PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/02561 Zitting 3 december 2019 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. I. Inleiding
- De verdachte is bij arrest van 25 mei 2018 door het gerechtshof Den Haag van het in de zaak met parketnummer 09/765004-15 (door het hof aangemerkt als dagvaarding II) onder 1B tenlastegelegde vrijgesproken. De verdachte is in de zaak met parketnummer 09/767174-13 (door het hof aangemerkt als dagvaarding I) wegens feit 1A “het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd” (art. 131, eerste en tweede lid, Sr), feit 1B “een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd" (art. 132, eerste en derde lid, Sr), feit 2A “medeplegen van het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt” (art. 131, eerste en tweede lid, Sr), feit 2B “medeplegen van het verspreiden van een geschrift en/of een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt” (art. 132, eerste en tweede lid, Sr), feit 3A “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” (art. 140a Sr) en feit 3B “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” (art. 140 Sr), alsmede op dagvaarding II wegens feit 1A “het in het openbaar mondeling aanzetten tot haat tegen mensen wegens hun ras en/of godsdienst, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” (art. 137d Sr) en feit 2 “smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening” (art. 261 j° 267 Sr), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de fictieve einddatum afgewezen.
- Er bestaat samenhang met de zaken 18/02493, 18/02548 en 18/
- Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
- Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld.
- Deze zaak en de ermee samenhangende zaken zijn het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek “Context”. Centraal in deze zaken staat een samenwerkingsverband tussen personen die zich vanaf 2012 schaarden achter de door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen, zoals ISIL en Jabhat al-Nusra, in Syrië te voeren gewapende jihadstrijd voor de stichting van een ‘kalifaat’. Naar het hof heeft vastgesteld zijn de activiteiten van deze groep, die reeds onder namen “ [A] ” en “ [B] ” werden ontplooid, vanaf 2012 ondergebracht in de “ [C] ”. Het hof heeft vastgesteld dat deze organisatie het oogmerk had op diverse misdrijven, te weten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, het verspreiden van geschriften die daartoe opruien, het werven voor de gewapende jihadstrijd en het financieren van die strijd. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het oogmerk van deze organisatie was gericht op terroristische misdrijven, namelijk de voorbereiding en/of de bevordering van in Syrië te plegen moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met terroristisch oogmerk. Sommige van de binnen de groep actieve personen zouden ook zelf zijn afgereisd naar Syrië om deel te nemen aan een terroristisch trainingskamp en/of de gewapende strijd aldaar.
- De verdachte in de onderhavige zaak behoorde naar het hof heeft vastgesteld tot de ‘inner circle’ van de bovengenoemde organisatie. De verdachte bekleedde een belangrijke positie. Hij was de secretaris van de Stichting en op zijn naam is het pand van de organisatie gehuurd. Hij meldde openbare demonstraties aan, nam bij die demonstraties het woord of de microfoon, en trad voor de organisatie op als woordvoerder. Hij heeft zich actief betoond in het werven van (potentiële) Syriëgangers en onderhield contact met strijders in Syrië. De verdachte had een aanzienlijke rol – onder meer op social media – bij het uitdragen van denkbeelden van de organisatie, waarbij hij zich volgens het hof heeft schuldig gemaakt aan verscheidene uitingsdelicten: opruien, verspreiden van opruiende geschriften, aanzetten tot haat en, tot slot, smaadschrift. Het hof heeft de verdachte voor zijn rol in de groep mede veroordeeld voor deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft op het plegen van (terroristische) misdrijven.
- Namens de verdachte wordt (als gezegd) met zes cassatiemiddelen tegen de uitspraak van het hof opgekomen. De eerste twee middelen hebben betrekking op de bewezenverklaringen van de opruiingsdelicten en de bewijsmotiveringen ter zake. Het eerste middel bestrijdt de bewezenverklaringen waarin het hof de verdachte heeft veroordeeld voor het plaatsen van opruiende Facebookberichten op de Facebookpagina “ [naam 3] ”. Het tweede middel bestrijdt dat met/in door de verdachte op het internet geplaatste berichten en op de door hem beheerde media wordt “opgeruid tot enig strafbaar feit” als bedoeld in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Het derde middel keert zich tegen de veroordeling van de verdachte voor het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven. Het vierde middel klaagt over de bewezenverklaring van het op dagvaarding II onder 1A bewezenverklaarde “aanzetten tot haat” als bedoeld in art. 137d, eerste lid, Sr. Het vijfde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vrijheden van godsdienst en meningsuiting aan de strafbaarheid van de verdachte niet in de weg staan. Het zesde middel ten slotte klaagt dat de stukken van het geding niet binnen een redelijke termijn door het hof aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik mijn conclusie onderverdeeld in de volgende, van tussenkopjes voorziene paragrafen (met daarachter een vermelding van de betreffende randnummers): Inleiding (1 – 6) De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding (7 – 15) Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten (16 – 20) Het eerste middel: bewezenverklaring van het plaatsen van een of meer berichten op Facebookpagina [naam 3] (21 – 32) Het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ (33 – 73) V.1 Het middel (33 – 35) V.2 De wetsgeschiedenis (36 – 45) V.3 De huidige politieke context (46 – 49) V.4 De rechtspraak van de Hoge Raad (50 – 57) V.5 Tussenbalans (58 – 60) V.6 Beoordeling van het eerste middel (61 – 74) Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven (75 – 103) VI.1 Het middel en de bewijsvoering (75 – 78) VI.2 Het oogmerk van de organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr (79 – 90) VI.3 Deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr (91 – 103) Het vierde middel: ‘aanzetten tot haat’ (104 – 123) VII.1 Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsvoering (104 – 107) VII.2 ‘Aanzetten tot haat’ als bedoeld in art. 137d, eerste lid, Sr (108 – 118) VII.3 Beoordeling van het vierde middel (119 – 123) Het vijfde middel: vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting (124 – 169) VIII.1 Het middel en de relevante overwegingen van het hof (124 – 127) VIII.2 Art. 17 EVRM (128 – 145) VIII.3 Inbreuk op art. 9 EVRM (146 – 159) VIII.4 Voorzienbaarheid van de inbreuk op grondrechten (160 – 165) VIII.5 Toetsing aan art. 6 Gw en art. 7 Gw (166 – 169) Het zesde middel: redelijke inzendtermijn (170 – 175) Slotsom (176 – 178) II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding
- Het eerste middel stelt de vraag aan de orde of het hof met zijn bewijsbeslissingen ten aanzien van de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en/of het die bewezenverklaringen onbegrijpelijk, althans ontoereikend, heeft gemotiveerd. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten.
- Over de inhoud van de tenlastelegging ter zake van de op dagvaarding I onder 2A en 2B opgenomen feiten houdt de bestreden uitspraak, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “ “Tenlastelegging “ Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ten laste gelegd hetgeen is omschreven in de (gewijzigde) tenlastelegging, welke als bijlage A onderdeel uitmaakt van dit arrest.De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer:Parketnummer 09/767174-13 (hierna: dagvaarding I)1A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijf “ 1B (tweede cumulatief/alternatief): “ verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal “ 2A (eerste cumulatief/alternatief): “ medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf2B (tweede cumulatief/alternatief): “ medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal[…]Geldigheid inleidende dagvaarding “ De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde (partieel) nietig dient te worden verklaard. “ Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven – het volgende betoogd. “ Door de wijziging in eerste aanleg was de dagvaarding beperkt van in beginsel alle berichten, tot die berichten die door het openbaar ministerie specifiek werden benoemd. Door de thans in hoger beroep toegewezen wijziging, te weten het telkens toevoegen van het zinnetje “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben” is de tenlastelegging weer volledig uitgebreid en kan het opnieuw alle berichten in het hele dossier omvatten. “ Dit is in strijd met de goede procesorde. Bij de verdachte is het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat hij niet langer vervolgd zou worden voor berichten die niet in de verfeitelijkte versie zijn opgenomen. Voorts is door toevoeging van bovenvermeld zinnetje de dagvaarding onvoldoende verfeitelijkt. Hierdoor is onvoldoende gespecificeerd welke berichten door het openbaar ministerie als opruiend worden gezien.De advocaten-generaal hebben de bedoeling van de in hoger beroep gevorderde wijziging toegelicht en daartoe voor zover thans van belang – kort en zakelijk weergegeven – betoogd, dat de toevoeging van de zinsnede “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking”, ziet op de redactie van de tenlastelegging. Er zijn uitvoeringshandelingen en uitingen beschreven die mogelijk op ondergeschikte punten kunnen verschillen van uitvoeringshandelingen en uitingen vermeld in het dossier. Het gedeelte “die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben” is een verwijzing naar het in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader van uitingsdelicten.Het hof overweegt hiertoe het navolgende. “ Anders dan de verdediging kennelijk meent, is er na de toegestane wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep geen sprake van een uitbreiding van de ten laste gelegde feiten. Een redelijke uitleg van de gewraakte toevoeging rechtvaardigt de conclusie dat die ziet op de redactie van de tenlastelegging en op het juridisch kader van de ten laste gelegde delicten, zoals door de advocaten-generaal is beoogd, en niet op de uitbreiding van te beoordelen feiten. “ De berichten die door het openbaar ministerie als opruiend worden gezien staan in de tenlastelegging omschreven, die worden door het hof beoordeeld en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte heeft geweten waartegen hij zich in dat verband te verweren heeft. “ Van nietigheid of enige strijd met de goede procesorde is het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. “ Het verweer wordt derhalve verworpen.”
- De in bovenstaande overwegingen door het hof bedoelde bijlage A houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in: “ “2A (eerste cumulatief/alternatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf “ hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014 “ te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch (e) misdrij (f) (ven) dan wel (een) misdrij(f) (ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f) (ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, door: A. het (mede)beheren van de website van [internetsite 1] en/of te sturen op de inhoud van deze website en/of mee te werken aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten:- [...] [Volgt opsomming van berichten, EH] B. het (mede)beheren van de (digitale) radiozender [I] en/of het optreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of het overleggen over de inhoud en/of het uitzenden van/via deze radiozender en/of op deze radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore te brengen, te weten:- [...][Volgt opsomming van lezingen en liederen, EH] C. het maken van diverse filmpjes en/of het plaatsen en/of het delen van diverse filmpjes op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:- [...][Volgt opsomming van filmpjes, EH] D. het plaatsen van berichten en/of filmpjes op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook te weten:Facebookberichten op van of gedeeld door " [verdachte] " en/of " [verdachte] " en/of " [naam 5] " en/of " [betrokkene 22] ", althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS (IS) en/of Jabhat al-Nusra (Caramel p. 1244-1343 - gehele profiel [naam 3] ), te weten: berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84,85, 114, 115,. 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87
(2x)88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21,22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag, in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204
(2x), 205 en 262); en/of berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(
- s)/ groepering(
- en)(Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216
(2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258,.259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352; en/of - 18 mei 2014 een bericht "Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarin: […] zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS (IS) (Caramel p. 586-588 en 647); en/of op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de baarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd (Caramel p.1351), althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben. Artikel 131 en 47 Wetboek van StrafrechtEN/OF2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaalhij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een geschrift(
- en)en/of afbeelding(
- en)en/of (audio)bestand(
- en)waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, te weten het oproepen, tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)A. de website van [internetsite 1] (mede) beheerd en/of gestuurd op de inhoud van deze website en/of meegewerkt aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten’: - [...] [Volgt opsomming van berichten, EH] B. (digitale) radiozender [I] (mede) beheerd en/of opgetreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of overlegd over de inhoud en/of via deze radiozender uitgezonden en/of op welke radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore gebracht, te weten:- [...][Volgt opsomming van lezingen en liederen, EH]C. diverse filmpjes gemaakt en/of geplaatst en/of gedeeld op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:- [...] [Volgt opsomming van filmpjes, EH]D. berichten en/of filmpjes geplaatst op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:[Volgt opsomming van berichten en/of filmpjes op dezelfde wijze als weergegeven onder D. in de tenlastelegging van feit 2A, EH]Facebookberichten binnen de (besloten) Facebookpagina [naam 4] , waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra wordt gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader en/of het (mede)beheren van die (besloten) Facebook [naam 4] te weten: een film met audioboodschap van Al Adnani (Caramel p. 1208-1229), althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben. Artikel 132 en 47 Wetboek van Strafrecht” 10. Met betrekking tot de op dagvaarding I onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten, heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “1A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijfhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland, in het openbaar, bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, door: het plaatsen van tweets (berichten) door [naam 6] , te weten: - in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd; en in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door " [verdachte] " en/of " [verdachte] ", te weten: * berichten waarin martelaren en de martelaarsdood worden verheerlijkt; en * een bericht dat een aansporing inhoudt om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië EN 1B (tweede cumulatief/alternatief): verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014 in Nederland, geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft verdachte berichten geplaatst op twitter, te weten: tweets (berichten) door [naam 6] : - in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd; en in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “ [verdachte] ” en/of “ [verdachte] ”, te weten: * berichten waarin martelaren en de martelaarsdood worden verheerlijkt; en * een bericht dat een aansporing inhoudt om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië.” 11. Wat betreft de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten, heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “2A (eerste cumulatief/alternatief: medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijfhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,door: A. het beheren van de website [internetsite 1] en op deze website publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten: - de videofragmenten “Het graf – Aboe Yazeed” en “Jihaad voor Allah – Aboe Yazeed” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – Aboe Yazeed”- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en- berichten op de website van [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en "Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”; D. het plaatsen van (een) Facebookbericht(
- en)op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of op de Facebookpagina “ [naam 5] ”- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: […]" zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS)EN2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaalhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederlandtezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,geschriften en/of afbeeldingen waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)A. de website van [internetsite 1] beheerd en publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten:- de videofragmenten “Het graf – Aboe Yazeed” en “Jihaad voor Allah – Aboe Yazeed” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – Aboe Yazeed”- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en- berichten op de website www. [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en "Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”,D. (een) Facebookbericht(
- en)geplaatst op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of de Facebookpagina “ [naam 5] ”- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: […] zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS).” 12. Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de “Bijlage houdende bewijsmiddelen” bij de bestreden uitspraak. Gezien de omvang van die bijlage volsta ik met verwijzing daarnaar. 13. In het bestreden arrest heeft het hof onder “Inleiding”, voor zover voor de beoordeling van de eerste twee middelen van belang, het volgende (hier met vernummering van de voetnoten) vooropgesteld: “De strijd in SyriëIn dit arrest wordt onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof - de Koran en de soenna - staat vermeld. In dit arrest gaat het specifiek over de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), het ‘kalifaat’ dat op 29 juni 2014 ook daadwerkelijk is uitgeroepen en bekend is geworden als IS. Centraal hier staat de strijd zoals die werd gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra.[...]In de context van dit arrest wordt, als er wordt gesproken over ‘jihadisme’ of ‘de Jihad’ gedoeld op geweldsactiviteiten geïnspireerd door bovengenoemd streven naar – en na 29 juni 2014 de voortzetting van – ‘het kalifaat’ in Syrië.[...] Terroristische misdrijven […] De jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia – zoals door hen gepercipieerd – opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en – om hun doel te bereiken – dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst.De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime - kort gezegd - een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.Ideologie van geweld door terreurgroepenRelevant voor deze strafzaak is dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de .’ongelovigen’, lees: sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen. Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor alle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alléén aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt – met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking. Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en de medeverdachten deelden op hun eigen social media: daarop werden immers foto's van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina's als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen. Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en de medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest. Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie, die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie, van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen. De positie van de verdachte en de medeverdachten ten opzichte van de strijd in SyriëDe antropoloog Martijn de Koning is in 2010/2011 gestart met een. onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek – uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier. Met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven. Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens, met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande inner circle van de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie. Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd. Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen - aldus nog steeds De Koning - op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd. De strijd door Ai Qaida en IS(IS) heeft hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten. Het hof concludeert dat na verontwaardiging over en protest tegen het optreden van het regime van Assad, het de verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf de zomer van 2012 primair ging om het vestigen van een kalifaat door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen zoals ISIL en Jabhat al-Nusra. Het hof verwerpt de verweren die als grondslag hebben dat de verdachte zich louter richtte tegen het regime Assad en door het regime gepleegde misdrijven. Wetenschap verdachteNu de verdediging aandacht heeft gevraagd voor de vraag of de verdachte al dan niet op de hoogte was van geweid door strijdgroepen in Syrië tegen burgers, herhaalt het hof hier dat in de gewapende jihadstrijd in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde groepen – hoofdzakelijk om 'het kalifaat' daar te vestigen en derhalve om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen – misdrijven met een terroristisch oogmerk werden gepleegd, te weten moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke. De strijders pleegden deze misdrijven tegen het regeringsleger en in de strijd – doorgaans: om de macht in een bepaald gebied – tussen de jihadistische strijdgroepen onderling. Ten laatste vanaf de zomer 2012 was de verdachte op de hoogte van deze strijd om de stichting van het kalifaat. Dit volgt niet alleen uit hetgeen Martijn de Koning heeft verklaard, namelijk dat de strijd werd beschouwd als een militaire jihad en dat deze de goedkeuring had van degenen uit de netwerken die hij daarover sprak, waaronder de verdachte die duidelijk pro ISIS was. Ook uit (een deel van) de posts van de verdachte op de Facebookpagina [naam 3] – die verderop in dit arrest in het kader van (kort gezegd) opruiing aan de orde zullen komen – kan worden afgeleid dat de verdachte vanaf eind 2013 tot en met de eerste maanden van 2014 op de hoogte was van de gewapende jihadstrijd en de gevolgen ervan. De verdachte heeft dit ter terechtzitting in eerste aanleg ten aanzien van IS – onder die naam actief na 29 juni 2014 – bevestigd. De hierboven weergegeven gegevens over de strijd in Syrië zijn bovendien afkomstig uit openbare bronnen. Tot slot laat het hof niet onvermeld dat de verdachte op 18 mei 2014 het volgende bericht op Facebook plaatste: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië”. “Deel 4 van de, buitengewone serie Salilu Sawarim”, met een hyperlink. Deze video – getoond ter terechtzitting in hoger beroep – bevat gruwelijke beelden van standrechtelijke executies, drive by shootings, mensen die worden geïnterviewd terwijl zij hun graf graven en een onthoofding. Het ontgaat het hof dan ook hoe de verdediging kan volhouden dat de verdachte niet wist van wreedheden van ISIS en dat niet “met kennis van nu” moet worden geoordeeld, maar dat bij de beoordeling van de tenlastelegging voor ogen gehouden moet worden dat de onthoofding van James Foley – die wereldwijd de aandacht trok – medio augustus 2014 plaatsvond vlak voor de aanhouding van de verdachte. De stelling van de verdediging dat de gruwelijkheden in deze video niet tegen burgers werden begaan, maar tegen militairen en medewerkers van Assad, doet – voor zover juist – als gezegd niets af aan de vaststelling van het hof dat, in de gewapende jihadstrijd in Syrië ter vestiging van een kalifaat misdrijven als bedoeld in artikel 83a Sr werden gepleegd. De door de verdachte hooggeprezen video spreekt wat dat betreft boekdelen. Het hof concludeert dat de verdachte ten minste vanaf medio 2012 ervan op de hoogte is geweest dat de jihadistische strijdgroepen zoals Jabhat al-Nusra en ISIS in Syrië zich schuldig maakten aan terroristische misdrijven.” 14. Voorts heeft het hof in de bestreden uitspraak ten aanzien van het bewijs van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten het volgende overwogen: “Feit 1Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van 15 september tot en met 23 september 2013 (re)tweets als omschreven in de tenlastelegging heeft geplaatst via zijn Twitteraccount [naam 6] ; op 29 juli 2014 heeft de verdachte op zijn account [naam 7] getweet over een video van IS (IS) die "Salilul Sawaarim 4" zou overtreffen.De vraag is of deze (re)tweets kunnen worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet. Daarvan is in elk geval sprake als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbaar handelen (waarbij, het in casu gaat om, kort gezegd, het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië). Niet beslissend is of iemand zich tot dat feit aangezet voelt, maar of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit gebracht zou kunnen worden. Ook beïnvloeding op indirecte wijze kan opruiend zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen. De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval zou dit bijvoorbeeld kunnen zijn omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied in Syrië en zich daar aan te sluiten bij IS(IS) of Jabhat al-Nusra. Het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en is daarom opruiend. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.In beginsel zal het hof bij de beoordeling van social media berichten (zoals ook tweets) niet bij elk ten laste gelegd bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is. Uiteraard speelt de inhoud van die afzonderlijke berichten wel een rol, maar doorslaggevend is de vraag wat de strekking is van de berichten in samenhang bezien.Het hof overweegt ten aanzien van de tweets op het Twitteraccount [naam 6] het volgende. Uit het dossier valt niet op te maken of en in hoeverre het account is ingericht met de intentie anders dan de algemene, namelijk om te twitteren. Wel kan een zekere samenhang worden gezien in de onderwerpkeuze maar dat biedt onvoldoende aanknopingspunten om daaruit te concluderen dat het Twitteraccount bedoeld is om opruiende berichten te plaatsen. Wel kan van drie tweets geplaatst op 19 september 2013 worden gezegd dat die opruiend zijn, in die zin dat zij, in samenhang bezien, het geweld, het martelaarschap en de strijd van Jabhat al-Nusra verheerlijken op een zodanige wijze, dat iemand er daardoor toe gebracht zou kunnen worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië. Die drie tweets acht het hof, in samenhang bezien, opruiend van aard. Verder is het bericht over een martelaar – een commandant van ISIS die het martelaarschap zou hebben ontvangen, geplaatst op 23 september 2013 – op zichzelf beschouwd opruiend. Ten aanzien van de tweet via het account [naam 7] van 29 juli 2014 kan niet worden gezegd dat deze tekst op zichzelf aanzet om naar het strijdgebied in Syrië te gaan. Er is in dit bericht ook geen link gedeeld naar genoemde video. Het hof zal hiervan vrijspreken.Voor wat betreft de ten laste gelegde Facebookberichten van de verdachte geplaatst of gedeeld tussen 1 december 2013 en 3 februari 2014 overweegt het hof het volgende. Blijkens het dossier is de strekking van de berichtgeving over die hele periode hetzelfde, en gaat het over islam, Jihadisme, radicalisering en geweld. Er is een selectie gemaakt uit de vele berichten “omdat”, aldus het proces-verbaal, “de strekking telkens gelijk is”. In die selectie bevindt zich een aantal opruiende berichten (over martelaars bijvoorbeeld). En dat brengt met zich mee dat ook gedeelde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigend van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst of gedeeld, gelet op de strekking van die pagina – wél als zodanig worden aangemerkt.Daarbij merkt het hof nog het volgende op.Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij social media er om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Tenslotte speelt voor het opruiend karakter van de Facebookpagina van de verdachte nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op Facebook worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten – permanent is op te roepen.Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 1B (tweede cumulatief/alternatief) Het hof overweegt, dat het plaatsen van bestanden op de genoemde social media (Twitter en Facebook) in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De social media waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden. “ “Feit 2Hierboven heeft het hof (onder de overweging ten aanzien van feit 1) aangegeven wanneer er sprake is van opruiing in de zin van de wet en op welke wijze het hof de ten laste gelegde feiten benadert. “ Het hof overweegt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde als volgt.A [internetsite 1]Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] beheerder is geweest van de website [internetsite 1] die in eind april 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen en heeft de site ingericht. Hij was eindredacteur. Uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 mei 2013 en 27 augustus 2014 op de website [internetsite 1] zijn geplaatst.De politie heeft de inhoud van de website onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014. “ De vraag is of het publiceren van de in de tenlastelegging omschreven bestanden kan worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet. “ Het hof stelt vast, dat meerdere in de tenlastelegging omschreven bestanden weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel een onmiskenbaar opruiend karakter hebben. Het gaat telkens om sterk suggestieve uitlatingen (verheerlijking van de strijd en het martelaarschap) die daarvoor vatbare geesten kunnen aansporen daadwerkelijk naar het strijdgebied in Syrië te vertrekken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dat in elk geval geldt voor de preken van Abou Yazeed getiteld ‘Het Graf’ en ‘Jihaad voor Allah’ . Ook in de opiniebijdragen van [verdachte] worden IS(IS) en Al Qaida openlijk verheerlijkt (bijvoorbeeld in de opiniebijdragen van [verdachte] : AIVD, het traject van leugens en bedrog, en in ‘Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog’). “ Er zijn ook bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot strafbaar handelen of waarover kan worden getwijfeld. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat de preek ‘Drie grote tekenen voor de dag des oordeels’ van Abou Yazeed op zichzelf beschouwd niet opruiend is. “ Het hof komt met betrekking tot een aantal bestanden tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het – als gezegd – kiest voor een andere benadering. Het hof acht doorslaggevend het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien. Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website.Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. [medeverdachte 4] heeft de domeinnaam ‘ [internetsite 1] ’ maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis, heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam ' […] ' al langere tijd succes. De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [verdachte] (de islamitische bijnaam van de verdachte) . Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al-Assad” en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden. De overledenen werden bewierookt als martelaars. “ Indringend komt de onderliggende boodschap van de website naar voren in een brief, in juni 2014 gepubliceerd op de site als reactie op een schrijven van het NCTV: "Wij van [internetsite 1] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam. En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij : “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!” “ Het hof is van mening dat de strekking van de website [internetsite 1] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien. “ Daarbij merkt het hof nog het volgende op. “ Als gezegd is het een feit van algemene bekendheid dat het er bij social media om gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden met betrekking tot – kort gezegd – de gewapende strijd in Syrië – een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Ook de stelling dat het door [internetsite 1] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [internetsite 1] – voor een Nederlandse site – goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende 'twist' . “ Illustratief daarvoor is het filmpje waarop een uitzending van Nieuwsuur van 23 april 2013 is te zien. Daarin spelen [betrokkene 1] en de verdachte de hoofdrol. Zij leggen uit wat de jongens in Syrië bezielt. Op [internetsite 1] begint de uitzending met een citaat van Osama Bin Laden: "De gelukkigst is hij wiens Allah hem als martelaar heeft gekozen”. Ook de vele nieuwsberichten over concreet ‘martelaarschap’ zijn ronduit opruiend.De volgende vraag is: was er bij de verdachte sprake van het voor medeplegen vereiste van nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] ? Was zijn (intellectuele) bijdrage aan het beheer van deze website van voldoende gewicht? “ Uit het dossier blijkt dat de domeinnaam [internetsite 1] van [C] (waar de verdachte als initiatiefnemer samen met [medeverdachte 4] bij betrokken was) op naam is gezet van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] en de verdachte spraken met enige regelmaat over de inhoud en strategie van de site. Daarbij gebruikte [medeverdachte 4] de verdachte als klankbord en adviseur. De verdachte beschikte ook over autorisatie om zelf stukken op de site te plaatsen. “ Het hof leidt daaruit af dat de verdachte wist wat de bedoeling was van de website. De verdachte leverde een bijdrage aan [internetsite 1] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van de verdachte waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [internetsite 1] , [medeverdachte 4] . Er is sprake van medeplegen.B [I] Ook over [I] werd overleg gevoerd door de verdachte en [medeverdachte 4] . Uit het dossier blijkt echter niet van een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt, en daarom zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.C Diverse films op de website www.youtube.comFilm ‘Sta op voor Syrië’ “ Niet kan worden vastgesteld op welk moment het filmpje kortheidshalve aangeduid als ‘Sta op voor Syrië’ is geproduceerd en door wie het wanneer op het internet is geplaatst. “ Bepaald niet is uitgesloten dat een en ander valt buiten de ten laste gelegde periode. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. “ Film ‘Oh oh Aleppo’ “ Aan de verdachte is gevraagd kritiek te leveren op de film ‘Oh Oh Aleppo’. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verdachte dat inderdaad heeft gedaan, en ook overigens blijkt op dit punt niet van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met medeverdachten. De verdachte zal voor dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. “ Film ‘Erkenning kalifaat’ “ De verdachte heeft meegewerkt aan de ‘felicitatiefilm’ die in het dossier te boek staat als ‘erkenning van het kalifaat’. Het is de vraag of deze film opruiend is. Er wordt gejuicht voor het kalifaat – waarbij de zegelvlag wordt getoond – maar niet wordt gesproken over afreizen naar Syrië teneinde daar te strijden. De steun voor IS wordt in zeer algemene zin uitgesproken; er wordt niet gerept over strijd of martelaarschap. Van opruiing in de zin van de wet kan niet worden gesproken. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.Film ‘video Al Adnani’ “ Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier) en dit de enige feitelijkheid is in dit ten laste gelegde onderdeel zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.D Het plaatsen van Facebookberichten Uit hetgeen op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de door het openbaar ministerie bij requisitoir met name genoemde personen ( [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] ) ten aanzien van in dit onderdeel van de tenlastelegging genoemde gedragingen. “ De verdachte zal derhalve van die gedeelten van het onder D ten laste gelegde die medeplegen betreffen worden vrijgesproken. “ Wel heeft de verdachte zelf op 18 mei 2014 het bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: [internetsite 3] ” op – zijn Facebookpagina geplaatst. Dat bericht is naar het oordeel van het hof evident opruiend.Resteert de vraag omtrent verdachtes handelen ter zake de Facebookpagina's [naam 5] . “ Het hof overweeg hieromtrent het volgende. “ De Facebookpagina's [naam 3] en [naam 5] hebben een identieke inhoud ('content'). Hierna zal alleen worden gesproken over ‘de Facebookpagina’ of ‘[naam 3]’, waarbij dan op beide pagina’s wordt gedoeld. “ De politie heeft de Facebookpagina bestudeerd over de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014; het kan hier derhalve alleen gaan over hetgeen over die periode uit het dossier blijkt.Is de Facebookpagina [naam 3], gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend te noemen? “ De politie relateert het, de deskundige Peters bevestigt dat beeld en ook het hof komt, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, niet tot een ander oordeel. “ De Facebookpagina kent onder meer als netwerkpartners [internetsite 1] en YouTubekanaal [K], put haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en plaatst onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten en berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Men is ook op zoek naar nieuwe redacteuren en leest dan bij ‘voorwaarden’ (onder meer) “wij delen positief nieuws over #Dawlah_Islamiya en #Jabhat_Nosrah, (…) wij bieden geen podium aan Sjieten, PKK/YPG, FSA/Jahba Islammiyah etc, groepen”. “ De pagina is opruiend en de verdachte was, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk.Voor wat betreft de Facebookberichten genoemd onder D. overweegt het hof nog het volgende. “ De al eerder omschreven benadering van het hof brengt met zich mee dat de ten laste gelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang. Dat brengt met zich mee dat ook ten laste gelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigen van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst [ik, EH, begrijp: en] gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt. “ Ook voor deze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media: het gaat erom de aandacht van lezers te trekken en ze tot ‘volgen’ te verleiden en derhalve vervullen ook berichten die mogelijk op zichzelf beschouwd niet opruiend zijn een rol. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt bovendien versterkt door het gegeven dat de ‘content’ (de inhoud van de berichten) permanent is op te roepen.Het hof zal ten aanzien van het onder D. ten laste gelegde komen tot een bewezenverklaring waarin niet (de categorieën) berichten afzonderlijk zullen worden benoemd en bewezen. De ten laste gelegde berichten die het openbaar ministerie aan de categorisering ten grondslag heeft gelegd, zijn opruiend, als gezegd omdat zij op een website met een opruiende strekking staan, waarin een en ander in samenhang moet worden bezien. Het hof schaart zich niet (geheel) achter de conclusies die het openbaar ministerie heeft neergelegd in de feitelijke uitwerking van de tenlastelegging, nog daargelaten dat, meer in het algemeen conclusies zich niet lenen voor bewezenverklaring. Vandaar dat die onderdelen uit de tenlastelegging zullen worden gestreept.Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 2B (tweede cumulatief/alternatief) “ Het hof overweegt dat het onder 2A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De Facebookpagina's van [naam 3] en [verdachte] en de website [internetsite 1] waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden. “ Anders dan onder 2A is aan de verdachte onder 2B sub D tevens ten laste gelegd dat de verdachte een opruiende audioboodschap van Al-Adnani heeft verspreid op de (besloten) ‘ [naam 4] ’. “ Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier) en dit de enige feitelijkheid is in dit ten laste gelegde onderdeel zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.” 15. Voor zover voor de beoordeling van het eerste middel van belang, houdt het dictum van de bestreden uitspraak het volgende in: “ “Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.” III. Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten 16. De tenlastelegging en de bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder 1A en 2A omschreven feiten zijn toegesneden op art. 131, eerste lid in verbinding met het tweede lid, Sr, en de tenlastelegging en bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder 1B en 2B omschreven feiten op art. 132, eerste lid in verbinding met het derde lid, Sr. Het hof heeft de bewezenverklaarde feiten dienovereenkomstig gekwalificeerd op de wijze zoals hiervoor onder randnummer 1 weergegeven. 17. Art. 131 Sr en art. 132 Sr luid(d)en, in zoverre: Art. 131 Sr:“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”Art. 132 Sr:“1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.2. […]3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.” 18. Sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht in 1886 zijn art. 131 Sr en art. 132 Sr opgenomen in Titel V van Boek 2 over misdrijven tegen de openbare orde, welke titel volgens de memorie van toelichting de misdrijven verenigt die noch rechtstreeks tegen de veiligheid van de staat of de handelingen van zijn organen, noch tegen het lijf of goed van enig bepaald persoon zijn gericht, maar die “gevaar opleveren voor het maatschappelijk leven en de natuurlijke orde der maatschappij verstoren”. Deze strekking tot bescherming van de openbare orde komt ook tot uiting in de delictsomschrijvingen, die elk op eigen wijze een zekere publieklijkheid van de delictsgedraging vereisen. Art. 131 Sr drukt dit uit in het bestanddeel “in het openbaar”; in art. 132, eerste lid, Sr dragen de delictsgedragingen – verspreiden, openlijk tentoonstellen, enz. – een zekere openlijkheid in zichzelf. 19. De opruiingsdelicten zijn formele misdrijven. Geen onderdeel van het onderhavige bewijsthema is dat de opruiende uitingen de openbare orde hebben verstoord, dat de uitingen daadwerkelijk hebben geleid tot datgene waartoe wordt opgeruid of dat redelijkerwijs waarschijnlijk is te verwachten dat de opruiing zal worden opgevolgd. 20. Art. 131 Sr verbiedt het opruien zelf, hetzij tot “enig strafbaar feit”, hetzij tot “gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. Art. 132 Sr stelt straf op het verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan en het met één van die doelen in voorraad hebben van geschriften of afbeeldingen “waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid”. Dat met deze laatste woorden wat betreft de inhoud van de geschriften of afbeeldingen is aangesloten bij de reikwijdte van het verbod van art. 131 Sr, behoeft geen betoog. Tussen de beide strafbaarstellingen bestaat hierdoor een zekere overlap. Een wezenlijk verschil, en tevens grond voor het lagere strafmaximum van art. 132, is evenwel gelegen in het voor de vervulling van de delictsomschrijving vereiste schuldverband. ‘Opruien’ in de zin van art. 131, eerste lid, Sr vereist (ten minste voorwaardelijk) opzet op dat opruien als zodanig. Voor de vervulling van art. 132, eerste lid, Sr is niet nodig dat de verdachte (ten minste voorwaardelijk) opzettelijk opruit. Zijn opzet moet zijn gericht op het verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan of met (een van) deze doelen in voorraad hebben van het geschrift of de afbeelding en daarnaast zal hij de opruiende inhoud daarvan moeten kennen of ernstige reden moeten hebben die inhoud ervan te vermoeden. IV. Het eerste middel: bewezenverklaring van het plaatsen van een of meer berichten op Facebookpagina [naam 3] 21. Het eerste middel ziet op de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten, voor zover deze betrekking hebben op “het plaatsen van (een) Facebookbericht(
- en)[...] op de Facebookpagina “ [naam 5] ”. Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om in zoverre geen van de door het Openbaar Ministerie op de tenlastelegging geïndividualiseerde berichten bewezen te verklaren, maar wel bewezen te verklaren dat de verdachte zich door het plaatsen van een of meer Facebookberichten op die pagina aan de delicten van art. 131 Sr en art. 132 Sr heeft schuldig gemaakt. Tegen deze beslissing keert het middel zich met twee klachten. Ten eerste zou het hof een uitleg aan de tenlastelegging hebben gegeven die met de strekking ervan en met de bedoeling van de opsteller onverenigbaar is. Ten tweede klaagt het middel – in mijn woorden – dat dit onderdeel van de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, doordat uit de bewijsvoering niet (voldoende) kan worden afgeleid dat de verdachte als pleger dan wel als medepleger verantwoordelijk is voor de op de Facebookpagina [naam 3] geplaatste berichten. 22. Gezien de hiervoor onder randnummer 9 aangehaalde bijlage bij het bestreden arrest is aan de verdachte, voor zover hier van belang, tenlastegelegd dat hij zich onder meer heeft schuldig gemaakt aan “het plaatsen van (een) Facebookbericht(
- en)[...] op de Facebookpagina [naam 5] ”. Die berichten zijn in de tenlastelegging nader ‘verfeitelijkt’ onder verwijzing naar de vindplaatsen van deze in het procesdossier genummerde berichten. De verdediging heeft zich in hoger beroep verzet tegen de wijziging van de tenlastelegging voor zover het de toevoeging daaraan van de zinsnede “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking” betreft. Het bezwaar van de verdediging was dat aan de tenlastelegging na wijziging een uitleg zou kunnen worden gegeven die ruimte laat voor bewezenverklaring van andere dan de in de tenlastelegging met zoveel woorden genoemde uitingen. Het hof heeft blijkens zijn hiervoor onder randnummer 8 weergegeven overwegingen geoordeeld dat die vrees ongegrond is, omdat de toevoeging geen uitbreiding van de tenlastegelegde feiten behelst. Het hof karakteriseert de toevoeging als louter redactioneel van aard; daarmee worden enkel mogelijke verschillen op ondergeschikte punten tussen de tenlastegelegde en de vastgestelde inhoud van de berichten ondervangen. 23. Blijkens de bewezenverklaring heeft het hof de verdachte veroordeeld ter zake van “het plaatsen van (een) Facebookbericht(
- en)[...] op de Facebookpagina [naam 5] ”. De afzonderlijke berichten die in de tenlastelegging zijn opgenomen, heeft het hof uit de bewezenverklaring weggestreept. In samenhang met het hiervoor onder randnummer 15 weergegeven onderdeel van het dictum, zou dat op zichzelf beschouwd wellicht de indruk kunnen geven dat het hof de verdachte heeft veroordeeld ter zake van andere dan de tenlastegelegde berichten en dat zou dan tegen de achtergrond van wat het hof ten aanzien van de aan de tenlastegelegde zinsnede “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking” heeft overwogen weer tot de slotsom kunnen leiden dat het hof de grondslag van de tenlastelegging, zoals door het hof zelf uitgelegd, heeft verlaten. Het hof heeft echter de bij de wijziging tenlastelegging toegevoegde zinsnede evenmin bewezenverklaard. Noch de gespecificeerde uitingen, noch de algemene subsidiaire “uitingen van gelijke aard en/of strekking” maken dus deel uit van de bewezenverklaring. Dat het hof (ook) niet voor de subsidiaire variant heeft gekozen, laat zich overigens goed verklaren. Uit de nadere bewijsoverwegingen blijkt namelijk dat het hof weliswaar van oordeel is dat de aan de verdachte tenlastegelegde uitingen (deels) kunnen worden bewezenverklaard, maar ook dat het hof welbewust ervan heeft afgezien nader te specificeren van welke uitingen het bewezen verklaart dat de verdachte ze – al dan niet in vereniging met een of meer anderen en/of als functioneel dader – op de Facebookpagina [naam 3] heeft geplaatst. 24. De hiervoor onder randnummer 14 weergegeven bewijsoverwegingen houden ten aanzien van de Facebookpagina [naam 3] vooreerst in dat de pagina opruiend is en dat de verdachte als één van de redacteuren daarvoor medeverantwoordelijk is. Het beheer van deze Facebookpagina wordt de verdachte evenwel niet tenlastegelegd. Wat aan hem wordt verweten, is het plaatsen van opruiende berichten op die pagina, al dan niet in vereniging. 25. Zou het hof hebben bedoeld de verdachte te veroordelen voor het als redacteur van de Facebookpagina beheren van die pagina, dan is naar mijn inzicht in zoverre de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Ik meen echter dat een dergelijke bedoeling het hof niet voor ogen heeft gestaan, nu, als opgemerkt, uit de bewijsoverwegingen van het hof kan worden opgemaakt dat het hof de verdachte het plaatsen van één of meer van de berichten op de Facebookpagina [naam 3] aanrekent. Het hof heeft dus kennelijk met zijn bewezenverklaring niet beoogd de verdachte te veroordelen wegens andere dan de tenlastegelegde gedragingen, zodat derhalve in die zin van een grondslagverlating geen sprake is. 26. Dat neemt niet weg dat bij voormelde beschouwing van de bewezenverklaring weer andere vraagstukken in beeld komen. Nog los van de vraag of enige rechtsregel ertoe noopt de bedoelde uitingen van de verdachte in de bewezenverklaring specifiek te vermelden, zal – uiteraard – hoe dan ook uit de bewijsvoering moeten volgen dat de verdachte het bewezenverklaarde feit daadwerkelijk heeft begaan. Daarvoor zal uit de bewijsvoering moeten blijken dat (
- i)de berichten opruien tot enig strafbaar feit in de zin van art. 131, eerste lid, Sr en (in geval van verspreiden) art. 132, eerste lid, Sr) én (
- ii)dat het de verdachte is geweest die als dader (pleger of medepleger, en al dan niet in functionele zin) van het plaatsen van dat bericht of die berichten kan worden aangemerkt. In beide opzichten laat de bewijsvoering van het hof wel wat te wensen over. Ik licht dit toe. 27 Wat betreft (
- i)het opruiende karakter van de berichten heeft het hof overwogen dat de “al eerder omschreven benadering van het hof [...] met zich [brengt] dat de ten laste gelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang.” De door het hof eerder omschreven benadering waarin het de vraag of de tenlastegelegde uitingen een opruiend karakter hebben niet louter beoordeelt aan de hand van de inhoud en strekking van die uitingen, maar mede afhankelijk stelt van, of zelfs overwegend gewicht toekent aan de context waarin die uitingen zijn gedaan, acht ik tot op zekere hoogte verdedigbaar. In mijn bespreking van het tweede middel kom ik daarop nader terug. Met verwijzing naar die bespreking volsta ik hier met de notificatie dat naar mijn mening bij de beantwoording van de vraag of een bericht ‘opruit tot enig strafbaar feit’ als bedoeld in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr zonder twijfel ook de context waarin de uiting is gedaan betrokken kan worden. Uitingen, zoals Facebookberichten, behoeven in dat geval niet telkens ieder op zich (geïsoleerd van de context) te worden onderzocht. In die zin versta ik de overweging van het hof dat het in beginsel bij de beoordeling van social media berichten niet bij elk tenlastegelegd bestand afzonderlijk zal ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is, en dat de inhoud van die afzonderlijke berichten uiteraard een rol [speelt], maar dat doorslaggevend is de vraag wat de strekking van de berichten is in samenhang bezien. Een stap te ver naar mijn mening, gaat het hof met zijn overweging dat de strekking van een website of een Facebookpagina opruiend is en dat daarom de via dat medium gepubliceerde (tenlastegelegde) uitingen, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het enkele feit dat zij op die website of Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien. En ten aanzien van de berichten op de Facebookpagina [naam 3] overweegt het hof geen van de berichten afzonderlijk te zullen beoordelen – dit is gezien de bewezenverklaring en bewijsvoering geen kennelijke vergissing –, en lijkt het hof ervan te zijn uitgegaan dat – omgekeerd – de context van die opruiende Facebookpagina hier allesbepalend is en dat ten gevolge daarvan elk op die Facebookpagina geplaatst bericht reeds zonder meer opruiend is, ongeacht de inhoud en strekking van dat bericht zelf. Voor de duidelijkheid parafraseer ik de desbetreffende overwegingen van het hof (vgl. randnummer 14). Het hof stelt zich eerst de vraag of de Facebookpagina [naam 3] , gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend is te noemen. Deze vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord. Het hof stelt vervolgens vast dat deze Facebookpagina onder meer als netwerkpartners [internetsite 1] en YouTubekanaal [K] kent, haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen put, die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten plaatst evenals berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Het hof oordeelt dat de pagina opruiend is en de verdachte, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk is. Dan overweegt het hof voor wat betreft de berichten op Facebookpagina [naam 3] genoemd onder D., dat de al eerder omschreven benadering van het hof met zich brengt dat de tenlastegelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk (mijn cursivering, EH) zullen worden beoordeeld maar in samenhang. Dat brengt, aldus het hof, vervolgens mee dat tenlastegelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt en dat ook voor déze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media. Dit oordeel is, meen ik, minst genomen niet (zonder meer) begrijpelijk. Het laat zich in mijn ogen niet (goed) denken dat een medium (in zijn geheel) van dien aard is dat in elk zich voordoend geval de enkele omstandigheid dat een uiting door middel van dat medium is gedaan, alleen al om die reden zelfstandig een voltooid opruiingsdelict – of breder: een voltooid uitingsdelict – oplevert, zelfs als op zichzelf genomen de inhoud en de strekking van de uiting onschuldig zijn. 28. Maar ook als zou worden aangenomen dat elk op een bepaalde Facebookpagina geplaatst bericht reeds gezien de aard van die Facebookpagina als opruiend heeft te gelden, zal de bewijsvoering wel (opnieuw: uiteraard) moeten inhouden dát de berichten zijn geplaatst op die Facebookpagina. Dit laatste geldt evenzeer indien het hof heeft bedoeld te oordelen dat de berichten – wat er van het opruiende karakter van de individuele berichten ook zij – in samenhang bezien de delicten van art. 131 Sr en art. 132 Sr ten minste “meermalen gepleegd” opleveren. 29. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op de Facebookpagina veel berichten zijn geplaatst. Van die vele berichten zijn er 25 berichten in de bewijsmiddelen opgenomen. Deze in bewijsmiddel 43 genummerde berichten zijn kennelijk de in de tenlastelegging voorkomende berichten met gelijkluidend nummer. Alleen van deze 25 berichten valt uit de bewijsvoering op te maken dat door plaatsing ervan op de Facebookpagina [naam 3] is opgeruid, respectievelijk een opruiend geschrift is verspreid. 30. Ook voor deze berichten geldt evenwel dat (
- ii)uit de bewijsvoering moet kunnen volgen dat het de verdachte, alleen dan wel tezamen met een ander of anderen, is geweest die door deze berichten te plaatsen de tenlastegelegde opruiingsdelicten heeft begaan. Het hof heeft in de bewezenverklaring geen keuze gemaakt uit de in de tenlastelegging opgenomen alternatieven “tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen”, terwijl het (in verband met de kwalificatie) daartoe wel was gehouden. De bewijsoverwegingen van het hof ten aanzien van feit 2 onder D houden in, dat niet is gebleken dat de verdachte de feiten in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft gepleegd en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de gedeelten (van het onder D tenlastegelegde) die medeplegen betreffen. Voor zover deze overwegingen géén betrekking hebben op de Facebookpagina [naam 3] en het hof ten aanzien van deze Facebookpagina wél medeplegen heeft willen aannemen, heeft het hof dat oordeel, mede in het licht van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het hof te dien aanzien heeft aangenomen dat géén sprake is van medeplegen en de verdachte als pleger van het plaatsen van de individuele berichten moet worden aangemerkt, kan dat niet worden afgeleid uit de door het hof gebezigde bewijsvoering. De bewijsmiddelen houden in zoverre immers slechts in dat de verdachte één van de redacteuren van de Facebookpagina [naam 3] was, dat hij stukken postte op deze pagina, dat tien redacteuren allen onder dezelfde naam postten, dat er dertig tot vijftig berichten per dag werden geplaatst en dat de verdachte de strekking van de pagina en het type berichten dat erop werd geplaatst kende. Daaruit volgt echter niet dat de verdachte de pleger is van het plaatsen van de 25 in de bewijsmiddelen opgenomen berichten op die Facebookpagina. 31. De vraag is of het bovenstaande tot cassatie moet leiden. Ik meen stellig van niet. Naar het mij voorkomt worden aard en ernst van het totaal aan feiten dat door het gerechtshof is bewezenverklaard niet aangetast indien alleen het onderdeel van de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten waarop het middel betrekking heeft, in cassatie geen stand zou houden. De steller van het middel meent dat het hof de Facebookpagina [naam 3] “uitvoerig” in het arrest heeft besproken (zie hierboven onder randnummer 14) en uit deze “uitvoerige bespreking” te mogen afleiden dat het hof dus “vrij veel waarde” aan die pagina hecht in het kader van de veroordeling voor deelneming aan de organisatie (dagvaarding I, feit 3), althans in het kader van de straftoemeting. Ik zie dit anders. De uitgebreide bewijsmotivering laat wellicht zien dat het hof zich moeite heeft getroost om tot een sluitende bewijsvoering te komen, maar zegt niets over de aard en de ernst van het aldus bewezenverklaarde. Ook als het eerste middel terecht is voorgesteld, acht ik het gezien de aard en ernst van de resterende (onderdelen van) bewezenverklaarde feiten volkomen onaannemelijk dat het hof ten aanzien van het op dagvaarding I onder feit 3 tenlastegelegde feit en/of de strafoplegging tot een andere beslissing zou zijn gekomen als het de verdachte van het plaatsen van berichten op de Facebookpagina [naam 3] had vrijgesproken. Bij deze stand van zaken bestaat bij partiële vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak in zoverre, onvoldoende rechtens te respecteren belang. 32. Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar leidt derhalve niet tot cassatie. V. Het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ V.1 Het middel 33. Het tweede middel bevat diverse deelklachten die zijn gericht tegen de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten. Gemeenschappelijk aan deze deelklachten is in de kern, dat het hof aan de in de bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder feit 1A en 2A tenlastegelegde feiten voorkomende woorden “heeft opgeruid tot enig strafbaar feit”, respectievelijk de in de bewezenverklaringen van de op de dagvaardingen I onder feit 1B en 2B tenlastegelegde feiten te lezen zinsnede “waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid”, een onjuiste, want te ruime, uitleg zou hebben gegeven, althans het oordeel dat van “opruien tot enig strafbaar feit” sprake is, mede in het licht van de dienaangaande door de verdediging gevoerde verweren, onbegrijpelijk zou zijn of ontoereikend zou zijn gemotiveerd. 34. Aan de onderdelen van de bewezenverklaringen waartegen het cassatiemiddel aldus in de kern opkomt, moet worden geacht dezelfde betekenis toe te komen als aan de daarmee overeenstemmende termen in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Mede gelet op hetgeen daarover – al dan niet door middel van citaten uit de in feitelijke aanleg door de verdediging gevoerde pleidooien – in de cassatieschriftuur naar voren wordt gebracht, komt het mij dienstig voor om de geschiedenis en achtergronden van deze delictsbestanddelen in deze conclusie breed voor het voetlicht te brengen. 35. Daarbij stel ik voorop dat het “opruien tot enig strafbaar feit”, waarop het middel hoofdzakelijk de pijlen richt, twee min of meer van elkaar te onderscheiden delictsbestanddelen behelst, te weten “opruien” en “tot enig strafbaar feit”. Eerstgenoemd aspect van de opruiingsdelicten heeft vooral betrekking op de vraag onder welke omstandigheden kan worden gezegd dat een uitlating ergens toe opruit. Kan bijvoorbeeld een uitgesproken aanprijzing of bewondering worden beschouwd als opruiend tot hetgeen waarover de loftrompet wordt gestoken? En in hoeverre staat een indirecte of voorwaardelijke formulering van de uiting eraan in de weg de uitlating als opruiing aan te merken? Voor zover de steller van het middel zich erover beklaagt dat het hof opruiing onvoldoende heeft onderscheiden van vergoelijking of verheerlijking, bevindt haar betoog zich vooral in deze sfeer. Het tweede onderdeel, “tot enig strafbaar feit”, heeft hoofdzakelijk betrekking op het ‘iets’ waartoe wordt opgeruid. De steller van het middel meent dat het hof met een ontoereikende mate van concreetheid heeft aangegeven tot het begaan van welk bepaald strafbaar feit de in de bewezenverklaring genoemde opruiende teksten waren gericht. In zoverre stelt het middel de reikwijdte van het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” aan de orde. Het is, ook in cassatie, nuttig voor ogen te houden dat het middel dus goed beschouwd twee kwesties aankaart. Omdat evenwel de beide bestanddelen nauw met elkaar samenhangen en interacteren, kies ik ervoor in de navolgende bespreking van de wetsgeschiedenis onderscheidenlijk rechtspraak beide aspecten niet strikt gescheiden te behandelen. V.2 De wetsgeschiedenis 36. Als opgemerkt bevat het Wetboek van Strafrecht reeds sinds de invoering ervan de strafbaarstellingen van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Op hoofdlijnen kwam de formulering van de beide bepalingen toentertijd al overeen met de huidige wettekst van art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Het voor de beoordeling van het eerste middel meest relevante verschil met nu, is dat de toen ingevoerde bepalingen nog enkel de opruiing “tot eenig strafbaar feit” bestreken, en dus niet ook die “tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. Art. 132, eerste lid, Sr onderging in 1934 een ingrijpende wijziging wat betreft het vereiste schuldverband. Sindsdien is voor de vervulling van dat delict niet meer nodig dat de delictsgedragingen worden begaan met het oogmerk ruchtbaarheid aan de opruiende inhoud te geven. 37. Ter onderbouwing van de noodzaak de opruiingsmisdrijven in het Wetboek van Strafrecht op te nemen, is in de memorie van toelichting uiteengezet hoe de opruiing zich van de deelnemingsvorm uitlokking wezenlijk onderscheidt en ten opzichte daarvan meerwaarde heeft. Strafbare uitlokking veronderstelt een rechtstreekse betrekking tussen de uitlokker en uitgelokte. Die onmisbare band rechtvaardigt een strafbedreiging van de uitlokker die correspondeert met de op het grondfeit gestelde straf. Zo een nauwe relatie tussen degene die tot het delict heeft aangespoord en de fysieke dader, is voor opruiing niet vereist: “De opruijer heeft geen bepaalden persoon op het oog, maar bewerkt het publiek”. Teneinde deze ‘bewerking van het publiek’ in de strafbaarstelling beter te doen uitkomen, stelde de Tweede Kamer Commissie destijds voor om vóór het bestanddeel “opruit” in art. 131, eerste lid, Sr de woorden “het publiek” in te voegen. Daarin zag de minister evenwel geen heil, omdat het in zijn ogen ertoe zou kunnen leiden dat degene die in het openbaar tot één persoon het woord richt mogelijk niet strafbaar zou zijn. Zulks achtte de minister in strijd met de ratio van de strafbaarstelling. Een nadere omschrijving of duiding van het voor ‘opruien’ vereiste bewerken van het publiek, ben ik in de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 131 en 132 Sr niet tegengekomen. 38. De wetgever koos ervoor de strafbaarheid te beperken tot uitingen die opruien “tot enig strafbaar feit”. Weloverwogen werd niet gesproken van opruien tot het plegen van enig strafbaar feit, opdat ook bijvoorbeeld de opruiing tot medeplichtigheid als misdrijf strafbaar zou zijn. Over de keuze voor strafbaarstelling van opruiing tot enig strafbaar feit, houdt de memorie van toelichting nog in: “Het is ook niet raadzaam, afzonderlijk melding te maken van opruijing tot ongehoorzaamheid aan de wetten, verordeningen of beschikking van het bevoegd gezag. Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling “een strafbaar feit”, en bijgevolg de opruijing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140 [uiteindelijk art. 131, EH] strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt, behelzen zij geen dwingend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruijing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te wezen. Er bestaat geen regtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruijing tot eene daad die zelve straffeloos is.” 39. Deze beperking verhinderde overigens niet dat, nog ten tijde van de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht, in het ontwerp tot “Wijziging van de wet tot regeling der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering” van 1886 een afzonderlijke strafbepaling werd opgenomen ter zake van opruiing tot het zich oefenen tot het hanteren van wapenen, “zij het ook zijdelings, voorwaardelijk of in algemeene termen”. Hoewel dit voorstel uiteindelijk weer werd ingetrokken, bleef de reikwijdte van de strafbaarstelling van opruiing in dit opzicht een terugkerend punt van discussie, zowel in de literatuur als in de politiek. 40. Van het standpunt dat alleen opruiing tot een strafbaar feit een misdrijf kan opleveren en de aan die keuze ten grondslag gelegde redenering, is de wetgever later (gedeeltelijk) teruggekomen, en wel bij de “Wet van 28 juli 1920, houdende nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionnaire woelingen”. Toen is aan art. 131 Sr het bestanddeel “of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag” toegevoegd. In het Ontwerp van Wet werd voorgesteld de strafbaarstelling van opruiing als volgt te verruimen: “ “Hij die, mondeling of bij geschrifte, in het openbaar tot eenig strafbaar feit, tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan, of tot gewelddadig optreden tegen de openbare orde opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.” 41. De memorie van toelichting bij dit voorstel houdt onder meer in: “ “Met betrekking tot de artikelen 5 en 6 van het wetsontwerp worde opgemerkt, dat zij strekken om in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht de wijzigingen aan te brengen, welke reeds door de voormalige Ministers van Justitie mrs. Cort van der Linden en Loeff, blijkens de onder hun ministerschap ingediende wetsontwerpen tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, noodig werden geoordeeld. De ervaring heeft geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Niet alleen de opruiing tot eenig strafbaar feit, maar ook die tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan, of tot gewelddadig optreden tegen de openbare orde, zijn als misdrijven tegen de openbare orde aan te merken en dienen als zoodanig te worden strafbaar gesteld.” 42. Die door minister Heemskerk aangehaalde eerdere voorstellen tot wijziging van de opruiingsdelicten van de hand van zijn ambtsvoorgangers Cort van der Linden en Loeff, waren nagenoeg gelijkluidend aan het ontwerp-Heemskerk. Over de noodzaak de reikwijdte van de opruiingsdelicten te vergroten, hielden de – onderling vrijwel identieke – memories van toelichting bij de respectieve voorstellen van Cort van der Linden en Loeff in: 42. “Art. 131. De Hooge Raad besliste o. a. bij arrest van 17 November 1890 (Weekblad van het Recht n°. 5967):1°. dat bij art. 131 niet. strafbaar is gesteld de opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wet tegen welker overtreding geen straf is bedreigd;2°. dat voor de toepasselijkheid van dit artikel bij de opruiing rechtstreeks een bepaald strafbaar feit, zij het ook niet door eigen woorden der wet, moet zijn aangeduid.Volkomen terecht. Het artikel handelt alleen over opruiing tot een strafbaar feit en de wetgever wilde zelfs niet verder gaan, want de Memorie van Toelichting tot dit artikel zegt: “Het is ook niet raadzaam afzonderlijk melding te maken van opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wetten, verordeningen of beschikkingen van het bevoegd gezag. Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling een strafbaar feit en bijgevolg de opruiing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140
(131)strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt behelzen zij geen dringend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te zijn. Er bestaat geen rechtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruiing tot een daad, die zelve straffeloos is”.Bij de toelichting van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië, dat in den hierbedoelden zin eene uitbreiding bevat van art 131 van het Nederlandsche Strafwetboek, wordt dit laatste argument bestreden met de volgende opmerking: "Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achten we dan ook in de algemeenheid minder juist. Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de "openbare orde" begaan, kan het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden”.En dit laatste is niet alleen in de Indische maar ook in de Nederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft ook hier te lande geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Tegenover de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden machteloos. Op allerlei wijze kan de algemeene rechtsveiligheid worden bedreigd en in gevaar gebracht door eene opruiing in algemeene termen, zonder dat deze onder art. 131 valt.Hierin ligt een afdoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel. Tot welk gewelddadig verzet in het openbaar ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien maar niet een bepaald strafbaar feit daarbij wordt aangeduid.De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opruiing strafbaar te stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een feit in strijd met een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde.”
- Uit de memorie van antwoord bij en de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van de Wet van 8 juli 1920 kan worden afgeleid dat de minister – in navolging van zijn ambtsvoorgangers – van oordeel was dat het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” op grond van de toen geldende rechtspraak “het aanzetten tot een bepaald strafbaar feit” vereiste. Dit terwijl het volgens de minister “zeer goed mogelijk [is], dat iemand tot een gewelddadig optreden tegen de openbare orde, dit is in het algemeen tot vermoedelijk strafbare handelingen, aanzet, zonder een bepaald strafbaar feit te noemen.” De minister kwalificeerde dat als “een niet onbedenkelijke leemte in de bestaande strafwet.” Naar aanleiding van de in het Voorlopig Verslag geuite kritiek op het grote bereik van de voorgestelde uitbreiding van art. 131, kwam de minister wel in zoverre van zijn voorstel terug dat hij de strafbaarstelling van het in het ontwerp van wet nog genoemde opruien tot ongehoorzaamheid onvoldoende urgent achtte.
- Ter gelegenheid van de herbezinning op de reikwijdte van de opruiingsdelicten van 1920 heeft de discussie zich vooral gericht op hetgeen ‘waartoe’ wordt opgeruid. Met betrekking tot de betekenis van het bestanddeel “opruien” heeft nog wel één lid van de Kamercommissie de vraag opgeworpen of het begrip niet te vaag zou zijn, omdat hem bij een tegen hemzelf gerichte strafvervolging was gebleken dat verschil van mening over de inhoud van dat begrip bepaald niet is uitgesloten. Vanuit de commissie kreeg het lid weinig bijval en de minister voelde evenmin behoefte tot nadere wettelijke omschrijving. Hij antwoordde: “De term ‘opruit’ pleegt door de rechterlijke macht zeer omzichtig te worden gehanteerd. Bewezen moet worden dat de wil van den dader op het in het leven roepen van datgene, wat hij aanprijst, gericht was.”
- Enkele wijzigingen van – voor de beoordeling van de voorliggende zaak – ondergeschikte aard daargelaten, is aan de tekst van art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr na 1920 weinig meer veranderd. Eerst in 2009 is aan de strafbepalingen een lid toegevoegd dat de strafbedreiging met een derde verhoogt indien het strafbaar feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf is. V.3 De huidige politieke context
- De opruiingsdelicten kwamen weer in de politieke belangstelling te staan toen minister Donner van Justitie in 2005 voorstelde om strafbaar te stellen het “verheerlijken, vergoelijken, bagatelliseren of ontkennen van terrorisme en van grootschalige internationale misdrijven, welke verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of ontkenning, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren”. Tegen dit voorstel bestond veel weerstand. In dezelfde periode werd binnen het verband van de Raad van Europa geïnventariseerd hoe op de terroristische aanvallen van 11 september 2001 en daarna adequaat kon worden gereageerd. Met het oog daarop deed het T.M.C. Asser Instituut in opdracht van het Comité van Ministers van de Raad van Europa onderzoek naar de nationale wettelijke regelingen van en ervaringen met opruiing tot en apologie van onder meer terrorisme. Eén van de conclusies van het onderzoek was dat de meeste lidstaten geen specifieke strafbaarstelling van apologie van en opruiing tot terrorisme kennen en de noodzaak tot zo een strafbaarstelling niet evident is, terwijl met het eventueel strafbaar stellen van in het bijzonder apologie zeer voorzichtig moet worden omgegaan, gezien de mate waarin zo een strafbaarstelling de vrijheid van meningsuiting zou beperken. De Nederlandse regering vat de teneur binnen de Raad van Europa zo samen dat “voor strafbaarstelling van opruiing tot terrorisme veel meer steun [...] [bestaat] dan voor strafbaarstelling van apologie als zodanig; die gedraging was in de ogen van een meerderheid van de delegaties te vaag om tot strafbaarstelling te leiden, en waarbij vooral werd gevreesd voor een ongewenste strafrechtelijke beperking van fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting.”Het uiteindelijk vastgestelde Verdrag ter voorkoming van terrorisme legt partijstaten de verplichting op om het publiekelijk uitlokken tot het plegen van terrorisme (art. 5) en het werven voor terrorisme (art. 6) strafbaar te stellen. Mede op basis van consultatieadviezen die over het conceptwetsvoorstel van Donner tot strafbaarstelling van apologie waren uitgebracht, besloot de regering er verder geen uitvoering aan te geven. Het draagvlak voor strafbaarstelling van apologie in de rechtspraktijk werd niet groot geacht. Daarnaast zou het lastig zijn om een strafbaarstelling vorm te geven die enerzijds voldoende precies, voorzienbaar en EVRM-proof zou zijn, maar anderzijds ook nog relevante “toegevoegde waarde heeft ten opzichte van hetgeen reeds strafbaar is, zoals opruiing.”Ter uitvoering van art. 5 van het Verdrag ter voorkoming van terrorisme werd het apologieverbod bovendien niet nodig geacht, want “de strafbaarstelling van het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf, waaronder het indirect bepleiten ervan, kan reeds worden gevonden in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht”.
- Het geweld in Syrië van de laatste jaren en de aantrekkingskracht die de in dat conflict acterende terroristische organisaties op sommigen in Nederland hebben, heeft ook het politieke debat over terrorismebestrijding door middel van het strafrecht doen versterken. In 2014 heeft de toenmalige fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer, Van Haersma Buma, het voorstel tot strafbaarstelling van (kort gezegd) verheerlijking van terrorisme nieuw leven ingeblazen.Ik verwijs hier naar het plenaire Kamerdebat dat daarover toen is gevoerd; uit dat debat komt als heersende opvatting naar voren dat het vergoelijken, bagatelliseren of verheerlijken van geweld niet per definitie ook ‘opruiend’ is in de zin van art. 131 en art. 132 Sr, terwijl intussen een aanzienlijk deel van de parlementariërs van oordeel was dat de ernstigere, strafwaardige varianten van zulke vergoelijking, bagatellisering en/of verheerlijking wél reeds op grond van onder meer die bepalingen strafrechtelijk vervolgbaar zijn. Onder meer deze laatste gedachte was voor minister Opstelten aanleiding het voorstel niet over te nemen. In de Tweede Kamer zei hij daarover onder andere: “Strafbaarstelling van verheerlijking raakt de vrijheid van meningsuiting en in mijn ogen is dat een groot goed in onze samenleving. Onder strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme zouden immers al snel allerlei uitingen vallen, waarvan het zeer onaannemelijk is dat zij enig verband houden met terrorisme. Ik denk aan smakeloos puberaal gedrag op het internet, want daar heb je het dan ook over. Het zal zelfs de overgrote meerderheid van uitingen betreffen die onder een dergelijke strafbaarstelling zouden vallen. Dat wijst erop dat anders dan bij de strafbaarstellingen inzake haatzaaiing, opruiing of poging tot rekrutering en voorbereidingshandeling van terrorisme bij een strafbaarstelling van verheerlijking door het OM of de rechter onvoldoende één lijn kan worden getrokken tussen uitingen die wel en die niet zo gevaarlijk zijn dat zij een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zouden kunnen rechtvaardigen. De genoemde andere strafbaarstellingen geven bovendien voldoende mogelijkheden om op te treden tegen kwaadaardige uitingen die aanzetten en kunnen leiden tot terroristische daden. ”
- Het heeft het toenmalige Tweede Kamerlid Keijzer niet ervan weerhouden een initiatiefwetsvoorstel van dezelfde strekking aanhangig te maken. Daarover het vermelden waard is dat in de memorie van toelichting bij het initiatiefvoorstel kort wordt stilgestaan bij de verhouding tot de opruiingsdelicten en dat in dat verband wordt gerefereerd aan de beslissing van de rechtbank in de onderhavige en ermee samenhangende Context-zaken ter illustratie van de ontoereikendheid van het bestaande strafrechtelijk instrumentarium. De meerwaarde van de afzonderlijke strafbaarstelling is volgens de initiatiefneemster erin gelegen dat de verheerlijking van terroristische misdrijven die de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren, strafwaardig is, ongeacht of daarmee wordt gediscrimineerd of opgeruid. “Personen die naar aanleiding van de terreurdaden in Syrië zwaaien met IS-vlaggen of via sociale media hun waardering uiten voor het genoemde filmfragment van een door IS uitgevoerde onthoofding aanvaarden de kans/het risico dat ze met deze verheerlijking de openbare orde ernstig kunnen verstoren, zoals ook daadwerkelijk is gebeurd tijdens ongeregeldheden in de Schilderswijk (augustus 2014).” Over dit aspect van het voorstel heeft de Raad van State kritisch geadviseerd. De Raad van State benadrukt dat de beslissing van de rechtbank in de Context-zaken niet onherroepelijk is, nuanceert de in de memorie van toelichting geschetste voorstelling van de vonnissen van de rechtbank en betoogt dat de initiatiefneemster onvoldoende in staat is gebleken strafwaardige voorbeelden te noemen die naar huidig recht niet reeds vervolgbaar en bestrafbaar zijn.
- Inmiddels is de verdediging van het voorstel overgenomen door het Kamerlid Van Toorenburg. De huidige stand van zaken is dat blijkens het op 16 februari 2018 vastgestelde verslag van de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid bij Kamerleden nog aanvullende vragen leven, onder meer over de verhouding van de voorgestelde strafbaarstelling tot de artikelen 131 en art. 132 Sr. V.4 De rechtspraak van de Hoge Raad
- In de recente, dat wil zeggen van deze eeuw daterende, gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad komt de reikwijdte van de opruiingsdelicten slechts zeer sporadisch aan de orde. Wel boog zich kort geleden een zetel van vijf raadsheren over een zaak waarin de verdachte was vervolgd voor een door hem in de Schilderswijk te Den Haag opgeplakte poster waarin tot opstand tegen de politie werd opgeroepen. In die zaak was niet opruien tot enig strafbaar feit tenlastegelegd en bewezenverklaard, maar opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Te restrictief is de opvatting dat van dit laatste slechts sprake is indien uitlatingen zijn gericht op het op onrechtmatige wijze omver willen werpen van de Nederlandse regering, zo besliste de Hoge Raad. Voor de onderhavige zaak meer van belang is dat het middel eveneens faalde voor zover werd geklaagd over het oordeel dat de poster aanspoorde tot gewelddadig optreden tegen de politie. Door te overwegen dat de tenlastegelegde uitingen moeten worden bezien in onderling verband en in hun context, te weten de inhoud van de gehele poster, had het hof de juiste maatstaf aangelegd. Voor het overige was dit – zo begrijp ik het oordeel van de Hoge Raad – vooral een feitelijke kwestie en was het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
- Bij de beoordeling of sprake is van “opruien tot enig strafbaar feit” zullen de gewraakte uitingen eveneens in hun context en naar hun strekking moeten worden bezien. En ook dan geldt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent, gezien de verwevenheid met de feiten van dat oordeel, in cassatie slechts met terughoudendheid zal kunnen worden getoetst. Mij zijn geen zaken bekend waarin de Hoge Raad casseerde op de grond dat het oordeel van de feitenrechter, dat al dan niet sprake was van opruiing tot enig strafbaar feit in de zin van art. 131 Sr of art. 132 Sr, onjuist of onbegrijpelijk was.
- Aan het ‘opruien’ zelf heeft de Hoge Raad in zijn (oudere) rechtspraak geen algemene voorwaarden gesteld. Wel is mij opgevallen dat de Hoge Raad in sommige van zijn vooroorlogse uitspraken in navolging van de bestreden uitspraak of de conclusie van het parket in de zaak, dan wel op eigen initiatief, woorden hanteert die kennelijk als synoniem of als nadere aanduiding van het begrip opruien moeten worden beschouwd. Zo werd eens overwogen dat in het woord opruien ligt opgesloten het opzet, dat is het willens en wetens “aanhitsen” tot strafbare feiten. De Hoge Raad sprak elders ook wel van een “aanzetting”, of overwoog dat art. 131 Sr de “aansporing” tot een strafbaar feit vereist. In dezelfde lijn ligt het arrest waarin de Hoge Raad het niet met de steller van het middel eens was dat de door de verdachte gebezigde bewoordingen slechts een “opwekking tot bewondering” behelsden. Volgens de Hoge Raad had het hof daarin zeker ook een “opwekking tot navolging” kunnen zien. Daarmee is de kern van het opruien, dunkt mij, treffend en in overeenstemming met de wetsgeschiedenis (‘bewerken van het publiek’) verwoord. De opruier ‘bewerkt het publiek’ om het te bewegen tot een zekere daad. Niet is overigens vereist dat het bewerken van het publiek, zulk aanzetten, aansporen of aanhitsen zogezegd, in heftige en de hartstocht opwekkende bewoordingen geschiedt. Ook een aanprijzing in meer bezadigde termen kan opruiend zijn.
- Al kort na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, kwam in 1890 in cassatie aan de orde de vraag of voor strafbaarheid op grond van art. 131 Sr is vereist dat het opruien in onvoorwaardelijke vorm plaatsvindt. De in de zaak bewezenverklaarde uitingen waren gericht tot ‘lotelingen’, de deelnemers aan een loting waarbij wordt bepaald wie van hen onderdeel zullen gaan uitmaken van de krijgsmacht. Zij werden door de verdachte aangespoord (de Hoge Raad overweegt: “opgezet”) om, wanneer hen na indiensttreding zou worden bevolen hun wapens te gebruiken, deze niet te richten op hen tegen wie het wordt bevolen, maar tegen anderen. Tevergeefs was de klacht dat geen strafbare opruiing bestond omdat volgens de verdediging in dit geval de opruiing afhankelijk was van twee voorwaarden, namelijk dat de loteling daadwerkelijk in militaire dienst treedt én hem wordt bevolen zijn wapen te gebruiken. De Hoge Raad besliste dat indien “de volvoering” van het feit, waartoe wordt opgeruid, mocht afhangen van enige omstandigheid, zulks de strafbaarheid geenszins uitsluit. Een paar jaar later verwoordde de Hoge Raad de strekking van deze overwegingen nog iets stelliger door te oordelen dat “wanneer het plegen van het feit waartoe wordt aangezet afhankelijk wordt gesteld van enige voorwaarde of eventualiteit, niettemin opruiing aanwezig is”.
- In hetzelfde arrest van 1890 over de lotelingen heeft de Hoge Raad ook voor het eerst een licht doen schijnen op de betekenis van het bestanddeel “tot enig strafbaar feit”. Geklaagd werd niet alleen dat de bewezenverklaarde uitingen voorwaardelijk waren geformuleerd, maar ook dat de tot de lotelingen gerichte woorden strikt genomen slechts aanzetten tot het doen van een belofte en dus in zoverre niet rechtstreeks tot een bepaald strafbaar feit opriepen; het doen van een belofte een strafbaar feit te begaan, zou in de regel niet strafbaar zijn als de belofte niet wordt nagekomen. Onder verwijzing naar de literatuur was A-G Patijn van oordeel dat de klacht faalde omdat de wet niet eist dat de opruiing rechtstreeks geschiedt. Of voldoende verband bestaat met enig strafbaar feit achtte hij een geheel feitelijke kwestie. De Hoge Raad overwoog – enigszins anders – dat “bij art. 131 Strafrecht wel is waar niet elke opruiing strafbaar is gesteld; [...] dat de strafbaarheid zich alleen bepaalt tot opruiing tot een strafbaar feit, waaruit volgt, dat daarbij zoodanig bepaald feit, al is het niet noodig daartoe de juiste woorden der wet te gebruiken, moet zijn aangeduid, en dat alzoo in dien zin rechtstreeks een strafbaar feit moet zijn aangewezen, waartoe wordt opgeruid.” Dat opruiing in die zin vereist dat rechtstreeks een strafbaar feit wordt aangewezen, dus in de zin dat een bepaald strafbaar feit wordt aangeduid, zij het niet noodzakelijk met de juiste woorden der wet, werd nadien vaste rechtspraak.
- Wannéér voldoende sprake is van een rechtstreeks aangewezen, bepaald strafbaar feit, laat zich niet in algemene zin uit de rechtspraak van de Hoge Raad beantwoorden. Voorop staat dat de vraag is verweven met de feiten en de Hoge Raad dus slechts kan toetsen of het oordeel van de rechter begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is. Als gezegd is niet vereist dat de opruier zich in de bewezenverklaarde uitingen houdt aan de wettelijke omschrijving van het strafbare feit. Beslissend achtte de Hoge Raad daarentegen of de tenlastegelegde en bewezenverklaarde uitingen naar hun strekking tot een bepaalde daad of gedraging aanzetten die bij de feitelijke uitvoering daarvan een strafbaar feit zou opleveren. In dat verband is in het bijzonder HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v. van belang, ofschoon het een geval van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag betrof. Bewezenverklaard was dat de verdachte op een openbare vergadering werklozen had aangespoord tot bezetting van openbare gebouwen. Geklaagd werd onder meer dat het ‘bezetten’ van een gebouw zeer goed mogelijk is zonder enig geweld. De Hoge Raad legt echter uit dat het gaat om een bezetting van overheidsgebouwen die volstrekt niet onbezet zijn. Vervolgens overweegt hij dat de met openbaar gezag beklede personen de inbezitneming van die gebouwen niet zullen mogen dulden en ook niet zullen dulden. Omdat deze bezetting derhalve “niet denkbaar is zonder gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, is die aansporing terecht als eene strafbare opruiing aangemerkt”, aldus de Hoge Raad. Het arrest laat zien dat ook van strafbare opruiing sprake kan zijn indien de in de uitingen omschreven daden waartoe wordt aangespoord zelf weliswaar niet zonder meer een “gewelddadig optreden” (of “enig strafbaar feit”) behelzen, maar het niet denkbaar is, of het niet anders kan zijn dan, dat de uitvoering ervan met gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag respectievelijk met enig strafbaar feit gepaard zal gaan.
- Indien de bestreden uitspraak zelf het strafbare feit waartoe wordt opgeruid niet met zoveel woorden aanwijst, levert dit op zichzelf geen motiveringsgebrek op, zo illustreert bijvoorbeeld een uitspraak van de Hoge Raad uit 1909, waarin de verdachte werd verweten dat hij had geroepen “Hij moet uit de kast, wij halen hem er uit. Trapt de deur kapot, slaat ze op der donder”, en later: “Maakt een aanval, Drijft ze naar Gennip. Breekt de zaak af.” De beslissing van de rechtbank hield in dat de verdachte daarmee had opgeruid de deur van het arrestantenlokaal kapot te trappen, de arrestant te bevrijden en de politiebeambten te slaan. Het middel dat klaagde dat aldus nog niet was aangewezen tot welke strafbare feiten was opgeruid faalde, omdat “de rechtbank daarbij noch het artikel noch den naam waaronder die strafbare handelingen waren te brengen, behoefde op te geven, doch kon volstaan met te verklaren dat de handelingen waartoe requirant aanspoorde, opleveren feiten voorzien en strafbaar gesteld in het WvSr nu uit de bij dagvaarding gedane omschrijving dier handelingen voldoende duidelijk bleek dat deze indien zij werden uitgevoerd strafbare feiten zouden opleveren.” In voorkomende gevallen heeft de Hoge Raad dan zelf het bijbehorende strafbare feit aangewezen.
- Nog minder verlangde de Hoge Raad in dit opzicht van de bewijsmotivering in een arrest van 20 maart
- De Hoge Raad redde de in zowel de bewezenverklaring als de bewijsmotivering te lezen, maar evident onjuiste, aanwijzing van het strafbare feit waartoe was opgeruid. Bewezenverklaard was dat de verdachte in 1932 een geschrift had tentoongesteld waarin werd opgeruid tot het bij art. 95 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande strafbaar gestelde feit, kort gezegd weigering van de dienstplicht. Ook de bewijsmotivering hield in dat het feit waartoe zou zijn opgeruid was verboden bij art. 95 van dat wetboek. Wat de feitenrechter evenwel over het hoofd had gezien, was dat dit wetboek sinds 1 januari 1923 niet meer van kracht was. De A-G concludeerde tot vernietiging, maar de Hoge Raad gaf er een wending aan. Het gedeelte van de bewezenverklaring dat op art. 95 van het Crimineel Wetboek betrekking had, achtte hij overbodig. Ook als aan dat deel geen aandacht wordt geschonken, hield de bewezenverklaring in dat de verdachte een bor