PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/04970 Zitting 8 november 2019 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van Gemeente Nijmegen, eiseres tot cassatie, advocaat: mr. T. van Malssen tegen 1. [verweerster 1] B.V. 2. [verweerster 2] B.V. 3. Hilzaco Beheer B.V., verweersters in cassatie, advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij Deze zaak betreft een executiekortgeding. In geschil is of eiseres tot cassatie (hierna: de gemeente) misbruik maakt van haar executiebevoegdheid door een bodemvonnis ten uitvoer te leggen zonder het door verweersters in cassatie (hierna: [verweesters]) daartegen ingestelde hoger beroep af te wachten. Anders dan de voorzieningenrechter heeft het hof die vraag bevestigend beantwoord. Volgens het hof bevat het geëxecuteerde vonnis twee klaarblijkelijke misslagen: (
(1980), p. 29, schrijft: ‘Het executiegeschil kan slechts handelen over de wijze van executie, alsmede over de rechtmatigheid en opportuniteit daarvan; doch het laat het geëxecuteerde of te executeren vonnis intact; het is dan ook niet te beschouwen als een verkapt appel’. (…) (…) Uitgangspunt is de bevoegdheid van de executant tot tenuitvoerlegging. De kern van de beslissing is dat de rechter slechts staking daarvan mag bevelen in geval van misbruik van bevoegdheid. (…) (…) De rechter in het executiegeschil, al of niet in k.g., is gebonden aan de beslissingen gegeven door de rechter in het bodemgeschil, ongeacht of daartegen nog een rechtsmiddel openstaat. Hij moet die beslissingen dus eerbiedigen en mag ze niet terzijde stellen, omdat hij een andere mening heeft. Op grond van feiten en omstandigheden, die de rechter in het bodemgeschil reeds in zijn vonnis heeft betrokken, mag de executierechter geen misbruik van bevoegdheid tot tenuitvoerlegging aannemen. Dit mag hij slechts op grond van na dat vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, afgezien van het geval dat het vonnis op een klaarblijkelijke vergissing berust.” 3.6 In de onderhavige zaak is het verzoek om schorsing van de executie gebaseerd op de stelling dat de bodemuitspraak op een of meer ‘klaarblijkelijk juridische of feitelijke misslagen’ berust. A-G Asser heeft in zijn conclusie voor het arrest Comprifalt/Compri Aluminium opgemerkt dat een strikte uitleg van de begrippen ‘klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag’ op zijn plaats is, teneinde het insluipen van een verkapt appel zo veel mogelijk te voorkomen. Volgens Asser moet het gaan om “een zo evidente vergissing in het recht of de feiten dat daarover geen redelijke twijfel bestaat”. Ik denk dat deze (strikte) lijn nog steeds de juiste is. 3.7 Een andere vraag is op welke wijze de executierechter tot de vaststelling kan komen dat sprake is van een klaarblijkelijke misslag in de bodemuitspraak. Volgens een aantal schrijvers is een zekere inhoudelijke toetsing noodzakelijk. Tjong Tjin Tai bijvoorbeeld meent dat een marginale inhoudelijke toetsing van de juistheid van de uitspraak via het misslagcriterium mogelijk is. Een (zekere) prognose van de afloop van de bodemzaak is volgens hem onvermijdelijk, hoewel dat er niet toe mag leiden dat de executierechter overgaat tot een onderzoek naar de materiële juistheid van de bodemuitspraak. In dezelfde lijn heeft Oudelaar betoogd, dat er weliswaar maar weinig ruimte is om vooruit te lopen op de mogelijkheid dat de te executeren uitspraak in hoger beroep of cassatie zal worden vernietigd, maar in de gevallen waarin dat in hoge mate waarschijnlijk is kan de voorzieningenrechter niettemin grond zien om in de executie in te grijpen. 3.8 Ik ben het daar mee eens: om zinvol te kunnen beslissen op een vordering tot schorsing van de executie zal de executierechter kennis moeten nemen van en zich een oordeel moeten vormen over de onderdelen van de bodemuitspraak waarvan de eiser in het executiekortgeding stelt dat die zijn gebaseerd op een klaarblijkelijke misslag. Daarbij dient de rechter zich wel te beperken tot een afstandelijke toetsing, in die zin dat alleen in het oog springende vergissingen grond kunnen vormen voor schorsing of staking van de executie. Ruimte voor een integrale toetsing is er niet. 3.9 Een andere vraag die in dit verband kan opkomen (maar niet in het middel aan de orde wordt gesteld) is of de executierechter apart een afweging moet maken van de belangen van de geëxecuteerde (eiser) en die van de executant (gedaagde). Tjong Tjin Tai meent van wel: “De maatstaf voor de beoordeling van de verzochte schorsing van de executie is neergelegd in (…) HR 22 april 1983, NJ 1984/145 (Ritzen/Hoekstra), doch deze norm moet worden aangevuld met de algemeen geldende eisen voor toewijzing van een vordering in kort geding (in het bijzonder de vereiste belangenafweging). Deze uitgebreide norm is gelijk aan de norm voor toewijzing van een incidenteel verzoek tot schorsing hangende hoger beroep ex art. 351 Rv.” De woorden “moet worden aangevuld” duiden erop dat deze auteur daarbij kennelijk denkt aan een belangenafweging nadat een klaarblijkelijke misslag is vastgesteld. Met andere woorden, ook als er een gerede kans is dat een bodemvonnis wegens een kennelijke misslag in hoger beroep onderuit gaat, staat daarmee nog niet zonder meer vast dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid heeft. 3.10 Ik merk op dat het Ritzen/Hoekstra-criterium ook zo kan worden gelezen dat de belangenafweging onderdeel is van de toets of de bodemuitspraak een klaarblijkelijke misslag bevat. Ik wijs naar de door mij in het citaat onderstreepte zinsdelen (zie hiervoor, 3.3). Daaruit blijkt dat de voorzieningenrechter de executie kan schorsen als de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde niet een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de executie en dat dit geval zich voor kan doen indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een misslag berust. Anders gezegd, als een dergelijke misslag wordt geconstateerd, kan dat op zichzelf reden zijn waarom de executant onvoldoende belang heeft bij de executie. De executierechter hoeft dan niet afzonderlijk een belangenafweging te maken. Ik vind het beter passen bij de rechtspraak over het kort geding in het algemeen om uit te gaan van een separate belangenafweging. De vraag of het te executeren vonnis een misslag bevat laat zich bovendien beantwoorden zonder dat de belangen van de geëxecuteerde in aanmerking worden genomen. 3.11 Terug naar deze zaak. Het hof heeft geoordeeld dat het bodemvonnis twee klaarblijkelijke misslagen bevat, te weten (
- i)(kort gezegd) de beslissing in verband met de juridische spoorwisseling die (volgens het hof) tevens een ontoelaatbare verrassingsbeslissing vormt en (
- ii)de ongemotiveerde toewijzing van de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat (iii) de belangenafweging in het voordeel van [verweesters] moet uitslaan. 3.12 De gemeente bestrijdt deze oordelen met een middel dat uit vier onderdelen bestaat. Onderdeel I ziet op de toepassing die het hof heeft gegeven aan de hiervoor genoemde beoordelingsmaatstaf en vormt m.i. de kern van het cassatieberoep. Onderdeel II ziet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof zou die grenzen hebben miskend. Onderdeel III komt op tegen het oordeel van het hof dat de juridische spoorwisseling moet worden gekwalificeerd als een “evidente juridische misslag”. Onderdeel IV vecht het oordeel aan dat het achterwege laten van een gemotiveerde beslissing op het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op een “juridische fout” berust. Onderdeel I: beoordelingsmaatstaf executiegeschil 3.13 Subonderdeel I A betoogt dat het hof de grenzen van zijn taak als executierechter heeft miskend. Meer in het bijzonder heeft het hof miskend dat de executierechter – voor zover hier relevant – uitsluitend in de uitoefening van een bestaande executiebevoegdheid mag ingrijpen als zich een klaarblijkelijke juridische misslag heeft voorgedaan. Hiervan kan slechts sprake zijn als over het bestaan van de misslag geen redelijke twijfel mag bestaan, en dat aan de vaststelling van de misslag niet (of nauwelijks) interpretatieve activiteit ten grondslag mag liggen. De misslag moet zich als het ware uit zichzelf (ook) aan de (oppervlakkige) lezer opdringen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de (daaruit voortvloeiende) regel dat in een executiegeschil niet de titel maar uitsluitend de tenuitvoerlegging daarvan ter discussie staat, impliceert bovendien dat de executierechter de bodemuitspraak marginaal en niet integraal dient te toetsen. Het subonderdeel betoogt dat het hof dit in verschillende rechtsoverwegingen heeft miskend, onder andere in: - rov. 5.5 t/m 5.9 waar het hof zich begeeft in een integrale beantwoording van de vraag of sprake was van een (ontoelaatbare) verrassingsbeslissing, - rov. 5.6 waar het hof overweegt het opmerkelijk te vinden dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de vaststelling van schadevergoeding als gevolg van toerekenbare tekortkoming en die van nadeelsopheffing bij dwaling op één lijn zijn te stellen, daar waar de voorzieningenrechter nog gedistantieerd had overwogen dat in de visie van de rechtbank er kennelijk geen verschil bestond in de twee vaststellingswijzen, - rov. 5.9 waar het hof overweegt dat de rechtbank het rapport van DTZ Zadelhoff onweersproken zonder verdere motivering aan haar eindoordeel ten grondslag heeft gelegd, terwijl hetzelfde hof even verderop opmerkt dat [verweesters] het bewuste rapport “niet zeer uitvoerig” hebben bestreden, en de voorzieningenrechter op afstand had geoordeeld dat de rechtbank zich kennelijk voldoende voorgelicht zag door het rapport van DTZ Zadelhoff, dat in haar visie onvoldoende gemotiveerd was weersproken, - rov. 5.9 in fine waar het hof overweegt dat de rechtbank aan bepaalde argumenten van [verweesters] “geen noemenswaardige aandacht” heeft besteed. 3.14 De klacht slaagt. In rov. 5.3 heeft het hof weliswaar de juiste beoordelingsmaatstaf geciteerd, maar het heeft in het vervolg niet de aan die maatstaf inherente terughoudendheid aan de dag gelegd. Het hof heeft van het bodemvonnis in hoge mate een inhoudelijke beoordeling gegeven en aldus de in executiegeschillen geldende grenzen overschreden (zie hiervoor, 3.3-3.8). 3.15 Het hof merkt de spoorwisseling aan als een kennelijke misslag omdatde rechtbank in het eindvonnis een tournure heeft gemaakt ten opzichte van het tussenvonnis door terug te komen op een bindende eindbeslissing en aldus [verweesters] heeft geconfronteerd met een verrassingsbeslissing. Daar komt bij dat de rechtbank er in het eindvonnis alsnog van heeft afgezien een deskundige aan te wijzen om de omvang van de schade te begroten. 3.16 Ik herinner eraan dat van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing sprake is wanneer de rechter handelt in strijd met het fundamentele beginsel van procesrecht dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing, voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening hoefden te houden. 3.17 Ik wijs er op dat, ook als een bodemuitspraak een of meer verrassingsbeslissingen bevat, daarmee nog niet vaststaat dat die beslissingen op een of meer ‘klaarblijkelijke misslagen’ berusten. Daarbij moet worden bedacht dat het hoger beroep tegen de bodemuitspraak gelegenheid biedt om grieven te richten tegen een verrassingsbeslissing. 3.18 Vaststaat dat de gemeente in de bodemprocedure onder andere dwaling aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Ik wijs op de volgende passages uit de inleidende dagvaarding 21 april 2016: “Bedrog/dwaling 72. De Transactie is zijdens de Gemeente tot stand gekomen onder invloed van bedrog, althans dwaling en zou door haar bij een juiste voorstelling van zaken niet, althans niet onder de huidige voorwaarden, zijn gesloten. De dwaling is te wijten aan inlichtingen van [verweerster 2] c.s. (art. 6:228 lid 1 sub a BW) dan wel schending van hun mededelingsplicht (6:228 lid 1 sub a BW).” En: “D) SCHADE 94. (…) 95. (…) 96. De Gemeente vordert op grond van bedrog/dwaling partiële vernietiging van de Transactie, althans wijziging van de gevolgen daarvan door aanpassing van de koopsom, (…).” 3.19 Ook staat vast dat [verweesters] tegen de grondslag bedrog/dwaling gemotiveerd verweer hebben gevoerd. Er heeft hierover dus vóór het tussenvonnis partijdebat plaatsgevonden. Het feit dat het hof uiteindelijk heeft gekozen voor dwaling als grondslag voor toewijzing van de vordering van de gemeente en bij het bepalen van de omvang van de schade betekenis heeft toegekend aan het na het tussenvonnis in het geding gebrachte rapport van DTZ Zadelhoff maakt niet dat het partijdebat over de vraag of het beroep op dwaling gegrond was niet voldragen is geweest. 3.20 Voorts moet er in cassatie van worden uitgegaan dat het voor [verweesters] materieel gezien niet uitmaakte op welke grondslag de vordering werd toegewezen omdat in beide benaderingen (schadevergoeding als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten of vermindering van de koopprijs wegens dwaling bij het aangaan van de overeenkomsten) de gemeente een zelfde financieel nadeel heeft geleden. De koopprijsverlaging zou worden berekend door de koopsom te verminderen met de waarde van de verkochte en geleverde opstalrechten en opstallen ten tijde van de koop, zodat het deel van de koopprijs dat was bestemd voor bedrijfsverplaatsing over zou blijven. Hierin is geen verrassing en, naar het mij voorkomt, ook geen benadeling gelegen. 3.21 Het verassingselement zat volgens het hof echter ook in het feit dat de rechtbank, na bij tussenvonnis een onderzoek door een deskundige in het vooruitzicht te hebben gesteld, dat in het eindvonnis ineens niet meer nodig vond omdat zij van oordeel was dat het door de gemeente geleden nadeel kon worden berekend op basis van het rapport van DTZ Zadelhoff, waarvan [verweesters] de inhoud onvoldoende gemotiveerd hadden bestreden. [verweesters] hebben zelf gesteld dat zij het rapport van DTZ Zadelhoff wel gemotiveerd hebben bestreden (zie hiervoor, 3.19). Dat wijst er niet op dat zij zich onvoldoende over het rapport hebben kunnen uitlaten. 3.22 Dat de bodemrechter hier terugkomt op het voornemen deskundigen te benoemen, vormt op zichzelf geen misslag. De beslissing om een deskundigenrapport te gelasten is naar zijn aard niet bindend. Het stond de bodemrechter dus in beginsel vrij om in zijn eindvonnis op grond van het verdere verloop van de procedure alsnog te oordelen dat aan een deskundigenonderzoek geen behoefte meer bestond. 3.23 Gelet op het voorgaande is het hof uitgegaan van een onjuiste want te ruime opvatting van het begrip ‘klaarblijkelijke misslag’ en heeft het in zoverre de grenzen van de taak van de executierechter miskend. 3.24 Subonderdeel I B is gericht tegen rov. 5.11, waar het hof overweegt dat de rechtbank niet heeft gereageerd op het gemotiveerde verzoek van [verweesters] om een veroordeling tot voldoening van een geldsom niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en dat het achterwege laten van een motivering op dit punt naar het voorlopig oordeel van het hof een juridische fout vormt. Het subonderdeel betoogt dat het hof door aldus te overwegen miskent dat het als executierechter uitsluitend mocht ingrijpen als het bodemvonnis een klaarblijkelijke (juridische) misslag bevat. 3.25 De klacht slaagt. Ik wijs erop dat [verweesters] het volgende verweer hebben gevoerd tegen de door de gemeente gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad: “GEEN UITVOERBAAR BIJ VOORRAADVERKLARING 256. Voor zover uw rechtbank een of meerdere vorderingen van de gemeente al dan niet gedeeltelijk toewijst, verzoeken gedaagden daar waar het geldvorderingen betreft, deze veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Een uitvoerbaar verklaard vonnis zou betekenen dat een hoger beroep illusoir wordt. Gelijktijdig geldt dat de gemeente met de vele beslagen die zij heeft gelegd meer dan voldoende zekerheid voor haar gepretendeerde vordering heeft. Naast het bedrag van € 6.600.000 dat de gemeente onder zich heeft, heeft de gemeente tevens beslag laten leggen onder [verweerster 1] voor hetgeen zij verschuldigd is aan Hizalco , zijnde afgerond € 6.000.000. Daarnaast zijn er ook nog andere beslagen die doel hebben getroffen waaronder onder ING Bank NV alsmede ten laste van de Bestuurders. Een belangenafweging maakt dan ook dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard.” Gelet op dit verweer mocht de bodemrechter de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet ongemotiveerd toewijzen. Dat dit toch is gebeurd mag dan ‘fout’ zijn, het betekent op zichzelf niet dat het te executeren vonnis berust op een klaarblijkelijke misslag en de gemeente niet een in redelijkheid te respecteren belang zou hebben om gebruik te maken van haar bevoegdheid het vonnis ten uitvoer te leggen. 3.26 Ik merk verder op dat de vordering van de gemeente in de onderhavige zaak een veroordeling tot betaling van een geldsom betreft. In de regel wordt een gebod tot betaling van een geldsom uitvoerbaar bij voorraad verklaard, indien eiser dat gevorderd heeft. Gelet op het summiere verweer dat [verweesters] tegen de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad hebben aangevoerd (zie zojuist, 3.25), moet de kans dat de rechtbank tot een ander oordeel omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zou zijn gekomen als zij wél dit verweer had behandeld, bijzonder laag worden ingeschat. 3.27 Verder valt uit hetgeen [verweesters] in dit kort geding hebben aangevoerd niet af te leiden dat er als gevolg van de executiemaatregelen voor hen een zwaarwegend nadeel dreigt. Bovendien biedt het hoger beroep tegen de bodemuitspraak [verweesters] de mogelijkheid de zaak in voor hen gunstige zin te redresseren. 3.28 Gelet op het voorgaande is het hof uitgegaan van een onjuiste want te ruime opvatting van het begrip ‘klaarblijkelijke misslag.’ Daarbij komt dat het hof spreekt in rov. 5.11 van een ‘juridische fout’, wat niet hetzelfde is als een ‘klaarblijkelijke juridische misslag’ en wat ook niet het juiste criterium vormt om te beoordelen of de gemeente misbruik maakt van haar bevoegdheid de bodemuitspraak te executeren (zie ook hierna, subonderdeel I C). 3.29 Het subonderdeel klaagt voorts dat het hof heeft miskend dat de executierechter uitsluitend mag anticiperen op een eventuele bodemprocedure in het executiegeschil en niet op een hoger beroep in de bodemprocedure waarop het executiegeschil betrekking heeft. Dit acht ik onjuist. Ik verwijs naar 3.8 hiervoor. 3.30 Subonderdeel I C klaagt dat het hof in rov. 5.12 als evidente misslag kwalificeert het achterwege blijven van een gemotiveerde beslissing op het verweer tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in samenhang beschouwd met de spoorwisseling, terwijl de niet gemotiveerde beslissing omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in rov. 5.11 nog wordt aangemerkt als een (reguliere) juridische fout (zonder extra voorafgaand adjectief). Aan deze overweging ligt kennelijk ten grondslag de rechtsopvatting dat een reguliere juridische fout (extra) evidentie kan verkrijgen als hij in onderlinge samenhang wordt bezien met een andere fout. Deze rechtsopvatting is onjuist. Een zelfstandige juridische fout wordt immers niet meer of minder evident fout naarmate hij wordt bezien in samenhang met andere, eveneens zelfstandige en met de andere fout niet onlosmakelijk verbonden fouten, aldus het subonderdeel. 3.31 De klacht slaagt. Noch de spoorwisseling noch het achterwege laten van een motivering omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad vormt een klaarblijkelijke misslag op grond waarvan de gemeente geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid het vonnis in de bodemzaak ten uitvoer te leggen. Dat wordt niet anders door de beide omstandigheden in samenhang te beschouwen en ze als het ware bij elkaar op te tellen. 3.32 Subonderdeel I D behelst een voortbouwklacht in de zin dat subonderdelen 1 A tot en met 1 C ook rov. 5.13 vitiëren, waarin het hof een belangenafweging heeft gemaakt. Nu subonderdelen 1 A tot en met 1 C (grotendeels) slagen, slaagt ook deze voortbouwklacht. 3.33 De subonderdelen I E en I F zijn beide gericht tegen de door het hof in rov. 5.13 uitgevoerde belangenafweging. Nu subonderdelen I A tot en met I C (grotendeels) slagen, heeft de gemeente bij de subonderdelen I E en I F geen belang. 3.34 Nu onderdeel I slaagt dient het bestreden arrest te worden vernietigd. De gemeente heeft bij de overige klachten daarom geen belang. Ten overvloede zal ik hierna onderdelen II, III en IV desalniettemin behandelen, echter alleen voor zover die onderdelen inhoudelijk iets kunnen toevoegen aan onderdeel I. Onderdeel II: miskenning grenzen rechtsstrijd 3.35 Subonderdeel II A is gericht tegen rov. 5.6 en 5.9 waar het hof oordeelt over de gevolgen van de spoorwisseling in de bodemzaak. Het subonderdeel betoogt dat de voorzieningenrechter in rov. 4.4 van zijn vonnis heeft overwogen dat moet worden geconstateerd dat in de visie van de bodemrechter er kennelijk geen verschil bestond in de wijze waarop de schade als gevolg van een toerekenbare tekortkoming moest worden vastgesteld en de wijze waarop het nadeel moest worden vastgesteld als gevolg van dwaling. Even verderop overwoog de voorzieningenrechter dat het voor de wijze van schadeberekening kennelijk niet heeft uitgemaakt dat de rechtbank in het eindvonnis op dwaling is overgestapt. Het subonderdeel vervolgt dat [verweesters] tegen deze overwegingen van de voorzieningenrechter niet (gericht) hebben gegriefd. Sterker nog, [verweesters] erkennen in onderdeel 22 van hun appeldagvaarding met zoveel woorden dat de “schade uitkomsten voor de rechtbank dezelfde zijn”, en dat dit oordeel door [verweesters] in hoger beroep in de bodemzaak moet worden aangevochten. Volgens het subonderdeel brengt het voorgaande met zich mee dat het hof de overwegingen van de voorzieningenrechter als vaststaand had moeten beschouwen. Door dat niet te doen, heeft het hof artikel 24 Rv en de grenzen van de rechtsstrijd miskend, aldus het subonderdeel. 3.36 De klacht is ongegrond. Het hof heeft terecht een grief tegen deze overwegingen gelezen in grief II, gericht tegen rov. 4.2-4.4 van het vonnis in eerste aanleg. In de appeldagvaarding voeren [verweesters] onder meer het volgende aan: “18. Het oordeel van de voorzieningenrechter komt er op neer dat de grondslag dwaling en de grondslag tekortkoming naast elkaar staan. In de visie van [verweesters] is dat niet mogelijk, vergelijk ook het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA3765). De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat wanneer een overeenkomst op grond van dwaling wordt vernietigd, de dwalende – bij het ontbreken van een andere rechtsgrond – geen recht op schadevergoeding meer toekomt op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming. Het is om diezelfde reden dat de rechtbank zich genoodzaakt zag op de boete eindbeslissing (een contractuele schadevergoeding) terug te komen, nu die boete veroordeling gebaseerd was op de toerekenbare tekortkoming. (…) 21. De voorzieningenrechter overweegt nog in r.o. 4.3 dat [verweesters] niet zou hebben duidelijk gemaakt dat en waarom zij in haar mogelijkheid zich te verweren tegen de door de gemeente aangevoerde dwaling is benadeeld, te meer nu het voortgezet debat alleen over de schade ging. 22. Juist omdat het debat alleen over schade ging, hoefde [verweesters] niet bedacht te zijn op een grondslagwijziging. Weliswaar heeft de rechtbank geoordeeld dat bij welke juridische grondslag ook, de schade dezelfde zou zijn, maar dit oordeel wordt niet onderschreven door [verweesters] . Zoals reeds toegelicht, is er wel degelijk verschil in de (schade)gevolgen van de grondslag waarvoor gekozen wordt (…). Van [verweesters] kan en hoefde ook niet verwacht te worden dat daar waar de rechtbank in het tussenvonnis de weg inslaat van tekortkoming en de als gevolg daarvan veroorzaakte schade, zij vervolgens ook (nader) ingaat op de grondslag dwaling en de mogelijke schade die daardoor zou kunnen (zijn) ontstaan. Evenmin geldt dat voor het oordeel dat de schade uitkomsten volgende de rechtbank dezelfde zijn, maar in de optiek van [verweesters] niet. Dat debat werd helemaal niet gevoerd na het tussenvonnis (dat werd ook niet verlangd). Dat de schade bij de ene grondslag anders is dan in geval van de andere grondslag en dus niet dezelfde is, is een oordeel dat in hoger beroep dient te worden aangevochten.” De uitleg van de gedingstukken is aan de feitenrechter en de door het hof hier gegeven uitleg is, gelet op de zojuist geciteerde stellingen, geenszins onbegrijpelijk. 3.37 Subonderdeel II B betoogt dat in rov. 5.9 en 5.10 besloten ligt dat het hof van oordeel is dat onvoldoende hoor en wederhoor op het rapport van DTZ Zadelhoff heeft plaatsgevonden. [verweesters] hebben in de onderhavige procedure echter noch in eerste aanleg, noch in appel geklaagd dat zij zich onvoldoende over het rapport hebben kunnen uitlaten. Sterker nog: zij erkennen met zoveel woorden het rapport in de bodemprocedure gemotiveerd te hebben betwist. Voor het overige voeren [verweesters] in het (appel van het) executiegeschil (achteraf) uitsluitend inhoudelijke bezwaren aan tegen het oordeel van de rechtbank over het rapport van DTZ Zadelhoff. Door desalniettemin te oordelen dat op het rapport onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen miskend, aldus het subonderdeel. 3.38 De klacht is ongegrond. Ik lees in de rov. 5.9 en 5.10 niet dat het hof daarin zou hebben geoordeeld dat [verweesters] hebben betoogd dat zij zich onvoldoende over het rapport van DTZ Zadelhoff hebben kunnen uitlaten. Het hof overweegt (in rov. 5.9) dat [verweesters] “wel degelijk het rapport van DTZ Zadelhoff hebben bestreden, zij het niet zeer uitvoerig”, waarna het hof in rov. 5.10 weergeeft wat die betwisting inhield. Het hof overweegt dat de rechtbank niet zonder nadere motivering aan dit verweer voorbij mocht gaan, maar niet dat aan [verweesters] de mogelijkheid is onthouden om op dit punt verweer te voeren. Ik wijs er nog op dat ook in dit executiegeschil [verweesters] c.s uitsluitend hebben betoogd dat de bodemrechter acht had moeten slaan op hun gemotiveerde betwisting. 3.39 Subonderdeel II C is gericht tegen het slot van rov. 5.10, waar het hof overweegt dat [verweesters] zich in eerste aanleg hebben beroepen “op aan de diverse grondslagen van de vordering van Gemeente Nijmegen verbonden verschillende fiscale gevolgen, hetgeen ook niet zonder betekenis kan blijven.” De voorzieningenrechter heeft hierover het volgende overwogen: “[[verweesters]] hebben ter zitting slechts aangevoerd dat de fiscale consequenties anders voor hen zijn naar gelang het om het een of het ander gaat, maar dat speelt in het kader van de begroting van de schade of het nadeel verder geen rol.” [verweesters] hebben tegen deze overweging niet gegriefd. Door desalniettemin op de bewuste overweging terug te komen, heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd miskend. 3.40 De klacht is gegrond. [verweesters] hebben namelijk geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in eerste aanleg dat de fiscale consequenties in het kader van de begroting van de schade of het nadeel geen rol speelt. In de toelichting bij grief II wordt gesteld: “De grondslagen dwaling en tekortkoming leiden tot verschillende uitkomsten en gevolgen”. Het gaat mij echter te ver om hier een grief tegen het bedoelde oordeel van de voorzieningenrechter in te lezen. 3.41 Subonderdeel II D is gericht tegen rov. 5.13 waar het hof overweegt, kort gezegd, dat het belang van de gemeente bij de tenuitvoerlegging teneinde haar oplopende schade als gevolg van rentederving te beperken in redelijkheid niet kan opwegen tegen het belang van [verweesters] Dit alles wordt volgens het hof niet anders doordat er aan de zijde van de gemeente geen restitutierisico bestaat. Het subonderdeel betoogt dat [verweesters] niet hebben gegriefd tegen het gedeelte van de overwegingen van de voorzieningenrechter waarin deze over (de belangen van de gemeente c.q.) de rentederving en het restitutierisico heeft geoordeeld (de tweede helft van rov. 4.8 van het vonnis van 14 juni 2018). Door desalniettemin de belangen van de gemeente aan een herbeoordeling te onderwerpen, en deze belangen vervolgens af te wegen tegen de (gestelde) belangen van [verweesters] , heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd (opnieuw) miskend. 3.42 De klacht is ongegrond. Mijns inziens is niet onbegrijpelijk dat het hof in grief VI een grief heeft gelezen tegen de door de voorzieningenrechter in rov. 4.8 van zijn vonnis gemaakte belangenafweging. Ik verwijs naar de toelichting in de appeldagvaarding: “39. Een executie leidt wel tot onherstelbare schade. Zoals bekend is, is het pand reeds verkocht aan een derde (aanvankelijk huurder). (…). Daargelaten de vraag of deze derde haar claim alsdan ooit vergoed zal krijgen, geldt dat in geval van een executie en noodzakelijk vertrek de bedrijfsvoering als zodanig in gevaar komt. 40. Ten aanzien van de escrow overeenkomsten heeft [verweesters] gemotiveerd en onderbouwd aangetoond dat allerminst zeker is dat alle bedragen die in escrow staan, in escrow blijven. Als productie 8 heeft [verweesters] een procesinleiding in het geding gebracht waarin de gemeente uitbetaling onder de escrow vordert. (…). (…) 42. Kortom: [verweesters] heeft belang bij schorsing.” Hieruit volgt dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Onderdeel III: spoorwisseling geen evidente juridische misslag 3.43 Onderdeel III is gericht tegen overwegingen 5.4 tot en met 5.10 en 5.12. Het bestrijdt om verschillende redenen als onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel dat de spoorwisseling gekwalificeerd moet worden als een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en als een evidente juridische misslag. Het onderdeel waaiert uit in tien subonderdelen die hoofdzakelijk motiveringsklachten bevatten. Nu ik heb geconcludeerd dat subonderdeel I A gegrond is, zie ik af van behandeling van onderdeel III. Onderdeel IV: achterwege blijven motivering verweer uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen (kennelijke) juridische fout 3.44 Onderdeel IV is gericht tegen rov. 5.11 en 5.12, waar het hof oordeelt dat de ongemotiveerde toewijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad een ‘juridische fout’ respectievelijk een ‘evidente juridische misslag’ vormt. Het onderdeel betoogt dat de rechter op niet of nauwelijks uitgewerkte stellingen niet hoeft te responderen, dat iemand die een veroordeling tot betaling van een geldsom heeft verkregen moet worden vermoed het vereiste belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben en dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie niet op zichzelf aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg staan. Nu ik heb geconcludeerd dat subonderdeel I B gegrond is, zie ik af van behandeling van onderdeel IV. 4Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 4.1 Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatiemiddel leidt tot vernietiging van het bestreden arrest. Uit het voorafgaande volgt dat aan deze voorwaarde is voldaan. 4.2 Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep is gericht tegen rov. 5.2, waar het hof oordeelt als volgt over het verbeterde vonnis van 22 december 2017: “5.2 Overeenkomstig de eis van artikel 230 lid 3 Rv is het door de meervoudige kamer van de rechtbank gewezen bodemvonnis d.d. 4 oktober 2017 ondertekend door de voorzitter en de griffier. Op verzoek van de gemeente heeft de rechtbank een kennelijke fout verbeterd die zich voor eenvoudig herstel leende. Deze verbetering is op 22 december 2017 uitgesproken en met vermelding van deze dag op de minuut van het vonnis gesteld (zie rov. 2.6 van het bestreden vonnis), waarna de griffier van de verbeterde minuut een afschrift heeft verstrekt aan de partijen, wat reeds een bepaalde mate van zekerheid biedt. De verbetering op de minuut is, evenals alle bladzijden van de gecorrigeerde versie van 22 december 2017, voorzien van de paraaf [betrokkene 1] , klaarblijkelijk van voorzitter [betrokkene 1] , en [betrokkene 2] , naar mag worden aangenomen de griffier. Zoals het meervoudig gewezen civiele vonnis alleen door de voorzitter en niet door de beide andere rechters wordt ondertekend, zo behoeft een verbetering daarvan ook alleen maar door de voorzitter (en de griffier) te worden geparafeerd. In een en ander ligt een afdoende waarborg dat de verbetering de instemming heeft van de beide andere rechters; een afzonderlijk herstelvonnis is daartoe niet zonder meer steeds vereist en zou overigens geen grotere waarborg bieden voor deelneming door de bijzitters aan de besluitvorming.” Met deze overweging respondeert het hof op grief V in hoger beroep, die was gericht tegen rov. 4.7 van het vonnis van de voorzieningenrechter. 4.3 Het middel betoogt dat het oordeel van het hof dat “een afzonderlijk herstelvonnis (…) daartoe niet zonder meer steeds vereist [is]” onjuist is. Het hof miskent dat een op de voet van art. 31 Rv gegeven herstelvonnis, evenals andere schriftelijke rechterlijke uitspraken, moet vermelden welke rechter of rechters dat vonnis gewezen hebben. Weliswaar bepaalt art. 230 lid 3 Rv dat een door de meervoudige kamer gewezen vonnis ondertekend wordt door de voorzitter en de griffier, zoals het hof in rov. 5.2 op zichzelf met juistheid oordeelt, art. 230 lid 3 Rv moet echter in samenhang met art. 230 lid 1, aanhef en letter g, Rv worden gelezen. Deze samenhang tussen het eerste en het derde lid van art. 230 Rv waarborgt het (fundamentele procesrechtelijke) recht van de procespartijen (en derden) om te weten wie de rechters zijn die het vonnis gewezen hebben. Dat recht wordt niet gewaarborgd, als een herstelvonnis niet zou hoeven te vermelden door welke rechters het is gewezen. Daarom geldt ook voor een op de voet van art. 31 Rv gewezen herstelvonnis de eis van art. 230, aanhef en letter g, Rv. Het hof heeft dit evenwel miskend. 4.4 Het middel voegt hier nog aan toe dat de wijze waarop voornoemd vonnis van 4 oktober 2017 is hersteld, ongebruikelijk zou zijn. Gebruikelijk is dat (eerst) een afzonderlijk herstelvonnis wordt gewezen. Dat is ook de wijze waarop de Hoge Raad uitspraken op de voet van art. 31 Rv herstelt (herstelarrest/-beschikking). Weliswaar is een dergelijk afzonderlijk herstelvonnis “niet zonder meer steeds vereist”, zoals het hof in rov. 5.2 oordeelt, maar vereist is wèl dat het herstelvonnis vermeldt welke rechter of rechters het herstelvonnis hebben gewezen. 4.5 Ik volg [verweesters] niet in deze klacht. Art. 31 lid 1 Rv verplicht de rechter fouten te herstellen (dit is niet louter een mogelijkheid): “1. De rechter verbetert te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstelt leent. De rechter gaat niet tot verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.” [verweesters] voeren niet aan dat de aangebrachte verbetering geen betrekking zou hebben op een ‘kennelijke fout’ in de zin van deze wetsbepaling. 4.6 Art. 31 lid 2 Rv bepaalt dat de verbetering op de minuut moet worden gesteld. Op die manier kan worden voorkomen dat een reeds uitgegeven grosse die de fout bevat naast de verbeterde versie in omloop blijft. Als enige voorwaarden daarbij stelt lid 2 van art. 31 Rv dat de dag wordt vermeld en dat wordt vermeld dat partijen zijn gehoord, overeenkomstig de laatste zin van lid 1 van art. 31 Rv. Nergens blijkt uit dat bij verbeteringen die op de minuut zijn aangebracht, ook de namen van rechters moeten worden vermeld. Het door [verweesters] hier naar voren gebrachte standpunt vindt daarom geen steun in het recht. De stelling dat de wijze waarop de rechtbank het vonnis heeft verbetert berust op een klaarblijkelijke misslag, die grond zou zijn om misbruik van executiebevoegdheid aan te nemen, gaat daarom niet op. 4.7 Tot slot merk ik op dat niet betwist is dat het gecorrigeerde vonnis, met daarop handgeschreven in rov. 2.15 en in het dictum onder 3.1 het aangepaste bedrag, voor het overige volledig identiek is aan het vonnis van 4 oktober 2017. Onder het gecorrigeerde vonnis staan dan ook de namen van dezelfde drie rechters. 4.8 De slotsom is dat de klacht, en in het voetspoor daarvan de niet uitgewerkte voortbouwklacht, falen. 5Conclusie De conclusie strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing, en in het incidenteel cassatieberoep tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145, m.nt. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra). Zie ook: HR 22 december 2006, NJ 2007/173, m.nt. A.I.M. Van Mierlo, JBPR 2007/36, m.nt. B.T.M. Van der Wiel ([.../...]). De feiten zijn grotendeels ontleend aan het vonnis in eerste aanleg van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland van 14 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2642, onder 2. In het bestreden arrest (Hof Arnhem-Leeuwarden 13 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9917) overweegt het hof onder 3.1 dat het van de feiten zoals beschreven in het vonnis in eerste aanleg uitgaat. Art. 5.1 van de Mantelovereenkomst. Art. 4.1 van de Mantelovereenkomst. Art. 2 van de Koopovereenkomst. Vgl. het vonnis in eerste aanleg van 14 juni 2018, onder 2.2. Dit bedrag is, al dan niet toevallig, gelijk aan het gedeelte van de koopsom dat door de gemeente later zou worden betaald. Vzr. Rb. Gelderland 14 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2642. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9917. Vgl. onder andere Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/60; F.J.H. Hovens, Civiel appèl, Den Haag 2007, p. 4. HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145 m.nt. W.H. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra). Een voorbeeld is HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9224, NJ 2007/173 m.nt. A.I.M. van Mierlo ([.../...]). Die zaak betrof de executie van een arrest waarin gedaagde was bevolen een bepaalde geldsom te betalen, welke som de executant echter al had ontvangen voordat het arrest werd gewezen. Een duidelijk geval dus van misbruik van bevoegdheid een beslissing te executeren om betaling af te dwingen. Hugenholtz/Heemskerk 2018/159, A.J. Gieske in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 4 bij art. 438 Rv; J.H. van Dam-Lely, WR 2017/114; T.F.E. Tjong Tjin Tai in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 17.4; E.J.H. Schrage, Misbruik van bevoegdheid, Monografieën BW, 2019, p. 87, A.A. van Rossum, ‘Uitvoerbaarheid bij voorraad van rechterlijke beslissingen’, Rechtspleging in balans, 1995, p. 25, Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/428, E.M. Meijers/J.Th. Vermeulen, Het kort geding, 1967, p. 139-140. Vgl. H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, 1992, p. 273 en de hierna geciteerde noot van Heemskerk bij het arrest Ritzen/Hoekstra. T.F.E. Tjong Tjin Tai in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 17.4, J.H. van Dam-Lely, WR 2017/114; H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, diss. Leiden, 1992, p. 274. NJ 1984/145. HR 24 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0646, NJ 1989/551 (Comprifalt/Compri Aluminium), onder 2.4. Anders: Gras e.a. (E. Gras, G. van Rijssen en D. Rijpma in: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes (red.) Burgerlijk Procesrecht praktisch belicht 2014, p. 392) die betogen dat de voorzieningenrechter in het executiegeschil niet op de (on)juistheid van de uitspraak in de bodemzaak mag ingaan. T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Executiegeschil en incidenteel verzoek tot schorsing’, TCR 2009/1.1 (par. 2). H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, diss. Leiden, 1992, p. 275 en 307. T.F.E. Tjong Tjin Tai in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 17.4. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Executiegeschil en incidenteel verzoek tot schorsing’, TCR 2009/1.1 (par. 8), onder verwijzing naar HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919, NJ 1996/509 m.nt. D.W.F. Verkade (Procter & Gamble/Kimberly Clark), rov. 3.4. Zie onder andere het in de vorige voetnoot genoemde arrest Procter & Gamble/Kimberly Clark. Dit is ook de benadering die het hof heeft gekozen aangezien het heeft geconcludeerd dat het bodemvonnis twee klaarblijkelijke misslagen bevat en daarna, in rov. 5.13, de belangen van partijen tegen elkaar heeft afgewogen. Het middel verwijst naar het vonnis van 14 juni 2018 onder rov. 4.4. HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3997, NJ 2004.34 m.nt. W.D.H. Asser. Vgl. voorts: HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7892, NJ 1990/795 m.nt. J.B.M. Vranken en E.A.A. Luijten. Vgl. voorts H.J. Snijders en A. Wendels in: Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/15 en T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter’, NJB 2000, afl. 5, p. 259 e.v. Zie conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie in hoofdstuk C.2 (‘Vorderingen tot redres’), Ad 4 (‘Geen bedrog en ook geen dwaling’) onder 171-175. Zie ook de procesinleiding, subonderdeel III A, p. 20: “Als in cassatie vaststaand kan worden beschouwd: - dat de rechtbank schadevergoeding en koopprijsvermindering bij alle door de Gemeente Nijmegen aangevoerde nevenschikkende grondslagen op dezelfde wijze zou vaststellen” Het staat [verweesters] vrij om in het hoger beroep in de bodemzaak opnieuw te betogen dat het voor hen financieel wel degelijk verschil maakt voor welk spoor wordt gekozen. Vgl. HR 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054, NJ 2001/433; HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1902, NJ 2008/401; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/155. Vgl. de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie onder 256. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/120 en P. de Bruijn (voorheen R.H. de Bock) in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 233 Rv, aant. 6 (actueel t/m 16-6-2019). Zie dagvaarding onder 20 e.v. Aan [verweesters] kan worden toegegeven dat de gemeente er nogal stevig is ingegaan. Mogelijk zit daar achter dat de werkgelegenheidsgarantie de politieke component was van de transactie en [verweesters] het juist op dat punt kennelijk hebben laten afweten. Het middel verwijst naar de memorie van antwoord onder 61. Vgl. ook de schriftelijke toelichting van [verweesters] onder 41.3. Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/283. Het middel verwijst naar de appeldagvaarding onder 27 t/m 29 en de pleitaantekeningen van [verweesters] van 31 mei 2018 onder 11. Vgl. de appeldagvaarding onder 26. Zie ook pleitaantekeningen van mr. Oostendorp in eerste aanleg onder 23 en 24, waar de wijze waarop het vonnis is verbeterd als een afzonderlijke misslag wordt aangemerkt. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 175; A.I.M. van Mierlo in: T&C Rv, commentaar op art. 31 Rv en T.F.E. Tjong Tjon Tai in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv, aant. 7.