PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/04251 Zitting 1 november 2019 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak [de docent] tegen Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim. De overeenkomst voor bepaalde tijd tussen een als zelfstandig beroepsbeoefenaar werkzame docent en een onderwijsinstelling is niet verlengd nadat het bestuur ‘signalen’ had ontvangen over − voor een docent − niet passend gedrag van deze docent tegenover studenten. In dit geding vordert de docent vergoeding van gederfde inkomsten en smartengeld. In cassatie gaat het om de vraag of in dit geval de norm van art. 7:658 BW geschonden is en om de vraag of de onderwijsinstelling voldoende moeite heeft gedaan om de juistheid van de signalen te onderzoeken. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof in het bestreden arrest heeft vermeld onder 2.2 - 2.12. Deze houden in het kort het volgende in. (
(2006), blz. 101-109; S.D. Lindenbergh, Aansprakelijkheid van de werkgever voor psychisch letsel, MvV 2005, blz. 86 – 89, en voorts de conclusie van de A-G Spier voor HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2619 (betreffende schade van een werknemer als gevolg van burn-out). Zie (punt 5 van) de NJ-noot van T. Hartlief onder het arrest; A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata I, 2018, blz. 668 -
- Zie SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, 2019/48, aantek. C.2.3 (C.M. Aarts). Deze verwijst onder meer naar HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6717, NJ 2008/462 en HR 5 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1463, NJ 2005/
- HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 m.nt. G.J. Scholten. Zie SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, 2019/48, aantek. C.2.4 (C.M. Aarts), met verdere vindplaatsen aldaar. Zie over de voorgeschiedenis van deze uitbreiding van de aansprakelijkheid: de alinea’s 6.6 – 6.9 van de conclusie van de A-G Spier voor HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290, NJ 2006/147 m.nt. C.J.H. Brunner, met verdere vindplaatsen. Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 1997/98, 25 263, nr. 14, blz.
- Zie, ter vergelijking, het geval van de reclasseringsmedewerker die thuis werd mishandeld door een (gewezen) cliënt van de reclassering (HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD2996, NJ 1999/534 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.3). A-G Spier heeft, in alinea 6.6 van zijn hiervoor genoemde conclusie voor HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290 − m.i. terecht − aangenomen dat in die zaak geen aansprakelijkheid werd aangenomen, “juist omdat het aan zeggenschap van de werkgever over de privé-omgeving van de werknemer ontbrak”. Zie voor het verruimde begrip ‘werkgever’ in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet: art. 1 lid 2 van die wet. Deze bepalingen golden ook in januari
- Zie voorts: A.C.M. van Vliet, Handboek Personenschade, 2025.9.
- Zie over het leerstuk van ‘afgebroken onderhandelingen’ onder meer: Asser/Sieburgh, 6-III, 2018/193 e.v. Het middel verwijst in dat verband naar de memorie van antwoord, nr.
- Zie alinea 3.6 en 3.7 hiervoor.