PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer18/05409 Zitting 3 december 2019 (bij vervroeging) CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, hierna: de verdachte. 1. De verdachte is, na terugwijzing door Uw Raad bij arrest van 7 november 2017, bij arrest van 13 december 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘poging tot zware mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft voorts de vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel klaagt over de bewijsmotivering. Alvorens het middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, een deel van de pleitnota en ’s hofs bewijsoverweging weer. Ook ga ik kort in op rechtspraak van Uw Raad inzake poging tot zware mishandeling en de verkeerscontext waarin dit feit is gepleegd. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, bewijsverweer en bewijsoverweging 4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘hij op 23 mei 2014 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto met enige snelheid is toegereden naar die persoon, welke zich toen vlak voor die personenauto bevond - waardoor die [benadeelde] op de motorkap van die personenauto is terechtgekomen - en vervolgens - terwijl die [benadeelde] zich op de motorkap van die personenauto bevond – die [benadeelde] met aanmerkelijke snelheid over een geruime afstand op de motorkap van die door hem, verdachte, bestuurde personenauto heeft meegevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’ 5. De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 5] , aspirant van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 23 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde] , zakelijk weergegeven: Op 23 mei 2014 was ik aan het werk als verkeersregelaar op de [a-straat] te [plaats] . Mijn taak was het begeleiden van het muziekkorps dat in het centrum van [plaats] met de wandelaars meeloopt.Ik zag dat er achter het muziekkorps een aantal auto’s langzaam moest rijden. Ik zag dat er plotseling een Volvo naast een aantal langzaam rijdende auto’s via de linker weghelft inhaalde. Ik gaf de bestuurder meerdere mij aangeleerde stoptekens om de bestuurder te bewegen om toch weer tussen de andere auto’s in te voegen en naar de juiste weghelft te gaan. De bestuurder gaf hier geen gehoor aan en haalde de andere auto’s in. Hierna zag ik dat de bestuurder van de Volvo het muziekkorps begon te passeren via de verkeerde weghelft. Ik ben stoptekens blijven geven maar de bestuurder bleef mij naderen. Ik zag dat de bestuurder vlak voor mijn benen zijn auto tot stilstand bracht. Dit was echt op een paar centimeter afstand. Ik hoorde dat de bestuurder via zijn geopende raam zei: “Ga aan de kant”. Ik heb de bestuurder medegedeeld dat hij moest wachten. Ik zag dat de bestuurder zijn auto langzaam weer in beweging bracht in mijn richting. Ik zette een aantal stappen achteruit. Ik zag dat de Volvo steeds sneller begon te rijden. Ik zag op dat moment geen andere optie dan op de motorkap van de Volvo te belanden. Ik ben op de motorkap terecht gekomen. Op het moment dat ik op de motorkap belandde, zag ik een grote rookpluim achter de auto weg komen en ik voelde duidelijk dat de auto steeds sneller begon te rijden. Ik denk dat ik wel meer dan 500 meter ben meegenomen op de motorkap. De bestuurder reed met hoge snelheid door. Op een gegeven moment remde de bestuurder en schreeuwde naar mij: “Ga er af”. Ik riep terug dat hij moest stoppen zodat ik er af kon stappen. Dit deed de bestuurder niet en hij versnelde. Uiteindelijk stopte de bestuurder en kon ik er vanaf springen. 2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 3] , agent van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van 23 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven: Op 23 mei 2014 reed ik op de [a-straat] te [plaats] . Wij kwamen achter een fanfare te rijden die over de openbare weg liep ( [a-straat] ). Ik zag dat voor de fanfare een verkeersregelaar liep. Ik zag dat deze aangaf dat wij achter de fanfare moesten blijven rijden. Ik zag net voor een bocht in mijn linker buitenspiegel een Volvo aan komen. Ik zag dat deze auto ons aan de linkerzijde passeerde. Ik zag dat de verkeersregelaar zijn rechter arm omhoog deed en een stopteken aan de Volvo gaf. De afstand tussen de Volvo en onze auto was één tot drie meter. Ik zag dat de Volvo stil stond. Vervolgens zag ik dat de Volvo bewoog. Ik zag dat de Volvo met zijn bumper tegen de verkeersregelaar aan kwam. Ik hoorde de verkeersregelaar tegen de bestuurder het volgende zeggen: “U moet stoppen”. Ik zag en hoorde dat de (hof: de bestuurder van de Volvo) toen een dot gas gaf. Ik zag dat de verkeersregelaar op de motorkap van de Volvo sprong. Ik zag dat de verkeersregelaar geen andere kant op kon en wel op de motorkap moest springen omdat hij anders overreden zou worden door de Volvo. Ik zag dat de Volvo heel hard wegreed. Hierop reed ik achter de Volvo aan. De snelheid die ik reed om de Volvo bij te houden was een zeventig kilometer per uur. Ik zag dat na een honderdvijftig tot tweehonderd meter de Volvo stopte. 3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven: Wij hoorden de getuige [getuige 1] zeggen dat hij had gezien dat de verkeersbegeleider voorover, dus met zijn gezicht naar de Volvo, op de auto moest springen omdat hij anders onder de auto terecht was gekomen. De Volvo was namelijk zover doorgereden dat hij tegen de verkeersbegeleider aan zat en vanuit die positie hard gas gaf. Wij vroegen de getuige naar de snelheid bij het volgen van de Volvo. Wij hoorden de getuige zeggen dat hij 70 moest gaan rijden om de auto bij te houden. De getuige zei mij, verbalisant [verbalisant 1] , dat hij met ongeveer 70 kilometer per uur gelijk opging met de Volvo en dat hij ook op zijn kilometerteller had gekeken vanwege de hoge snelheid die de Volvo reed met een man op de motorkap. 4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven: [getuige 2] deelde ons mede dat hij zich op 23 mei 2014 had bevonden op de [a-straat] te [plaats] . Hij zag toen dat een personenauto een fanfarekorps via de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer (linker rijstrook) inhaalde waarna een verkeersregelaar met een opgeheven (hof: hand?) de bestuurder van genoemde auto een stopteken gaf. De bestuurder van de personenauto minderde daarop zijn snelheid en reed daarop met lage snelheid door en reed met een zeer lage snelheid tegen de benen van de verkeersregelaar aan waardoor deze langzaam achterwaarts liep met de voorzijde van zijn lichaam in de richting van de personenauto. [getuige 2] zag dat de bestuurder van de Volvo plotseling de snelheid van zijn personenauto vermeerderde en daarbij flink gas gaf. De getuige verklaarde dat hij daarbij zag dat er een rookpluim uit de uitlaat kwam, vermoedelijk van het feit dat de bestuurder van de Volvo flink gas gaf. Getuige [getuige 2] verklaarde dat de verkeersregelaar als gevolg van het voorgaande voorover op de motorkap van de Volvo viel en op de motorkap meegevoerd werd door de bestuurder van de Volvo. Vrijwel meteen hierop verdween de auto, met de verkeersregelaar op de motorkap, uit het gezichtsveld omdat aldaar sprake is van een onoverzichtelijke bocht. 5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 4] , brigadier van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van 5 juli 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven: Ik was op 23 mei 2014 belast als verkeersregelaar bij de avondvierdaagse in [plaats] . Er kwam vanuit de [a-straat] een muziekband over de rijstrook lopen. Deze muziekband werd begeleid door een verkeersregelaar, genaamd [benadeelde] . Wij zagen dat achter de band een aantal auto’s reed. Ik zag plotseling een auto uit de rij achter de muziekband vandaan rijden. Ik zag dat het ging om een Volvo. Ik zag dat [benadeelde] op de rijbaan ging staan en de auto een stopteken gaf. Ik hoorde dat de bestuurder van voornoemde auto gas gaf en niet meer stopte voor [benadeelde] , maar door reed. Ik zag dat [benadeelde] op de motorkap van deze auto sprong. Ik zag en hoorde dat de bestuurder van de Volvo meer gas gaf en ik zag dat de snelheid van de Volvo verhoogd werd. Ik zag en hoorde dat de bestuurder na de verkeersgeleider de snelheid van de Volvo verhoogde. Ik heb gezien dat op het moment dat de Volvo uit mijn gezichtsveld was, ik voorbijgereden werd door een andere auto, die het hele gebeuren ook had gezien en achter de bestuurder van de Volvo aanreed. 6. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van 24 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: A. Ik was gisteren, 23 mei 2014, in [plaats] . Ik reed in mijn Volvo V70. Ik rij een straat in en zie een fanfare lopen op de rechter weghelft. Ik keek of ik er langs kon rijden en dat ging ik ook doen. Via de linker weghelft. Voor de fanfare sprong er ineens iemand met aparte kleding op de linker weghelft. Hij droeg een lichtgevend vestje. Het zal wel een verkeersregelaar zijn. Ik heb vaart geminderd toen ik de verkeersregelaar zag, tot ik bijna stil stond. Ik stond niet stil, ik heb langzaam doorgereden. Maar die man maakte geen aanstalten om weg te gaan. V. En die man, bleef hij staan of liep hij naar achter? A: Hij liep naar achter. Omdat hij anders in contact zou komen met de auto. En toen heeft hij zich omgedraaid en is hij op mijn auto gesprongen. A: Hij heeft een of twee passen naar achter gelopen en anders had mijn auto hem een zetje gegeven. Of misschien heb ik hem net aangeraakt. Hij is er dus vrijwillig op gesprongen. Ik heb aangegeven dat ik naar patiënten moest. Ik heb toen ook iets meer gas gegeven. Ik heb rustig aan gas gegeven tot ik tussen de 15 en 25 kilometer per uur reed. Rustig aan. Maar inderdaad zodra hij op mijn motorkap zat heb ik gas gegeven. V: Kun je schatten hoeveel meter hij heeft “meegelift" op de motorkap? A: Ik denk dat het ongeveer 100 à 200 meter was. 7. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 16 juli 2014 gevoegde, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal van 24 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: A: Hij heeft een aantal keer stop geroepen ja. Hij had een hand omhoog. Ik weet niet wat hij anders bedoelde dan stoppen. A: Hij zal inderdaad wel gevoeld hebben dat de auto steeds sneller ging rijden want dat deed ik ook. A: Nou ja het kan misschien een keer 35 kilometer geweest zijn hoe hard ik reed met hem op de motorkap. 8. De op 13 januari 2016 bij de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken afgelegde verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U hebt aangegeven dat de Volvo heel hard wegreed en dat u hierop achter de Volvo aangereden bent. U hebt hierbij aangegeven dat de snelheid die u reed om de Volvo bij te houden 70 kilometer per uur was. Wat is uw inschatting van de snelheid die de Volvo op dat moment reed? Dezelfde snelheid. U, raadsheer-commissaris, vraagt mij of dat was nadat de verkeersregelaar al van de motorkap af was. Nee, dat was toen de verkeersregelaar op de motorkap lag. U, raadsheer-commissaris, vraagt mij hoe ik aan die snelheid kom. Ik heb ook op de snelheidsmeter gekeken op dat moment. U hebt aangegeven dat de Volvo na 150 tot 200 meter stopte. Vanaf welk moment benoemt u deze 150 tot 200 meter? Vanaf het moment dat de Volvo de verkeersregelaar op de motorkap meeneemt. U vraagt mij of u het dan goed begrijpt dat de Volvo over een afstand van 200 meter van 0 tot 70 km/u heeft bereikt en binnen die afstand ook weer tot stilstand is gekomen. Het bleek meer dan 200 meter te zijn. Dat weet ik doordat ik aanwezig moest zijn bij de reconstructie van de politie. Ik weet niet meer precies tot hoever de politie toen is gekomen, maar ik meen dat dat tegen de 400 meter was.’ 6. De raadsman van de verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 29 november 2018 onder meer het volgende aangevoerd: ‘Op zichzelf is een stukje meerijden op de motorkap van een auto niet levensbedreigend en is de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in zo’n geval niet, althans niet zonder meer, groot. Zolang de betrokkene maar blijft zitten. Pas wanneer hij of zij van de motorkap afspringt of er vanaf valt, kan dat gevolgen voor hem hebben. Wat die gevolgen kunnen zijn, is afhankelijk van (o.a.) de persoon die op de motorkap zat, de snelheid waarmee werd gereden op het moment dat hij of zij van de motorkap afsprong, en de plaats waar hij na de afsprong terecht is gekomen. In dit geval zullen we moeten proberen vast te stellen hoe groot de kans was dat [benadeelde] onbedoeld de grip zou hebben kunnen verliezen en als gevolg daarvan van de motorkap zou hebben kunnen vallen met als gevolg de dood of zwaar lichamelijk letsel. Ook dit is geen gemakkelijke vaststelling. We weten dat [benadeelde] zelf op de motorkap is gesprongen en er ook zelf weer vanaf is gesprongen of gestapt. Op beide momenten werd niet hard gereden door [verdachte] . Hoe hard hij precies tussen de beide momenten heeft gereden, is niet meer vast te stellen. [verdachte] heeft zelf het gevoel dat dit niet gevaarlijk hard is geweest. Uit de stukken komt het volgende beeld naar voren. Op 23 mei 2014 liep er in [plaats] een muziekkorps door het stadje. Toen [verdachte] er aan kwam rijden, reden er een paar auto’s achter het korps. Omdat hij bezig was patiënten te bezoeken, besloot [verdachte] om niet achter het korps te blijven rijden, maar om de auto’s en het korps te passeren. (…) Toen hij bezig was met inhalen, stapte er voor hem plotseling een verkeersregelaar op de weg. [verdachte] minderde vaart en probeerde aan de verkeersregelaar duidelijk te maken dat hij er graag langs wilde. Toen de auto nagenoeg stil stond, deed de verkeersregelaar een paar stappen naar achteren en sprong hij vervolgens met zijn achterwerk op de motorkap. Daarbij zou hij iets gezegd hebben als: ‘nou vooruit dan maar’. Hij liet zich op de motorkap meevoeren. (…) In het dossier is wisselend verklaard over afstanden en snelheden. Alle verklaringen en andere aanwijzingen zijn geanalyseerd door [betrokkene] van het bureau [A] . Zijn bevindingen zijn zeer relevant met het oog op de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden of op zwaar lichamelijk letsel. De rapporteur geeft in zijn rapport een aantal bevindingen, die ik kort aanstip: 1. De verkeersregelaar is niet aangereden; 2. Het zicht op het tegemoetkomende verkeer was goed; 3. De rook uit de uitlaat van de auto en het geluid van de motor bevestigen niet dat met een hoge snelheid is gereden; 4. Wanneer de rijsnelheid van de auto in de bocht beneden de 63 km/u is gebleven, bestond er geen gevaar voor afglijden van de persoon op de motorkap; 5. Afgaande op de verklaring van de getuige [getuige 3] heeft de Volvo gereden met een maximale snelheid tussen de 18 en 29 km/u; 6. De ‘waarneming’ van de getuige [getuige 1] dat de Volvo met een snelheid van circa 70 km/u heeft gereden, kan niet juist zijn; 7. [benadeelde] heeft verklaard dat de Volvo bij het volgende kruispunt tot stilstand kwam en dat hij toen van de motorkap is afgestapt. Het eerstvolgende kruispunt lag op circa 67 m. en het volgende kruispunt daarna op circa 215m. [benadeelde] heeft bovendien aangegeven dat hij de snelheid van de Volvo iets hoger schatte dan die van een fiets. We spreken dan over een snelheid van ongeveer 25 km/u. Aan het eind van het rapport beantwoordt [betrokkene] een zestal onderzoeksvragen. Voor het beantwoorden van de vraag naar de aanmerkelijke kans zijn vooral zijn antwoorden op de eerste en derde vraag van belang. Deze antwoorden hebben betrekking op de vaststelling van de snelheid waarmee zou zijn gereden. In het kort gezegd komen die antwoorden er op neer dat de waarnemingen van de heer [getuige 1] met betrekking tot de gereden snelheid niet betrouwbaar / juist kunnen zijn, en dat de gemiddelde snelheid van de Volvo niet boven de 30 km/u zal hebben gelegen. Een snelheid van maximaal 30 km/u levert geen potentieel levensbedreigende situatie op voor iemand die zich op de (nagenoeg vlakke) motorkap van een Volvo (zoals die van [verdachte] ) bevindt. Wanneer er verder niets bijzonders gebeurt, zal die persoon gewoon kunnen blijven zitten. Hij wordt er niet afgeslingerd en zal er ook niet vanaf glijden. Wanneer hij de moed heeft om van de rijdende auto af te springen, kan hij (vanzelfsprekend) ongelukkig terechtkomen. Ook dan ligt dodelijk letsel niet meteen voor de hand, maar er kan in zo’n geval niet worden uitgesloten dat de betrokkene iets verstuikt of breekt. Er is daarmee echter nog niet per definitie sprake van zwaar lichamelijk letsel. Of daar in een concreet geval sprake van is, hangt af van de omstandigheden van het geval (zoals noodzaak van operatief ingrijpen en de duur van het herstel) (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051). Is het in dit geval reëel om ervan uit te gaan dat [benadeelde] van de motorkap zou springen terwijl de auto reed met een snelheid van om en nabij de 25 of 30 km/u? Vast staat dat hij dat niet heeft gedaan. Hij heeft daarentegen gevraagd om te stoppen. Daaruit mag worden afgeleid dat hij helemaal niet van plan was om van een rijdende auto te springen. Zo beschouwd was er geen reële of (niet on-) waarschijnlijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Het springen van een (nagenoeg) stilstaande auto levert hoe dan ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. De omstandigheden bieden aldus onvoldoende aanwijzingen om tot het bewijs van opzet te komen. Om die reden wordt vrijspraak bepleit. (…) Uit het ongeval-analyse rapport van [betrokkene] blijkt ondubbelzinnig dat de verklaringen over de snelheid waarmee [verdachte] zou hebben gereden niet betrouwbaar zijn. De snelheid werd telkens (veel) te hoog ingeschat. [betrokkene] laat op overtuigende wijze zien dat een snelheid van maximaal zo’n 30 km/u aannemelijk is. Een dergelijke snelheid rechtvaardigt - zoals gezegd - niet het oordeel dat [verdachte] opzet had op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Nu het opzet niet bewezen kan worden, zal [verdachte] moeten worden vrijgesproken.’ 7. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen: ‘Niet ter discussie staat dat verdachte op 23 mei 2014 als bestuurder van een personenauto in [plaats] heeft gereden en dat aangever [benadeelde] , die daar toen als verkeersregelaar werkzaam was, is meegevoerd op de motorkap van de door verdachte bestuurde personenauto. Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep eveneens vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd - kort weergegeven - dat bij verdachte niet het opzet aanwezig was - ook niet in voorwaardelijke zin - op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [benadeelde] . De snelheid waarmee verdachte reed terwijl aangever op zijn motorkap lag was niet ‘aanmerkelijk’. De inhoud van het in hoger beroep ingebrachte deskundigenrapport van [betrokkene] , voertuig- en ongevallendeskundige van 14 maart 2016, geeft steun aan de verklaringen van verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie en de rechter-commissaris op respectievelijk 24 mei 2014 en 26 mei 2014, dat hij met een snelheid reed van niet meer dan 15 à 25 kilometer per uur. Nu een snelheid van 15 à 25 kilometer per uur niet valt te kwalificeren als een ‘aanmerkelijke snelheid’ is geen sprake geweest van een situatie waarin verdachte kennelijk bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever tijdens de rit van de motorkap zou vallen en zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier op zwaar lichamelijk letsel, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder de ‘naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijke andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans” (vgl. HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, rov. 5.3.2). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven in hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Ten aanzien van de snelheid Naar oordeel van het hof staat - anders dan door de verdediging is aangevoerd - op grond van de hierna volgende wettige bewijsmiddelen vast dat verdachte - bezien in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval - tijdens de rit waarbij verkeersregelaar [benadeelde] op zijn motorkap lag - met een aanmerkelijke snelheid reed. [benadeelde] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte als de bestuurder van een Volvo personenauto (type V70) - nadat hij op enkele centimeters van hem (aangever) was gestopt - ondanks stoptekens van aangever weer langzaam in zijn, aangevers, richting is gereden. Aangever heeft een paar stappen achteruit gezet, waarna verdachte steeds sneller ging rijden. Aangever zag geen andere mogelijkheid dan op de motorkap van de auto van verdachte te belanden. Aangever voelde dat de auto vervolgens steeds sneller begon te rijden. De snelheid waarmee is gereden kan op basis van het dossier niet exact worden vastgesteld. Het proces-verbaal van Technisch onderzoek van het bureau Forensische Opsporing, team Ongevallenanalyse, verschaft daarvoor niet voldoende duidelijkheid. Bij de bewijsvoering neemt het hof het volgende in aanmerking voor de vaststelling van de snelheid waarmee ongeveer door verdachte is gereden. Op het moment dat aangever op de motorkap belandde zag hij ‘een grote rookpluim achter de auto wegkomen’ en de bestuurder reed ‘met hoge snelheid’ door. Toen aangever naar verdachte riep dat hij moest stoppen, zodat hij van de motorkap kon afstappen, verhoogde verdachte opnieuw de snelheid. Aangever was pas in staat om van de motorkap af te springen toen verdachte zijn voertuig stopte. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de Volvo ‘heel hard wegreed’ nadat de verkeersregelaar op de motorkap was gesprongen omdat hij anders zou worden overreden. [getuige 1] reed met zijn auto achter de Volvo aan. De snelheid waarmee hij moest rijden om de Volvo bij te houden was 70 km/u. Uit een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] blijkt dat getuige [getuige 1] twee dagen later zijn verklaring over de snelheid heeft herhaald. De getuige verklaarde dat hij met ongeveer 70 km/u gelijk opging met de Volvo en op zijn kilometerteller had gekeken, vanwege de hoge snelheid die de Volvo reed met de man op zijn motorkap. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de bestuurder van de Volvo tegen de benen van de verkeersregelaar aanreed en plotseling de snelheid van zijn auto vermeerderde en flink gas gaf. De getuige nam waar dat er een rookpluim uit de uitlaat kwam. De verkeersregelaar viel op de motorkap van de auto, werd meegevoerd en verdween ‘vrijwel meteen daarop’ uit het zicht, omdat aldaar sprake is van een bocht. Als getuige is voorts gehoord [getuige 3] , die op de bewuste avond eveneens werkzaam was als verkeersregelaar. [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag en hoorde dat de bestuurder van de Volvo - terwijl aangever op de motorkap lag - meer gas gaf en dat de snelheid meermalen werd verhoogd. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie verklaard dat hij opzettelijk sneller ging rijden toen aangever op zijn motorkap was beland en dat hij toen gas heeft gegeven. Verdachte heeft daarbij verklaard dat aangever zelf voor de situatie had gekozen en dat hij, verdachte, dóór wilde omdat hij naar zijn patiënten moest. Verdachte heeft verder verklaard dat aangever wel zal hebben gevoeld dat de auto steeds sneller ging rijden ‘want dat deed ik ook’. Gevraagd naar de snelheid heeft verdachte verklaard dat hij vermoedt rond de 25 km/u maar misschien ook een keer 35 km/u te hebben gereden. [getuige 1] en [getuige 3] zijn als getuigen bij de raadsheer-commissaris nog eens gehoord. De getuigen hebben tijdens dat verhoor hun eerdere verklaringen omtrent de gereden snelheid in de kern herhaald. Gelet op het voorgaande staat naar oordeel van het hof vast dat verdachte - terwijl aangever op zijn motorkap lag - in elk geval heeft gereden met snelheden van 25 km/u en hoger en dat hij de snelheid van het voertuig meermalen bewust heeft verhoogd. Bij het voorgaande houdt het hof rekening met de inhoud van het in hoger beroep overgelegde deskundigenrapport van de voertuig- en ongevallendeskundige [betrokkene] van 14 maart 2016. De inhoud van dit rapport dwingt er naar oordeel van het hof niet toe dat van een andere door verdachte gereden snelheid zou moeten worden uitgegaan. Het hof is voorts van oordeel dat verdachte, gelet op het feit dat hij met dergelijke snelheden heeft gereden over een aanzienlijke afstand - uit de bewijsmiddelen volgt dat het gaat om een afstand van in elk geval ongeveer 200 meter - met een persoon, liggend op de motorkap, die geen of nauwelijks houvast had teneinde te voorkomen dat hij van die motorkap zou afglijden/vallen en voor wie sprake was van een panieksituatie - hetgeen door het slachtoffer uitdrukkelijk kenbaar werd gemaakt aan verdachte -, terwijl ook nog sprake was van rijden door een bocht, heeft gereden met een ‘aanmerkelijke snelheid’. Naar algemene ervaringsregels is de kans groot dat het slachtoffer in een dergelijke situatie ongecontroleerd ten val komt op de harde ondergrond van de weg, ten gevolge waarvan één of meer lichaamsdelen onder de wielen van de auto kunnen belanden, hetgeen in de gegeven omstandigheden - mede gelet op het gewicht van een personenauto als waar het hier om gaat - een reëel, niet onwaarschijnlijk risico met zich brengt op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel. Dit risico staat nog los van het risico bij een dergelijke val op zwaar lichamelijk letsel door het raken van eventuele obstakels ter plaatse, zoals stoepranden, paaltjes en dergelijke. De hiervoor weergegeven gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm naar oordeel van het hof voorts worden aangemerkt als zo zeer gericht op dat mogelijke gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg ook willens en wetens heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit het tegendeel zou kunnen blijken is het hof niet gebleken.’ Poging tot zware mishandeling; de verkeerscontext 8. Op mishandeling staat een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, is de maximale gevangenisstraf vier jaren. Poging tot mishandeling is niet strafbaar (art. 300, eerste, tweede en vijfde lid, Sr). Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, is schuldig aan zware mishandeling en kan worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren (art. 302, eerste lid, Sr). Op poging tot zware mishandeling staat een gevangenisstraf van ten hoogste twee derde van acht jaren, oftewel vijf jaar en vier maanden (art. 45 Sr). Tegen de achtergrond van dit wettelijk stelsel ligt het in de rede dat het onderscheid tussen mishandeling en zware mishandeling wordt bewaakt, en dat niet te snel een poging tot zware mishandeling wordt aangenomen. 9. Daarbij past dat Uw Raad in HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051 gezichtspunten heeft aangegeven die bij de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is van belang zijn, en arresten heeft vermeld die daar naar hedendaags inzicht een adequate illustratie van zijn. Uw Raad noemt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is buiten enkele nader aangeduide gevallen ‘in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt’. Indien uit de bestreden beslissing ‘niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel’ zal dat evenwel aanleiding kunnen geven tot cassatie. 10. Dat Uw Raad er voor waakt dat niet te snel een poging tot zware mishandeling wordt aangenomen, blijkt onder meer uit rechtspraak in zaken waarin het gooien of slaan met een glas centraal staat. In HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3460, NJ 2012/503 m.nt. Keulen overwoog Uw Raad: ‘De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte onder de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden opzettelijk een glas in de richting heeft gegooid van (één van) de personen die volgens hem ruzie maakten, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.’ Van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is in beginsel wel sprake als de verdachte het slachtoffer in het gezicht slaat met een hand waarin hij een glas heeft; dat ligt echter anders als het hof het voor mogelijk houdt dat de verdachte zich niet bewust was van dat glas (HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1062). 11. Ook in zaken waarin kopstoten of slagen tegen het gezicht van het slachtoffer centraal staan, heeft Uw Raad grenzen gesteld aan de mogelijkheid van een veroordeling wegens een poging tot zware mishandeling. In HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2715 heeft Uw Raad overwogen: ‘De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de kopstoot door de verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer ten gevolge van die kopstoot achterover viel, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.’ Het slaan met een hard voorwerp op het hoofd van het slachtoffer lijkt in het algemeen wel een poging tot zware mishandeling op te leveren. Bij vuistslagen hangt het af van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn vaststellingen omtrent de kracht en gerichtheid van de vuistslag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.