67.

verder Asser/Rensen 2-III 2017/20.

nader over het toepassingsgebied Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/377-378.

over dit onderscheid bijv. De Kluiver, a.w., WPNR 2005/6633, p. 641-649; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/392. Evenzo H.J. de Kluiver, Kroniek van het ondernemingsrecht. Tussen verfijning en bescherming, NJB 2019/830, p. 1073.

bijv. onder 3.14-3.15 van de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2013:2379) vóór de Martijn-beschikking van de Hoge Raad, reeds aangehaald.

ook EHRM 27 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1027JUD0000469611, AB 2017/72, m.nt. J.G. Brouwer & J. Koornstra (‘Les Authentiks’ et ‘Supras Auteuil 91’/Frankrijk). Staatscommissie parlementair stelsel, Lage drempels, hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans, 2018, bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 34430, nr. 9, p. 211 en p. 224. Kamerstukken II 2018/19, 34330, nr. 10, p. 13.

in deze zin ook op p. 12 van de concept MvT bij het in december 2018 in internetconsultatie gebrachte wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (https://www.internetconsultatie.nl/aanpassing220bw).

P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR, deel 9, 2017, nr. 66.

ook J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs. Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief, Onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van Programma Politie & Wetenschap, 2019, p.

  1. Rb. Midden-Nederland 29 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2302, rov. 4.
  2. Bundesministerium des Innern, Bekanntmachung, 19 januari 2015, Bundesanzeiger AT 24.02.2015 B1, beschikbaar via https://www.bundesanzeiger.de. Het OM verwijst ook naar dit Duitse besluit, bijv. op p. 87-88 van het inleidende verzoekschrift ex art. 10:122 BW en in § 1.5 van bijlage 20 bij de inleidende verzoekschriften. BVerwG 4 november 2016, ECLI:DE:BVerwG:2016:041116U1A5.15.0, beschikbaar via bverwg.de/041116U1A5.15.0 Ausländische Vereine kunnen op grond van art. 15 lid 1 Vereinsgesetz verboden worden verklaard (uiteraard niet ontbonden,

ook art. 18 Vereinsgesetz) wanneer hun organisatie of werkzaamheid binnen het territoriale toepassingsbereik valt. Aldus ook Koornstra e.a., a.w., 2019, p. 286-

  1. Zo is in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein in 2010 de ‘Bandidos MC Probationary Chapter Neumünster’ verboden verklaard, welk verbod in stand is gelaten door het Oberverwaltungsgericht Sleeswijk-Holstein 13 november 2012, ECLI:DE:OVGSH:2012:1113.4KS1.10.
  2. In Noordrijn-Westfalen is in 2012 ‘Bandidos MC Chapter Aachen’ inclusief een aantal Teilorganisationen verboden verklaard (Bekanntmachung van 4 december 2012). BGH 9 juli 2015, 3 StR 33/15, beschikbaar via http://juris.bundesgerichtshof.de.

ook in gelijke zin: US District Court Western District of Texas, San Antonio Division, Indictment, filed 16 december 2015 (United States of America v. Portillo, Pike & Forster), p. 2, waarnaar het OM verwijst in bijlage 51 bij het inleidende verzoekschrift: ‘The Bandidos [Outlaw Motorcycle Organization] is an international organization. The Bandidos OMO has approximately 175 or more chapters in fifteen countries on four continents, with approximately 107 chapters in the United States, including approximately 42 chapters in Texas’. Art. 10:122 BW spreekt abusievelijk nog van de rechtbank Utrecht, terwijl na de herziening van de gerechtelijke kaart thans de rechtbank Midden-Nederland is bedoeld.

ook Vlas, a.w., 2017, nr.

  1. Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3, p. 69, ook overgenomen in Ten Wolde e.a., Parl. Gesch. BW/Boek 10 2014 IX.2.
  2. Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011,
  3. Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3, p. 67, ; Ten Wolde e.a., Parl. Gesch. BW/Boek 10, t.a.p. Wet van 17 december 1997, Stb. 1997, 699.

art. IV van de Vaststellings- en invoeringswet Boek 10 BW. Kamerstukken II 1994/95, 24141, nr. 3, p. 14-15. Wet van 20 november 2006, Stb. 2006, 600.

over de achtergrond van deze wet: Vlas, a.w., 2017, nr. 66; dezelfde, Terrorisme en IPR, WPNR 2005/6633, p. 663-666; dezelfde, Verboden vrijwillige organisaties en het Nederlandse IPR, in: C.H.C. Overes, W.J.M. van Veen (red.), Met recht betrokken, Opstellen aangeboden aan prof. mr. T.J. van der Ploeg, 2012, p. 441-450. Kamerstukken II 2004/05, 28764, nr. 6, p. 10-11.

Vlas, a.w., 2017, nr. 140-142;

ook uitgebreid mijn preadvies, De ‘apatride’ vereniging, aspecten van internationaal privaatrecht, preadvies NVIR, mededelingen NVIR no. 97, 1988.

ook Vlas, WPNR 2005/6633, p. 666, onder verwijzing naar het advies van de Staatscommissie IPR van 9 oktober 2003 over de vraag hoe binnen het IPR een regeling kan worden getroffen die ervoor zorgt dat zich laakbaar gedragende buitenlandse rechtspersonen niet (meer) in Nederland actief zijn.

ook het verzoekschrift in cassatie, onder 2.6 ten aanzien van onderdeel A3. § 9 van het verweerschrift van het OM in hoger beroep.

Proces-verbaal van de zitting bij het hof van 18 augustus 2018, p. 8-9 en 19.

§ 2

.14 van de Pleitnota van het OM voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 3 oktober 2017.

§ 7

van het Verweerschrift van het OM in hoger beroep.

Bijlage 66, p. 109, ook weergegeven in bijlage 67, p. 5.

§ 3.7 verzoekschrift ex art.

10:122 BW van het OM, p. 45.

https://www.bandidosmcunitedstates.com/the-bandidos, tevens aangehaald in § 2.6 van het verweerschrift in eerste aanleg van BMC Europe.

onder 3.5 van het verzoekschrift ex art. 10:122 BW (p. 44), onder verwijzing naar bijlage 21 (BMC Internationaal: Organisatiestructuur), p. 3-4.

ook het proces-verbaal van de zitting van het hof van 18 augustus 2018, p. 4.

ook Overes, Van der Ploeg & Van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, 2019, p. 50, die bepleiten niet te zuinig te zijn met het aannemen van een veronderstelde oprichtingshandeling; Asser/Rensen 2-III* 2017/21.

ook Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p. 51; F.C. Kollen, De vereniging in de praktijk, Serie Recht en Praktijk deel 89, 2007, p. 28. ABRvS 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6406, AB 2009/201, m.nt. R. Ortlep (Comité Behoud Havezathe Heeckeren), rov. 2.3; Rb. Oost-Brabant 24 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2701 (Satudarah Motorclub Eindhoven), rov. 3.3; Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p. 51.

bijv. Hof Arnhem 14 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ2178, NJF 2009/310 (Jongvolwassenenkoor “The Lord’s Choir”), rov. 4.11-4.12. Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3406, JOR 2016/265 m.nt. B. Snijder-Kuipers (DTV Groep), rov. 3.5-3.9.

hierover Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/142 en Asser/Rensen 2-III 2017/10 en 21. In deze zin ook Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p. 50.

ook Kollen, a.w., 2007, p. 28, met rechtspraakverwijzingen. Aldus Overes, Van der Ploeg & Van Veen a.w., 2019, p. 51-52.

voor een beknopt overzicht van deze historische achtergrond J. van der Weele, Verbodenverklaring van rechtspersonen I, WPNR 2019/7234, p. 295-

  1. Kamerstukken II 1971/72, 11005, 11416, nr. 6, p.
  2. Kamerstukken II 1972/73, 11005, 11416, nr. 7, p.
  3. Kamerstukken II 1984/85, 17476, nrs. 5-7, p. 2.

in deze zin bijv. J. Koornstra, B. Roorda & J.G. Brouwer, Antidemocratische rechtspersonen op ondemocratische wijze verbieden, NJB 2019/1430, p. 1794. Kamerstukken II 2018/19, 35079.

kritisch over dit wetsvoorstel vanuit privaatrechtelijk perspectief bijv. De Kluiver, a.w., NJB 2019, p. 1073-1074; Van der Weele, a.w., WPNR 2019/7235, p. 309. Ook vanuit andere invalshoeken kritisch: P.B.C.D.F. van Sasse & A.E. Schilder, Naar een bestuurlijk organisatieverbod?, in: N.S. Efthymiou, J. Goossens & R. de Lange (red.), Staatsrechtkring, nr. 21, 2018, p. 165-188 en in dezelfde bundel: P.A.M. Mevis, Van revolutionaire woelingen en motorbendes; organisatieverboden als risico voor de democratie en de betekenis en rol van het materiële strafrecht, p. 215-257.

ook P.A.M. Mevis, Strafrecht en het verbieden van rechtspersonen; misdrijven tegen de democratische rechtsorde, DD 2019/40, p. 513-529; A.N. Kesteloo, Het verbod op motorclubs: het voorstel van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties, Tijdschrift Praktijkwijzer Strafrecht (TPWS) 2019/64.

Van der Weele, a.w., p. 312; Koornstra, Roorda & Brouwer, a.w., NJB 2019, p. 1794. Aldus p. 2 van de concept MvT bij het in internetconsultatie gebrachte wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen, geraadpleegd op https://www.internetconsultatie.nl/aanpassing220bw, onder verwijzing naar B.R. Rijpkema, Weerbare democratie. De grenzen van de democratische tolerantie, 2015.

ook A.N. Kesteloo, Verbod op motorclubs: een tussenstand, TPWS 2018/77, p. 195.

HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Stichting Hells Angels Northcoast Harlingen en vereniging Rockers Northcoast M.C.) en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 (Martijn), reeds aangehaald. Aldus A.L.G.A Stille, De afdeling in het verenigingsrecht, diss. UvA, 1986, p. 9; dezelfde, De vereniging met afdelingen, in: J.J. Hamers, C.A. Schwarz & D.F.M.M. Zaman (red.), Handboek Stichting en Vereniging, 2018, p. 307; Asser/Rensen 2-III 2017/187; Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p. 338-344; Kollen, a.w., 2007, p. 67-68.

ook Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p. 341, die erop wijzen dat er ‘een zekere huivering’ bestaat om bij afdelingen rechtspersoonlijkheid te aanvaarden.

Asser/Rensen 2-III 2017/190; Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p. 341.

ook A.J.W.M. van Hengstum & C.E.M. van Steenderen, Het nieuwe verenigingsrecht, Serie recht en praktijk deel 25, 1979, p. 78.

o.a. Overes, Van der Ploeg & Van Veen, a.w., 2019, p.

  1. Kamerstukken II 2018/19, 35079, nr. 3, p. 6-7 en nr. 7, p. 6-
  2. Kesteloo, a.w., TPWS 2019/64, p. 160.

C.D.J. Bulten in haar noot onder de bestreden beschikking in JOR 2019/52 onder

  1. Aldus ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/
  2. Bij de formele vereniging moeten de statuten in een notariële akte worden opgenomen,

art. 2:27 BW.

ook art. 2:52 BW, waarin is bepaald dat voor zover van de wettelijke bepalingen van titel 2 van Boek 2 BW kan worden afgeweken, deze afwijking alleen kan geschieden bij op schrift gestelde statuten. Aldus Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/142.

hierover bijv. ook G.J.C. Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 83, 2005, p. 83, met verdere verwijzingen.

voor deze ‘Holland regels’ bijlage 36 bij het inleidend verzoekschrift.

Asser/Rensen 2-III 2017/187. Rb. Den Haag 18 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7183, JOR 2019/51, m.nt. C.D.J. Bulten, AB 2019/267, m.nt. J.G. Brouwer & J. Koornstra (Satudarah).

ook C.D.J. Bulten onder 1 van haar noot onder de bestreden beschikking in JOR 2019/52. Vgl. overigens ook noot 70 van het cassatieverzoekschrift: ‘Welk oordeel lijkt (…) samen te hangen met de kennelijke wens van het hof om in (een deel van) de beschikking het taalniveau B1 te hanteren’.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.