ECLI:NL:PHR:2019:1185
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer17/02107 Zitting 19 november 2019 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte.
De procesgang, het pleidooi en het bestreden arrest 5. De procesgang is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest. i. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2013 de verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van feit 2 de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. ii. Nadat de verdachte tegen dat vonnis onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het hoger beroep bij akte ingetrokken ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5. iii. Het hof heeft bij arrest van 19 november 2014 het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd. Het hof heeft de verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft op de voet van art. 423, vierde lid, Sv de straf voor de in eerste aanleg bewezen verklaarde feiten 3, 4 en 5 bepaald op een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. iv. De verdachte heeft tegen dat arrest van het hof onbeperkt beroep in cassatie ingesteld. v. Uw Raad heeft bij arrest van 6 september 2016 het arrest van het hof van 19 november 2014 vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar het Gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. vi. Het hof heeft vervolgens het thans in cassatie bestreden arrest van 7 april 2017 gewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en feit 1 bewezen verklaard. Het hof heeft de verdachte ter zake van feit 1 en – het bij arrest van het hof van 19 november 2014 bewezenverklaarde – feit 2 veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.
Wat betreft de hoogte en soort straf dient er een straf uit te komen die niet hoger is dan het reeds ondergane voorarrest, al dan niet gecombineerd met een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf. De straf die eerder door uw hof is opgelegd is wat betreft de verdediging te hoog.
Die straf is in de eerste plaats hoog omdat deze niet in verhouding staat tot wat in soortgelijke zaken aan straffen wordt opgelegd. Ik wijs u hof in dat kader op een aantal andere uitspraken. (…)Mijn cliënte heeft een aanzienlijk hogere straf opgelegd gekregen dan de personen in de soortgelijke zaken die ik net noemde. Ik heb geprobeerd te achterhalen wat daarvoor de reden kan zijn. Het kan in ieder geval niet liggen aan het strafblad van mijn cliënte. Dat is helemaal blanco. Het kan ook niet gelegen hebben aan haar reclasseringsrapportage. Als ik deze rapportage goed lees dan is de reclassering zeer positief gestemd over de zelfredzaamheid van mijn cliënte en haar toekomstperspectief. Sterker nog, de reclassering adviseert zelfs primair om een werkstraf op te leggen.
Dat positieve toekomstbeeld is terecht gebleken. Er zijn na deze affaire geen nieuwe veroordelingen bijgekomen en cliënte heeft op dit moment een eigen bedrijf bestaande uit een escape-room. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur zou het einde van dit bedrijf zijn. Daarnaast zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ervoor zorgen dat zij ook de mantelzorg over haar moeder niet meer kan voeren.
Ik tel daarbij op dat deze zaak er niet een is waarbij het faillissement dat eraan ten grondslag ligt bewust is veroorzaakt omdat de BV is leeggetrokken of iets dergelijks. [A] was het levenswerk van cliënte en haar broer en zij hebben hier altijd hard voor gewerkt.
Tot slot kun je je afvragen welk strafdoel nog gediend zou worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nieuwe misstanden hebben zich niet voorgedaan en de vergeldende werking van straf verliest zijn glans wel als de straf meer dan 8 jaar na het vergrijp volgt.Ik meen met de reclassering dat voor de feiten waarvoor cliënte veroordeeld zal worden kan worden volstaan met een gevangenisstraf conform voorarrest, de maximale taakstraf van 240 uur met daarbij eventueel nog een voorwaardelijke gevangenisstraf.’ 7. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Strafmotivering’, voor zover van belang, het volgende in: ‘De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat, gelet op de terugwijzing door de Hoge Raad voor zowel feit 1 als de straftoemeting, voor wat betreft de strafmaat de volledige straf (het hof begrijpt : ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5) bij de strafbepaling thans weer aan de orde is.
Het hof overweegt hierover als volgt.
De verdediging heeft destijds bij akte van 8 juli 2014 het hoger beroep voor wat betreft de feiten 3, 4 en 5 ingetrokken. Ter zake van deze feiten heeft het hof in het arrest van 19 november 2014 een straf bepaald. Van dit arrest is onbeperkt cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de term "strafoplegging" niet ziet op de straf die het hof bij arrest van 19 november 2014 reeds heeft bepaald ter zake van de feiten 3, 4 en 5. De straf voor deze feiten (een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest) is bepaald en is na verwijzing niet meer aan de orde. Wel zal het hof een (nieuwe) straf dienen op te leggen voor de feiten 1 en 2. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van goederen aan de boedel van het failliete bedrijf [A] , waaraan zij voor het faillissement mede leiding gaf. Hierdoor is de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt en zijn (mogelijk) crediteuren van de onderneming benadeeld. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, zoals bij arrest van het hof van 19 november 2014 bewezen verklaard. Hiermee heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd.
Ten gunste van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ook ziet het hof in het inmiddels sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten verstreken tijdsverloop aanleiding om tot een andersoortige straf te komen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.’ 8. Het dictum van het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in: ‘Het hof: (…) ten aanzien van feit 1 en 2: veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet haar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden; bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; ingevolge het arrest van dit hof van 19 november 2014: stelt vast dat de verdachte ter zake van de feiten 3 primair, 4 en 5 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) ter zake van materiële schade is toegewezen en dat de verdachte is veroordeeld om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij en dat de verdachte is verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, welke bij genoemd arrest van dit hof op nihil zijn begroot; stelt vast dat aan de verdachte de verplichting is opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft en dat bij genoemd arrest is bepaald dat indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
stelt vast dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering.’ Artikel 423, vierde lid, Sv 9. Uit art. 407, eerste lid, Sv volgt dat het hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel kan worden ingesteld. Indien echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen zijn, dan kan het hoger beroep ingevolge het tweede lid tot het vonnis voor zover dit één of meer van deze gevoegde zaken betreft, worden beperkt. Deze mogelijkheid van partieel appel is in het Gewijzigd Ontwerp geïntroduceerd. Bij die gelegenheid is ook de bepaling toegevoegd die thans in art. 423, vierde lid, Sv is neergelegd. De redactie van dat artikellid lijkt geïnspireerd op een bepaling die al in de regeling van de herziening was opgenomen: ‘Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en de herziening slechts gevraagd is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald’ (art. 451 GO; op ondergeschikte punten redactioneel aangepast ten opzichte van het ORO). Daarover werd in de memorie van toelichting opgemerkt: ‘Gewoonlijk zal daartoe de rechter er mede kunnen volstaan, de aanvankelijk opgelegde hoofdstraf tot zeker beloop te verminderen. Doch het is ook zeer wel denkbaar, dat hij in de gegrondheid der aangevraagde herziening ter zake van het eene feit reden vindt om voor het andere feit of de andere feiten straf van eene andere soort dan de oorspronkelijke hoofdstraf toe te passen. Een en ander is aan zijn beleid overgelaten.’ 10. Art. 423, vierde lid, Sv luidt: ‘Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.’ De ruimte voor het gerechtshof bij de toepassing van art. 423, vierde lid, Sv is niet onbeperkt. In HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 overwoog Uw Raad: ‘Indien bij samenloop van feiten niet tegen het vonnis in zijn geheel maar slechts tegen een of meer van die feiten hoger beroep is ingesteld, zal het hof - in geval van vernietiging ten aanzien van de sanctieoplegging - op de voet van art. 423, vierde lid, Sv voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten de sanctie moeten "bepalen". Dit betekent dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het hof is/zijn onderworpen. Het staat het hof niet vrij daarbij omstandigheden te betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest.’
dat immers in de van Regeringswege gegeven toelichting op het tweede lid van het huidige art. 476 Sv. (oorspronkelijk Regeringsontwerp, art. 451) het navolgende werd betoogd: „Wanneer tengevolge van samenloop van meerdere feiten één hoofdstraf is opgelegd, is niet uit te maken welk deel dier straf voor elk dier feiten komt.
Wordt nu herziening gevraagd en toegelaten voor al die feiten, dan zal de toepassing van het in het eerste lid nedergelegde beginsel geen moeilijkheden opleveren. Anders is het, indien herziening wordt gevraagd t.a.v. slechts één dier feiten en deze gegrond wordt bevonden. Dan zal straf voor het ander of de andere feiten noodzakelijk opnieuw moeten worden bepaald. Gewoonlijk zal daartoe de rechter er mede kunnen volstaan, de aanvankelijk opgelegde hoofdstraf tot zeker beloop te verminderen. Doch het is ook zeer wel denkbaar, dat hij in de gegrondheid der aangevraagde herziening ter zake van het ene feit reden vindt om voor het andere feit of de andere feiten straf van een andere soort dan de oorspronkelijke hoofdstraf toe te passen. Een en ander is aan zijn beleid overgelaten".; dat de in de laatste twee volzinnen der in de bovenweergegeven toelichting kenbaar gemaakte zienswijze mede als van belang kan worden aangemerkt voor de uitlegging van het voorschrift, hetwelk eerst in een latere fase van de parlementaire behandeling in art. 399 van het gewijzigd ontwerp van wet werd neergelegd en hetwelk uiteindelijk is vervat in art. 423 vierde lid van het thans vigerende wetboek; dat bovendien aanvaarding van de meer-bedoelde stelling van req., bepaaldelijk in gevallen, waarin in eersten aanleg met toepassing van art. 57 Sr. ter zake van twee feiten één straf is uitgesproken en de ernst van het feit, ten aanzien waarvan beroep is ingesteld, die van het feit, ten aanzien waarvan zulks niet het geval is, in belangrijke mate overtreft, den appèlrechter, indien hij van oordeel mocht zijn dat de veroordeling t.a.v. eerstbedoeld feit niet in stand kan blijven, zou kunnen nopen ter zake van het feit, waarvan de veroordeling in stand blijft, een zwaardere straf toe te meten dan die, welke naar zijn oordeel door den rechter in eersten aanleg zou zijn opgelegd, indien hij uitsluitend ter zake van dat feit een veroordeling zou hebben uitgesproken; dat een dergelijke met een juiste strafrechtspleging niet strokende uitlegging van het voorschrift niet geacht kan worden door den wetgever te zijn bedoeld, tenzij een uitdrukkelijke wettelijke bepaling tot een tegengestelde uitkomst zou dwingen, hoedanige bepaling echter noch in art. 423 Sv. noch elders in de wet voorkomt; dat derhalve het middel niet tot cassatie kan leiden;’ 13. Deze beslissing van Uw Raad vindt een sterke basis in de wetsgeschiedenis, maar komt ook overigens gelukkig voor. Zij spoort met latere rechtspraak van Uw Raad in zoverre daarin telkens centraal heeft gestaan dat het gerechtshof niet van de eigen opvattingen omtrent de strafwaardigheid van de buiten het hoger beroep gehouden feiten dient uit te gaan, maar zich dient af te vragen wat de rechtbank zou hebben opgelegd voor die feiten. Wel staat het arrest uit 1962 op gespannen voet met de in HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 gekozen bewoordingen, in zoverre daar gesproken wordt over ‘beslissen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het hof is/zijn onderworpen’.
Uit de toepassing van art. 56 Sr door de kantonrechter volgde, zo overwoog Uw Raad, dat alleen straf was opgelegd volgens de strafbepaling van het zwaardere feit; de strafbepaling van het lichtere feit was buiten toepassing gebleven. De Jong en Krabbe leidden uit deze rechtspraak af dat indien bij eendaadse samenloop of voortgezette handeling alleen hoger beroep was ingesteld tegen de veroordeling wegens het zwaardere feit, en de verdachte daarvan in hoger beroep werd vrijgesproken, geen straf meer kon worden vastgesteld voor het lichtere feit. Krabbe gaf de wetgever in overweging art. 423, vierde lid, Sv zo te wijzigen ‘dat dergelijke verrekeningen, met name indien in eerste aanleg art. 55 of 56 Sr is toegepast, alsnog mogelijk worden’.
De Jong meende dat al dan niet analogische toepassing van art. 423, vierde lid, Sv in deze situatie mogelijk was.
Het verband met art. 407 Sv maakt duidelijk dat de daarin omschreven regel toepassing dient te vinden in alle situaties waarin wegens toepasselijkheid van een samenloopbepaling één hoofdstraf voor gevoegde feiten is opgelegd. Daarbij vormt het (historisch) verband met het voormalige art. 476 Sv en het huidige art. 478 Sv een toereikende verklaring voor de gekozen formulering (die op ‘samenloop van meerdere feiten’ ziet). Voorts eist art. 423, vierde lid, Sv niet dat de vernietigde straf mede is gebaseerd op de strafbepaling waaronder het lichtere feit is of had kunnen worden gekwalificeerd. De straf voor het andere feit of de andere feiten wordt bepaald ‘in geval van vernietiging ten aanzien van de straf’ (waar deze ook op was gebaseerd).
Voor het geval deze uitleg naar het oordeel van Uw Raad niet met de letter van art. 423, vierde lid, Sv overeen te brengen zou zijn (redactie en wetshistorie zijn daarvoor nog steeds argumenten) komt toepassing naar analogie mij – met De Jong – wenselijk voor.
Art. 423, vierde lid, Sv maakt duidelijk dat bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten wordt bepaald ‘in geval van vernietiging ten aanzien van de straf’. Dat duidt erop dat de wetgever het mogelijk acht dat het hof ook bij een partieel appel de straf die de rechtbank heeft opgelegd bevestigt. Het is niet helemaal duidelijk hoe dit begrepen moet worden. De beslissingen inzake de feiten die buiten het hoger beroep zijn gehouden zijn niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Als bevestigen slechts mogelijk wordt geacht bij beslissingen die aan ’s hofs oordeel zijn onderworpen, kan het hof de straf slechts bevestigen voor zover deze is opgelegd wegens de feiten die in hoger beroep aan de orde zijn.
Maar hoe dat ook zij: uit de wettelijke regeling volgt dat de enkele omstandigheid dat een feit buiten het hoger beroep is gehouden en het vonnis in zoverre onherroepelijk is, het hof er niet toe dwingt daarvoor geïsoleerd een straf te bepalen. Als het hof de straf (voor zover aan zijn oordeel onderworpen) bevestigt, blijft de straf die de rechtbank voor het geheel van de feiten heeft opgelegd in stand. Voor zover die straf is opgelegd wegens buiten het hoger beroep gehouden feiten, gaat het daarbij om een straftoemetingsbeslissing waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de feiten waar het hof in hoger beroep opnieuw over oordeelt. Bij die regeling past dat het hof in het geval het tot een vernietiging van het bestreden deel van het vonnis komt, bij het bepalen van de straf ook rekening houdt met de beslissingen die het inzake dat bestreden deel neemt.
De keuze tussen bevestigen en vernietigen van de opgelegde straf kan een ‘technische’ oorzaak hebben; aanpassing van de bewezenverklaring op ondergeschikte punten bijvoorbeeld. Het spreekt niet aan als een door technische oorzaken ingegeven vernietiging een andere straf zou opleveren.
Terugwijzingsopdrachten 28. In HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42 heeft Uw Raad de volgende beschouwing over de reikwijdte van de partiële vernietiging opgenomen: ‘4.1. Indien, zoals in dit geval, de bestreden uitspraak 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging' wordt vernietigd, zijn in die vernietiging in beginsel en tenzij in het desbetreffende arrest anders is vermeld, begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel.
In zo een vernietiging zijn ook begrepen:
4.2. In zo een vernietiging wat betreft de strafoplegging zijn echter – anders dan wanneer mede wordt vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring – niet begrepen de beslissingen als bedoeld in art. 361 Sv omtrent een vordering van de benadeelde partij, nu de beslissingen omtrent die vordering worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij. Dit brengt mee dat ook wanneer de vordering van de benadeelde partij in het vernietigde arrest (gedeeltelijk) niet is toegewezen, die beslissing niet is begrepen in de vernietiging 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging'.
Een en ander sluit aan bij de omstandigheid dat de benadeelde partij wier vordering (gedeeltelijk) niet is toegewezen, bevoegd is om op de voet van art. 437, derde lid, Sv een schriftuur in te dienen ingeval cassatieberoep is ingesteld tegen de desbetreffende uitspraak. Voor de duidelijkheid wijst de Hoge Raad erop dat van deze beslissingen omtrent een vordering van de benadeelde partij moeten worden onderscheiden de beslissingen omtrent het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Voor de beslissingen omtrent het opleggen van een dergelijke maatregel geldt hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen.’ 29. Met deze beslissing verduidelijkt Uw Raad wat is bedoeld in het geval (zoals in het betreffende arrest) de bestreden uitspraak wordt vernietigd ‘maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging’ en daarmee wat het gerechtshof te doen staat indien de zaak daarnaar wordt verwezen of teruggewezen ‘opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan’.
‘2.3.2. Mede gelet op de omstandigheid dat het Hof blijkens zijn (…) overwegingen de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen slechts heeft herhaald omdat de door de Rechtbank gebezigde formulering "voor onduidelijkheid kan zorgen", moet de beslissing van het Hof aldus worden gelezen dat het zijn oordeel over de hoogte en modaliteit van de op te leggen gevangenisstraf in de plaats heeft gesteld van het door de Rechtbank dienaangaande gegeven oordeel en dat het Hof het vonnis van de Rechtbank voor het overige heeft bevestigd, ook voor zover daarin de tenuitvoerlegging is gelast van de op 2 oktober 2012 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Hierdoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.’ 40. Mede tegen de achtergrond van deze rechtspraak valt er naar het mij voorkomt veel voor te zeggen ook de straftoemeting door het hof na cassatie waar mogelijk naar zijn bedoeling te interpreteren. Die benadering klinkt al door in HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:59. Uw Raad had in die zaak in 2011 een arrest uit 2009 vernietigd wat betreft de beslissingen ter zake van twee tenlastegelegde feiten en de strafoplegging. Die vernietiging raakte ook beslissingen op vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen. Na terugwijzing had het hof onder meer overwogen: ‘Ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen tenuitvoerlegging verwijst het hof naar het eerdere gewezen arrest van dit hof d.d. 8 september 2009.’ Uw Raad overwoog dat het hof na terugwijzing van de zaak terecht opnieuw beslist had omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging en door aldus te overwegen tot uitdrukking had gebracht dat die beslissing op dezelfde gronden steunde.
Bespreking van het middel 42. De steller van het middel meent dat het hof niet alleen een straf had moeten opleggen voor de feiten 1 en 2, maar tevens een straf had moeten bepalen ex art. 423, vierde lid, Sv. En dat het hof daarbij niet gebonden was aan hetgeen daarover eerder in het arrest van 19 november 2014 was bepaald. Dat het hof het te bepalen deel van de straf opnieuw had kunnen vaststellen op drie maanden met aftrek doet daar volgens de steller van het middel niet aan af.
Het gaat bij deze feiten, kort gezegd, om het opzettelijk gebruik maken van een valse loonberekening, werkgeversverklaring, salarisspecificatie en kopie van een paspoort (feit 3), het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van 152 hennepplanten (feit 4) en diefstal in vereniging van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij (feit 5). Het hof stelt in het dictum vast dat voor die feiten in het eerdere arrest een gevangenisstraf van drie maanden is bepaald. Anders dan bij de schadevergoedingsmaatregel is ook niet zonneklaar uit eerdere rechtspraak van Uw Raad af te leiden dat de beslissing uit hoofde van art. 423, vierde lid, Sv door de vernietiging van de strafoplegging geraakt wordt.
Voor zover dat in deze een rol mag spelen, valt het openbaar ministerie derhalve veel minder te verwijten dat het de onjuistheid van ’s hofs beslissing niet heeft doorzien. Nu uit het dictum ondubbelzinnig blijkt welke straffen en maatregelen volgens het hof als resultaat van de berechting in zijn totaliteit zijn opgelegd, kan de beslissing ook zo worden gelezen dat het hof deze straffen en maatregelen zelf heeft opgelegd (de schadevergoedingsmaatregel) dan wel bepaald (de gevangenisstraf van drie maanden) in zoverre zij door de eerdere vernietiging van de strafoplegging zijn vervallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021.
ECLI:NL:GHDHA:2014:4625.
Art. 383 ORO luidde nog: ‘Het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld’. De hogere rechter zou niet gebonden kunnen worden ‘door beslissingen die hij onjuist acht of die gegrond zijn op feiten van welker bestaan hij niet overtuigd is en dit geldt ook – zij het in mindere mate – als meer strafbare feiten zijn te laste gelegd. Ook dan wordt door partieel appel inbreuk gemaakt op de ondeelbaarheid van het vonnis, daar de beslissing omtrent de straf noodwendig rekening heeft gehouden met de verschillende capita accusationis; practische moeilijkheden zijn ook dan te duchten met name als in een vonnis over meerdere capita accusationis beslist is, doch uit hoofde van de bepalingen omtrent samenloop (artikelen 56-58 Wetboek van Strafrecht) slechts ééne straf is opgelegd’ (Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 150). Zie over de historische achtergrond van de introductie van het partieel appel J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 183-188.
Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 2, concept-artt. 383 en 399. Zie voor de achtergrond van deze aanpassing het Verslag (Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 66). Over het nieuw voorgestelde vierde lid van concept-art. 399 wordt opgemerkt: ‘Het nieuwe laatste lid houdt verband met het partieel appèl en spreekt voor zich zelf’ (p. 67).
In het Wetboek van Strafvordering was deze bepaling lange tijd in art. 476 Sv te vinden. Sinds de inwerkingtreding van de Wet hervorming herziening ten voordele (Wet van 18 juni 2012, Stb. 275) is zij te vinden in art. 478 Sv.
Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 160.
Zie voor kritiek op deze passage A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1925, deel 2, p. 386-387 en 528-529.
H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, Alphen aan den Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1983, p. 198.
Zo begrijp ik ook A-G Machielse, conclusie bij HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734, NJ 2000/646 m.nt. Schalken, onder 18, waar hij ook een verhelderend voorbeeld geeft. Zie ook J.M. Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse Strafvordering, 12e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 526.
Denkbaar is ook dat Uw Raad zich heeft laten inspireren door Van Veen, die in zijn noot onder HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0875, NJ 1990/59 opmerkt het waarschijnlijk te achten ‘dat de bedoeling van de wetgever het meest wordt benaderd indien men aanneemt dat de appelrechter (…) niet aan de hoofd en bijkomende straffen mag komen, die de eerste rechter heeft opgelegd voor de feiten, waarover zich het appel niet uitstrekt.’ In het arrest uit 1989 zelf lees ik, met A-G Machielse, geen verbod op het bepalen van een andere soort hoofdstraf dan de rechtbank had opgelegd (conclusie bij HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734, NJ 2000/646 m.nt. Schalken).
Ook in HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149, NJ 2015/96 m.nt. Keulen, waarin Uw Raad de in 2010 gekozen formulering herhaalde, was geen sprake van een situatie waarin een andere hoofdstraf in beeld kwam.
Vgl. HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:953, NJ 2017/233 (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders); HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:340 (vrijheidsbeperkende maatregel); HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:903 (terbeschikkingstelling).
Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531 m.nt. Mevis.
Zie voor voorbeelden van toepassing van art. 416, tweede lid, in combinatie met art. 423, vierde lid, Sv door het hof: HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, NJ 2019/229 m.nt. Vellinga en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:710, NJ 2015/188.
Van toepassing naar analogie kan ook sprake zijn in het geval van terug- of verwijzing na een partieel cassatieberoep; vgl. HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8240, NJ 2005/54. Die – zich in de onderhavige zaak niet voordoende – situatie laat ik in de tekst verder buiten beschouwing.
D.H. de Jong, ‘Partieel appel bij gevoegde zaken’, VR 1979, p. 102-103; Krabbe, a.w., p. 198-199.
De Jong en Krabbe verwezen voorts naar HR 15 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:BG9438, NJ 1932, p. 289 m.nt. Taverne (Oude kijk in ’t Jatstraat). Daarin wees Uw Raad op het in art. 56 Sr gehuldigde absorptie-stelsel. Zie ook HR 24 juni 1947, ECLI:NL:HR:1947:118, NJ 1947/451. Een andere benadering van art. 55 en 56 Sr is evenwel ook denkbaar; vgl. Machielse die in een wat ander verband stelt: ‘Het komt mij (…) voor dat in eendaadse samenloop voor beide feiten wordt gestraft, zij het binnen een door de wetgever beperkt kader’ (Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 9 op art. 55 Sr, actueel t/m 17 juli 2017).
Dat ook bij eendaadse samenloop sprake kan zijn van gevoegde zaken is nader toegelicht door De Jong, a.w., p. 97 e.v.. De Jong wijst erop dat de wetgever van 1926 vermoedelijk alleen bij voortgezette handeling en meerdaadse samenloop van voeging wilde spreken.
A.w., p. 103. En gaf in een noot een voorzet voor een aangepaste wetsbepaling.
Vgl. ook HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068, NJ 2019/117 m.nt. Mevis (medeplegen poging tot diefstal met braak en medeplegen zaaksbeschadiging) en HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111 m.nt. Mevis (poging tot doodslag en zware mishandeling).
Bij herziening zal dit onderdeel van de formulering niet snel een belemmering voor een adequate procesvoering opleveren. Na verwijzing door de Hoge Raad kan het gerechtshof ter zake van het betreffende feit de noodzakelijke beslissingen nemen (artt. 471, 472 Sv).
Dat het hof zich in deze gevallen bij het bepalen van de straf op de lichtere kwalificatie dient te baseren, is een sterk argument om dubbel te kwalificeren. Zie voor een voorstel in andere richting F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren, Den Haag: BJu 2018, p. 307 e.v.. Uw Raad laat de feitenrechter op dit punt thans de keus (vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, NJ 2019/116 m.nt. Mevis).
H.J. Smidt en J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: Tjeenk Willink 1891, deel I, p. 481. Zie nader De Graaf, a.w., p. 90. In het wetsvoorstel herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken wordt aan een stelsel van gematigde cumulatie vastgehouden; wel wordt het maximum bij de gevangenisstraf verhoogd tot ‘de helft boven het hoogste maximum’ (Kamerstukken II 2017/18, 34 126, A). In de Eerste Kamer bestaat evenwel weerstand tegen de gekozen benadering.
Vgl. over de keus tussen vernietigen en bevestigen nader HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294 m.nt. Mevis.
Vgl. in dit verband HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202, NJ 2010/87 waarin de rechtbank de verdachte ter zake van elf gevoegde feiten tot een gevangenisstraf van twaalf maanden had veroordeeld. Uw Raad overwoog: ‘De akte rechtsmiddel houdt in dat het hoger beroep van de verdachte is gericht tegen de feiten 1 en 3 en de opgelegde straf. In aanmerking genomen dat in geval van berechting van in eerste aanleg gevoegde zaken ingevolge art. 407, tweede lid, Sv het hoger beroep kan worden beperkt tot het vonnis voor zover dit een of meer der gevoegde zaken betreft, had het Hof de verdachte niet mogen ontvangen in zijn appel, voor zover dit was gericht tegen de straf voor zover die was opgelegd ter zake van de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen feiten.’ Vgl. Krabbe, a.w., p. 197, die de wettelijke regeling op dit punt zou willen aanpassen: ‘Maar vernietigt de rechter in hoger beroep het vonnis uitsluitend omdat hij niet kan bevestigen wegens een in eerste aanleg begaan vormverzuim ter terechtzitting of wegens een vormfout in het vonnis (…), dan lijkt het splitsen van de straf in twee delen, waarna de optelsom gelijk wordt aan de in eerste aanleg opgelegde straf, erg veel van het goede’. Krabbe gaat er blijkbaar van uit dat de bepaalde en de opgelegde straf bij vernietiging op elkaar worden afgestemd.
Vgl. in dit verband ook de conclusie voorafgaand aan HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3356. A-G Bleichrodt veronderstelt dat het hof ‘de onderlinge verhouding tussen de feiten 1 en 2 in het licht van de sanctiebepaling’ zal hebben betrokken (randnummer 27). Feit 1 was niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dat daarmee rekening mag worden gehouden is ook het standpunt dat wordt ingenomen in aant. 36 op art. 423 Sv (actueel t/m 1 oktober 2006) in A.L. Melai, Het Wetboek van Strafvordering, voortgezet onder redactie van M.S. Groenhuijsen, T. Kooijmans, F.C.H. Kristen, Deventer: Kluwer, losbladig: ‘De rechter in hoger beroep kan voor de bepaling van de straf ter zake van overgebleven feiten betekenis toekennen aan de omstandigheid dat – achteraf beschouwd – van één of meer strafbare feiten niet is gebleken dat deze door de verdachte zijn begaan (…). Dat kan gemakkelijk voor de overgebleven – niet aan het appel onderworpen – feiten leiden tot een nadere overweging van de strafsoort naast de hoogte of duur daarvan.’ Uitgaande van de gedachte dat het hof de straf bepaalt zoals de rechtbank zou hebben gedaan in het licht van de beslissingen die het hof neemt inzake de andere feiten die bij de rechtbank aan de orde waren, ligt het in de rede dat het hof een straf oplegt voor het medeplegen van de poging tot doodslag en in het kader van het bepalen van de straf voor de openlijke geweldpleging geen straf vaststelt. Voor de openlijke geweldpleging wordt alleen een straf bepaald als niet veroordeeld wordt wegens het medeplegen van de poging tot doodslag.
Dat Uw Raad er in het algemeen gesproken aan hecht dat beslissingen inzake straftoemeting in samenhang worden genomen, kan worden afgeleid uit de hierna te bespreken rechtspraak bij vernietiging van de strafoplegging. Mogelijk mag uit HR 9 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0343, DD 96.160 – nog steeds – worden afgeleid dat Uw Raad van oordeel is dat het hof bij het bepalen van de straf inderdaad rekening mag/moet houden met de beslissingen die het neemt inzake de andere gevoegde feiten die bij de rechtbank aan de orde waren. De rechtbank had (in strijd met de regeling van art. 57 Sr) voor de feiten in de zaken A en B afzonderlijk straf opgelegd. Het hoger beroep beperkte zich tot de feiten in zaak B.
Het hof liet na voor het feit in zaak A een straf te bepalen maar formuleerde wel een overweging die met die strafbepaling in verband kon worden gebracht. Uw Raad begreep die overweging aldus ‘dat het Hof voor wat betreft het onvoorwaardelijk gedeelte van de in de zaak A opgelegde gevangenisstraf is uitgegaan van de door de Rechtbank bepaalde straf – te weten twaalf maanden of 360 dagen – en dat het voorts – gegeven de in zaak B op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van twee weken – het voorwaardelijke gedeelte van de in de zaak A op te leggen gevangenisstraf heeft willen beperken met twee weken’. Uw Raad bepaalde daarop de straf in zaak A in het licht van ’s hofs bedoelingen en kwam daarbij uit op een andere straf dan in eerste aanleg door de rechtbank was opgelegd.
A-G Van Dorst had voorgesteld dat Uw Raad de straf in zaak A zou bepalen conform de door de rechtbank opgelegde straf.
Vgl. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO8016, NJ 2011/135, waar een straf was bepaald voor een buiten het hoger beroep gehouden feit, en hoger beroep was ingesteld tegen de vrijspraak voor een ander feit.
Vgl. ook HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:310 voor een geval waarin, evenals in de onderhavige zaak het geval was, het arrest van het hof werd vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van één van de door het hof bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging.
Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 9e druk, Wolters Kluwer, Deventer: 2018, p. 110.
Dat argument werd ook genoemd in HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:213. Het werd niet genoemd maar speelde vermoedelijk ook in HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1180; HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2769; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646, NJ 2017/181; HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:724.
Dat was daarentegen niet het geval in HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.
Vermoedelijk met het oog daarop herinnert Uw Raad de feitenrechter dan ook weleens expliciet aan de reikwijdte van de vernietiging ten aanzien van de strafoplegging op dit punt; vgl. bijvoorbeeld HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:310 en HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:443, NJ 2018/244 m.nt. Mevis, al lijkt dat in deze twee zaken mede te zijn ingegeven door de daaraan voorafgaande conclusies.
Eerder leidde in HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6936, NJ 2010/574 m.nt. Mevis een klacht over een vergelijkbare miskenning van de terugwijzingsopdracht nog wel tot vernietiging.
Zie ten aanzien van het trachten te voorkomen van ‘ongelukken’ na terugwijzing: Van Dorst, a.w., p. 109, noot 383.
Zie nader over de toepassing door de appelrechter van art. 423, eerste (en derde) lid, Sv: J.J.I. de Jong, ‘De techniek van het bevestigen en vernietigen van het vonnis waarvan beroep’, TPWS 2019/25.
Min of meer vergelijkbaar zijn HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1032 en HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1412. Zie eerder het reeds vermelde HR 9 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0343, DD 96.160, voor een zaak waarin art. 423, vierde lid, Sv van toepassing was en waarin Uw Raad de overwegingen van het hof naar zijn bedoelingen interpreteerde.
Vgl. ook HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:615 waarin Uw Raad de ‘bepaling’ van de straf door het hof begreep als ‘oplegging’ daarvan.
Vgl. ook HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2979, NJ 2016/71 m.nt. Keulen waarin het arrest werd vernietigd ‘uitsluitend wat betreft de strafoplegging, daaronder begrepen de bepaling van de straf ter zake van de feiten 2, 3, 4 primair en 6 alsmede de strafoplegging en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel’. De bepaling van de straf werd hier expliciet onder de strafoplegging begrepen. Zie ook de vernietiging in de zaak van de medeverdachte (HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2821). A-G Knigge (conclusie bij HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3149, NJ 2015/96 m.nt. Keulen, onder 7.3) had eerder het standpunt ingenomen dat het bepalen van de straf op grond van art. 423, vierde lid, Sv niet onder de strafoplegging begrepen is.
Ik attendeer er nog op dat het omgekeerde niet geldt; de enkele omstandigheid dat het hof een straf na cassatie opnieuw moet bepalen brengt niet mee dat de strafoplegging integraal moet worden overgedaan (vgl. HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0875, NJ 1990/59 m.nt. Van Veen). Dat spoort met de hier verdedigde opvatting; het hof kan inschatten wat de rechtbank, gegeven de beslissingen die in hoger beroep zijn genomen, voor de buiten het hoger beroep gehouden feiten zou hebben opgelegd.
Wat dit laatste betreft, bestaat er een verschil met het na terugwijzing niet opnieuw opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Ik wijs daarbij nog op het eerder vermelde HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:59.
Dat het toegewezen deel van de vordering en het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel doorgaans op elkaar zijn afgestemd komt in ander verband ook tot uitdrukking in HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380 m.nt. Vellinga, rov. 2.3.3.