PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/02493 Zitting 3 december 2019 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte. I. Inleiding De verdachte is bij arrest van 25 mei 2018 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en drie maanden, met aftrek van voorarrest, wegens feit 1A “medeplegen van het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en het in het openbaar bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 1B “medeplegen van het verspreiden van een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl hij weet, dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd, en een geschrift waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 2A “het in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 2B “een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt en terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, feit 4A “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven” en feit 4B “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Daarnaast heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van zes inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte afgewezen. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02548, 18/02560 en 18/02561. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Namens de verdachte heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld. 4. Deze zaak en de ermee samenhangende zaken zijn het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek “Context”. Centraal in deze zaken staat een samenwerkingsverband tussen personen die zich vanaf 2012 schaarden achter de door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen, zoals ISIL en Jabhat al-Nusra, in Syrië te voeren gewapende jihadstrijd voor de stichting van een ‘kalifaat’. Naar het hof heeft vastgesteld zijn de activiteiten van deze groep, die reeds onder namen “ [A] ” en “ [B] ” werden ontplooid, vanaf 2012 ondergebracht in “ [C] ”. Het hof heeft vastgesteld dat deze organisatie het oogmerk had op diverse misdrijven, te weten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, het verspreiden van geschriften die daartoe opruien, het werven voor de gewapende jihadstrijd en het financieren van die strijd. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het oogmerk van deze organisatie was gericht op terroristische misdrijven, namelijk de voorbereiding en/of de bevordering van in Syrië te plegen moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met terroristisch oogmerk. Sommige van de binnen de groep actieve personen zouden zelf zijn afgereisd naar Syrië om deel te nemen aan een terroristisch trainingskamp en/of de gewapende strijd aldaar. 5. De verdachte in de onderhavige zaak behoorde naar het hof heeft vastgesteld tot de ‘inner circle’ van de bovengenoemde organisatie. Hij was de drijvende kracht achter de website [internetsite 1] (een site met een opruiende strekking), beheerde de radiozender “ [H] ”, bezocht regelmatig het pand van de Stichting, leverde een bijdrage aan de film “Oh Oh Aleppo”, onderhield contact met strijders in Syrië en was nadrukkelijk aanwezig bij bijeenkomsten en demonstraties waarbij denkbeelden van de organisatie werden uitgedragen. Daarbij heeft hij zich volgens het hof schuldig gemaakt aan verschillende uitingsdelicten, te weten opruien en verspreiden van opruiende geschriften, zowel via de genoemde website en radiozender (feit 1) als op zijn eigen Twitterpagina (feit 2). Het hof heeft de verdachte voor zijn rol in de groep mede veroordeeld voor deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft op het plegen van (terroristische) misdrijven. 6. Namens de verdachte wordt (als gezegd) met vijf cassatiemiddelen tegen de uitspraak van het hof opgekomen. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de onder 1A en 1B bewezenverklaarde uitingen “opruien tot enig strafbaar feit” als bedoeld in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Het tweede middel bestrijdt dat met/in de door de verdachte op het internet geplaatste Twitterberichten die onder 2A en 2B zijn bewezenverklaard wordt “opgeruid tot enig strafbaar feit” in de zin van voormelde wetsbepalingen. Aan mijn bespreking van deze twee middelen zullen dan ook gezamenlijke beschouwingen over deze delictsbestanddelen voorafgaan. Het derde middel keert zich tegen de veroordeling van de verdachte voor het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven. Het vierde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vrijheden van godsdienst en meningsuiting aan de strafbaarheid van de verdachte niet in de weg staan. Het vijfde middel ten slotte klaagt dat de stukken van het geding niet binnen een redelijke termijn door het hof aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik mijn conclusie onderverdeeld in de volgende, van tussenkopjes voorziene paragrafen (met daarachter een vermelding van de betreffende randnummers): I. Inleiding (1 – 6) II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding (7 – 12) III. Het eerste en het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ (13 – 66) III.1 Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten (13 – 17) III.2 De middelen (18 – 20) III.3 De wetsgeschiedenis (21 – 30) III.4 De huidige politieke context (31 – 34) III.5 De rechtspraak van de Hoge Raad (35 – 42) III.6 Tussenbalans (43 – 45) III.7 Beoordeling van het eerste middel (46 – 59) III.8 Beoordeling van het tweede middel (60 – 66) IV. Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven (67 – 95) IV.1 Het middel en de bewijsvoering (67 – 70) IV.2 Het oogmerk van de organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr (71 – 82) IV.3 Deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr (83 – 95) V. Het vierde middel: vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting (96 – 141) V.1 Het middel en de relevante overwegingen van het hof (96 – 99) V.2 Art. 17 EVRM (100 – 117) V.3 Inbreuk op art. 9 EVRM (118 – 131) V.4 Voorzienbaarheid van de inbreuk op grondrechten (132 – 137) V.5 Toetsing aan art. 6 Gw en art. 7 Gw (138 – 141) VI. Het vijfde middel: redelijke inzendtermijn (142 – 144) VII. Slotsom (145 – 147) II. De voor de beoordeling van de eerste twee middelen relevante stukken van het geding 7. Ter zake van de onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: 8. “ 1A (eerste alternatief/cumulatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf hij in de periode van 1 juli 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,door: A. het beheren van de website van [internetsite 1] en op deze website publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten: - de videofragmenten “Het Graf – Aboe Yazeed” en “Jihaad voor Allah – Aboe Yazeed” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – Aboe Yazeed”; en- opiniebijdragen van [betrokkene 21] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en- berichten op de website van [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootste Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars” niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”, enB. het beheren van de digitale radiozender [H] en op deze radiozender lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore te brengen, te weten: - lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten: “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah”; en- liederen, welke liederen de gewapende Jihadstrijd verheerlijken en daartoe oproepen, te weten: “De blanke tirannie” (Abou Hafs) en “Je hebt overwonnen” (Abu Hafs) en “Het Paradijs” (Abu Hafs) en “De overwinning” en “O de Natie van Islam” en “Een waardevolle natie”; en- een lezing van [betrokkene 3] op 14 februari 2014, waarin ISIS en Jabhat al-Nusra en de gewapende Jihadstrijd worden verheerlijkt en waarin Allah wordt gesmeekt om een overwinning voor Abu Bakr al-Baghdadi, ISIS en Jabhat al Nusra,C. het maken van een filmpje en het delen van een filmpje op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten: - de film “oh oh Aleppo”EN 1B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaalhij in de periode van 1 juli 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt immers heeft/hebben de verdachte en/of zijn mededader(s),A. de website van [internetsite 1] beheerd en op deze website publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten: - de videofragmenten “Het Graf – Aboe Yazeed” en “Jihaad voor Allah – Aboe Yazeed” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – Aboe Yazeed”; en- opiniebijdragen van [betrokkene 21] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en- berichten op de website van [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootste Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en/of “Schilderswijk laat neo-nazimars” niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”, enB. digitale radiozender [H] beheerd en via deze radiozender uitgezonden lezingen, liederen en/of andere geluidsfragmenten ten gehore gebracht, te weten: - lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten: “Hijrah” en “Jihad with the messenger of Allah”; en- liederen, welke liederen de gewapende Jihadstrijd verheerlijken en daartoe oproepen, te weten: “De blanke tirannie” (Abou Hafs) en “Je hebt overwonnen” (Abu Hafs) en “Het Paradijs” (Abu Hafs) en “De overwinning” en “O de Natie van Islam” en “Een waardevolle natie”; en- een lezing van [betrokkene 3] op 14 februari 2014, waarin ISIS en Jabhat al-Nusra en de gewapende Jihadstrijd worden verheerlijkt en waarin Allah wordt gesmeekt om een overwinning voor Abu Bakr al-Baghdadi, ISIS en Jabhat al Nusra,C. het maken van een filmpje en het delen van een filmpje op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten: - de film “oh oh Aleppo”Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van deze bijlage volsta ik hier met verwijzing daarnaar. Ter zake van de onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “2A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijf hij in de periode van 1 april 2014 tot en met 31 juli 2014,in Nederland,in het openbaar, bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten: het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,door:het plaatsen van berichten en/of filmpjes op social media (twitter), te weten tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [naam 1] , te weten (zakelijk weergegeven):- 12 april 2014 betreffende “opeens heb je het, je toekomst ligt in het paradijs” (in combinatie met een foto van een strijder); en- 13 april 2014 betreffende een foto van strijders en de tekst “Nederlandse Mujahideen in Syrië, hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het Paradijs Shaam al Malaahim!”; en- 5 mei 2014 betreffende “Zitten er nog NL’ers tussen? * hoopt* [naam 2] : Nieuwe foto van enkele nieuwe rekruten van #ISIS in #Syrië”; en- 6 mei 2014 betreffende “Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabilillah. Twee graranties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant”.EN 2B (tweede cumulatief/alternatief): verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal hij in de periode van 1 april 2014 tot en met 31 juli 2014,in Nederland,geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,te weten: het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(
- e)misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,heeft verspreid, terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, immers heeft hij, verdachte, berichten geplaatst op social media (twitter), te weten tweets (berichten) van en/of re-tweets (doorgestuurde berichten) door [naam 1] , te weten (zakelijk weergegeven):- 12 april 2014 betreffende “opeens heb je het, je toekomst ligt in het paradijs” (in combinatie met een foto van een strijder); en- 13 april 2014 betreffende een foto van strijders en de tekst “Nederlandse Mujahideen in Syrië, hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het Paradijs Shaam al Malaahim!”; en- 5 mei 2014 betreffende “Zitten er nog NL’ers tussen? * hoopt* [naam 2] : Nieuwe foto van enkele nieuwe rekruten van #ISIS in #Syrië”; en- 6 mei 2014 betreffende “Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabilillah. Twee graranties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant”. Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van deze bijlage volsta ik hier met verwijzing daarnaar. In het bestreden arrest heeft het hof onder “Inleiding”, voor zover voor de beoordeling van de eerste twee middelen van belang, het volgende (hier met vernummering van de voetnoten) vooropgesteld: “De strijd in SyriëIn dit arrest wordt onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof - de Koran en de soenna - staat vermeld. In dit arrest gaat het specifiek over de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), het ‘kalifaat’ dat op 29 juni 2014 ook daadwerkelijk is uitgeroepen en bekend is geworden als IS. Centraal hier staat de strijd zoals die werd gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra.[...]In de context van dit arrest wordt, als er wordt gesproken over ‘jihadisme’ of ‘de Jihad’ gedoeld op geweldsactiviteiten geïnspireerd door bovengenoemd streven naar – en na 29 juni 2014 de voortzetting van – ‘het kalifaat’ in Syrië.[...] Terroristische strijdgroepen […] De jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia – zoals door hen gepercipieerd – opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en – om hun doel te bereiken – dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst.De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime - kort gezegd - een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.Ideologie van geweld door terreurgroepenRelevant voor deze strafzaak is dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de .’ongelovigen’, lees: sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen. Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor alle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alléén aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt – met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking. Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en de medeverdachten deelden op hun eigen social media: daarop werden immers foto's van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina's als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen. Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en de medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest. Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie, die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie, van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen. De positie van de verdachte en de medeverdachten ten opzichte van de strijd in Syrië De antropoloog Martijn de Koning is in 2010/2011 gestart met een. onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek – uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier. Met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven. Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens, met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande inner circle van de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie. Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd. Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen - aldus nog steeds De Koning - op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd. De strijd door Ai Qaida en IS(IS) heeft, hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten. Het hof concludeert dat na verontwaardiging over en protest tegen het optreden van het regime van Assad, het de verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf de zomer van 2012 primair ging om het vestigen van een kalifaat door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen zoals ISIL en Jabhat al-Nusra. Het hof verwerpt de verweren die als grondslag hebben dat de verdachte zich louter richtte tegen het regime Assad en door het regime gepleegde misdrijven. Wetenschap verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij het nieuws over Syrië van nabij volgde via Nederlandse en buitenlandse (social) media. Hij beheerde vanaf 23 april 2013 de website [internetsite 1] , die snel uitgroeide tot de belangrijkste spreekbuis van de activisten die zijn vertrokken naar Syrië. Dit gebeurde bijvoorbeeld door als eerste nieuws en achtergronden te brengen over gesneuvelde kameraden in Syrië (‘martelaars’). Zo maakt deze website op 29 juli 2013 melding van de dood van [betrokkene 16] ( [betrokkene 16] uit [plaats] ), die om het leven was gekomen bij een vuurgevecht in Aleppo. Het hof concludeert dat de verdachte ruim voor zijn aanhouding op de hoogte was van de terroristische misdrijven die in de gewapende jihad in Syrië werden gepleegd” Ten aanzien van het bewijs van de onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten heeft het hof het volgende overwogen: “Ten aanzien van het onder 1A, sub A ten laste gelegde ( [internetsite 1] ) Het hof stelt vast dat de verdachte de beheerder is geweest van de website [internetsite 1] die in mei 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen van [C] (hierna: de Stichting) en heeft de site ingericht. Hij was tevens eindredacteur. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 januari 2012 en 27 augustus 2014 op de website zijn geplaatst. De politie heeft de inhoud van de websites onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014. De vraag is of deze (re)tweets kunnen worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet. Daarvan is in elk geval sprake als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbaar handelen (waarbij het in casu gaat om, kort gezegd, het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië).Niet beslissend is of iemand zich tot dat feit aangezet voelt, maar of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit gebracht zou kunnen worden. Ook beïnvloeding op indirecte wijze kan opruiend zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen. De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval zou dit bijvoorbeeld kunnen zijn omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied in Syrië en zich daar aan te sluiten bij IS(IS) of Jabhat al-Nusra. Het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië. en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en is daarom opruiend. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging. Het hof stelt vast, dat meerdere in de tenlastelegging omschreven bestanden weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel een onmiskenbaar opruiend karakter hebben. Het gaat telkens om sterk suggestieve uitlatingen (verheerlijking van de strijd en het martelaarschap) die daarvoor vatbare geesten kunnen aansporen daadwerkelijk naar het strijdgebied in Syrië te vertrekken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dat in elk geval geldt voor de preken van Abou Yazeed getiteld ‘Het Graf’ en ‘Jihaad voor Allah’. Ook in de opiniebijdragen van [betrokkene 21] worden IS(IS) en Al Qaida openlijk verheerlijkt (bijvoorbeeld in de opiniebijdragen van [betrokkene 21] : AIVD, het traject van leugens en bedrog, en ‘Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog’). Er zijn ook bestanden opgenomen in de tenlastelegging die op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot strafbaar handelen of waarover kan worden getwijfeld. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat de preek ‘Drie grote tekenen voor de dag des oordeels’ van Abou Yazeed op zichzelf beschouwd niet opruiend is. Het hof komt met betrekking tot een aantal ten laste gelegde bestanden tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het kiest voor een andere benadering. Het hof zal niet bij elk bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is (al is de inhoud van afzonderlijke content natuurlijk wel van belang), maar acht doorslaggevend het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien. Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website. Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. De verdachte heeft de domeinnaam ‘ [internetsite 1] ’ maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam […] ' al langere tijd succes. De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven) artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [betrokkene 21] . Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd, dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al- Assad (...)” en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden. De overledenen werden bewierookt als martelaars. Indringend komt de onderliggende boodschap van de website naar voren in een brief, in juni 2014 gepubliceerd op de site als reactie op een schrijven van het NCTV: “Wij van [internetsite 1] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam. En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij: “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!” Het hof is van mening dat de strekking van de website [internetsite 1] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien. Daarbij merkt het hof nog het volgende op. Het is een feit van algemene bekendheid dat het er bij social media om gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd in de tenlastelegging opgenomen onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende strekking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Dat geldt in elk geval voor de. berichten en bestanden die de verdachte zelf als ‘humoristisch’ of ‘sarcastisch’ of 'catchy’ (de anasheed) heeft aangemerkt. Als dat al zo is, dan staat dat aan opruiing in het geheel niet in de weg. Ook de stelling van de verdediging dat het door [internetsite 1] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [internetsite 1] - voor een Nederlandse site - goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende ‘twist’. Illustratief daarvoor is het in de tenlastelegging opgenomen filmpje waarop een uitzending van Nieuwsuur van 23 april 2013 is te zien. Daarin spelen [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] de hoofdrol. Zij leggen uit wat de jongens in Syrië bezielt. Op [internetsite 1] begint de uitzending met een citaat van Osama Bin Laden: “De gelukkigst is hij wiens Allah hem als martelaar heeft gekozen”. Ook de vele ten laste gelegde nieuwsberichten over concreet ‘martelaarschap’ zijn ronduit opruiend.Tezamen en in vereniging Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte tezamen met [medeverdachte 3] gehandeld. De domeinnaam [internetsite 1] van de Stichting (waar [medeverdachte 3] als initiatiefnemer, samen met,de verdachte bij betrokken was) is op naam gezet van de verdachte. [medeverdachte 3] en de verdachte spraken met enige regelmaat over de inhoud en strategie van de site. Daarbij gebruikte de verdachte [medeverdachte 3] als klankbord en adviseur. [medeverdachte 3] beschikte ook over autorisatie om zelf stukken op de site te plaatsen. Niemand anders vervulde een soortgelijke functie voor de verdachte. Daarnaast leverde [medeverdachte 3] een bijdrage aan [internetsite 1] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van [medeverdachte 3] waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [internetsite 1] , de verdachte. Er is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen.Ten aanzien van het onder 1A, sub B ten laste gelegde ( [H] ) [H] was een internet radiozender die zich profileerde als “hét islamitische radiostation voor Qur 'an. Lezingen en anasheed”. Via internet heeft het nonstop programma's uitgezonden over de periode van 1 februari 2014 tot en met 29 maart van dat jaar. De verdachte was de beheerder en hij plaatste bestanden. Veiliggesteld zijn de uitzendingen van dit radiostation over de periode van 04-03-2014 tot en met 14-03-2014 en de ‘playlist’. Uitgezonden werden onder meer twee lezingen van Anwar al-Awlaki, te weten Hijrah en Jihad with te messenger of Allah, enkele in de tenlasteleggingen opgenomen anasheed (liederen) en een lezing van [betrokkene 3] van 14 februari 2014. Hierboven is weergegeven hoe de benadering van het hof is terzake van opruiing op [internetsite 1] . Het hof zal ook ten aanzien van radio [H] het geheel bezien en de vraag beantwoorden of de bedoeling van het uitzenden van de programma's van [H] opruiend was. Daarvoor wordt uiteraard gekeken naar de inhoud van afzonderlijke ten laste gelegde programma's, maar ook en met name naar de bedoeling van de beheerder, zoals die blijkt uit de (inrichting van
- de)internetzender. Daarbij valt allereerst de naam van die radiozender op. Diezelfde naam werd – in Duitsland – ook gebruikt door een ‘jihadistisch-salafistisch’ internetplatform. Als jihadistisch motief hebben de ghuraba' of te wel ‘vreemdelingen’ bovendien een bijzondere betekenis, zo legt [betrokkene 1] uit aan De Koning, een motief dat tevens word bezongen in een zeer bekende en populaire nashid (islamitisch a-capellalied). De naamgeving is, zeker voor een al in de strijd geïnteresseerde luisteraar, betekenisvol. Voorts blijkt uit de lijst van uitgezonden lezingen dat het uitsluitend gaat om lezingen van (inspiratoren van) de gewelddadige en gewapende jihad. Anwar al-Awlaki, [betrokkene 17] , [betrokkene 18] , [betrokkene 19] en [betrokkene 20] (de leider van [I] ) zijn allen te betitelen als radicale, jihadistische predikers. Anwar al-Awlaki is de leider van Al Qaida in het Arabisch Schiereiland en is een belangrijk inspirator van de gewelddadige en gewapende jihad. Zoals ook het ‘résumé’ van de verbalisant stelt kan hetgeen is aangetroffen over uitzendingen van het radiostation allemaal in verband gebracht worden met jihadistisch ideologische thema's. Beziet het hof de liederen en de lezing van [betrokkene 3] die nog in het bijzonder in de tenlastelegging zijn omschreven op zichzelf beschouwd, dan kan van die lezing, (beter: preek) worden gezegd dat die ook zo bezien opruiend van aard is. De kennelijke bedoeling is aan te sporen om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in het midden oosten. Ook de liederen van Abou Hafs zijn op zichzelf beschouwd opruiend te noemen. De ‘onverslaanbare ideologie’ van ‘de soldaten van onze religie’ worden bezongen, de soldaten van de ‘blanke tirannie’ zullen verliezen ‘want zij wensen te leven en wij gaan liever dood’. De. leeuwen op het slagveld, de verheerlijking van de dood voor Allah, de zekerheid van het paradijs maken dat al met al de jihadstrijd (‘onze plicht’) zodanig wordt verheerlijkt dat dit luisteraars kan aanmoedigen mee te doen met die strijd. Maar net als bij de ten laste gelegde uitingen op de website hierboven geldt ook hier, dat voor zover er in de tenlastelegging ‘onschuldige’ - dat wil zeggen mogelijk niet per se opruiende bestanden tussen de uitgezonden programma's zouden zitten, deze toch vanwege het feit dat zij op dit radiostation zijn uitgezonden wél als zodanig moeten worden gezien. Daarbij merkt het hof nog het volgende op. Het is een feit van algemene bekendheid dat het er (ook) bij een internetradiostation om gaat, een publiek te vinden, en luisteraars te verleiden vaker op het station af te stemmen. Daarbij kunnen in dit geval derhalve ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – uitzendingen een nuttige functie vervullen, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van het radiostation, want leiden de lezers zodoende naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet.Dat geldt ook voor de in de tenlastelegging opgenomen uitzendingen waarvan de verdachte zelf zegt dat het niet zozeer om de boodschap gaat (bijvoorbeeld de anasheed). Als dat al zo is, dan staat dat aan opruiing in het geheel niet in de weg, integendeel: het opruiend karakter van de website wordt er juist door ondersteund. Het radiostation [H] fungeerde als opruiende radiozender, en de verdachte, die die uitzendingen verzorgde, heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan opruiing.Ten aanzien van het onder 1A, sub C ten laste gelegde (www.youtube.com)Filmpje 'Sta op voor Syrië' Niet kan worden vastgesteld op welk moment het filmpje, kortheidshalve aangeduid als ‘Sta op voor Syrie’ is geproduceerd en door wie het, wanneer op het internet is geplaatst. Bepaald niet is uitgesloten dat een en ander valt buiten de ten laste gelegde periode. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Film ‘Oh oh Aleppo’ Op 24 juni 2014 is een dertig minuten durende film met de naam 'Oh oh Aleppo' op YouTube gezet. [betrokkene 1] is herkend. In de film, die naar het oordeel van de verdachte zelf een propagandafilm is worden de gewapende strijd en het martelaarschap verheerlijkt. Daarvan getuigt al het gezang in de introductie. In vertaling luidt het eerste couplet: “O broeder, sta op en ga op je paard rijden Om je voor slagvelden voor te bereiden De glorie is op het slagveld der Jihad, je moet je wel haasten Niet denken aan je familie, kinderen of je kwartier (omgeving)’De film spoort zodoende aan om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en is derhalve opruiend. De verdachte heeft er ook aan meegewerkt. In zijn computer is een document gevonden met de titel ‘Oh Oh Aleppo ondertiteling.docx’. De teksten daarin komen overeen met de ondertiteling in de film en zijn kennelijk door de verdachte voorzien van commentaar. [betrokkene 1] heeft op 19 juni 2014 aan de verdachte gevraagd of hij naar de film zou willen kijken en kritiek zou willen geven. De verdachte bespreekt dit telefonisch met [medeverdachte 3] en zegt dat “hij wil kijken of die al online kan en dan kunnen we hem de komende dagen ook online zetten”. Zo is kennelijk ook geschied. De verdachte heeft over de film bericht op zijn [internetsite 1] -Twitteraccount en heeft op 24 juni 2014 een bericht met een link naar de film gedeeld. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een essentieel aandeel gehad in het maken van de film. Hij was het eens met de opruiende boodschap en heeft zich daar achter geschaard en die opruiende boodschap ook gedeeld via internet op de ten laste gelegde wijze. Film ‘Erkennen kalifaat’ In de film wordt gejuicht voor het kalifaat – waarbij de zegelvlag wordt getoond – maar niet wordt gesproken over afreizen naar Syrië teneinde daar te strijden. De steun voor IS wordt in zeer algemene zin uitgesproken. Er wordt niet gesproken over strijd of martelaarschap. Van strafbare opruiing kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken. Daarom zal het hof de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Film ‘video Al Adnani’ De verdachte zou een opruiende videoboodschap van Al-Adnani (de woordvoerder van ISIL/ISIS) hebben gedeeld. Nu het hof niet kan vaststellen wat die boodschap behelst (er bevindt zich geen Nederlandse vertaling in het dossier), zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken.Ten aanzien van het onder 1B ten laste gelegde Het hof overweegt dat het onder 1A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De website [internetsite 1] , [H] en www.youtube.com waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.” Met betrekking tot het bewijs van de feiten 2A en 2B heeft het hof het volgende overwogen: “Ten aanzien van het onder 2A ten laste gelegde (het Twitteraccount [naam 1] )De verdachte heeft het Twitteraccount [naam 1] beheerd. Het dossier bevat onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen met welke intentie het account is ingericht en daarom zal het hof telkens per ten laste gelegd bericht vast stellen of dat als opruiend moet worden beoordeeld. Het tweede bericht van 12 april 2014 (een retweet) is naar het oordeel van het hof opruiend. Op die datum is er allang sprake van een breedgekende problematiek van ‘uitreizigers’ naar Syrië, en wordt deze afbeelding dan ook direct gelezen als verheerlijking van het martelaarschap en bijbehorend paradijs. In deze context is de afbeelding juist in combinatie met een zogenaamd ‘grappige’ slagzin die blijft hangen evident opruiend, in die zin dat die (mede) kan aanzetten tot afreizen naar de strijd in het Midden-Oosten. Een dag later volgt het vierde bericht, een retweet met opnieuw een quasi geestige slagzin, en een foto van strijders met de connotatie dat de toekomst in ‘het paradijs’ ligt. Ook deze retweet is naar het oordeel van het hof opruiend. Dat geldt eveneens voor het vijfde bericht (5 mei 2014), waarin volgens het bijschrift een foto wordt getoond van enkele nieuwe rekruten in Syrië en wordt gehoopt op Nederlanders daartussen. Ook bericht nummer 6 (6 mei 2014) tenslotte is opruiend: de tekst ‘Dringend gezocht: moslims die bereidt zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabillillah. Twee garanties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant’ spreekt voor zich.Van de andere berichten zal worden vrijgesproken. Bericht 1 van 12 april 2014 behelst geen aanmoediging af te reizen, er wordt gemeld dat voedsel en humanitaire hulp wordt geboden; bericht 3 van die datum is op zichzelf niet erg begrijpelijk, kennelijk een reactie op iets; bericht 7 lijkt met name gericht tegen de Nederlandse autoriteiten (zonder tot geweld op te roepen) en zet niet zozeer aan om af te reizen en te strijden in Syrië; bericht 8 tenslotte lijkt ook primair het tarten van de Nederlandse overheid te zijn, eerder dan een oproep af te reizen naar het strijdgebied in Syrië. Ten aanzien van het onder 2B ten laste gelegde Het hof overweegt, dat het plaatsen van de ten laste gelegde bestanden op genoemd Twitteraccount in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. Het Twitteraccount was immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.” III. Het eerste en het tweede middel: ‘opruien tot enig strafbaar feit’ III.1 Enige inleidende opmerkingen over de opruiingsdelicten 13. De tenlastelegging en de bewezenverklaring van de onder 1A en 2A omschreven feiten zijn toegesneden op art. 131, eerste lid in verbinding met het tweede lid, Sr, en de tenlastelegging en bewezenverklaring van de onder 1B en 2B omschreven feiten op art. 132, eerste lid in verbinding met het derde lid, Sr. Het hof heeft de bewezenverklaarde feiten dienovereenkomstig gekwalificeerd op de wijze zoals hiervoor onder randnummer 1 weergegeven. 14. Art. 131 Sr en art. 132 Sr luid(d)en, in zoverre: Art. 131 Sr:“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”Art. 132 Sr:“1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.2. […]3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.” 15. Sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht in 1886 zijn art. 131 Sr en art. 132 Sr opgenomen in Titel V van Boek 2 over misdrijven tegen de openbare orde, welke titel volgens de memorie van toelichting de misdrijven verenigt die noch rechtstreeks tegen de veiligheid van de staat of de handelingen van zijn organen, noch tegen het lijf of goed van enig bepaald persoon zijn gericht, maar die “gevaar opleveren voor het maatschappelijk leven en de natuurlijke orde der maatschappij verstoren”. Deze strekking tot bescherming van de openbare orde komt ook tot uiting in de delictsomschrijvingen, die elk op eigen wijze een zekere publieklijkheid van de delictsgedraging vereisen. Art. 131 Sr drukt dit uit in het bestanddeel “in het openbaar”; in art. 132, eerste lid, Sr dragen de verweten delictsgedragingen – verspreiden, openlijk tentoonstellen, enz. – een zekere openlijkheid in zichzelf. 16. De opruiingsdelicten zijn formele misdrijven. Geen onderdeel van het onderhavige bewijsthema is dat de opruiende uitingen de openbare orde hebben verstoord, dat de uitingen daadwerkelijk hebben geleid tot datgene waartoe wordt opgeruid of dat redelijkerwijs waarschijnlijk is te verwachten dat de opruiing zal worden opgevolgd. 17. Art. 131 Sr verbiedt het opruien zelf, hetzij tot “enig strafbaar feit”, hetzij tot “gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. Art. 132 Sr stelt straf op het verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan en het met één van die doelen in voorraad hebben van geschriften of afbeeldingen “waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid”. Dat met deze laatste woorden wat betreft de inhoud van de geschriften of afbeeldingen is aangesloten bij de reikwijdte van het verbod van art. 131 Sr, behoeft geen betoog. Tussen de beide strafbaarstellingen bestaat hierdoor een zekere overlap. Een wezenlijk verschil, en tevens grond voor het lagere strafmaximum van art. 132, is evenwel gelegen in het voor de vervulling van de delictsomschrijving vereiste schuldverband. ‘Opruien’ in de zin van art. 131, eerste lid, Sr vereist (ten minste voorwaardelijk) opzet op dat opruien als zodanig. Voor de vervulling van art. 132, eerste lid, Sr is niet nodig dat de verdachte (ten minste voorwaardelijk) opzettelijk opruit. Zijn opzet moet zijn gericht op het verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan of met (een van) deze doelen in voorraad hebben van het geschrift of de afbeelding en daarnaast zal hij de opruiende inhoud daarvan moeten kennen of ernstige reden moeten hebben die inhoud ervan te vermoeden. III.2 De middelen 18. Het eerste middel keert zich (primair) tegen de bewezenverklaringen en kwalificatiebeslissingen ten aanzien van de onder 1A en 1B tenlastegelegde feiten. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaringen en kwalificatiebeslissingen ten aanzien van de onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten. Gemeenschappelijk aan de klachten van deze middelen is in de kern, dat uit de bewijsvoering van het hof niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte “heeft opgeruid tot enig strafbaar feit”, respectievelijk geschriften heeft verspreid “waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid”, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte heeft opgeroepen tot (terroristische) misdrijven. 19. Aan de onderdelen van de bewezenverklaringen waartegen deze twee cassatiemiddelen aldus in de kern opkomt, moet worden geacht dezelfde betekenis toe te komen als aan de daarmee overeenstemmende termen in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Mede gelet op hetgeen daarover in de cassatieschriftuur naar voren wordt gebracht, komt het mij dienstig voor om de geschiedenis en achtergronden van deze delictsbestanddelen in deze conclusie breed voor het voetlicht te brengen. 20. Daarbij stel ik voorop dat het “opruien tot enig strafbaar feit”, waarop de middelen hoofdzakelijk de pijlen richten, twee min of meer van elkaar te onderscheiden delictsbestanddelen behelst, te weten “opruien” en “tot enig strafbaar feit”. Eerstgenoemd aspect van de opruiingsdelicten heeft vooral betrekking op de vraag onder welke omstandigheden kan worden gezegd dat een uitlating ergens toe opruit. Kan bijvoorbeeld een uitgesproken aanprijzing of bewondering worden beschouwd als opruiend tot hetgeen waarover de loftrompet wordt gestoken? En in hoeverre staat een indirecte of voorwaardelijke formulering van de uiting eraan in de weg de uitlating als opruiing aan te merken? Voor zover de steller van de middelen zich erover beklaagt dat het hof opruiing onvoldoende heeft onderscheiden van vergoelijking of verheerlijking, bevindt zijn betoog zich vooral in deze sfeer. Het tweede onderdeel, “tot enig strafbaar feit”, heeft hoofdzakelijk betrekking op het ‘iets’ waartoe wordt opgeruid. De steller van het middel meent dat het hof met een ontoereikende mate van concreetheid heeft aangegeven tot het begaan van welk bepaald strafbaar feit de in de bewezenverklaring genoemde opruiende teksten waren gericht. In zoverre stelt het middel de reikwijdte van het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” aan de orde. Het is, ook in cassatie, nuttig voor ogen te houden dat het middel dus goed beschouwd twee kwesties aankaart. Omdat evenwel de beide bestanddelen nauw met elkaar samenhangen en interacteren, kies ik ervoor in de navolgende bespreking van de wetsgeschiedenis onderscheidenlijk rechtspraak beide aspecten niet strikt gescheiden te behandelen. III.3 De wetsgeschiedenis 21. Als opgemerkt bevat het Wetboek van Strafrecht reeds sinds de invoering ervan de strafbaarstellingen van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Op hoofdlijnen kwam de formulering van de beide bepalingen toentertijd al overeen met de huidige wettekst van art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Het voor de beoordeling van het eerste middel meest relevante verschil met nu, is dat de toen ingevoerde bepalingen nog enkel de opruiing “tot eenig strafbaar feit” bestreken, en dus niet ook die “tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag”. Art. 132, eerste lid, Sr onderging in 1934 een ingrijpende wijziging wat betreft het vereiste schuldverband. Sindsdien is voor de vervulling van dat delict niet meer nodig dat de delictsgedragingen worden begaan met het oogmerk ruchtbaarheid aan de opruiende inhoud te geven. 22. Ter onderbouwing van de noodzaak de opruiingsmisdrijven in het Wetboek van Strafrecht op te nemen, is in de memorie van toelichting uiteengezet hoe de opruiing zich van de deelnemingsvorm uitlokking wezenlijk onderscheidt en ten opzichte daarvan meerwaarde heeft. Strafbare uitlokking veronderstelt een rechtstreekse betrekking tussen de uitlokker en uitgelokte. Die onmisbare band rechtvaardigt een strafbedreiging van de uitlokker die correspondeert met de op het grondfeit gestelde straf. Zo een nauwe relatie tussen degene die tot het delict heeft aangespoord en de fysieke dader, is voor opruiing niet vereist: “De opruijer heeft geen bepaalden persoon op het oog, maar bewerkt het publiek”. Teneinde deze ‘bewerking van het publiek’ in de strafbaarstelling beter te doen uitkomen, stelde de Tweede Kamer Commissie destijds voor om vóór het bestanddeel “opruit” in art. 131, eerste lid, Sr de woorden “het publiek” in te voegen. Daarin zag de minister evenwel geen heil, omdat het in zijn ogen ertoe zou kunnen leiden dat degene die in het openbaar tot één persoon het woord richt mogelijk niet strafbaar zou zijn. Zulks achtte de minister in strijd met de ratio van de strafbaarstelling. Een nadere omschrijving of duiding van het voor ‘opruien’ vereiste bewerken van het publiek, ben ik in de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 131 en 132 Sr niet tegengekomen. 23. De wetgever koos ervoor de strafbaarheid te beperken tot uitingen die opruien “tot enig strafbaar feit”. Weloverwogen werd niet gesproken van opruien tot het plegen van enig strafbaar feit, opdat ook bijvoorbeeld de opruiing tot medeplichtigheid als misdrijf strafbaar zou zijn. Over de keuze voor strafbaarstelling van opruiing tot enig strafbaar feit, houdt de memorie van toelichting nog in: “Het is ook niet raadzaam, afzonderlijk melding te maken van opruijing tot ongehoorzaamheid aan de wetten, verordeningen of beschikking van het bevoegd gezag. Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling “een strafbaar feit”, en bijgevolg de opruijing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140 [uiteindelijk art. 131, EH] strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt, behelzen zij geen dwingend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruijing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te wezen. Er bestaat geen regtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruijing tot eene daad die zelve straffeloos is.” 24. Deze beperking verhinderde overigens niet dat, nog ten tijde van de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht, in het ontwerp tot “Wijziging van de wet tot regeling der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering” van 1886 een afzonderlijke strafbepaling werd opgenomen ter zake van opruiing tot het zich oefenen tot het hanteren van wapenen, “zij het ook zijdelings, voorwaardelijk of in algemeene termen”. Hoewel dit voorstel uiteindelijk weer werd ingetrokken, bleef de reikwijdte van de strafbaarstelling van opruiing in dit opzicht een terugkerend punt van discussie, zowel in de literatuur als in de politiek. 25. Van het standpunt dat alleen opruiing tot een strafbaar feit een misdrijf kan opleveren en de aan die keuze ten grondslag gelegde redenering, is de wetgever later (gedeeltelijk) teruggekomen, en wel bij de “Wet van 28 juli 1920, houdende nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionnaire woelingen”. Toen is aan art. 131 Sr het bestanddeel “of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag” toegevoegd. In het Ontwerp van Wet werd voorgesteld de strafbaarstelling van opruiing als volgt te verruimen: “ “Hij die, mondeling of bij geschrifte, in het openbaar tot eenig strafbaar feit, tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan, of tot gewelddadig optreden tegen de openbare orde opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.” 26. “ De memorie van toelichting bij dit voorstel houdt onder meer in: “ “Met betrekking tot de artikelen 5 en 6 van het wetsontwerp worde opgemerkt, dat zij strekken om in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht de wijzigingen aan te brengen, welke reeds door de voormalige Ministers van Justitie mrs. Cort van der Linden en Loeff, blijkens de onder hun ministerschap ingediende wetsontwerpen tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, noodig werden geoordeeld. De ervaring heeft geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Niet alleen de opruiing tot eenig strafbaar feit, maar ook die tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan, of tot gewelddadig optreden tegen de openbare orde, zijn als misdrijven tegen de openbare orde aan te merken en dienen als zoodanig te worden strafbaar gesteld.” 27. Die door minister Heemskerk aangehaalde eerdere voorstellen tot wijziging van de opruiingsdelicten van de hand van zijn ambtsvoorgangers Cort van der Linden en Loeff, waren nagenoeg gelijkluidend aan het ontwerp-Heemskerk. Over de noodzaak de reikwijdte van de opruiingsdelicten te vergroten, hielden de – onderling vrijwel identieke – memories van toelichting bij de respectieve voorstellen van Cort van der Linden en Loeff in: “Art. 131. De Hooge Raad besliste o. a. bij arrest van 17 November 1890 (Weekblad van het Recht n°. 5967):1°. dat bij art. 131 niet. strafbaar is gesteld de opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wet tegen welker overtreding geen straf is bedreigd;2°. dat voor de toepasselijkheid van dit artikel bij de opruiing rechtstreeks een bepaald strafbaar feit, zij het ook niet door eigen woorden der wet, moet zijn aangeduid.Volkomen terecht. Het artikel handelt alleen over opruiing tot een strafbaar feit en de wetgever wilde zelfs niet verder gaan, want de Memorie van Toelichting tot dit artikel zegt: “Het is ook niet raadzaam afzonderlijk melding te maken van opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wetten, verordeningen of beschikkingen van het bevoegd gezag. Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling een strafbaar feit en bijgevolg de opruiing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140
(131)strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt behelzen zij geen dringend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te zijn. Er bestaat geen rechtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruiing tot een daad, die zelve straffeloos is”.Bij de toelichting van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië, dat in den hierbedoelden zin eene uitbreiding bevat van art 131 van het Nederlandsche Strafwetboek, wordt dit laatste argument bestreden met de volgende opmerking: "Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achten we dan ook in de algemeenheid minder juist. Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de "openbare orde" begaan, kan het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden”.En dit laatste is niet alleen in de Indische maar ook in de Nederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft ook hier te lande geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Tegenover de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden machteloos. Op allerlei wijze kan de algemeene rechtsveiligheid worden bedreigd en in gevaar gebracht door eene opruiing in algemeene termen, zonder dat deze onder art. 131 valt.Hierin ligt een afdoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel. Tot welk gewelddadig verzet in het openbaar ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien maar niet een bepaald strafbaar feit daarbij wordt aangeduid.De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opruiing strafbaar te stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een feit in strijd met een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde.”
- Uit de memorie van antwoord bij en de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van de Wet van 8 juli 1920 kan worden afgeleid dat de minister – in navolging van zijn ambtsvoorgangers – van oordeel was dat het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” op grond van de toen geldende rechtspraak “het aanzetten tot een bepaald strafbaar feit” vereiste. Dit terwijl het volgens de minister “zeer goed mogelijk [is], dat iemand tot een gewelddadig optreden tegen de openbare orde, dit is in het algemeen tot vermoedelijk strafbare handelingen, aanzet, zonder een bepaald strafbaar feit te noemen.” De minister kwalificeerde dat als “een niet onbedenkelijke leemte in de bestaande strafwet.” Naar aanleiding van de in het Voorlopig Verslag geuite kritiek op het grote bereik van de voorgestelde uitbreiding van art. 131, kwam de minister wel in zoverre van zijn voorstel terug dat hij de strafbaarstelling van het in het ontwerp van wet nog genoemde opruien tot ongehoorzaamheid onvoldoende urgent achtte.
- Ter gelegenheid van de herbezinning op de reikwijdte van de opruiingsdelicten van 1920 heeft de discussie zich vooral gericht op hetgeen ‘waartoe’ wordt opgeruid. Met betrekking tot de betekenis van het bestanddeel “opruien” heeft nog wel één lid van de Kamercommissie de vraag opgeworpen of het begrip niet te vaag zou zijn, omdat hem bij een tegen hemzelf gerichte strafvervolging was gebleken dat verschil van mening over de inhoud van dat begrip bepaald niet is uitgesloten. Vanuit de commissie kreeg het lid weinig bijval en de minister voelde evenmin behoefte tot nadere wettelijke omschrijving. Hij antwoordde: “De term ‘opruit’ pleegt door de rechterlijke macht zeer omzichtig te worden gehanteerd. Bewezen moet worden dat de wil van den dader op het in het leven roepen van datgene, wat hij aanprijst, gericht was.”
- Enkele wijzigingen van – voor de beoordeling van de voorliggende zaak – ondergeschikte aard daargelaten, is aan de tekst van art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr na 1920 weinig meer veranderd. Eerst in 2009 is aan de strafbepalingen een lid toegevoegd dat de strafbedreiging met een derde verhoogt indien het strafbaar feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf is. III.4 De huidige politieke context
- De opruiingsdelicten kwamen weer in de politieke belangstelling te staan toen minister Donner van Justitie in 2005 voorstelde om strafbaar te stellen het “verheerlijken, vergoelijken, bagatelliseren of ontkennen van terrorisme en van grootschalige internationale misdrijven, welke verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of ontkenning, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren”. Tegen dit voorstel bestond veel weerstand. In dezelfde periode werd binnen het verband van de Raad van Europa geïnventariseerd hoe op de terroristische aanvallen van 11 september 2001 en daarna adequaat kon worden gereageerd. Met het oog daarop deed het T.M.C. Asser Instituut in opdracht van het Comité van Ministers van de Raad van Europa onderzoek naar de nationale wettelijke regelingen van en ervaringen met opruiing tot en apologie van onder meer terrorisme. Eén van de conclusies van het onderzoek was dat de meeste lidstaten geen specifieke strafbaarstelling van apologie van en opruiing tot terrorisme kennen en de noodzaak tot zo een strafbaarstelling niet evident is, terwijl met het eventueel strafbaar stellen van in het bijzonder apologie zeer voorzichtig moet worden omgegaan, gezien de mate waarin zo een strafbaarstelling de vrijheid van meningsuiting zou beperken. De Nederlandse regering vat de teneur binnen de Raad van Europa zo samen dat “voor strafbaarstelling van opruiing tot terrorisme veel meer steun [...] [bestaat] dan voor strafbaarstelling van apologie als zodanig; die gedraging was in de ogen van een meerderheid van de delegaties te vaag om tot strafbaarstelling te leiden, en waarbij vooral werd gevreesd voor een ongewenste strafrechtelijke beperking van fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting.”Het uiteindelijk vastgestelde Verdrag ter voorkoming van terrorisme legt partijstaten de verplichting op om het publiekelijk uitlokken tot het plegen van terrorisme (art. 5) en het werven voor terrorisme (art. 6) strafbaar te stellen. Mede op basis van consultatieadviezen die over het conceptwetsvoorstel van Donner tot strafbaarstelling van apologie waren uitgebracht, besloot de regering er verder geen uitvoering aan te geven. Het draagvlak voor strafbaarstelling van apologie in de rechtspraktijk werd niet groot geacht. Daarnaast zou het lastig zijn om een strafbaarstelling vorm te geven die enerzijds voldoende precies, voorzienbaar en EVRM-proof zou zijn, maar anderzijds ook nog relevante “toegevoegde waarde heeft ten opzichte van hetgeen reeds strafbaar is, zoals opruiing.”Ter uitvoering van art. 5 van het Verdrag ter voorkoming van terrorisme werd het apologieverbod bovendien niet nodig geacht, want “de strafbaarstelling van het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf, waaronder het indirect bepleiten ervan, kan reeds worden gevonden in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht”.
- Het geweld in Syrië van de laatste jaren en de aantrekkingskracht die de in dat conflict acterende terroristische organisaties op sommigen in Nederland hebben, heeft ook het politieke debat over terrorismebestrijding door middel van het strafrecht doen versterken. In 2014 heeft de toenmalige fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer, Van Haersma Buma, het voorstel tot strafbaarstelling van (kort gezegd) verheerlijking van terrorisme nieuw leven ingeblazen.Ik verwijs hier naar het plenaire Kamerdebat dat daarover toen is gevoerd; uit dat debat komt als heersende opvatting naar voren dat het vergoelijken, bagatelliseren of verheerlijken van geweld niet per definitie ook ‘opruiend’ is in de zin van art. 131 en art. 132 Sr, terwijl intussen een aanzienlijk deel van de parlementariërs van oordeel was dat de ernstigere, strafwaardige varianten van zulke vergoelijking, bagatellisering en/of verheerlijking wél reeds op grond van onder meer die bepalingen strafrechtelijk vervolgbaar zijn. Onder meer deze laatste gedachte was voor minister Opstelten aanleiding het voorstel niet over te nemen. In de Tweede Kamer zei hij daarover onder andere: “Strafbaarstelling van verheerlijking raakt de vrijheid van meningsuiting en in mijn ogen is dat een groot goed in onze samenleving. Onder strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme zouden immers al snel allerlei uitingen vallen, waarvan het zeer onaannemelijk is dat zij enig verband houden met terrorisme. Ik denk aan smakeloos puberaal gedrag op het internet, want daar heb je het dan ook over. Het zal zelfs de overgrote meerderheid van uitingen betreffen die onder een dergelijke strafbaarstelling zouden vallen. Dat wijst erop dat anders dan bij de strafbaarstellingen inzake haatzaaiing, opruiing of poging tot rekrutering en voorbereidingshandeling van terrorisme bij een strafbaarstelling van verheerlijking door het OM of de rechter onvoldoende één lijn kan worden getrokken tussen uitingen die wel en die niet zo gevaarlijk zijn dat zij een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zouden kunnen rechtvaardigen. De genoemde andere strafbaarstellingen geven bovendien voldoende mogelijkheden om op te treden tegen kwaadaardige uitingen die aanzetten en kunnen leiden tot terroristische daden. ”
- Het heeft het toenmalige Tweede Kamerlid Keijzer niet ervan weerhouden een initiatiefwetsvoorstel van dezelfde strekking aanhangig te maken. Daarover het vermelden waard is dat in de memorie van toelichting bij het initiatiefvoorstel kort wordt stilgestaan bij de verhouding tot de opruiingsdelicten en dat in dat verband wordt gerefereerd aan de beslissing van de rechtbank in de onderhavige en ermee samenhangende Context-zaken ter illustratie van de ontoereikendheid van het bestaande strafrechtelijk instrumentarium. De meerwaarde van de afzonderlijke strafbaarstelling is volgens de initiatiefneemster erin gelegen dat de verheerlijking van terroristische misdrijven die de openbare orde ernstig verstoort of kan verstoren, strafwaardig is, ongeacht of daarmee wordt gediscrimineerd of opgeruid. “Personen die naar aanleiding van de terreurdaden in Syrië zwaaien met IS-vlaggen of via sociale media hun waardering uiten voor het genoemde filmfragment van een door IS uitgevoerde onthoofding aanvaarden de kans/het risico dat ze met deze verheerlijking de openbare orde ernstig kunnen verstoren, zoals ook daadwerkelijk is gebeurd tijdens ongeregeldheden in de Schilderswijk (augustus 2014).” Over dit aspect van het voorstel heeft de Raad van State kritisch geadviseerd. De Raad van State benadrukt dat de beslissing van de rechtbank in de Context-zaken niet onherroepelijk is, nuanceert de in de memorie van toelichting geschetste voorstelling van de vonnissen van de rechtbank en betoogt dat de initiatiefneemster onvoldoende in staat is gebleken strafwaardige voorbeelden te noemen die naar huidig recht niet reeds vervolgbaar en bestrafbaar zijn.
- Inmiddels is de verdediging van het voorstel overgenomen door het Kamerlid Van Toorenburg. De huidige stand van zaken is dat blijkens het op 16 februari 2018 vastgestelde verslag van de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid bij Kamerleden nog aanvullende vragen leven, onder meer over de verhouding van de voorgestelde strafbaarstelling tot de artikelen 131 en art. 132 Sr. III.5 De rechtspraak van de Hoge Raad
- In de recente, dat wil zeggen van deze eeuw daterende, gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad komt de reikwijdte van de opruiingsdelicten slechts zeer sporadisch aan de orde. Wel boog zich kort geleden een zetel van vijf raadsheren over een zaak waarin de verdachte was vervolgd voor een door hem in de Schilderswijk te Den Haag opgeplakte poster waarin tot opstand tegen de politie werd opgeroepen. In die zaak was niet opruien tot enig strafbaar feit tenlastegelegd en bewezenverklaard, maar opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Te restrictief is de opvatting dat van dit laatste slechts sprake is indien uitlatingen zijn gericht op het op onrechtmatige wijze omver willen werpen van de Nederlandse regering, zo besliste de Hoge Raad. Voor de onderhavige zaak meer van belang is dat het middel eveneens faalde voor zover werd geklaagd over het oordeel dat de poster aanspoorde tot gewelddadig optreden tegen de politie. Door te overwegen dat de tenlastegelegde uitingen moeten worden bezien in onderling verband en in hun context, te weten de inhoud van de gehele poster, had het hof de juiste maatstaf aangelegd. Voor het overige was dit – zo begrijp ik het oordeel van de Hoge Raad – vooral een feitelijke kwestie en was het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
- Bij de beoordeling of sprake is van “opruien tot enig strafbaar feit” zullen de gewraakte uitingen eveneens in hun context en naar hun strekking moeten worden bezien. En ook dan geldt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent, gezien de verwevenheid met de feiten van dat oordeel, in cassatie slechts met terughoudendheid zal kunnen worden getoetst. Mij zijn geen zaken bekend waarin de Hoge Raad casseerde op de grond dat het oordeel van de feitenrechter, dat al dan niet sprake was van opruiing tot enig strafbaar feit in de zin van art. 131 Sr of art. 132 Sr, onjuist of onbegrijpelijk was.
- Aan het ‘opruien’ zelf heeft de Hoge Raad in zijn (oudere) rechtspraak geen algemene voorwaarden gesteld. Wel is mij opgevallen dat de Hoge Raad in sommige van zijn vooroorlogse uitspraken in navolging van de bestreden uitspraak of de conclusie van het parket in de zaak, dan wel op eigen initiatief, woorden hanteert die kennelijk als synoniem of als nadere aanduiding van het begrip opruien moeten worden beschouwd. Zo werd eens overwogen dat in het woord opruien ligt opgesloten het opzet, dat is het willens en wetens “aanhitsen” tot strafbare feiten. De Hoge Raad sprak elders ook wel van een “aanzetting”, of overwoog dat art. 131 Sr de “aansporing” tot een strafbaar feit vereist. In dezelfde lijn ligt het arrest waarin de Hoge Raad het niet met de steller van het middel eens was dat de door de verdachte gebezigde bewoordingen slechts een “opwekking tot bewondering” behelsden. Volgens de Hoge Raad had het hof daarin zeker ook een “opwekking tot navolging” kunnen zien. Daarmee is de kern van het opruien, dunkt mij, treffend en in overeenstemming met de wetsgeschiedenis (‘bewerken van het publiek’) verwoord. De opruier ‘bewerkt het publiek’ om het te bewegen tot een zekere daad. Niet is overigens vereist dat het bewerken van het publiek, zulk aanzetten, aansporen of aanhitsen zogezegd, in heftige en de hartstocht opwekkende bewoordingen geschiedt. Ook een aanprijzing in meer bezadigde termen kan opruiend zijn.
- Al kort na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, kwam in 1890 in cassatie aan de orde de vraag of voor strafbaarheid op grond van art. 131 Sr is vereist dat het opruien in onvoorwaardelijke vorm plaatsvindt. De in de zaak bewezenverklaarde uitingen waren gericht tot ‘lotelingen’, de deelnemers aan een loting waarbij wordt bepaald wie van hen onderdeel zullen gaan uitmaken van de krijgsmacht. Zij werden door de verdachte aangespoord (de Hoge Raad overweegt: “opgezet”) om, wanneer na indiensttreding zou worden bevolen hun wapens te gebruiken, deze niet te richten op hen tegen wie het wordt bevolen, maar tegen anderen. Tevergeefs was de klacht dat geen strafbare opruiing bestond omdat volgens de verdediging in dit geval de opruiing afhankelijk was van twee voorwaarden, namelijk dat de loteling daadwerkelijk in militaire dienst treedt én hem wordt bevolen zijn wapen te gebruiken. De Hoge Raad besliste dat indien “de volvoering” van het feit, waartoe wordt opgeruid, mocht afhangen van enige omstandigheid, zulks de strafbaarheid geenszins uitsluit. Een paar jaar later verwoordde de Hoge Raad de strekking van deze overwegingen nog iets stelliger door te oordelen dat “wanneer het plegen van het feit waartoe wordt aangezet afhankelijk wordt gesteld van enige voorwaarde of eventualiteit, niettemin opruiing aanwezig is”.
- In hetzelfde arrest van 1890 over de lotelingen heeft de Hoge Raad ook voor het eerst een licht doen schijnen op de betekenis van het bestanddeel “tot enig strafbaar feit”. Geklaagd werd niet alleen dat de bewezenverklaarde uitingen voorwaardelijk waren geformuleerd, maar ook dat de tot de lotelingen gerichte woorden strikt genomen slechts aanzetten tot het doen van een belofte en dus in zoverre niet rechtstreeks tot een bepaald strafbaar feit opriepen; het doen van een belofte een strafbaar feit te begaan, zou in de regel niet strafbaar zijn als de belofte niet wordt nagekomen. Onder verwijzing naar de literatuur was A-G Patijn van oordeel dat de klacht faalde omdat de wet niet eist dat de opruiing rechtstreeks geschiedt. Of voldoende verband bestaat met enig strafbaar feit achtte hij een geheel feitelijke kwestie. De Hoge Raad overwoog – enigszins anders – dat “bij art. 131 Strafrecht wel is waar niet elke opruiing strafbaar is gesteld; [...] dat de strafbaarheid zich alleen bepaalt tot opruiing tot een strafbaar feit, waaruit volgt, dat daarbij zoodanig bepaald feit, al is het niet noodig daartoe de juiste woorden der wet te gebruiken, moet zijn aangeduid, en dat alzoo in dien zin rechtstreeks een strafbaar feit moet zijn aangewezen, waartoe wordt opgeruid.” Dat opruiing in die zin vereist dat rechtstreeks een strafbaar feit wordt aangewezen, dus in de zin dat een bepaald strafbaar feit wordt aangeduid, zij het niet noodzakelijk met de juiste woorden der wet, werd nadien vaste rechtspraak.
- Wannéér voldoende sprake is van een rechtstreeks aangewezen, bepaald strafbaar feit, laat zich niet in algemene zin uit de rechtspraak van de Hoge Raad beantwoorden. Voorop staat dat de vraag is verweven met de feiten en de Hoge Raad dus slechts kan toetsen of het oordeel van de rechter begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is. Als gezegd is niet vereist dat de opruier zich in de bewezenverklaarde uitingen houdt aan de wettelijke omschrijving van het strafbare feit. Beslissend achtte de Hoge Raad daarentegen of de tenlastegelegde en bewezenverklaarde uitingen naar hun strekking tot een bepaalde daad of gedraging aanzetten die bij de feitelijke uitvoering daarvan een strafbaar feit zou opleveren. In dat verband is in het bijzonder HR 21 november 1921, ECLI:NL:HR:1921:140, NJ 1922, p. 177 e.v. van belang, ofschoon het een geval van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag betrof. Bewezenverklaard was dat de verdachte op een openbare vergadering werklozen had aangespoord tot bezetting van openbare gebouwen. Geklaagd werd onder meer dat het ‘bezetten’ van een gebouw zeer goed mogelijk is zonder enig geweld. De Hoge Raad legt echter uit dat het gaat om een bezetting van overheidsgebouwen die volstrekt niet onbezet zijn. Vervolgens overweegt hij dat de met openbaar gezag beklede personen de inbezitneming van die gebouwen niet zullen mogen dulden en ook niet zullen dulden. Omdat deze bezetting derhalve “niet denkbaar is zonder gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, is die aansporing terecht als eene strafbare opruiing aangemerkt”, aldus de Hoge Raad. Het arrest laat zien dat ook van strafbare opruiing sprake kan zijn indien de in de uitingen omschreven daden waartoe wordt aangespoord zelf weliswaar niet zonder meer een “gewelddadig optreden” (of “enig strafbaar feit”) behelzen, maar het niet denkbaar is, of het niet anders kan zijn dan, dat de uitvoering ervan met gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag respectievelijk met enig strafbaar feit gepaard zal gaan.
- Indien de bestreden uitspraak zelf het strafbare feit waartoe wordt opgeruid niet met zoveel woorden aanwijst, levert dit op zichzelf geen motiveringsgebrek op, zo illustreert bijvoorbeeld een uitspraak van de Hoge Raad uit 1909, waarin de verdachte werd verweten dat hij had geroepen “Hij moet uit de kast, wij halen hem er uit. Trapt de deur kapot, slaat ze op der donder”, en later: “Maakt een aanval, Drijft ze naar Gennip. Breekt de zaak af.” De beslissing van de rechtbank hield in dat de verdachte daarmee had opgeruid de deur van het arrestantenlokaal kapot te trappen, de arrestant te bevrijden en de politiebeambten te slaan. Het middel dat klaagde dat aldus nog niet was aangewezen tot welke strafbare feiten was opgeruid faalde, omdat “de rechtbank daarbij noch het artikel noch den naam waaronder die strafbare handelingen waren te brengen, behoefde op te geven, doch kon volstaan met te verklaren dat de handelingen waartoe requirant aanspoorde, opleveren feiten voorzien en strafbaar gesteld in het WvSr nu uit de bij dagvaarding gedane omschrijving dier handelingen voldoende duidelijk bleek dat deze indien zij werden uitgevoerd strafbare feiten zouden opleveren.” In voorkomende gevallen heeft de Hoge Raad dan zelf het bijbehorende strafbare feit aangewezen.
- Nog minder verlangde de Hoge Raad in dit opzicht van de bewijsmotivering in een arrest van 20 maart
- De Hoge Raad redde de in zowel de bewezenverklaring als de bewijsmotivering te lezen, maar evident onjuiste, aanwijzing van het strafbare feit waartoe was opgeruid. Bewezenverklaard was dat de verdachte in 1932 een geschrift had tentoongesteld waarin werd opgeruid tot het bij art. 95 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande strafbaar gestelde feit, kort gezegd weigering van de dienstplicht. Ook de bewijsmotivering hield in dat het feit waartoe zou zijn opgeruid was verboden bij art. 95 van dat wetboek. Wat de feitenrechter evenwel over het hoofd had gezien, was dat dit wetboek sinds 1 januari 1923 niet meer van kracht was. De A-G concludeerde tot vernietiging, maar de Hoge Raad gaf er een wending aan. Het gedeelte van de bewezenverklaring dat op art. 95 van het Crimineel Wetboek betrekking had, achtte hij overbodig. Ook als aan dat deel geen aandacht wordt geschonken, hield de bewezenverklaring in dat de verdachte een bord, waarop stond vermeld “Weigert Militaire dienst!”, openlijk heeft tentoongesteld en aangeslagen. Dit feit viel alsnog onder art. 132 Sr, omdat het geschrift opruit tot een ander strafbaar feit, namelijk het weigeren of opzettelijk nalaten te gehoorzamen aan enig dienstbevel, de militaire dienst betreffende. III.6 Tussenbalans
- Samenvattend wijst de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad uit dat van “opruien” sprake is wanneer tot iets wordt aangespoord, opgehitst of aangezet, ongeacht of dat in hartstochtelijke of in bezadigde bewoordingen is verpakt en ongeacht of de opruiing afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden of eventualiteiten. Dat het moet gaan om opruiing tot “enig strafbaar feit” brengt mee dat uit de strekking van de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks een bepaald strafbaar feit moet kunnen worden aangewezen waartoe is aangezet of aangespoord. De strekking van de uitingen moet dus zodanig zijn dat uitvoering van de gedragingen waartoe zij aansporen een strafbaar feit oplevert, althans dat die gedragingen niet denkbaar zijn zonder dat zij met een strafbaar feit gepaard gaan. Zo nodig wijst de Hoge Raad op grond van de feitelijke vaststellingen van de feitenrechter zelf het feit aan waartoe wordt opgeruid.
- De actuele politieke discussie over de strafbaarstelling van – kort gezegd – de verheerlijking van terrorisme, stelt de betekenis van opruien niet in een ander daglicht. De steller van het middel betoogt onder andere dat uitingen “die verheerlijkend of propagandistisch zijn [...] niet als opruiend kunnen worden aangemerkt.” De juistheid van die stelling kan uit het politieke debat niet worden afgeleid en ook overigens verdient zij nuancering. In het debat is steeds onder ogen gezien dat de strafbaarstelling van verheerlijking, vergoelijking en bagatellisering van bepaalde ernstige misdrijven een aanvulling zou vormen op het bestaande strafrechtelijke instrumentarium, in die zin dat zo een strafbepaling een zodanig ruim bereik zou hebben dat daaronder (vele) uitingen kunnen worden gebracht die thans niet strafbaar zijn. De steller van het middel heeft dus politieke steun voor zijn stelling in zoverre dat niet elke vorm van verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of – wat hij noemt – propaganda ook zonder meer opruiend is in de zin van art. 131 Sr en art. 132 Sr. Dat komt mij juist voor: opruien, aansporen en aanzetten zijn niet hetzelfde als verheerlijken of aanprijzen. Daar staat echter tegenover dat de reden dat het tot een nieuwe strafbaarstelling als hier bedoeld tot op heden niet is gekomen in belangrijke mate erdoor is ingegeven dat de verantwoordelijke ambtsdragers en parlementariërs van oordeel zijn (geweest) dat zo een strafbaarstelling niet nodig is. Niet omdat verheerlijking, vergoelijking en bagatellisering nooit strafwaardig zouden (kunnen) zijn en nooit strafrechtelijke vervolging zouden rechtvaardigen, maar omdat een dergelijke strafbaarstelling overinclusief is, terwijl de strafwaardige varianten van verheerlijking en propaganda ook thans al vervolgbaar zijn, onder meer op grond van art. 131 Sr en/of art. 132 Sr. Dat men bedenkingen heeft bij een aanvullende strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme als zodanig, betekent – ik zou zeggen: uiteraard – niet dat die verheerlijking van terrorisme in het geheel niet strafbaar is.
- De in de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad aan het bestanddeel “tot enig strafbaar feit” gegeven uitleg past mijns inziens goed bij de ratio van deze wettelijke beperking van de strafbare vormen van opruiing. Die ratio komt erop neer dat de wetgever in beginsel geen grond zag het opruien tot daden die zelf straffeloos zijn, strafbaar te achten. Deze grondgedachte, die de wetgever zelf nadien heeft genuanceerd, brengt met zich dat opruien tot gedragingen die niet zonder meer met strafbare feiten gepaard behoeven te gaan in beginsel straffeloos behoort te blijven. Dezelfde grondgedachte noopt echter niet ertoe de strafbaarheid te beperken tot uitsluitend de gevallen waarin de gewraakte uitingen zelf zonder meer alle bestanddelen van een strafbaar feit omvatten. Ook als de uitingen, naar hun strekking en in de context waarin zij zijn gedaan bezien, aansporen tot gedragingen die niet denkbaar zijn zonder het begaan van strafbare feiten, is immers geen sprake van aansporing tot daden die zelf straffeloos zijn. III.7 Beoordeling van het eerste middel
- Ik keer terug naar de onderhavige zaak en de in het eerste middel te lezen klachten.
- De meeste nadruk in de toelichting op het middel ligt op de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ter zake van de in de tenlastelegging van de feiten 1A en 1B onder A. en B. tenlastegelegde uitingen niet die uitingen zelf, maar de opruiende strekking van de website “ [internetsite 1] ” en “ [H] ” tot uitgangspunt te nemen en door te overwegen dat ook uitingen die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website, respectievelijk dit radiostation zijn geplaatst en gedeeld als opruiend moeten worden gezien.
- Ik ben het met de steller van het middel eens dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een uitingsdelict de inhoud van de uiting altijd een voorname rol speelt en niet van ondergeschikt belang kan worden geacht. Uiteraard valt daarbij betekenis toe te kennen aan de context waarin de uiting is gedaan, maar voor zover het hof zou hebben beslist dat ook op zichzelf geheel onschuldige berichten opruien indien zij via een opruiend kanaal zijn verspreid, acht ik dat oordeel niet (zonder meer) begrijpelijk. Het laat zich in mijn ogen niet (goed) denken dat een medium van dien aard is dat in elk zich voordoend geval de enkele omstandigheid dat uitingen door middel van dat medium zijn gedaan, alleen al om die reden zelfstandig een voltooid opruiingsdelict – of breder: een voltooid uitingsdelict – oplevert, zelfs als het bericht op zichzelf genomen naar inhoud en strekking onschadelijk is. Dat neemt niet weg dat de diverse uitingen waarvoor dezelfde persoon verantwoordelijk is, en/of zijn activiteiten op een bepaald platform, in onderlinge samenhang bezien één voltooid uitingsdelict kunnen vormen. Zo kan zowel een specifieke passage uit een boek, alsook de inhoud van het boek in het geheel bezien tot een strafbaar feit opruien. De veroordeling van de verdachte ter zake van het opruien door het beheren van de website zelf, begrijp ik in deze laatste zin. Maar niet juist lijkt mij de rechtsopvatting dat dit laatste omgekeerd betekent dat het opruiende karakter van een boek in zijn totaliteit genomen, meebrengt dat dus iedere zin of alinea in dat boek afzonderlijk en zelfstandig het plegen van een voltooid opruiingsdelict oplevert, hoe onschuldig die zin zelf ook is.
- Tot op zekere hoogte kan ik de steller van het middel volgen, voor zover hij klaagt dat in de benadering van het hof ogenschijnlijk de context van de uitingen beslissend is geacht (en niet de uitingen zelf) en dat aldus teveel gewicht aan de context is toegekend. De bewoordingen waarin sommige overwegingen in dit verband zijn vervat, acht ik niet gelukkig gekozen. Ik doel met name op ’s hofs overwegingen (voor de duidelijkheid voorzie ik, EH, deze van letters) dat a. “de strekking van de website [internetsite 1] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien”, b. “in casu ook op zichzelf beschouwd in de tenlastelegging opgenomen onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie [vervullen], omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden” en c. “ook zij derhalve de opruiende strekking van de website [bevorderen], want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet”. Zij suggereren immers dat ook – zoals de steller van het middel het verwoordt – “een neutrale uiting” zelfstandig of afzonderlijk strafbaar kan zijn. Wel kan (als hiervoor opgemerkt) dit een onderdeel zijn van een opruiende uiting, of van een samenstel van uitingen die in haar geheel als opruiend kan worden aangemerkt (vgl. de neutrale passage in een opruiend boek). Het als het ware aanprijzen van een opruiende uiting, draagt mijns inziens op zichzelf nog niet (zonder meer) het oordeel dat daarmee het aanprijzen zelf ook opruiend is.
- Tot cassatie behoeft het voorgaande echter niet te leiden, lijkt mij. Ik wijs daarvoor op het volgende.
- Blijkens de bewezenverklaring van feit 1A en feit 1B heeft het hof geoordeeld dat de verdachte heeft opgeruid en opruiende berichten heeft verspreid, zowel door het beheren van de website, respectievelijk het radiostation, als door het delen van specifieke uitingen via die website en dat radiostation. Dit oordeel heeft het hof uitgebreid gemotiveerd, op de wijze zoals hiervoor onder randnummer 11 vermeld. Het heeft de te hanteren benadering vooral toegelicht ten aanzien van onderdeel A. van de bewezenverklaringen (“ [internetsite 1] ”). In onderdeel B. (“ [H] ”) wordt naar die benadering verwezen. Het hof heeft in dit verband met juistheid vooropgesteld dat van opruiing in elk geval sprake is als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbare feiten en dat niet is vereist dat iemand zich daardoor daadwerkelijk tot dat feit aangezet heeft gevoeld, maar dat moet worden beoordeeld of de uitingen zodanig zijn dat iemand daardoor tot dat feit zou kunnen worden verleid of gebracht. Vervolgens overweegt het hof dat sommige bestanden (bedoeld zal zijn: de uitingen daarin) weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel “onmiskenbaar een opruiend karakter hebben”. Daarmee bedoelt het hof kennelijk tot uitdrukking te brengen dat zij niet letterlijk, maar wel naar hun inhoud en strekking aansporen tot enig strafbaar feit. Dat geldt volgens het hof in elk geval voor de op de website geplaatste preken “Het Graf” en “Jihaad voor Allah” van Abou Yazeed en de opiniebijdragen van [betrokkene 21] , alsmede voor de op het radiostation te horen lezing van [betrokkene 3] en liederen van Abou Hafs. Die uitingen heeft het hof derhalve naar hun eigen inhoud en strekking beoordeeld. Zij worden door de eerste in het middel te lezen klacht dus niet geraakt.
- Naast de rechtstreeks opruiende en de naar hun inhoud en strekking opruiende berichten, herkent het hof nog een derde categorie van opruiende uitingen, namelijk die welke op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot enig strafbaar feit, of waarover kan worden getwijfeld of dat het geval is. Bij de beoordeling van die uitingen heeft het hof – naar eigen zeggen meer dan de rechtbank – gewicht toegekend aan de context van de uitingen. Het hof overweegt echter ook nadrukkelijk dat “de inhoud van afzonderlijke content natuurlijk wel van belang” is. De door het hof geschetste context van de uitingen maakt inzichtelijk dat die context de opruiende werking van de afzonderlijke uitingen versterkt. In zoverre is ’s hofs oordeel bepaald niet onbegrijpelijk. Dat het hof daarbij overweegt dat op zichzelf “niet per se opruiende berichten” daardoor als opruiend kunnen worden beschouwd, doet daaraan niet af en lijkt mij voorts onjuist noch onbegrijpelijk. Van onbegrijpelijkheid zou sprake zijn als de uiting ook in haar context begrepen niet op enige wijze kan worden geacht aan te sporen tot enig strafbaar feit. Een overweging met een dergelijke portee ben ik in het bestreden arrest niet tegengekomen.
- Dat het hof heeft geoordeeld dat elke van de bewezenverklaarde uitingen ”opruit”, is in zijn algemeenheid niet onbegrijpelijk, terwijl mij op basis van het middel en de toelichting daarop niet duidelijk wordt welke uitingen precies volgens de steller van het middel ten gevolge van de benadering van het hof ten onrechte of onbegrijpelijk als opruiend door het hof worden aangemerkt.
- Ik zal hier niet per uiting afzonderlijk beoordelen of het oordeel van het hof dat sprake is van opruien begrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Voor zover moet worden aangenomen dat de deelklacht ten aanzien van een aantal van de uitingen inderdaad slaagt, meen ik namelijk dat de aard en de ernst van het totaal aan feiten dat door het hof bewezen is verklaard niet wordt aangetast doordat een onderdeel of enkele onderdelen van de bewezenverklaringen van de feiten 1A en 1B in cassatie geen stand houdt of houden. De klacht tast in elk geval niet aan het oordeel van het hof dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de delicten door zijn beheer van de website en het radiostation. Het oordeel van het hof dat in elk geval de op de website geplaatste preken “Het Graf” en “Jihaad voor Allah” van Abou Yazeed en de opiniebijdragen van [betrokkene 21] , en de op het radiostation te horen lezing van [betrokkene 3] en liederen van Abou Hafs een opruiend karakter hebben, wordt door de gebreken in zijn bewijsmotivering evenmin getroffen. De verdachte is bovendien tevens veroordeeld ter zake van de film “Oh Oh Aleppo” (feiten 1A en 1B, telkens onder C.) en wegens het opruien en het verspreiden van opruiende berichten op zijn eigen Twitterpagina. Ook de beoordeling van die berichten lijdt niet aan het hier gesignaleerde gebrek in de bewijsmotivering. Dat, zoals de steller van het middel veronderstelt, vrijspraak van een aantal uitingen gevolgen zou hebben gehad voor de bewijsbaarheid van het onder feit 4A en 4B bewezenverklaarde deelnemen aan de organisatie acht ik hoogst onaannemelijk, om niet te zeggen uitgesloten. Voor de waardering van de feiten in het kader van de straftoemeting lijkt mij de eventuele omstandigheid dat enige uitingen toch niet zelfstandig een voltooid opruiingsdelict opleveren, van ondergeschikt belang. Bij deze stand van zaken bestaat bij partiële vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak in zoverre, onvoldoende rechtens te respecteren belang.
- Dan de andere in de toelichting op het middel te lezen (deel)klachten. Voor zover wordt geklaagd over de overweging van het hof dat “ook beïnvloeding op indirecte wijze [...] opruiend [kan] zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen”, steunt het middel op de opvatting dat uitingen die verheerlijkend of propagandistisch zijn niet als opruiend kunnen worden aangemerkt. Deze opvatting acht ik, als eerder opgemerkt, onjuist. De aangevallen overweging van het hof moet bovendien worden gelezen in samenhang met het meer op de onderhavige zaak toegespitste oordeel dat “het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en [...] daarom opruiend [is]. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.” Kennelijk heeft het hof bedoeld tot uitdrukking te brengen dat indien wordt beoogd de geesten rijp te maken – door bewondering en verheerlijking – voor strafbare feiten zonder dat letterlijk (in de vorm van een bevel of aanmoediging bijvoorbeeld) wordt aangespoord, zulks onder omstandigheden toch opruiend kan zijn. Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, acht het hof dus het uiten van grote waardering en bewondering – in casu voor strijders van terreurgroepen in Syrië – onder omstandigheden opruiend. Hetzelfde kan gelden voor het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd, mits het gaat om “een zodanig intense bewondering” dat deze op zichzelf “aanzet tot navolging”. Aldus, enigszins welwillend begrepen, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de werkwoordsvorm van opruien, zoals deze voorkomt in art. 131, eerste lid, Sr respectievelijk art. 132, eerste lid, Sr. In het bijzonder ook niet omtrent de verhouding tussen verheerlijken en opruien.
- Voor zover het middel en de toelichting voorts klagen dat het hof onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks tot een bepaald strafbaar feit aanzetten, heeft naar het mij voorkomt het volgende te gelden. Het hof heeft blijkens de bewezenverklaringen geoordeeld dat de berichten oproepen “tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak.” In de hiervoor onder randnummer 10 weergegeven inleidende overwegingen heeft het hof vooropgesteld in zijn uitspraak onder de gewapende jihadstrijd in Syrië te zullen verstaan “de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam”, meer specifiek “de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië)”. Het hof heeft in diezelfde inleiding uitvoerig gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat “deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen [...] altijd [...] het plegen van terroristische misdrijven [inhoudt].” De steller van het middel betoogt dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat het slechts is onderbouwd door te wijzen op de (vele) misdrijven die deze strijdgroepen plegen. “Dat er veel misdrijven worden gepleegd in de gewapende strijd is echter op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat deelname aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt”, aldus de steller van het middel.
- Hoewel het één inderdaad niet logisch-dwingend uit het ander voortvloeit, meen ik dat het feitelijke oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. In dat verband wijs ik erop dat ook deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven op grond van art. 140a Sr “enig strafbaar feit” als bedoeld in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr oplevert. Dat strafbare feit van art. 140a Sr is bovendien een feit dat op de voet van art. 83, onder 3°, Sr een terroristisch misdrijf is in de zin van art. 131, tweede lid, Sr en art. 132, derde lid, Sr. Het hof heeft tegen die achtergrond kunnen oordelen dat de verdachte door aan te zetten tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en het aldaar deelnemen aan de gewapende jihadstrijd, heeft aangezet tot daden waarvan de feitelijke uitvoering noodzakelijkerwijs gepaard gaat met – en dus niet denkbaar is zonder – het begaan van enig strafbaar feit dat een terroristisch misdrijf oplevert. Dit in de bewezenverklaring en de bewijsmotivering besloten liggend oordeel van het hof dat de gedragingen waartoe de bewezenverklaarde uitingen aanzetten niet denkbaar zijn zonder dat zij met een bepaald terroristisch misdrijf gepaard gaan en dat die uitingen in die zin rechtstreeks tot “enig strafbaar feit”, zijnde een terroristisch misdrijf, opruien, acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.
- Voor zover het middel en de toelichting ten slotte klagen dat het hof heeft verzuimd overeenkomstig art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv voor de afwijking van het door de verdediging per uiting ingenomen standpunt dat van opruien geen sprake is in het bijzonder de redenen op te geven, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft per slot van rekening in de bestreden uitspraak zijn bewijsbeslissingen ten aanzien van de feiten 1A en 1B nader gemotiveerd op de wijze die hiervoor is weergegeven onder randnummer
- Door aldus te overwegen, heeft het hof inzicht gegeven in zijn beweegredenen om van de bedoelde standpunten af te wijken.
- Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. III.8 Beoordeling van het tweede middel
- Met het tweede middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring onder 2A en 2B genoemde Twitterberichten ”opruien tot enig strafbaar feit”. Van de desbetreffende tweets is door de verdediging betoogd dat het gaat om veelal satirische berichten die zonder commentaar worden doorgestuurd. Het oordeel van het hof daaromtrent zou onbegrijpelijk zijn, mede gelet op de vluchtigheid van het medium Twitter en op “het adagium ‘retweet is not endorsement’”. Terwijl met het eerste middel wordt betoogd dat het hof ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde uitingen overmatig gewicht zou hebben toegekend aan de context van die uitingen, zou volgens het tweede middel het hof in het kader van feit 2 juist te zeer hebben geabstraheerd van de setting van het medium twitter, de sarcastische dan wel humoristische ondertoon en de bedoelingen van degene die de berichten heeft geplaatst.
- Het retweeten van een bericht betekent uiteraard niet noodzakelijkerwijs dat men het met de inhoud van het doorgestuurde Twitterbericht eens is (‘retweet is not endorsement’). Een bericht kan immers om uiteenlopende redenen worden geretweet. Dat neemt echter niet weg dat door het retweeten van een opruiend Twitterbericht wel degelijk, en betrekkelijk snel, de feiten van art. 131 Sr en/of art. 132 Sr kunnen worden begaan. Ook dan geldt echter dat de vraag of een uiting opruit tot enig strafbaar feit in de zin van die bepalingen, beoordeeld dient te worden aan de hand van de inhoud, strekking en context van die uitingen. Mede gezien de formele aard van de opruiingsdelicten en het in acht te nemen onderscheid tussen het opzet van de verdachte en het opruiende karakter van zijn uitingen, komt in dat verband minder gewicht toe aan de subjectieve bedoeling van de verdachte en de subjectieve gesteldheid van de toehoorder als zodanig. Uiteraard kan het – gelet op de context van het medium, de overige op dat medium geplaatste berichten en/of de aan de retweet zelf toegevoegde inhoud – evident zijn dat de retweet van een opruiend bericht niet aanzet tot enig strafbaar feit. En daarnaast kan de bedoeling van de plaatser ervan natuurlijk van betekenis zijn voor het bewijs van het voor de opruiingsdelicten vereiste schuldverband.
- Het hof heeft de Twitterberichten op de Twitterpagina van de verdachte elk afzonderlijk beoordeeld en de verdachte ten aanzien van een aantal van de op die pagina geplaatste berichten vrijgesproken van opruiing en het verspreiden van opruiende geschriften. Vier berichten acht het hof echter wél opruiend. Deze zijn als bewijsmiddel 57 opgenomen in de “Bijlage houdende bewijsmiddelen”.
- Ten aanzien van de eerste twee opruiende berichten heeft het hof overwogen dat de ‘satirische’ slagzinnen “opeens heb je het, je toekomst ligt in het paradijs” en “hoe bedoel je geen toekomst? Onze toekomst ligt in het Paradijs Shaam al Malaahim” onder foto’s van jihadstrijders juist bijdragen aan het opruiende karakter. De foto’s in combinatie met slagzinnen die blijven hangen, kunnen aanzetten tot afreizen naar het Midden-Oosten om deel te nemen aan de strijd, zo redeneert het hof. Die motivering lijkt mij helder en bepaald niet onbegrijpelijk. Doordat in de slagzinnen het sterven op het slagveld als een “toekomst” in “het Paradijs” wordt gekwalificeerd, wordt het deelnemen aan die strijd verheerlijkt en aangemoedigd. Dat de verdachte die slagzinnen beweerdelijk grappig vond of satirisch van inhoud, zou, indien aannemelijk gemaakt kan worden dat hij louter dáárom de berichten plaatste, in het licht van het opzetvereiste wellicht nog tot een serieus te nemen verweer kunnen leiden, maar gezien de ten laste van de verdachte overigens bewezenverklaarde feiten en hetgeen over zijn houding ten opzichte van de gewapende strijd door het hof is vastgesteld, kan niet in ernst worden beweerd en volgehouden dat de verdachte de berichten sarcastisch of satirisch heeft bedoeld en is het volstrekt onaannemelijk dat de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat anderen door zijn berichten zouden worden aangespoord zich bij de jihadstrijders in Syrië te voegen. Dat het hof aan het bedoelde verweer is voorbijgegaan, acht ik derhalve niet onbegrijpelijk. Ook is het oordeel dat beide berichten opruien toereikend gemotiveerd.
- Het derde bewezenverklaarde bericht is een retweet van de twitterpagina [naam 2] bij een als nieuws gebrachte foto van nieuwe rekruten van ISIS. De verdachte heeft evenwel niet volstaan met het retweeten van dit (nieuws)bericht. Hij heeft er namelijk aan toegevoegd dat hij hoopt dat er Nederlanders bij zijn. Het oordeel van het hof dat de retweet van de verdachte aldus aanzet tot navolging van deze rekruten door Nederlanders, acht ik onjuist noch onbegrijpelijk. Dat het, zoals de steller van het middel opmerkt, zou gaan om een retweet in reactie op een tweet van een journalist met wie de verdachte naar aanleiding van de tweet in zijn timeline discussieert, maakt dit niet anders.
- Van het vierde bewezenverklaarde bericht behoeft nauwelijks betoog dat het opruiend is. De tekst “Dringend gezocht: moslims die bereidt [sic, EH] zijn hun leven te geven voor Allah Azza wa jal en te strijden fisabillillah. Twee garanties: overwinning of Shahada. Allah staat aan onze kant” moedigt de lezer rechtstreeks aan te sterven voor Allah en daartoe te strijden. Het bericht verheerlijkt die strijd door de lezer erop te wijzen dat Allah aan de kant van de auteur staat en door de lezer “twee garanties” voor te houden, waarmee naar de strekking kennelijk is bedoeld één garantie op één van twee opties: óf de overwinning óf Shahada. Het oordeel van het hof dat deze tweet geheel voor zich spreekt, is goed te volgen. De precieze klacht van het middel hiertegen niet.
- Het tweede middel faalt. IV. Het derde middel: deelneming aan een organisatie met het oogmerk op het plegen van (terroristische) misdrijven IV.1 Het middel en de bewijsvoering
- Het derde middel klaagt met meerdere (deel)klachten dat het hof de onder 4A tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, en/of de onder 4B tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, ten onrechte heeft bewezenverklaard, althans het deze bewezenverklaring(en) niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed.
- Ten laste van de verdachte is onder feit 4A en feit 4B bewezenverklaard dat: “4A (eerste cumulatief/alternatief): deelname aan een terroristische organisatie hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit: [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum] 1982) en[betrokkene 3] (geboren [geboortedatum] 1996) en [medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum] 1985) en [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum] 1974) en [betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1993) Welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk D. de voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr jo 287 Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk EN 4B (tweede alternatief/cumulatief): deelname aan een criminele organisatie hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit: [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum] 1982) en[betrokkene 3] (geboren [geboortedatum] 1996) en [medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum] 1985) en [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum] 1974) en [betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1993) Welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk A. het in het openbaar bij geschrift of afbeelding opruien tot enig strafbaar feit terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt enB. het verspreiden van geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en E. het zonder toestemming van de Koning werven voor de gewapende strijd, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van terroristische misdrijven inhoudt en F. het financieren van terrorisme.”
- Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de inhoud van de in de bijlage bij de bestreden uitspraak opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van die bijlage, volsta ik wederom met verwijzing daarnaar.
- Ten aanzien van het bewijs van de als feit 4A en feit 4B bewezenverklaarde feiten, heeft het hof in de bestreden uitspraak het volgende overwogen: “Feit 4 Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 en 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het volgende.Samenwerken in gestructureerd verbandHet hof stelt voorop dat van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur onder meer kan worden gesproken wanneer twee of meer personen een gezamenlijk doel hebben waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gezamenlijk ingezet voor het vestigen van 'het kalifaat' in Syrië door middel van de gewapende jihadstrijd. Daartoe zetten zij – in samenwerkingsverband – anderen aan af te reizen om zich bij die jihadstrijd in Syrië aan te sluiten. Deze samenwerking om deel te nemen aan de jihadstrijd blijkt uit het volgende. In de inleiding is reeds overwogen dat de verdachte, [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ten laatste vanaf de zomer van 2012 achter het voeren van de jihad in Syrië stonden door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen teneinde daar een 'kalifaat' te vestigen. In 2012 werden activiteiten onder de naam [A] en [B] , waarbij de islam als totale levenswijze centraal stond, en waaraan in de periode daarvoor ook door de verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is deelgenomen, ondergebracht in de [C] (hierna: de Stichting) opgericht op 12 januari
- Als voorzitter van de Stichting werd ingeschreven bij de Kamer van Koophandel [betrokkene 5] , als penningmeester [betrokkene 4] en als secretaris [medeverdachte 3] . Er werd op naam van de Stichting een pand gehuurd aan de [a-straat 1] in Den Haag en er werd een rekening geopend op naam van de Stichting.Er werd op de rekening van de Stichting geld ingezameld voor strijders in Syrië en er werd overleg gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse. Een aantal bezoekers van de [a-straat 1] in Den Haag, [betrokkene 1] en ook de bestuurders [betrokkene 5] en [betrokkene 4] zijn in de ten laste gelegde periode uitgereisd naar het strijdgebied in Syrië. De naar het oordeel van het hof opruiende website [internetsite 1] , is vanaf april 2013 als spreekbuis gebruikt om voornoemde boodschap te verspreiden. De verdachte was de bouwer en beheerder van de website, die eerder op naam van de Stichting geregistreerd stond. De verdachte was redacteur en had met betrekking tot die website overleg met [medeverdachte 3] . Van de hand van de verdachte en ook van die van [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] verschenen bijdragen op de site. In de loop van 2013 zijn in Den Haag in het openbaar bijenkomsten gehouden waarbij in wisselende samenstellingen de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] aanwezig waren. Het hof is van oordeel dat de inbreng van de genoemde personen duidt op een zekere werk- dan wel taakverdeling. Sommigen reisden af, sommigen bleven in Nederland om andere aan te zetten om af te reizen naar Syrië om deel te nemen aan de militaire Jihad. De verdachte was handig op internet, [betrokkene 3] was een gewild spreker en [medeverdachte 3] trad doorgaans op als woordvoerder. Van slechts incidentele samenwerking was geen sprake. Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter kan worden gesproken aangezien van die samenwerking binnen de bewezen verklaarde periode is gebleken. Het hof tekent hierbij nog aan dat de omstandigheid dat niet alle personen van de groep onderling hebben samengewerkt of bekend waren met (al de) andere deelnemers aan de organisatie en met hun bezigheden voor de organisatie niet in de weg staat aan de vaststelling van een gestructureerd samenwerkingsverband. Zo heeft bijvoorbeeld de medeverdachte [medeverdachte 1] deelgenomen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, nadat hij onder invloed van [betrokkene 1] was uitgereisd. Hij bleef contact onderhouden met [betrokkene 1] over die strijd en het verdelen van geld onder strijders. Dit wordt voldoende geacht om [medeverdachte 1] als behorend tot de organisatie te beschouwen, hoewel niet is gebleken dat hij met de verdachte, [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] of [medeverdachte 2] samenwerkte.Al met al is naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr. Het oogmerk van de organisatie Het oogmerk van de organisatie was er op gericht om commune en ook terroristische misdrijven te plegen in het streven om een 'kalifaat' te vestigen door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen. De criminele organisatie in de zin van artikel 140