ECLI:NL:PHR:2019:1240
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/02493 Zitting 3 december 2019 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte.
I. Inleiding De verdachte is bij arrest van 25 mei 2018 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en drie maanden, met aftrek van voorarrest, wegens feit 1A “medeplegen van het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en het in het openbaar bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 1B “medeplegen van het verspreiden van een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en een geschrift waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 2A “het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 2B “een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 4A “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” en feit 4B “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.
Daarnaast heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van zes inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte afgewezen.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/02548, 18/02560 en 18/02561. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
I. Inleiding (1 – 6) II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding (7 – 12) III. Het eerste en het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ (13 – 66) III.1 Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten (13 – 17) III.2 De middelen (18 – 20) III.3 De wetsgeschiedenis (21 – 30) III.4 De huidige politieke context (31 – 34) III.5 De rechtspraak van de Hoge Raad (35 – 42) III.6 Tussenbalans (43 – 45) III.7 Beoordeling van het eerste middel (46 – 59) III.8 Beoordeling van het tweede middel (60 – 66) IV. Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven (67 – 95) IV.1 Het middel en de bewijsvoering (67 – 70) IV.2 Het oogmerk van de organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr (71 – 82) IV.3 Deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr (83 – 95) V. Het vierde middel: vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting (96 – 141) V.1 Het middel en de relevante overwegingen van het hof (96 – 99) V.2 Art. 17 EVRM (100 – 117) V.3 Inbreuk op art. 9 EVRM (118 – 131) V.4 Voorzienbaarheid van de inbreuk op grondrechten (132 – 137) V.5 Toetsing aan art. 6 Gw en art. 7 Gw (138 – 141) VI. Het vijfde middel: redelijke inzendtermijn (142 – 144) VII. Slotsom (145 – 147) II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding 7. Ter zake van de onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en- berichten op de website van [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootste Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars” niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”, enB. het beheren van de digitale radiozender [H] en op deze radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore te brengen, te weten:
Ter zake van de onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “2A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijf hij in de periode van 1 april 2014 tot en met 31 juli 2014,in Nederland,in het openbaar, bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten: het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,door:het plaatsen van berichten en/of filmpjes op social media (twitter), te weten tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [naam 1] , te weten (zakelijk weergegeven):- 12 april 2014 betreffende “opeens heb je het, je toekomst ligt in het paradijs” (in combinatie met een foto van een strijder); en- 13 april 2014 betreffende een foto van strijders en de tekst “Nederlandse Mujahideen in Syrië, hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het Paradijs Shaam al Malaahim!”; en- 5 mei 2014 betreffende “Zitten er nog NL’ers tussen? * hoopt* [naam 2] : Nieuwe foto van enkele nieuwe rekruten van #ISIS in #Syrië”; en- 6 mei 2014 betreffende “Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabilillah. Twee graranties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant”.EN 2B (tweede cumulatief/alternatief): verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal hij in de periode van 1 april 2014 tot en met 31 juli 2014,in Nederland,geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten: het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft hij, verdachte, berichten geplaatst op social media (twitter), te weten tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [naam 1] , te weten (zakelijk weergegeven):- 12 april 2014 betreffende “opeens heb je het, je toekomst ligt in het paradijs” (in combinatie met een foto van een strijder); en- 13 april 2014 betreffende een foto van strijders en de tekst “Nederlandse Mujahideen in Syrië, hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het Paradijs Shaam al Malaahim!”; en- 5 mei 2014 betreffende “Zitten er nog NL’ers tussen? * hoopt* [naam 2] : Nieuwe foto van enkele nieuwe rekruten van #ISIS in #Syrië”; en- 6 mei 2014 betreffende “Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabilillah.
Twee graranties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant”.
Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van deze bijlage volsta ik hier met verwijzing daarnaar.
In het bestreden arrest heeft het hof onder “Inleiding”, voor zover voor de beoordeling van de eerste twee middelen van belang, het volgende (hier met vernummering van de voetnoten) vooropgesteld: “De strijd in SyriëIn dit arrest wordt onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof - de Koran en de soenna - staat vermeld. In dit arrest gaat het specifiek over de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), het ‘kalifaat’ dat op 29 juni 2014 ook daadwerkelijk is uitgeroepen en bekend is geworden als IS. Centraal hier staat de strijd zoals die werd gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra.[...]In de context van dit arrest wordt, als er wordt gesproken over ‘jihadisme’ of ‘de Jihad’ gedoeld op geweldsactiviteiten geïnspireerd door bovengenoemd streven naar – en na 29 juni 2014 de voortzetting van – ‘het kalifaat’ in Syrië.[...] Terroristische strijdgroepen […] De jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia – zoals door hen gepercipieerd – opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en – om hun doel te bereiken – dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats.
De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst.De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime - kort gezegd - een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven.
Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.Ideologie van geweld door terreurgroepenRelevant voor deze strafzaak is dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de .’ongelovigen’, lees: sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen.
Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor alle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alléén aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt – met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking. Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en de medeverdachten deelden op hun eigen social media: daarop werden immers foto's van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina's als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen.
Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en de medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest.
Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie, die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt.
Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie, van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen.
De positie van de verdachte en de medeverdachten ten opzichte van de strijd in Syrië De antropoloog Martijn de Koning is in 2010/2011 gestart met een. onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek – uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier. Met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven.
Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens, met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande inner circle van de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie. Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd.
Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen - aldus nog steeds De Koning - op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd. De strijd door Ai Qaida en IS(IS) heeft, hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten.
Het hof concludeert dat na verontwaardiging over en protest tegen het optreden van het regime van Assad, het de verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf de zomer van 2012 primair ging om het vestigen van een kalifaat door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen zoals ISIL en Jabhat al-Nusra. Het hof verwerpt de verweren die als grondslag hebben dat de verdachte zich louter richtte tegen het regime Assad en door het regime gepleegde misdrijven.
Wetenschap verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij het nieuws over Syrië van nabij volgde via Nederlandse en buitenlandse (social) media. Hij beheerde vanaf 23 april 2013 de website [internetsite 1] , die snel uitgroeide tot de belangrijkste spreekbuis van de activisten die zijn vertrokken naar Syrië. Dit gebeurde bijvoorbeeld door als eerste nieuws en achtergronden te brengen over gesneuvelde kameraden in Syrië (‘martelaars’). Zo maakt deze website op 29 juli 2013 melding van de dood van [betrokkene 16] ( [betrokkene 16] uit [plaats] ), die om het leven was gekomen bij een vuurgevecht in Aleppo.
Het hof concludeert dat de verdachte ruim voor zijn aanhouding op de hoogte was van de terroristische misdrijven die in de gewapende jihad in Syrië werden gepleegd”
Ten aanzien van het bewijs van de onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten heeft het hof het volgende overwogen: “Ten aanzien van het onder 1A, sub A ten laste gelegde ( [internetsite 1] ) Het hof stelt vast dat de verdachte de beheerder is geweest van de website [internetsite 1] die in mei 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen van [C] (hierna: de Stichting) en heeft de site ingericht. Hij was tevens eindredacteur.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 januari 2012 en 27 augustus 2014 op de website zijn geplaatst.
De politie heeft de inhoud van de websites onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014.
De vraag is of deze (re)tweets kunnen worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet.
Daarvan is in elk geval sprake als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbaar handelen (waarbij het in casu gaat om, kort gezegd, het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië).Niet beslissend is of iemand zich tot dat feit aangezet voelt, maar of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit gebracht zou kunnen worden.
Ook beïnvloeding op indirecte wijze kan opruiend zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen.
De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval zou dit bijvoorbeeld kunnen zijn omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied in Syrië en zich daar aan te sluiten bij IS(IS) of Jabhat al-Nusra. Het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië. en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en is daarom opruiend. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.
Het hof stelt vast, dat meerdere in de tenlastelegging omschreven bestanden weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel een onmiskenbaar opruiend karakter hebben. Het gaat telkens om sterk suggestieve uitlatingen (verheerlijking van de strijd en het martelaarschap) die daarvoor vatbare geesten kunnen aansporen daadwerkelijk naar het strijdgebied in Syrië te vertrekken.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dat in elk geval geldt voor de preken van Abou Yazeed getiteld ‘Het Graf’ en ‘Jihaad voor Allah’. Ook in de opiniebijdragen van [betrokkene 21] worden IS(IS) en Al Qaida openlijk verheerlijkt (bijvoorbeeld in de opiniebijdragen van [betrokkene 21] : AIVD, het traject van leugens en bedrog, en ‘Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog’).
Er zijn ook bestanden opgenomen in de tenlastelegging die op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot strafbaar handelen of waarover kan worden getwijfeld. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat de preek ‘Drie grote tekenen voor de dag des oordeels’ van Abou Yazeed op zichzelf beschouwd niet opruiend is.
Het hof komt met betrekking tot een aantal ten laste gelegde bestanden tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het kiest voor een andere benadering. Het hof zal niet bij elk bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is (al is de inhoud van afzonderlijke content natuurlijk wel van belang), maar acht doorslaggevend het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien. Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website.
Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. De verdachte heeft de domeinnaam ‘ [internetsite 1] ’ maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam […] ' al langere tijd succes. De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven) artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [betrokkene 21] . Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd, dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al- Assad (...)” en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden. De overledenen werden bewierookt als martelaars.
Indringend komt de onderliggende boodschap van de website naar voren in een brief, in juni 2014 gepubliceerd op de site als reactie op een schrijven van het NCTV: “Wij van [internetsite 1] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam. En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij: “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!”
Het hof is van mening dat de strekking van de website [internetsite 1] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien.
Daarbij merkt het hof nog het volgende op.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het er bij social media om gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd in de tenlastelegging opgenomen onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende strekking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Dat geldt in elk geval voor de. berichten en bestanden die de verdachte zelf als ‘humoristisch’ of ‘sarcastisch’ of 'catchy’ (de anasheed) heeft aangemerkt. Als dat al zo is, dan staat dat aan opruiing in het geheel niet in de weg. Ook de stelling van de verdediging dat het door [internetsite 1] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [internetsite 1] - voor een Nederlandse site - goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende ‘twist’.
Illustratief daarvoor is het in de tenlastelegging opgenomen filmpje waarop een uitzending van Nieuwsuur van 23 april 2013 is te zien. Daarin spelen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] de hoofdrol. Zij leggen uit wat de jongens in Syrië bezielt. Op [internetsite 1] begint de uitzending met een citaat van Osama Bin Laden: “De gelukkigst is hij wiens Allah hem als martelaar heeft gekozen”. Ook de vele ten laste gelegde nieuwsberichten over concreet ‘martelaarschap’ zijn ronduit opruiend.Tezamen en in vereniging Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte tezamen met [medeverdachte 3] gehandeld.
De domeinnaam [internetsite 1] van de Stichting (waar [medeverdachte 3] als initiatiefnemer, samen met,de verdachte bij betrokken was) is op naam gezet van de verdachte. [medeverdachte 3] en de verdachte spraken met enige regelmaat over de inhoud en strategie van de site. Daarbij gebruikte de verdachte [medeverdachte 3] als klankbord en adviseur. [medeverdachte 3] beschikte ook over autorisatie om zelf stukken op de site te plaatsen. Niemand anders vervulde een soortgelijke functie voor de verdachte.
Daarnaast leverde [medeverdachte 3] een bijdrage aan [internetsite 1] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van [medeverdachte 3] waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [internetsite 1] , de verdachte. Er is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen.Ten aanzien van het onder 1A, sub B ten laste gelegde ( [H] ) [H] was een internet radiozender die zich profileerde als “hét islamitische radiostation voor Qur 'an. Lezingen en anasheed”.
Via internet heeft het nonstop programma's uitgezonden over de periode van 1 februari 2014 tot en met 29 maart van dat jaar. De verdachte was de beheerder en hij plaatste bestanden.
Veiliggesteld zijn de uitzendingen van dit radiostation over de periode van 04-03-2014 tot en met 14-03-2014 en de ‘playlist’. Uitgezonden werden onder meer twee lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten Hijrah en Jihad with te messenger of Allah, enkele in de tenlasteleggingen opgenomen anasheed (liederen) en een lezing van [betrokkene 3] van 14 februari 2014.
Hierboven is weergegeven hoe de benadering van het hof is terzake van opruiing op [internetsite 1] . Het hof zal ook ten aanzien van radio [H] het geheel bezien en de vraag beantwoorden of de bedoeling van het uitzenden van de programma's van [H] opruiend was.
Daarvoor wordt uiteraard gekeken naar de inhoud van afzonderlijke ten laste gelegde programma's, maar ook en met name naar de bedoeling van de beheerder, zoals die blijkt uit de (inrichting van de) internetzender. Daarbij valt allereerst de naam van die radiozender op. Diezelfde naam werd – in Duitsland – ook gebruikt door een ‘jihadistisch-salafistisch’ internetplatform. Als jihadistisch motief hebben de ghuraba' of te wel ‘vreemdelingen’ bovendien een bijzondere betekenis, zo legt [betrokkene 1] uit aan De Koning, een motief dat tevens word bezongen in een zeer bekende en populaire nashid (islamitisch a-capellalied). De naamgeving is, zeker voor een al in de strijd geïnteresseerde luisteraar, betekenisvol. Voorts blijkt uit de lijst van uitgezonden lezingen dat het uitsluitend gaat om lezingen van (inspiratoren van) de gewelddadige en gewapende jihad. Anwar al-Awlaki, [betrokkene 17] , [betrokkene 18] , [betrokkene 19] en [betrokkene 20] (de leider van [I] ) zijn allen te betitelen als radicale, jihadistische predikers. Anwar al-Awlaki is de leider van Al Qaida in het Arabisch Schiereiland en is een belangrijk inspirator van de gewelddadige en gewapende jihad. Zoals ook het ‘résumé’ van de verbalisant stelt kan hetgeen is aangetroffen over uitzendingen van het radiostation allemaal in verband gebracht worden met jihadistisch ideologische thema's.
Beziet het hof de liederen en de lezing van [betrokkene 3] die nog in het bijzonder in de tenlastelegging zijn omschreven op zichzelf beschouwd, dan kan van die lezing, (beter: preek) worden gezegd dat die ook zo bezien opruiend van aard is. De kennelijke bedoeling is aan te sporen om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in het midden oosten.
Ook de liederen van Abou Hafs zijn op zichzelf beschouwd opruiend te noemen.
De ‘onverslaanbare ideologie’ van ‘de soldaten van onze religie’ worden bezongen, de soldaten van de ‘blanke tirannie’ zullen verliezen ‘want zij wensen te leven en wij gaan liever dood’. De. leeuwen op het slagveld, de verheerlijking van de dood voor Allah, de zekerheid van het paradijs maken dat al met al de jihadstrijd (‘onze plicht’) zodanig wordt verheerlijkt dat dit luisteraars kan aanmoedigen mee te doen met die strijd.
Maar net als bij de ten laste gelegde uitingen op de website hierboven geldt ook hier, dat voor zover er in de tenlastelegging ‘onschuldige’ - dat wil zeggen mogelijk niet per se opruiende bestanden tussen de uitgezonden programma's zouden zitten, deze toch vanwege het feit dat zij op dit radiostation zijn uitgezonden wél als zodanig moeten worden gezien.
Daarbij merkt het hof nog het volgende op.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het er (ook) bij een internetradiostation om gaat, een publiek te vinden, en luisteraars te verleiden vaker op het station af te stemmen. Daarbij kunnen in dit geval derhalve ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – uitzendingen een nuttige functie vervullen, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van het radiostation, want leiden de lezers zodoende naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet.Dat geldt ook voor de in de tenlastelegging opgenomen uitzendingen waarvan de verdachte zelf zegt dat het niet zozeer om de boodschap gaat (bijvoorbeeld de anasheed). Als dat al zo is, dan staat dat aan opruiing in het geheel niet in de weg, integendeel: het opruiend karakter van de website wordt er juist door ondersteund.
Het radiostation [H] fungeerde als opruiende radiozender, en de verdachte, die die uitzendingen verzorgde, heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan opruiing.Ten aanzien van het onder 1A, sub C ten laste gelegde (www.youtube.com)Filmpje 'Sta op voor Syrië' Niet kan worden vastgesteld op welk moment het filmpje, kortheidshalve aangeduid als ‘Sta op voor Syrie’ is geproduceerd en door wie het, wanneer op het internet is geplaatst. Bepaald niet is uitgesloten dat een en ander valt buiten de ten laste gelegde periode. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Film ‘Oh oh Aleppo’ Op 24 juni 2014 is een dertig minuten durende film met de naam 'Oh oh Aleppo' op YouTube gezet. [betrokkene 1] is herkend. In de film, die naar het oordeel van de verdachte zelf een propagandafilm is worden de gewapende strijd en het martelaarschap verheerlijkt. Daarvan getuigt al het gezang in de introductie.
In vertaling luidt het eerste couplet: “O broeder, sta op en ga op je paard rijden Om je voor slagvelden voor te bereiden De glorie is op het slagveld der Jihad, je moet je wel haasten Niet denken aan je familie, kinderen of je kwartier (omgeving)’De film spoort zodoende aan om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en is derhalve opruiend.
De verdachte heeft er ook aan meegewerkt. In zijn computer is een document gevonden met de titel ‘Oh Oh Aleppo ondertiteling.docx’. De teksten daarin komen overeen met de ondertiteling in de film en zijn kennelijk door de verdachte voorzien van commentaar. [betrokkene 1] heeft op 19 juni 2014 aan de verdachte gevraagd of hij naar de film zou willen kijken en kritiek zou willen geven.
De verdachte bespreekt dit telefonisch met [medeverdachte 3] en zegt dat “hij wil kijken of die al online kan en dan kunnen we hem de komende dagen ook online zetten”. Zo is kennelijk ook geschied.
De verdachte heeft over de film bericht op zijn [internetsite 1] -Twitteraccount en heeft op 24 juni 2014 een bericht met een link naar de film gedeeld.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een essentieel aandeel gehad in het maken van de film. Hij was het eens met de opruiende boodschap en heeft zich daar achter geschaard en die opruiende boodschap ook gedeeld via internet op de ten laste gelegde wijze.
Film ‘Erkennen kalifaat’ In de film wordt gejuicht voor het kalifaat – waarbij de zegelvlag wordt getoond – maar niet wordt gesproken over afreizen naar Syrië teneinde daar te strijden. De steun voor IS wordt in zeer algemene zin uitgesproken. Er wordt niet gesproken over strijd of martelaarschap. Van strafbare opruiing kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken.
Daarom zal het hof de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Film ‘video Al Adnani’ De verdachte zou een opruiende videoboodschap van Al-Adnani (de woordvoerder van ISIL/ISIS) hebben gedeeld. Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier), zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.Ten aanzien van het onder 1B ten laste gelegde Het hof overweegt dat het onder 1A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De website [internetsite 1] , [H] en www.youtube.com waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.”
Met betrekking tot het bewijs van de feiten 2A en 2B heeft het hof het volgende overwogen: “Ten aanzien van het onder 2A ten laste gelegde (het Twitteraccount [naam 1] )De verdachte heeft het Twitteraccount [naam 1] beheerd.
Het dossier bevat onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen met welke intentie het account is ingericht en daarom zal het hof telkens per ten laste gelegd bericht vast stellen of dat als opruiend moet worden beoordeeld. Het tweede bericht van 12 april 2014 (een retweet) is naar het oordeel van het hof opruiend. Op die datum is er allang sprake van een breedgekende problematiek van ‘uitreizigers’ naar Syrië, en wordt deze afbeelding dan ook direct gelezen als verheerlijking van het martelaarschap en bijbehorend paradijs.
In deze context is de afbeelding juist in combinatie met een zogenaamd ‘grappige’ slagzin die blijft hangen evident opruiend, in die zin dat die (mede) kan aanzetten tot afreizen naar de strijd in het Midden-Oosten.
Een dag later volgt het vierde bericht, een retweet met opnieuw een quasi geestige slagzin, en een foto van strijders met de connotatie dat de toekomst in ‘het paradijs’ ligt. Ook deze retweet is naar het oordeel van het hof opruiend. Dat geldt eveneens voor het vijfde bericht (5 mei 2014), waarin volgens het bijschrift een foto wordt getoond van enkele nieuwe rekruten in Syrië en wordt gehoopt op Nederlanders daartussen. Ook bericht nummer 6 (6 mei 2014) tenslotte is opruiend: de tekst ‘Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabillillah. Twee garanties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant’ spreekt voor zich.Van de andere berichten zal worden vrijgesproken.
Bericht 1 van 12 april 2014 behelst geen aanmoediging af te reizen, er wordt gemeld dat voedsel en humanitaire hulp wordt geboden; bericht 3 van die datum is op zichzelf niet erg begrijpelijk, kennelijk een reactie op iets; bericht 7 lijkt met name gericht tegen de Nederlandse autoriteiten (zonder tot geweld op te roepen) en zet niet zozeer aan om af te reizen en te strijden in Syrië; bericht 8 tenslotte lijkt ook primair het tarten van de Nederlandse overheid te zijn, eerder dan een oproep af te reizen naar het strijdgebied in Syrië.
Ten aanzien van het onder 2B ten laste gelegde Het hof overweegt, dat het plaatsen van de ten laste gelegde bestanden op genoemd Twitteraccount in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. Het Twitteraccount was immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.”
III. Het eerste en het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ III.1 Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten 13. De tenlastelegging en de bewezenverklaring van de onder 1A en 2A omschreven feiten zijn toegesneden op art. 131, eerste lid in verbinding met het tweede lid, Sr, en de tenlastelegging en bewezenverklaring van de onder 1B en 2B omschreven feiten op art. 132, eerste lid in verbinding met het derde lid, Sr. Het hof heeft de bewezenverklaarde feiten dienovereenkomstig gekwalificeerd op de wijze zoals hiervoor onder randnummer 1 weergegeven.
Art. 131 Sr:“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”Art. 132 Sr:“1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.2. […]3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”
III.2 De middelen 18. Het eerste middel keert zich (primair) tegen de bewezenverklaringen en kwalificatiebeslissingen ten aanzien van de onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaringen en kwalificatiebeslissingen ten aanzien van de onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten. Gemeenschappelijk aan de klachten van deze middelen is in de kern, dat uit de bewijsvoering van het hof niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte “heeft opgeruid tot enig strafbaar feit”, respectievelijk geschriften heeft verspreid “waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid”, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte heeft opgeroepen tot (terroristische) misdrijven.
Het tweede onderdeel, “tot enig strafbaar feit”, heeft hoofdzakelijk betrekking op het ‘iets’ waartoe wordt opgeruid. De steller van het middel meent dat het hof met een ontoereikende mate van concreetheid heeft aangegeven tot het begaan van welk bepaald strafbaar feit de in de bewezenverklaring genoemde opruiende teksten waren gericht. In zoverre stelt het middel de reikwijdte van het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” aan de orde. Het is, ook in cassatie, nuttig voor ogen te houden dat het middel dus goed beschouwd twee kwesties aankaart. Omdat evenwel de beide bestanddelen nauw met elkaar samenhangen en interacteren, kies ik ervoor in de navolgende bespreking van de wetsgeschiedenis onderscheidenlijk rechtspraak beide aspecten niet strikt gescheiden te behandelen.
III.3 De wetsgeschiedenis 21. Als opgemerkt bevat het Wetboek van Strafrecht reeds sinds de invoering ervan de strafbaarstellingen van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Op hoofdlijnen kwam de formulering van de beide bepalingen toentertijd al overeen met de huidige wettekst van art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Het voor de beoordeling van het eerste middel meest relevante verschil met nu, is dat de toen ingevoerde bepalingen nog enkel de opruiing “tot eenig strafbaar feit” bestreken, en dus niet ook die “tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. Art. 132, eerste lid, Sr onderging in 1934 een ingrijpende wijziging wat betreft het vereiste schuldverband. Sindsdien is voor de vervulling van dat delict niet meer nodig dat de delictsgedragingen worden begaan met het oogmerk ruchtbaarheid aan de opruiende inhoud te geven.
Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling een strafbaar feit en bijgevolg de opruiing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140 (131) strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt behelzen zij geen dringend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te zijn. Er bestaat geen rechtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruiing tot een daad, die zelve straffeloos is”.Bij de toelichting van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië, dat in den hierbedoelden zin eene uitbreiding bevat van art 131 van het Nederlandsche Strafwetboek, wordt dit laatste argument bestreden met de volgende opmerking: "Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achten we dan ook in de algemeenheid minder juist.
Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de "openbare orde" begaan, kan het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden”.En dit laatste is niet alleen in de Indische maar ook in de Nederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft ook hier te lande geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld.
Tegenover de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden machteloos. Op allerlei wijze kan de algemeene rechtsveiligheid worden bedreigd en in gevaar gebracht door eene opruiing in algemeene termen, zonder dat deze onder art. 131 valt.Hierin ligt een afdoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel. Tot welk gewelddadig verzet in het openbaar ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien maar niet een bepaald strafbaar feit daarbij wordt aangeduid.De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opruiing strafbaar te stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een feit in strijd met een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde.”
III.4 De huidige politieke context 31. De opruiingsdelicten kwamen weer in de politieke belangstelling te staan toen minister Donner van Justitie in 2005 voorstelde om strafbaar te stellen het “verheerlijken, vergoelijken, bagatelliseren of ontkennen van terrorisme en van grootschalige internationale misdrijven, welke verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of ontkenning, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren”. Tegen dit voorstel bestond veel weerstand. In dezelfde periode werd binnen het verband van de Raad van Europa geïnventariseerd hoe op de terroristische aanvallen van 11 september 2001 en daarna adequaat kon worden gereageerd. Met het oog daarop deed het T.M.C.
Asser Instituut in opdracht van het Comité van Ministers van de Raad van Europa onderzoek naar de nationale wettelijke regelingen van en ervaringen met opruiing tot en apologie van onder meer terrorisme. Eén van de conclusies van het onderzoek was dat de meeste lidstaten geen specifieke strafbaarstelling van apologie van en opruiing tot terrorisme kennen en de noodzaak tot zo een strafbaarstelling niet evident is, terwijl met het eventueel strafbaar stellen van in het bijzonder apologie zeer voorzichtig moet worden omgegaan, gezien de mate waarin zo een strafbaarstelling de vrijheid van meningsuiting zou beperken. De Nederlandse regering vat de teneur binnen de Raad van Europa zo samen dat “voor strafbaarstelling van opruiing tot terrorisme veel meer steun [...] [bestaat] dan voor strafbaarstelling van apologie als zodanig; die gedraging was in de ogen van een meerderheid van de delegaties te vaag om tot strafbaarstelling te leiden, en waarbij vooral werd gevreesd voor een ongewenste strafrechtelijke beperking van fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting.”Het uiteindelijk vastgestelde Verdrag ter voorkoming van terrorisme legt partijstaten de verplichting op om het publiekelijk uitlokken tot het plegen van terrorisme (art. 5) en het werven voor terrorisme (art. 6) strafbaar te stellen.
Mede op basis van consultatieadviezen die over het conceptwetsvoorstel van Donner tot strafbaarstelling van apologie waren uitgebracht, besloot de regering er verder geen uitvoering aan te geven. Het draagvlak voor strafbaarstelling van apologie in de rechtspraktijk werd niet groot geacht. Daarnaast zou het lastig zijn om een strafbaarstelling vorm te geven die enerzijds voldoende precies, voorzienbaar en EVRM-proof zou zijn, maar anderzijds ook nog relevante “toegevoegde waarde heeft ten opzichte van hetgeen reeds strafbaar is, zoals opruiing.”Ter uitvoering van art. 5 van het Verdrag ter voorkoming van terrorisme werd het apologieverbod bovendien niet nodig geacht, want “de strafbaarstelling van het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf, waaronder het indirect bepleiten ervan, kan reeds worden gevonden in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht”.
De Raad van State benadrukt dat de beslissing van de rechtbank in de Context-zaken niet onherroepelijk is, nuanceert de in de memorie van toelichting geschetste voorstelling van de vonnissen van de rechtbank en betoogt dat de initiatiefneemster onvoldoende in staat is gebleken strafwaardige voorbeelden te noemen die naar huidig recht niet reeds vervolgbaar en bestrafbaar zijn.
III.5 De rechtspraak van de Hoge Raad 35. In de recente, dat wil zeggen van deze eeuw daterende, gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad komt de reikwijdte van de opruiingsdelicten slechts zeer sporadisch aan de orde. Wel boog zich kort geleden een zetel van vijf raadsheren over een zaak waarin de verdachte was vervolgd voor een door hem in de Schilderswijk te Den Haag opgeplakte poster waarin tot opstand tegen de politie werd opgeroepen. In die zaak was niet opruien tot enig strafbaar feit tenlastegelegd en bewezenverklaard, maar opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Te restrictief is de opvatting dat van dit laatste slechts sprake is indien uitlatingen zijn gericht op het op onrechtmatige wijze omver willen werpen van de Nederlandse regering, zo besliste de Hoge Raad. Voor de onderhavige zaak meer van belang is dat het middel eveneens faalde voor zover werd geklaagd over het oordeel dat de poster aanspoorde tot gewelddadig optreden tegen de politie. Door te overwegen dat de tenlastegelegde uitingen moeten worden bezien in onderling verband en in hun context, te weten de inhoud van de gehele poster, had het hof de juiste maatstaf aangelegd. Voor het overige was dit – zo begrijp ik het oordeel van de Hoge Raad – vooral een feitelijke kwestie en was het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Of voldoende verband bestaat met enig strafbaar feit achtte hij een geheel feitelijke kwestie. De Hoge Raad overwoog – enigszins anders – dat “bij art. 131 Strafrecht wel is waar niet elke opruiing strafbaar is gesteld; [...] dat de strafbaarheid zich alleen bepaalt tot opruiing tot een strafbaar feit, waaruit volgt, dat daarbij zoodanig bepaald feit, al is het niet noodig daartoe de juiste woorden der wet te gebruiken, moet zijn aangeduid, en dat alzoo in dien zin rechtstreeks een strafbaar feit moet zijn aangewezen, waartoe wordt opgeruid.” Dat opruiing in die zin vereist dat rechtstreeks een strafbaar feit wordt aangewezen, dus in de zin dat een bepaald strafbaar feit wordt aangeduid, zij het niet noodzakelijk met de juiste woorden der wet, werd nadien vaste rechtspraak.
In dat verband is in het bijzonder HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v. van belang, ofschoon het een geval van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag betrof. Bewezenverklaard was dat de verdachte op een openbare vergadering werklozen had aangespoord tot bezetting van openbare gebouwen. Geklaagd werd onder meer dat het ‘bezetten’ van een gebouw zeer goed mogelijk is zonder enig geweld. De Hoge Raad legt echter uit dat het gaat om een bezetting van overheidsgebouwen die volstrekt niet onbezet zijn. Vervolgens overweegt hij dat de met openbaar gezag beklede personen de inbezitneming van die gebouwen niet zullen mogen dulden en ook niet zullen dulden.
Omdat deze bezetting derhalve “niet denkbaar is zonder gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, is die aansporing terecht als eene strafbare opruiing aangemerkt”, aldus de Hoge Raad. Het arrest laat zien dat ook van strafbare opruiing sprake kan zijn indien de in de uitingen omschreven daden waartoe wordt aangespoord zelf weliswaar niet zonder meer een “gewelddadig optreden” (of “enig strafbaar feit”) behelzen, maar het niet denkbaar is, of het niet anders kan zijn dan, dat de uitvoering ervan met gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag respectievelijk met enig strafbaar feit gepaard zal gaan.
III.6 Tussenbalans 43. Samenvattend wijst de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad uit dat van “opruien” sprake is wanneer tot iets wordt aangespoord, opgehitst of aangezet, ongeacht of dat in hartstochtelijke of in bezadigde bewoordingen is verpakt en ongeacht of de opruiing afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden of eventualiteiten. Dat het moet gaan om opruiing tot “enig strafbaar feit” brengt mee dat uit de strekking van de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks een bepaald strafbaar feit moet kunnen worden aangewezen waartoe is aangezet of aangespoord. De strekking van de uitingen moet dus zodanig zijn dat uitvoering van de gedragingen waartoe zij aansporen een strafbaar feit oplevert, althans dat die gedragingen niet denkbaar zijn zonder dat zij met een strafbaar feit gepaard gaan. Zo nodig wijst de Hoge Raad op grond van de feitelijke vaststellingen van de feitenrechter zelf het feit aan waartoe wordt opgeruid.
De steller van het middel heeft dus politieke steun voor zijn stelling in zoverre dat niet elke vorm van verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of – wat hij noemt – propaganda ook zonder meer opruiend is in de zin van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Dat komt mij juist voor: opruien, aansporen en aanzetten zijn niet hetzelfde als verheerlijken of aanprijzen. Daar staat echter tegenover dat de reden dat het tot een nieuwe strafbaarstelling als hier bedoeld tot op heden niet is gekomen in belangrijke mate erdoor is ingegeven dat de verantwoordelijke ambtsdragers en parlementariërs van oordeel zijn (geweest) dat zo een strafbaarstelling niet nodig is. Niet omdat verheerlijking, vergoelijking en bagatellisering nooit strafwaardig zouden (kunnen) zijn en nooit strafrechtelijke vervolging zouden rechtvaardigen, maar omdat een dergelijke strafbaarstelling overinclusief is, terwijl de strafwaardige varianten van verheerlijking en propaganda ook thans al vervolgbaar zijn, onder meer op grond van art. 131 Sr en/of art. 132 Sr.
Dat men bedenkingen heeft bij een aanvullende strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme als zodanig, betekent – ik zou zeggen: uiteraard – niet dat die verheerlijking van terrorisme in het geheel niet strafbaar is.
III.7 Beoordeling van het eerste middel 46. Ik keer terug naar de onderhavige zaak en de in het eerste middel te lezen klachten.
Dat neemt niet weg dat de diverse uitingen waarvoor dezelfde persoon verantwoordelijk is, en/of zijn activiteiten op een bepaald platform, in onderlinge samenhang bezien één voltooid uitingsdelict kunnen vormen. Zo kan zowel een specifieke passage uit een boek, alsook de inhoud van het boek in het geheel bezien tot een strafbaar feit opruien. De veroordeling van de verdachte ter zake van het opruien door het beheren van de website zelf, begrijp ik in deze laatste zin. Maar niet juist lijkt mij de rechtsopvatting dat dit laatste omgekeerd betekent dat het opruiende karakter van een boek in zijn totaliteit genomen, meebrengt dat dus iedere zin of alinea in dat boek afzonderlijk en zelfstandig het plegen van een voltooid opruiingsdelict oplevert, hoe onschuldig die zin zelf ook is.
Zij suggereren immers dat ook – zoals de steller van het middel het verwoordt – “een neutrale uiting” zelfstandig of afzonderlijk strafbaar kan zijn. Wel kan (als hiervoor opgemerkt) dit een onderdeel zijn van een opruiende uiting, of van een samenstel van uitingen die in haar geheel als opruiend kan worden aangemerkt (vgl. de neutrale passage in een opruiend boek). Het als het ware aanprijzen van een opruiende uiting, draagt mijns inziens op zichzelf nog niet (zonder meer) het oordeel dat daarmee het aanprijzen zelf ook opruiend is.
Vervolgens overweegt het hof dat sommige bestanden (bedoeld zal zijn: de uitingen daarin) weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel “onmiskenbaar een opruiend karakter hebben”. Daarmee bedoelt het hof kennelijk tot uitdrukking te brengen dat zij niet letterlijk, maar wel naar hun inhoud en strekking aansporen tot enig strafbaar feit. Dat geldt volgens het hof in elk geval voor de op de website geplaatste preken “Het Graf” en “Jihaad voor Allah” van Abou Yazeed en de opiniebijdragen van [betrokkene 21] , alsmede voor de op het radiostation te horen lezing van [betrokkene 3] en liederen van Abou Hafs. Die uitingen heeft het hof derhalve naar hun eigen inhoud en strekking beoordeeld. Zij worden door de eerste in het middel te lezen klacht dus niet geraakt.
Het oordeel van het hof dat in elk geval de op de website geplaatste preken “Het Graf” en “Jihaad voor Allah” van Abou Yazeed en de opiniebijdragen van [betrokkene 21] , en de op het radiostation te horen lezing van [betrokkene 3] en liederen van Abou Hafs een opruiend karakter hebben, wordt door de gebreken in zijn bewijsmotivering evenmin getroffen. De verdachte is bovendien tevens veroordeeld ter zake van de film “Oh Oh Aleppo” (feiten 1A en 1B, telkens onder C.) en wegens het opruien en het verspreiden van opruiende berichten op zijn eigen Twitterpagina. Ook de beoordeling van die berichten lijdt niet aan het hier gesignaleerde gebrek in de bewijsmotivering. Dat, zoals de steller van het middel veronderstelt, vrijspraak van een aantal uitingen gevolgen zou hebben gehad voor de bewijsbaarheid van het onder feit 4A en 4B bewezenverklaarde deelnemen aan de organisatie acht ik hoogst onaannemelijk, om niet te zeggen uitgesloten.
Voor de waardering van de feiten in het kader van de straftoemeting lijkt mij de eventuele omstandigheid dat enige uitingen toch niet zelfstandig een voltooid opruiingsdelict opleveren, van ondergeschikt belang. Bij deze stand van zaken bestaat bij partiële vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak in zoverre, onvoldoende rechtens te respecteren belang.
Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.” Kennelijk heeft het hof bedoeld tot uitdrukking te brengen dat indien wordt beoogd de geesten rijp te maken – door bewondering en verheerlijking – voor strafbare feiten zonder dat letterlijk (in de vorm van een bevel of aanmoediging bijvoorbeeld) wordt aangespoord, zulks onder omstandigheden toch opruiend kan zijn. Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, acht het hof dus het uiten van grote waardering en bewondering – in casu voor strijders van terreurgroepen in Syrië – onder omstandigheden opruiend. Hetzelfde kan gelden voor het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd, mits het gaat om “een zodanig intense bewondering” dat deze op zichzelf “aanzet tot navolging”.
Aldus, enigszins welwillend begrepen, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de werkwoordsvorm van opruien, zoals deze voorkomt in art. 131, eerste lid, Sr respectievelijk art. 132, eerste lid, Sr. In het bijzonder ook niet omtrent de verhouding tussen verheerlijken en opruien.
Het hof heeft in diezelfde inleiding uitvoerig gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat “deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen [...] altijd [...] het plegen van terroristische misdrijven [inhoudt].” De steller van het middel betoogt dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het slechts is onderbouwd door te wijzen op de (vele) misdrijven die deze strijdgroepen plegen. “Dat er veel misdrijven worden gepleegd in de gewapende strijd is echter op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat deelname aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt”, aldus de steller van het middel.
III.8 Beoordeling van het tweede middel 60. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring onder 2A en 2B genoemde Twitterberichten ”opruien tot enig strafbaar feit”. Van de desbetreffende tweets is door de verdediging betoogd dat het gaat om veelal satirische berichten die zonder commentaar worden doorgestuurd. Het oordeel van het hof daaromtrent zou onbegrijpelijk zijn, mede gelet op de vluchtigheid van het medium Twitter en op “het adagium ‘retweet is not endorsement’”. Terwijl met het eerste middel wordt betoogd dat het hof ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde uitingen overmatig gewicht zou hebben toegekend aan de context van die uitingen, zou volgens het tweede middel het hof in het kader van feit 2 juist te zeer hebben geabstraheerd van de setting van het medium twitter, de sarcastische dan wel humoristische ondertoon en de bedoelingen van degene die de berichten heeft geplaatst.
Dat de verdachte die slagzinnen beweerdelijk grappig vond of satirisch van inhoud, zou, indien aannemelijk gemaakt kan worden dat hij louter dáárom de berichten plaatste, in het licht van het opzetvereiste wellicht nog tot een serieus te nemen verweer kunnen leiden, maar gezien de ten laste van de verdachte overigens bewezenverklaarde feiten en hetgeen over zijn houding ten opzichte van de gewapende strijd door het hof is vastgesteld, kan niet in ernst worden beweerd en volgehouden dat de verdachte de berichten sarcastisch of satirisch heeft bedoeld en is het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat anderen door zijn berichten zouden worden aangespoord zich bij de jihadstrijders in Syrië te voegen.
Dat het hof aan het bedoelde verweer is voorbijgegaan, acht ik derhalve niet onbegrijpelijk. Ook is het oordeel dat beide berichten opruien toereikend gemotiveerd.
IV. Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven IV.1 Het middel en de bewijsvoering 67. Het derde middel klaagt met meerdere (deel)klachten dat het hof de onder 4A tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, en/of de onder 4B tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, ten onrechte heeft bewezenverklaard, althans het deze bewezenverklaring(en) niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gezamenlijk ingezet voor het vestigen van 'het kalifaat' in Syrië door middel van de gewapende jihadstrijd. Daartoe zetten zij – in samenwerkingsverband – anderen aan af te reizen om zich bij die jihadstrijd in Syrië aan te sluiten. Deze samenwerking om deel te nemen aan de jihadstrijd blijkt uit het volgende.
In de inleiding is reeds overwogen dat de verdachte, [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ten laatste vanaf de zomer van 2012 achter het voeren van de jihad in Syrië stonden door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen teneinde daar een 'kalifaat' te vestigen.
In 2012 werden activiteiten onder de naam [A] en [B] , waarbij de islam als totale levenswijze centraal stond, en waaraan in de periode daarvoor ook door de verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is deelgenomen, ondergebracht in de [C] (hierna: de Stichting) opgericht op 12 januari 2012.
Als voorzitter van de Stichting werd ingeschreven bij de Kamer van Koophandel [betrokkene 5] , als penningmeester [betrokkene 4] en als secretaris [medeverdachte 3] .
Er werd op naam van de Stichting een pand gehuurd aan de [a-straat 1] in Den Haag en er werd een rekening geopend op naam van de Stichting.Er werd op de rekening van de Stichting geld ingezameld voor strijders in Syrië en er werd overleg gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse.
Een aantal bezoekers van de [a-straat 1] in Den Haag, [betrokkene 1] en ook de bestuurders [betrokkene 5] en [betrokkene 4] zijn in de ten laste gelegde periode uitgereisd naar het strijdgebied in Syrië.
De naar het oordeel van het hof opruiende website [internetsite 1] , is vanaf april 2013 als spreekbuis gebruikt om voornoemde boodschap te verspreiden.
De verdachte was de bouwer en beheerder van de website, die eerder op naam van de Stichting geregistreerd stond. De verdachte was redacteur en had met betrekking tot die website overleg met [medeverdachte 3] .
Van de hand van de verdachte en ook van die van [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] verschenen bijdragen op de site.
In de loop van 2013 zijn in Den Haag in het openbaar bijenkomsten gehouden waarbij in wisselende samenstellingen de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] aanwezig waren.
Het hof is van oordeel dat de inbreng van de genoemde personen duidt op een zekere werk- dan wel taakverdeling. Sommigen reisden af, sommigen bleven in Nederland om andere aan te zetten om af te reizen naar Syrië om deel te nemen aan de militaire Jihad. De verdachte was handig op internet, [betrokkene 3] was een gewild spreker en [medeverdachte 3] trad doorgaans op als woordvoerder. Van slechts incidentele samenwerking was geen sprake.
Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter kan worden gesproken aangezien van die samenwerking binnen de bewezen verklaarde periode is gebleken.
Het hof tekent hierbij nog aan dat de omstandigheid dat niet alle personen van de groep onderling hebben samengewerkt of bekend waren met (al de) andere deelnemers aan de organisatie en met hun bezigheden voor de organisatie niet in de weg staat aan de vaststelling van een gestructureerd samenwerkingsverband.
Zo heeft bijvoorbeeld de medeverdachte [medeverdachte 1] deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, nadat hij onder invloed van [betrokkene 1] was uitgereisd. Hij bleef contact onderhouden met [betrokkene 1] over die strijd en het verdelen van geld onder strijders. Dit wordt voldoende geacht om [medeverdachte 1] als behorend tot de organisatie te beschouwen, hoewel niet is gebleken dat hij met de verdachte, [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] of [medeverdachte 2] samenwerkte.Al met al is naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr.
Het oogmerk van de organisatie Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om commune en ook terroristische misdrijven te plegen in het streven om een 'kalifaat' te vestigen door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen.