ECLI:NL:PHR:2019:1235
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/02561 Zitting 3 december 2019 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte.
I. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 25 mei 2018 door het gerechtshof Den Haag van het in de zaak met parketnummer 09/765004-15 (door het hof aangemerkt als dagvaarding II) onder 1B tenlastegelegde vrijgesproken. De verdachte is in de zaak met parketnummer 09/767174-13 (door het hof aangemerkt als dagvaarding I) wegens feit 1A “het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd” (art. 131, eerste en tweede lid, Sr), feit 1B “een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd" (art. 132, eerste en derde lid, Sr), feit 2A “medeplegen van het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt” (art. 131, eerste en tweede lid, Sr), feit 2B “medeplegen van het verspreiden van een geschrift en/of een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt” (art. 132, eerste en tweede lid, Sr), feit 3A “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” (art. 140a Sr) en feit 3B “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” (art. 140 Sr), alsmede op dagvaarding II wegens feit 1A “het in het openbaar mondeling aanzetten tot haat tegen mensen wegens hun ras en/of godsdienst, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” (art. 137d Sr) en feit 2 “smaadschrift, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening” (art. 261 j° 267 Sr), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de fictieve einddatum afgewezen.
Het vierde middel klaagt over de bewezenverklaring van het op dagvaarding II onder 1A bewezenverklaarde “aanzetten tot haat” als bedoeld in art. 137d, eerste lid, Sr. Het vijfde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vrijheden van godsdienst en meningsuiting aan de strafbaarheid van de verdachte niet in de weg staan. Het zesde middel ten slotte klaagt dat de stukken van het geding niet binnen een redelijke termijn door het hof aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik mijn conclusie onderverdeeld in de volgende, van tussenkopjes voorziene paragrafen (met daarachter een vermelding van de betreffende randnummers):
Inleiding (1 – 6) De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding (7 – 15) Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten (16 – 20) Het eerste middel: bewezenverklaring van het plaatsen van een of meer berichten op Facebookpagina [naam 3] (21 – 32) Het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ (33 – 73) V.1 Het middel (33 – 35) V.2 De wetsgeschiedenis (36 – 45) V.3 De huidige politieke context (46 – 49) V.4 De rechtspraak van de Hoge Raad (50 – 57) V.5 Tussenbalans (58 – 60) V.6 Beoordeling van het eerste middel (61 – 74) Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven (75 – 103) VI.1 Het middel en de bewijsvoering (75 – 78) VI.2 Het oogmerk van de organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr (79 – 90) VI.3 Deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr (91 – 103) Het vierde middel: ‘aanzetten tot haat’ (104 – 123) VII.1 Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsvoering (104 – 107) VII.2 ‘Aanzetten tot haat’ als bedoeld in art. 137d, eerste lid, Sr (108 – 118) VII.3 Beoordeling van het vierde middel (119 – 123) Het vijfde middel: vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting (124 – 169) VIII.1 Het middel en de relevante overwegingen van het hof (124 – 127) VIII.2 Art. 17 EVRM (128 – 145) VIII.3 Inbreuk op art. 9 EVRM (146 – 159) VIII.4 Voorzienbaarheid van de inbreuk op grondrechten (160 – 165) VIII.5 Toetsing aan art. 6 Gw en art. 7 Gw (166 – 169) Het zesde middel: redelijke inzendtermijn (170 – 175) Slotsom (176 – 178) II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding 7. Het eerste middel stelt de vraag aan de orde of het hof met zijn bewijsbeslissingen ten aanzien van de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en/of het die bewezenverklaringen onbegrijpelijk, althans ontoereikend, heeft gemotiveerd. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten.
“ Anders dan de verdediging kennelijk meent, is er na de toegestane wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep geen sprake van een uitbreiding van de ten laste gelegde feiten. Een redelijke uitleg van de gewraakte toevoeging rechtvaardigt de conclusie dat die ziet op de redactie van de tenlastelegging en op het juridisch kader van de ten laste gelegde delicten, zoals door de advocaten-generaal is beoogd, en niet op de uitbreiding van te beoordelen feiten. “ De berichten die door het openbaar ministerie als opruiend worden gezien staan in de tenlastelegging omschreven, die worden door het hof beoordeeld en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte heeft geweten waartegen hij zich in dat verband te verweren heeft. “ Van nietigheid of enige strijd met de goede procesorde is het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. “ Het verweer wordt derhalve verworpen.”
A. het (mede)beheren van de website van [internetsite 1] en/of te sturen op de inhoud van deze website en/of mee te werken aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten:- [...] [Volgt opsomming van berichten, EH] B. het (mede)beheren van de (digitale) radiozender [I] en/of het optreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of het overleggen over de inhoud en/of het uitzenden van/via deze radiozender en/of op deze radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore te brengen, te weten:- [...][Volgt opsomming van lezingen en liederen, EH] C. het maken van diverse filmpjes en/of het plaatsen en/of het delen van diverse filmpjes op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:- [...][Volgt opsomming van filmpjes, EH] D. het plaatsen van berichten en/of filmpjes op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook te weten:Facebookberichten op van of gedeeld door " [verdachte] " en/of " [verdachte] " en/of " [naam 5] " en/of " [betrokkene 22] ", althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS (IS) en/of Jabhat al-Nusra (Caramel p. 1244-1343 - gehele profiel [naam 3] ), te weten: berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84,85, 114, 115,. 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x) 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of
berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21,22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag, in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262); en/of berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s) / groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x) , 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258,.259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352; en/of
Artikel 131 en 47 Wetboek van StrafrechtEN/OF2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaalhij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, te weten het oproepen, tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)A. de website van [internetsite 1] (mede) beheerd en/of gestuurd op de inhoud van deze website en/of meegewerkt aan de inhoud van deze website en/of op deze website lezingen en/of andere berichten en/of al dan niet zelfgeschreven publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten’: - [...] [Volgt opsomming van berichten, EH] B. (digitale) radiozender [I] (mede) beheerd en/of opgetreden als contactpersoon voor deze radiozender en/of overlegd over de inhoud en/of via deze radiozender uitgezonden en/of op welke radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore gebracht, te weten:- [...][Volgt opsomming van lezingen en liederen, EH]C. diverse filmpjes gemaakt en/of geplaatst en/of gedeeld op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:- [...] [Volgt opsomming van filmpjes, EH]D. berichten en/of filmpjes geplaatst op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:[Volgt opsomming van berichten en/of filmpjes op dezelfde wijze als weergegeven onder D. in de tenlastelegging van feit 2A, EH]Facebookberichten binnen de (besloten) Facebookpagina [naam 4] , waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra wordt gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader en/of het (mede)beheren van die (besloten) Facebook [naam 4] te weten: een film met audioboodschap van Al Adnani (Caramel p. 1208-1229),
althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.
Artikel 132 en 47 Wetboek van Strafrecht”
D. het plaatsen van (een) Facebookbericht(en) op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of op de Facebookpagina “ [naam 5] ”- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: […]" zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS)EN2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaalhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederlandtezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,geschriften en/of afbeeldingen waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)A. de website van [internetsite 1] beheerd en publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten:- de videofragmenten “Het graf – Aboe Yazeed” en “Jihaad voor Allah – Aboe Yazeed” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – Aboe Yazeed”- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven;
Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en- berichten op de website www. [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en "Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”,D. (een) Facebookbericht(en) geplaatst op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of de Facebookpagina “ [naam 5] ”- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: […] zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS).”
De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst.De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime - kort gezegd - een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven.
Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.Ideologie van geweld door terreurgroepenRelevant voor deze strafzaak is dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de .’ongelovigen’, lees: sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen.
Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor alle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alléén aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt – met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking. Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en de medeverdachten deelden op hun eigen social media: daarop werden immers foto's van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina's als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen.
Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en de medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest.
Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie, die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt.
Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie, van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen.
De positie van de verdachte en de medeverdachten ten opzichte van de strijd in SyriëDe antropoloog Martijn de Koning is in 2010/2011 gestart met een. onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek – uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier.
Met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven. Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens, met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande inner circle van de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie.
Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd. Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen - aldus nog steeds De Koning - op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd.
De strijd door Ai Qaida en IS(IS) heeft hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten.
Het hof concludeert dat na verontwaardiging over en protest tegen het optreden van het regime van Assad, het de verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf de zomer van 2012 primair ging om het vestigen van een kalifaat door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen zoals ISIL en Jabhat al-Nusra. Het hof verwerpt de verweren die als grondslag hebben dat de verdachte zich louter richtte tegen het regime Assad en door het regime gepleegde misdrijven.
Wetenschap verdachteNu de verdediging aandacht heeft gevraagd voor de vraag of de verdachte al dan niet op de hoogte was van geweid door strijdgroepen in Syrië tegen burgers, herhaalt het hof hier dat in de gewapende jihadstrijd in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde groepen – hoofdzakelijk om 'het kalifaat' daar te vestigen en derhalve om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen – misdrijven met een terroristisch oogmerk werden gepleegd, te weten moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke.
De strijders pleegden deze misdrijven tegen het regeringsleger en in de strijd – doorgaans: om de macht in een bepaald gebied – tussen de jihadistische strijdgroepen onderling. Ten laatste vanaf de zomer 2012 was de verdachte op de hoogte van deze strijd om de stichting van het kalifaat. Dit volgt niet alleen uit hetgeen Martijn de Koning heeft verklaard, namelijk dat de strijd werd beschouwd als een militaire jihad en dat deze de goedkeuring had van degenen uit de netwerken die hij daarover sprak, waaronder de verdachte die duidelijk pro ISIS was. Ook uit (een deel van) de posts van de verdachte op de Facebookpagina [naam 3] – die verderop in dit arrest in het kader van (kort gezegd) opruiing aan de orde zullen komen – kan worden afgeleid dat de verdachte vanaf eind 2013 tot en met de eerste maanden van 2014 op de hoogte was van de gewapende jihadstrijd en de gevolgen ervan.
De verdachte heeft dit ter terechtzitting in eerste aanleg ten aanzien van IS – onder die naam actief na 29 juni 2014 – bevestigd. De hierboven weergegeven gegevens over de strijd in Syrië zijn bovendien afkomstig uit openbare bronnen. Tot slot laat het hof niet onvermeld dat de verdachte op 18 mei 2014 het volgende bericht op Facebook plaatste: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië”. “Deel 4 van de, buitengewone serie Salilu Sawarim”, met een hyperlink. Deze video – getoond ter terechtzitting in hoger beroep – bevat gruwelijke beelden van standrechtelijke executies, drive by shootings, mensen die worden geïnterviewd terwijl zij hun graf graven en een onthoofding.
Het ontgaat het hof dan ook hoe de verdediging kan volhouden dat de verdachte niet wist van wreedheden van ISIS en dat niet “met kennis van nu” moet worden geoordeeld, maar dat bij de beoordeling van de tenlastelegging voor ogen gehouden moet worden dat de onthoofding van James Foley – die wereldwijd de aandacht trok – medio augustus 2014 plaatsvond vlak voor de aanhouding van de verdachte. De stelling van de verdediging dat de gruwelijkheden in deze video niet tegen burgers werden begaan, maar tegen militairen en medewerkers van Assad, doet – voor zover juist – als gezegd niets af aan de vaststelling van het hof dat, in de gewapende jihadstrijd in Syrië ter vestiging van een kalifaat misdrijven als bedoeld in artikel 83a Sr werden gepleegd.
De door de verdachte hooggeprezen video spreekt wat dat betreft boekdelen.
Het hof concludeert dat de verdachte ten minste vanaf medio 2012 ervan op de hoogte is geweest dat de jihadistische strijdgroepen zoals Jabhat al-Nusra en ISIS in Syrië zich schuldig maakten aan terroristische misdrijven.”
Daarvan is in elk geval sprake als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbaar handelen (waarbij, het in casu gaat om, kort gezegd, het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië). Niet beslissend is of iemand zich tot dat feit aangezet voelt, maar of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit gebracht zou kunnen worden.
Ook beïnvloeding op indirecte wijze kan opruiend zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen.
De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval zou dit bijvoorbeeld kunnen zijn omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied in Syrië en zich daar aan te sluiten bij IS(IS) of Jabhat al-Nusra. Het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en is daarom opruiend. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.In beginsel zal het hof bij de beoordeling van social media berichten (zoals ook tweets) niet bij elk ten laste gelegd bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is.
Uiteraard speelt de inhoud van die afzonderlijke berichten wel een rol, maar doorslaggevend is de vraag wat de strekking is van de berichten in samenhang bezien.Het hof overweegt ten aanzien van de tweets op het Twitteraccount [naam 6] het volgende. Uit het dossier valt niet op te maken of en in hoeverre het account is ingericht met de intentie anders dan de algemene, namelijk om te twitteren. Wel kan een zekere samenhang worden gezien in de onderwerpkeuze maar dat biedt onvoldoende aanknopingspunten om daaruit te concluderen dat het Twitteraccount bedoeld is om opruiende berichten te plaatsen. Wel kan van drie tweets geplaatst op 19 september 2013 worden gezegd dat die opruiend zijn, in die zin dat zij, in samenhang bezien, het geweld, het martelaarschap en de strijd van Jabhat al-Nusra verheerlijken op een zodanige wijze, dat iemand er daardoor toe gebracht zou kunnen worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië.
Die drie tweets acht het hof, in samenhang bezien, opruiend van aard. Verder is het bericht over een martelaar – een commandant van ISIS die het martelaarschap zou hebben ontvangen, geplaatst op 23 september 2013 – op zichzelf beschouwd opruiend.
Ten aanzien van de tweet via het account [naam 7] van 29 juli 2014 kan niet worden gezegd dat deze tekst op zichzelf aanzet om naar het strijdgebied in Syrië te gaan. Er is in dit bericht ook geen link gedeeld naar genoemde video. Het hof zal hiervan vrijspreken.Voor wat betreft de ten laste gelegde Facebookberichten van de verdachte geplaatst of gedeeld tussen 1 december 2013 en 3 februari 2014 overweegt het hof het volgende. Blijkens het dossier is de strekking van de berichtgeving over die hele periode hetzelfde, en gaat het over islam, Jihadisme, radicalisering en geweld. Er is een selectie gemaakt uit de vele berichten “omdat”, aldus het proces-verbaal, “de strekking telkens gelijk is”.
In die selectie bevindt zich een aantal opruiende berichten (over martelaars bijvoorbeeld). En dat brengt met zich mee dat ook gedeelde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigend van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst of gedeeld, gelet op de strekking van die pagina – wél als zodanig worden aangemerkt.Daarbij merkt het hof nog het volgende op.Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij social media er om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Tenslotte speelt voor het opruiend karakter van de Facebookpagina van de verdachte nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op Facebook worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten – permanent is op te roepen.Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 1B (tweede cumulatief/alternatief) Het hof overweegt, dat het plaatsen van bestanden op de genoemde social media (Twitter en Facebook) in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De social media waren immers toegankelijk voor eenieder.
Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden. “ “Feit 2Hierboven heeft het hof (onder de overweging ten aanzien van feit 1) aangegeven wanneer er sprake is van opruiing in de zin van de wet en op welke wijze het hof de ten laste gelegde feiten benadert. “ Het hof overweegt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde als volgt.A [internetsite 1]Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] beheerder is geweest van de website [internetsite 1] die in eind april 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen en heeft de site ingericht. Hij was eindredacteur. Uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 mei 2013 en 27 augustus 2014 op de website [internetsite 1] zijn geplaatst.De politie heeft de inhoud van de website onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014. “ De vraag is of het publiceren van de in de tenlastelegging omschreven bestanden kan worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet. “ Het hof stelt vast, dat meerdere in de tenlastelegging omschreven bestanden weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel een onmiskenbaar opruiend karakter hebben. Het gaat telkens om sterk suggestieve uitlatingen (verheerlijking van de strijd en het martelaarschap) die daarvoor vatbare geesten kunnen aansporen daadwerkelijk naar het strijdgebied in Syrië te vertrekken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dat in elk geval geldt voor de preken van Abou Yazeed getiteld ‘Het Graf’ en ‘Jihaad voor Allah’ . Ook in de opiniebijdragen van [verdachte] worden IS(IS) en Al Qaida openlijk verheerlijkt (bijvoorbeeld in de opiniebijdragen van [verdachte] : AIVD, het traject van leugens en bedrog, en in ‘Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog’). “ Er zijn ook bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot strafbaar handelen of waarover kan worden getwijfeld. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat de preek ‘Drie grote tekenen voor de dag des oordeels’ van Abou Yazeed op zichzelf beschouwd niet opruiend is. “ Het hof komt met betrekking tot een aantal bestanden tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het – als gezegd – kiest voor een andere benadering. Het hof acht doorslaggevend het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien. Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website.Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. [medeverdachte 4] heeft de domeinnaam ‘ [internetsite 1] ’ maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis, heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam ' […] ' al langere tijd succes.
De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [verdachte] (de islamitische bijnaam van de verdachte) . Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al-Assad” en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden.
De overledenen werden bewierookt als martelaars. “ Indringend komt de onderliggende boodschap van de website naar voren in een brief, in juni 2014 gepubliceerd op de site als reactie op een schrijven van het NCTV: "Wij van [internetsite 1] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam. En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij : “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!” “ Het hof is van mening dat de strekking van de website [internetsite 1] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien. “ Daarbij merkt het hof nog het volgende op. “ Als gezegd is het een feit van algemene bekendheid dat het er bij social media om gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden met betrekking tot – kort gezegd – de gewapende strijd in Syrië – een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Ook de stelling dat het door [internetsite 1] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [internetsite 1] – voor een Nederlandse site – goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende 'twist' . “ Illustratief daarvoor is het filmpje waarop een uitzending van Nieuwsuur van 23 april 2013 is te zien. Daarin spelen [betrokkene 1] en de verdachte de hoofdrol. Zij leggen uit wat de jongens in Syrië bezielt. Op [internetsite 1] begint de uitzending met een citaat van Osama Bin Laden: "De gelukkigst is hij wiens Allah hem als martelaar heeft gekozen”. Ook de vele nieuwsberichten over concreet ‘martelaarschap’ zijn ronduit opruiend.De volgende vraag is: was er bij de verdachte sprake van het voor medeplegen vereiste van nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] ? Was zijn (intellectuele) bijdrage aan het beheer van deze website van voldoende gewicht?
“ Uit het dossier blijkt dat de domeinnaam [internetsite 1] van [C] (waar de verdachte als initiatiefnemer samen met [medeverdachte 4] bij betrokken was) op naam is gezet van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] en de verdachte spraken met enige regelmaat over de inhoud en strategie van de site. Daarbij gebruikte [medeverdachte 4] de verdachte als klankbord en adviseur. De verdachte beschikte ook over autorisatie om zelf stukken op de site te plaatsen. “ Het hof leidt daaruit af dat de verdachte wist wat de bedoeling was van de website. De verdachte leverde een bijdrage aan [internetsite 1] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van de verdachte waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [internetsite 1] , [medeverdachte 4] . Er is sprake van medeplegen.B [I] Ook over [I] werd overleg gevoerd door de verdachte en [medeverdachte 4] . Uit het dossier blijkt echter niet van een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt, en daarom zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.C Diverse films op de website www.youtube.comFilm ‘Sta op voor Syrië’ “ Niet kan worden vastgesteld op welk moment het filmpje kortheidshalve aangeduid als ‘Sta op voor Syrië’ is geproduceerd en door wie het wanneer op het internet is geplaatst. “ Bepaald niet is uitgesloten dat een en ander valt buiten de ten laste gelegde periode. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. “ Film ‘Oh oh Aleppo’ “ Aan de verdachte is gevraagd kritiek te leveren op de film ‘Oh Oh Aleppo’. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verdachte dat inderdaad heeft gedaan, en ook overigens blijkt op dit punt niet van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met medeverdachten. De verdachte zal voor dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. “ Film ‘Erkenning kalifaat’ “ De verdachte heeft meegewerkt aan de ‘felicitatiefilm’ die in het dossier te boek staat als ‘erkenning van het kalifaat’. Het is de vraag of deze film opruiend is. Er wordt gejuicht voor het kalifaat – waarbij de zegelvlag wordt getoond – maar niet wordt gesproken over afreizen naar Syrië teneinde daar te strijden. De steun voor IS wordt in zeer algemene zin uitgesproken; er wordt niet gerept over strijd of martelaarschap. Van opruiing in de zin van de wet kan niet worden gesproken. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.Film ‘video Al Adnani’
“ Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier) en dit de enige feitelijkheid is in dit ten laste gelegde onderdeel zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.D Het plaatsen van Facebookberichten Uit hetgeen op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de door het openbaar ministerie bij requisitoir met name genoemde personen ( [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] ) ten aanzien van in dit onderdeel van de tenlastelegging genoemde gedragingen. “ De verdachte zal derhalve van die gedeelten van het onder D ten laste gelegde die medeplegen betreffen worden vrijgesproken. “ Wel heeft de verdachte zelf op 18 mei 2014 het bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: [internetsite 3] ” op – zijn Facebookpagina geplaatst. Dat bericht is naar het oordeel van het hof evident opruiend.Resteert de vraag omtrent verdachtes handelen ter zake de Facebookpagina's [naam 5] . “ Het hof overweeg hieromtrent het volgende. “ De Facebookpagina's [naam 3] en [naam 5] hebben een identieke inhoud ('content'). Hierna zal alleen worden gesproken over ‘de Facebookpagina’ of ‘[naam 3]’, waarbij dan op beide pagina’s wordt gedoeld. “ De politie heeft de Facebookpagina bestudeerd over de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014; het kan hier derhalve alleen gaan over hetgeen over die periode uit het dossier blijkt.Is de Facebookpagina [naam 3], gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend te noemen? “ De politie relateert het, de deskundige Peters bevestigt dat beeld en ook het hof komt, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, niet tot een ander oordeel. “ De Facebookpagina kent onder meer als netwerkpartners [internetsite 1] en YouTubekanaal [K], put haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en plaatst onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten en berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Men is ook op zoek naar nieuwe redacteuren en leest dan bij ‘voorwaarden’ (onder meer) “wij delen positief nieuws over #Dawlah_Islamiya en #Jabhat_Nosrah, (…) wij bieden geen podium aan Sjieten, PKK/YPG, FSA/Jahba Islammiyah etc, groepen”.
“ De pagina is opruiend en de verdachte was, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk.Voor wat betreft de Facebookberichten genoemd onder D. overweegt het hof nog het volgende. “ De al eerder omschreven benadering van het hof brengt met zich mee dat de ten laste gelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang. Dat brengt met zich mee dat ook ten laste gelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigen van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst [ik, EH, begrijp: en] gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt. “ Ook voor deze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media: het gaat erom de aandacht van lezers te trekken en ze tot ‘volgen’ te verleiden en derhalve vervullen ook berichten die mogelijk op zichzelf beschouwd niet opruiend zijn een rol. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt bovendien versterkt door het gegeven dat de ‘content’ (de inhoud van de berichten) permanent is op te roepen.Het hof zal ten aanzien van het onder D. ten laste gelegde komen tot een bewezenverklaring waarin niet (de categorieën) berichten afzonderlijk zullen worden benoemd en bewezen. De ten laste gelegde berichten die het openbaar ministerie aan de categorisering ten grondslag heeft gelegd, zijn opruiend, als gezegd omdat zij op een website met een opruiende strekking staan, waarin een en ander in samenhang moet worden bezien. Het hof schaart zich niet (geheel) achter de conclusies die het openbaar ministerie heeft neergelegd in de feitelijke uitwerking van de tenlastelegging, nog daargelaten dat, meer in het algemeen conclusies zich niet lenen voor bewezenverklaring. Vandaar dat die onderdelen uit de tenlastelegging zullen worden gestreept.Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 2B (tweede cumulatief/alternatief) “ Het hof overweegt dat het onder 2A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De Facebookpagina's van [naam 3] en [verdachte] en de website [internetsite 1] waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden. “ Anders dan onder 2A is aan de verdachte onder 2B sub D tevens ten laste gelegd dat de verdachte een opruiende audioboodschap van Al-Adnani heeft verspreid op de (besloten) ‘ [naam 4] ’.
“ Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier) en dit de enige feitelijkheid is in dit ten laste gelegde onderdeel zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.”
III. Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten 16. De tenlastelegging en de bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder 1A en 2A omschreven feiten zijn toegesneden op art. 131, eerste lid in verbinding met het tweede lid, Sr, en de tenlastelegging en bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder 1B en 2B omschreven feiten op art. 132, eerste lid in verbinding met het derde lid, Sr. Het hof heeft de bewezenverklaarde feiten dienovereenkomstig gekwalificeerd op de wijze zoals hiervoor onder randnummer 1 weergegeven.
Art. 131 Sr:“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”Art. 132 Sr:“1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.2. […]3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”
IV. Het eerste middel: bewezenverklaring van het plaatsen van een of meer berichten op Facebookpagina [naam 3] 21. Het eerste middel ziet op de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten, voor zover deze betrekking hebben op “het plaatsen van (een) Facebookbericht(en) [...] op de Facebookpagina “ [naam 5] ”. Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om in zoverre geen van de door het Openbaar Ministerie op de tenlastelegging geïndividualiseerde berichten bewezen te verklaren, maar wel bewezen te verklaren dat de verdachte zich door het plaatsen van een of meer Facebookberichten op die pagina aan de delicten van art. 131 Sr en art. 132 Sr heeft schuldig gemaakt. Tegen deze beslissing keert het middel zich met twee klachten. Ten eerste zou het hof een uitleg aan de tenlastelegging hebben gegeven die met de strekking ervan en met de bedoeling van de opsteller onverenigbaar is. Ten tweede klaagt het middel – in mijn woorden – dat dit onderdeel van de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, doordat uit de bewijsvoering niet (voldoende) kan worden afgeleid dat de verdachte als pleger dan wel als medepleger verantwoordelijk is voor de op de Facebookpagina [naam 3] geplaatste berichten.
Het hof heeft echter de bij de wijziging tenlastelegging toegevoegde zinsnede evenmin bewezenverklaard. Noch de gespecificeerde uitingen, noch de algemene subsidiaire “uitingen van gelijke aard en/of strekking” maken dus deel uit van de bewezenverklaring. Dat het hof (ook) niet voor de subsidiaire variant heeft gekozen, laat zich overigens goed verklaren. Uit de nadere bewijsoverwegingen blijkt namelijk dat het hof weliswaar van oordeel is dat de aan de verdachte tenlastegelegde uitingen (deels) kunnen worden bewezenverklaard, maar ook dat het hof welbewust ervan heeft afgezien nader te specificeren van welke uitingen het bewezen verklaart dat de verdachte ze – al dan niet in vereniging met een of meer anderen en/of als functioneel dader – op de Facebookpagina [naam 3] heeft geplaatst.
27 Wat betreft (i) het opruiende karakter van de berichten heeft het hof overwogen dat de “al eerder omschreven benadering van het hof [...] met zich [brengt] dat de ten laste gelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang.” De door het hof eerder omschreven benadering waarin het de vraag of de tenlastegelegde uitingen een opruiend karakter hebben niet louter beoordeelt aan de hand van de inhoud en strekking van die uitingen, maar mede afhankelijk stelt van, of zelfs overwegend gewicht toekent aan de context waarin die uitingen zijn gedaan, acht ik tot op zekere hoogte verdedigbaar. In mijn bespreking van het tweede middel kom ik daarop nader terug.
Met verwijzing naar die bespreking volsta ik hier met de notificatie dat naar mijn mening bij de beantwoording van de vraag of een bericht ‘opruit tot enig strafbaar feit’ als bedoeld in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr zonder twijfel ook de context waarin de uiting is gedaan betrokken kan worden. Uitingen, zoals Facebookberichten, behoeven in dat geval niet telkens ieder op zich (geïsoleerd van de context) te worden onderzocht. In die zin versta ik de overweging van het hof dat het in beginsel bij de beoordeling van social media berichten niet bij elk tenlastegelegd bestand afzonderlijk zal ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is, en dat de inhoud van die afzonderlijke berichten uiteraard een rol [speelt], maar dat doorslaggevend is de vraag wat de strekking van de berichten is in samenhang bezien.
Een stap te ver naar mijn mening, gaat het hof met zijn overweging dat de strekking van een website of een Facebookpagina opruiend is en dat daarom de via dat medium gepubliceerde (tenlastegelegde) uitingen, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het enkele feit dat zij op die website of Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien. En ten aanzien van de berichten op de Facebookpagina [naam 3] overweegt het hof geen van de berichten afzonderlijk te zullen beoordelen – dit is gezien de bewezenverklaring en bewijsvoering geen kennelijke vergissing –, en lijkt het hof ervan te zijn uitgegaan dat – omgekeerd – de context van die opruiende Facebookpagina hier allesbepalend is en dat ten gevolge daarvan elk op die Facebookpagina geplaatst bericht reeds zonder meer opruiend is, ongeacht de inhoud en strekking van dat bericht zelf.
Voor de duidelijkheid parafraseer ik de desbetreffende overwegingen van het hof (vgl. randnummer 14). Het hof stelt zich eerst de vraag of de Facebookpagina [naam 3] , gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend is te noemen. Deze vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord. Het hof stelt vervolgens vast dat deze Facebookpagina onder meer als netwerkpartners [internetsite 1] en YouTubekanaal [K] kent, haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen put, die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten plaatst evenals berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt.
Het hof oordeelt dat de pagina opruiend is en de verdachte, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk is. Dan overweegt het hof voor wat betreft de berichten op Facebookpagina [naam 3] genoemd onder D., dat de al eerder omschreven benadering van het hof met zich brengt dat de tenlastegelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk (mijn cursivering, EH) zullen worden beoordeeld maar in samenhang. Dat brengt, aldus het hof, vervolgens mee dat tenlastegelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt en dat ook voor déze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media.
Dit oordeel is, meen ik, minst genomen niet (zonder meer) begrijpelijk. Het laat zich in mijn ogen niet (goed) denken dat een medium (in zijn geheel) van dien aard is dat in elk zich voordoend geval de enkele omstandigheid dat een uiting door middel van dat medium is gedaan, alleen al om die reden zelfstandig een voltooid opruiingsdelict – of breder: een voltooid uitingsdelict – oplevert, zelfs als op zichzelf genomen de inhoud en de strekking van de uiting onschuldig zijn.
Voor zover deze overwegingen géén betrekking hebben op de Facebookpagina [naam 3] en het hof ten aanzien van deze Facebookpagina wél medeplegen heeft willen aannemen, heeft het hof dat oordeel, mede in het licht van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het hof te dien aanzien heeft aangenomen dat géén sprake is van medeplegen en de verdachte als pleger van het plaatsen van de individuele berichten moet worden aangemerkt, kan dat niet worden afgeleid uit de door het hof gebezigde bewijsvoering. De bewijsmiddelen houden in zoverre immers slechts in dat de verdachte één van de redacteuren van de Facebookpagina [naam 3] was, dat hij stukken postte op deze pagina, dat tien redacteuren allen onder dezelfde naam postten, dat er dertig tot vijftig berichten per dag werden geplaatst en dat de verdachte de strekking van de pagina en het type berichten dat erop werd geplaatst kende.
Daaruit volgt echter niet dat de verdachte de pleger is van het plaatsen van de 25 in de bewijsmiddelen opgenomen berichten op die Facebookpagina.
Ik zie dit anders. De uitgebreide bewijsmotivering laat wellicht zien dat het hof zich moeite heeft getroost om tot een sluitende bewijsvoering te komen, maar zegt niets over de aard en de ernst van het aldus bewezenverklaarde. Ook als het eerste middel terecht is voorgesteld, acht ik het gezien de aard en ernst van de resterende (onderdelen van) bewezenverklaarde feiten volkomen onaannemelijk dat het hof ten aanzien van het op dagvaarding I onder feit 3 tenlastegelegde feit en/of de strafoplegging tot een andere beslissing zou zijn gekomen als het de verdachte van het plaatsen van berichten op de Facebookpagina [naam 3] had vrijgesproken. Bij deze stand van zaken bestaat bij partiële vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak in zoverre, onvoldoende rechtens te respecteren belang.
V. Het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ V.1 Het middel 33. Het tweede middel bevat diverse deelklachten die zijn gericht tegen de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten. Gemeenschappelijk aan deze deelklachten is in de kern, dat het hof aan de in de bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder feit 1A en 2A tenlastegelegde feiten voorkomende woorden “heeft opgeruid tot enig strafbaar feit”, respectievelijk de in de bewezenverklaringen van de op de dagvaardingen I onder feit 1B en 2B tenlastegelegde feiten te lezen zinsnede “waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid”, een onjuiste, want te ruime, uitleg zou hebben gegeven, althans het oordeel dat van “opruien tot enig strafbaar feit” sprake is, mede in het licht van de dienaangaande door de verdediging gevoerde verweren, onbegrijpelijk zou zijn of ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
Het tweede onderdeel, “tot enig strafbaar feit”, heeft hoofdzakelijk betrekking op het ‘iets’ waartoe wordt opgeruid. De steller van het middel meent dat het hof met een ontoereikende mate van concreetheid heeft aangegeven tot het begaan van welk bepaald strafbaar feit de in de bewezenverklaring genoemde opruiende teksten waren gericht. In zoverre stelt het middel de reikwijdte van het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” aan de orde. Het is, ook in cassatie, nuttig voor ogen te houden dat het middel dus goed beschouwd twee kwesties aankaart. Omdat evenwel de beide bestanddelen nauw met elkaar samenhangen en interacteren, kies ik ervoor in de navolgende bespreking van de wetsgeschiedenis onderscheidenlijk rechtspraak beide aspecten niet strikt gescheiden te behandelen.
V.2 De wetsgeschiedenis 36. Als opgemerkt bevat het Wetboek van Strafrecht reeds sinds de invoering ervan de strafbaarstellingen van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Op hoofdlijnen kwam de formulering van de beide bepalingen toentertijd al overeen met de huidige wettekst van art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Het voor de beoordeling van het eerste middel meest relevante verschil met nu, is dat de toen ingevoerde bepalingen nog enkel de opruiing “tot eenig strafbaar feit” bestreken, en dus niet ook die “tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. Art. 132, eerste lid, Sr onderging in 1934 een ingrijpende wijziging wat betreft het vereiste schuldverband. Sindsdien is voor de vervulling van dat delict niet meer nodig dat de delictsgedragingen worden begaan met het oogmerk ruchtbaarheid aan de opruiende inhoud te geven.
Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling een strafbaar feit en bijgevolg de opruiing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140 (131) strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt behelzen zij geen dringend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te zijn. Er bestaat geen rechtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruiing tot een daad, die zelve straffeloos is”.Bij de toelichting van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië, dat in den hierbedoelden zin eene uitbreiding bevat van art 131 van het Nederlandsche Strafwetboek, wordt dit laatste argument bestreden met de volgende opmerking: "Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achten we dan ook in de algemeenheid minder juist.
Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de "openbare orde" begaan, kan het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden”.En dit laatste is niet alleen in de Indische maar ook in de Nederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft ook hier te lande geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld.
Tegenover de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden machteloos. Op allerlei wijze kan de algemeene rechtsveiligheid worden bedreigd en in gevaar gebracht door eene opruiing in algemeene termen, zonder dat deze onder art. 131 valt.Hierin ligt een afdoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel. Tot welk gewelddadig verzet in het openbaar ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien maar niet een bepaald strafbaar feit daarbij wordt aangeduid.De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opruiing strafbaar te stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een feit in strijd met een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde.”
V.3 De huidige politieke context 46. De opruiingsdelicten kwamen weer in de politieke belangstelling te staan toen minister Donner van Justitie in 2005 voorstelde om strafbaar te stellen het “verheerlijken, vergoelijken, bagatelliseren of ontkennen van terrorisme en van grootschalige internationale misdrijven, welke verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of ontkenning, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren”. Tegen dit voorstel bestond veel weerstand. In dezelfde periode werd binnen het verband van de Raad van Europa geïnventariseerd hoe op de terroristische aanvallen van 11 september 2001 en daarna adequaat kon worden gereageerd. Met het oog daarop deed het T.M.C.
Asser Instituut in opdracht van het Comité van Ministers van de Raad van Europa onderzoek naar de nationale wettelijke regelingen van en ervaringen met opruiing tot en apologie van onder meer terrorisme. Eén van de conclusies van het onderzoek was dat de meeste lidstaten geen specifieke strafbaarstelling van apologie van en opruiing tot terrorisme kennen en de noodzaak tot zo een strafbaarstelling niet evident is, terwijl met het eventueel strafbaar stellen van in het bijzonder apologie zeer voorzichtig moet worden omgegaan, gezien de mate waarin zo een strafbaarstelling de vrijheid van meningsuiting zou beperken. De Nederlandse regering vat de teneur binnen de Raad van Europa zo samen dat “voor strafbaarstelling van opruiing tot terrorisme veel meer steun [...] [bestaat] dan voor strafbaarstelling van apologie als zodanig; die gedraging was in de ogen van een meerderheid van de delegaties te vaag om tot strafbaarstelling te leiden, en waarbij vooral werd gevreesd voor een ongewenste strafrechtelijke beperking van fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting.”Het uiteindelijk vastgestelde Verdrag ter voorkoming van terrorisme legt partijstaten de verplichting op om het publiekelijk uitlokken tot het plegen van terrorisme (art. 5) en het werven voor terrorisme (art. 6) strafbaar te stellen.
Mede op basis van consultatieadviezen die over het conceptwetsvoorstel van Donner tot strafbaarstelling van apologie waren uitgebracht, besloot de regering er verder geen uitvoering aan te geven. Het draagvlak voor strafbaarstelling van apologie in de rechtspraktijk werd niet groot geacht. Daarnaast zou het lastig zijn om een strafbaarstelling vorm te geven die enerzijds voldoende precies, voorzienbaar en EVRM-proof zou zijn, maar anderzijds ook nog relevante “toegevoegde waarde heeft ten opzichte van hetgeen reeds strafbaar is, zoals opruiing.”Ter uitvoering van art. 5 van het Verdrag ter voorkoming van terrorisme werd het apologieverbod bovendien niet nodig geacht, want “de strafbaarstelling van het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf, waaronder het indirect bepleiten ervan, kan reeds worden gevonden in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht”.
De Raad van State benadrukt dat de beslissing van de rechtbank in de Context-zaken niet onherroepelijk is, nuanceert de in de memorie van toelichting geschetste voorstelling van de vonnissen van de rechtbank en betoogt dat de initiatiefneemster onvoldoende in staat is gebleken strafwaardige voorbeelden te noemen die naar huidig recht niet reeds vervolgbaar en bestrafbaar zijn.
V.4 De rechtspraak van de Hoge Raad 50. In de recente, dat wil zeggen van deze eeuw daterende, gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad komt de reikwijdte van de opruiingsdelicten slechts zeer sporadisch aan de orde. Wel boog zich kort geleden een zetel van vijf raadsheren over een zaak waarin de verdachte was vervolgd voor een door hem in de Schilderswijk te Den Haag opgeplakte poster waarin tot opstand tegen de politie werd opgeroepen. In die zaak was niet opruien tot enig strafbaar feit tenlastegelegd en bewezenverklaard, maar opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Te restrictief is de opvatting dat van dit laatste slechts sprake is indien uitlatingen zijn gericht op het op onrechtmatige wijze omver willen werpen van de Nederlandse regering, zo besliste de Hoge Raad. Voor de onderhavige zaak meer van belang is dat het middel eveneens faalde voor zover werd geklaagd over het oordeel dat de poster aanspoorde tot gewelddadig optreden tegen de politie. Door te overwegen dat de tenlastegelegde uitingen moeten worden bezien in onderling verband en in hun context, te weten de inhoud van de gehele poster, had het hof de juiste maatstaf aangelegd. Voor het overige was dit – zo begrijp ik het oordeel van de Hoge Raad – vooral een feitelijke kwestie en was het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Of voldoende verband bestaat met enig strafbaar feit achtte hij een geheel feitelijke kwestie. De Hoge Raad overwoog – enigszins anders – dat “bij art. 131 Strafrecht wel is waar niet elke opruiing strafbaar is gesteld; [...] dat de strafbaarheid zich alleen bepaalt tot opruiing tot een strafbaar feit, waaruit volgt, dat daarbij zoodanig bepaald feit, al is het niet noodig daartoe de juiste woorden der wet te gebruiken, moet zijn aangeduid, en dat alzoo in dien zin rechtstreeks een strafbaar feit moet zijn aangewezen, waartoe wordt opgeruid.” Dat opruiing in die zin vereist dat rechtstreeks een strafbaar feit wordt aangewezen, dus in de zin dat een bepaald strafbaar feit wordt aangeduid, zij het niet noodzakelijk met de juiste woorden der wet, werd nadien vaste rechtspraak.
In dat verband is in het bijzonder HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v. van belang, ofschoon het een geval van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag betrof. Bewezenverklaard was dat de verdachte op een openbare vergadering werklozen had aangespoord tot bezetting van openbare gebouwen. Geklaagd werd onder meer dat het ‘bezetten’ van een gebouw zeer goed mogelijk is zonder enig geweld. De Hoge Raad legt echter uit dat het gaat om een bezetting van overheidsgebouwen die volstrekt niet onbezet zijn. Vervolgens overweegt hij dat de met openbaar gezag beklede personen de inbezitneming van die gebouwen niet zullen mogen dulden en ook niet zullen dulden.
Omdat deze bezetting derhalve “niet denkbaar is zonder gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, is die aansporing terecht als eene strafbare opruiing aangemerkt”, aldus de Hoge Raad. Het arrest laat zien dat ook van strafbare opruiing sprake kan zijn indien de in de uitingen omschreven daden waartoe wordt aangespoord zelf weliswaar niet zonder meer een “gewelddadig optreden” (of “enig strafbaar feit”) behelzen, maar het niet denkbaar is, of het niet anders kan zijn dan, dat de uitvoering ervan met gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag respectievelijk met enig strafbaar feit gepaard zal gaan.