PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/05206 Zitting 29 oktober 2019 (bij vervroeging) CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte 1. De verdachte is bij arrest van 19 december 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden als omschreven in het arrest en met een proeftijd van 2 jaren onder aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr, wegens - in de zaak met parketnummer 16-660364-16 onder 1. ‘diefstal’ en 2. ‘diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’; - in de zaak met parketnummer 16-223830-16 ‘diefstal’ en - in de zaak met parketnummer 16-652791-16 onder 1. ‘diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ en onder 2, 3 en 4 telkens ‘diefstal’. Het hof heeft voorts de vordering van een benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen van vier andere benadeelde partijen (in één geval gedeeltelijk) toegewezen alsmede schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in de uitspraak vermeld. Ten slotte heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel klaagt over het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en het opleggen van een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel. De vaststelling van het schadebedrag en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel door het hof zouden, gelet op het door de verdediging gevoerde verweer dat sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de schade en het delict en het verweer dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. 4. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 16-652791-16 onder 1 bewezenverklaard dat: 5. ‘hij op 13 oktober 2016 te Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 152,10 euro toebehorende aan [benadeelde partij] welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [medewerker 2] , medewerker van die [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - voornoemde [medewerker 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Kom dan, ik ga je slaan, ik ga je schieten, ik steek je” en daarbij - dreigend zijn hand in zijn jaszak heeft gestopt.’ 6. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen (met weglating van de nummers van de processen-verbaal): 7. ‘Het proces-verbaal van aangifte van [medewerker 1], opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent, opgenomen in het door hem op 13 oktober 2016 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover van belang inhoudende: ‘Ik doe aangifte van diefstal bij een winkel genaamd [benadeelde partij] , gelegen aan de [a-straat 1] te Almere. Op donderdag 13 oktober omstreeks 15.30 uur was ik aan het werk in de winkel aan de [a-straat] . Op genoemde dag, datum en tijd kwam er een man de winkel binnenlopen. (...) Ik zag dat de man het briefje van twintig euro op de balie legde. Hierop heb ik de kassalade geopend om het geld te wisselen. Ik zag dat de kassalade opensprong en ik zag dat de man voor mij langs kwam en met zijn beide handen in de kassalade begon te graaien. Ik probeerde de kassalade met mijn beide handen af te dekken. (...) Ik zag dat de man de winkel uit rende. (...) Ik ben vervolgens samen met [medewerker 2] achter de man aangerend. (...) Ik zag dat mijn collega [medewerker 2] een stuk voor mij uit rende. Bij de ondergrondse containers zag ik dat de man stopte en zich omdraaide naar mijn collega [medewerker 2] . Ik hoorde de man het volgende tegen [medewerker 2] zeggen: ‘kom dan, ik schiet je, ik steek je.’ Terwijl hij dit zei, zag ik dat de man zijn rechterhand in zijn jas stopte. Ik schrok van de tekst die de man zei en de beweging die hij maakte (...). Ik heb net nog gebeld naar de winkel en het bedrag dat is weggenomen is € 152,10.’ Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medewerker 2], opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent, opgenomen in het door hem op 13 oktober 2016 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover van belang inhoudende: ‘Ik ben vandaag, 13 oktober 2016, omstreeks 15.30 uur, getuige geweest van een greep die gedaan is uit de kassa bij de [benadeelde partij] gelegen aan de [a-straat 1] te Almere. (...) Ik ben samen met [medewerker 1] achter de man aangerend in de richting van de Bart Smit. Bij de in/-en uitrit van de parkeergarage stopte de man met rennen en draaide zich om in onze richting. Ik hoorde de man roepen: ‘Kom dan’, hij mompelde hier iets als ik ga je slaan en/of schieten. Ik zag dat de man hierop met zijn hand in zijn jaszak zat.’’ 6. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een voegingsformulier ten name van de benadeelde partij [benadeelde partij] in Almere (hierna: [benadeelde partij] ). Het desbetreffende formulier houdt onder meer het volgende in: 8. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.414,90 en een schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag opgelegd. Het arrest van het hof houdt daarover het volgende in: ‘Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.414,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.775,30. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-652791-16 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De opgevoerde posten zijn voldoende onderbouwd en de gemaakte kosten waren noodzakelijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.’ 9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2017 heeft de raadsvrouw aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een pleitnota. Die pleitnota houdt voor zover relevant het volgende in: ‘Feit 1: Diefstal met bedreiging, 13 oktober 2016, [benadeelde partij] 18. Ten aanzien van dit feit verzoek ik u cliënt vrij te spreken van de bedreiging jegens [medewerker 2] . Cliënt erkent te hebben gestolen, weg te zijn gerend, maar betwist te hebben gedreigd. (…) 25. Het is goed mogelijk dat het wegstoppen van het geld een dreigende indruk gewekt heeft, maar gezien het feit dat cliënt met klem betwist te hebben gedreigd, terwijl de getuige welke het meeste in de buurt van cliënt was aangeeft dat cliënt zou hebben gemompeld, meen ik dat cliënt ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging met geweld dient te worden vrijgesproken. 26. Gezien het voorgaande verzoek ik u de vordering benadeelde partij van [medewerker 2] (BFK: ik begrijp de vordering van [benadeelde partij]) niet-ontvankelijk te verklaren. Opmerking verdient tevens dat de verdediging de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering acht, omdat de vordering te complex is om in een strafzaak af te kunnen doen en daarnaast onvoldoende is onderbouwd.’ 10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2017 houdt vervolgens nog het volgende in: ‘De raadsvrouw merkt daarbij nog op - zakelijk weergegeven -:(…)De vordering van de [benadeelde partij] is groter dan in alle andere zaken. Normaal is de vordering beperkt tot een geldbedrag, soms met enige immateriële schade. In deze zaak is de gevorderde schadevergoeding buiten proportie. Het contante geldbedrag kan worden toegewezen. Er is een duidelijk delictpatroon. Er is geen andere winkel die besluit de winkel te sluiten. De beslissing om de winkel te sluiten en de gemiste omzet van de winkel en de loonschade is veel te ver verwijderd van het delict. Er is geen causaal verband. Daar hoeft cliënt niet voor op te draaien. Dat gebeurt in andere zaken ook niet. Daarnaast is het een onevenredige belasting van de strafzaak. Hoe kan de omzet en de loonschade goed worden berekend? De trajectkosten van de behandeling van de medewerkers is gigantisch. Ik kan me voorstellen dat het veel impact heeft, maar het gaat te ver om de kosten op cliënt te verhalen. Het contante geldbedrag dient te worden toegewezen, de rest dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. (…)De advocaat-generaal voert het woord tot repliek - zakelijk weergegeven -: De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het causaal verband te ver verwijderd is bij de vordering van [benadeelde partij] . Het gaat om een winkel waarbij de kwaliteit van het personeel bepalend is. In een supermarkt is dat anders, daar gaat het om handelswaren met een beperkte waarde. Bij een winkel waar brillen en gehoorapparaten worden verkocht, is dit anders. Het personeel is niet inwisselbaar en niet gemakkelijk vervangbaar. Dat de winkel dichtgaat, is niet vreemd.’ 11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de benadeelde partij [benadeelde partij] overeenkomstig art. 334, derde lid, Sv (in hoger beroep van overeenkomstige toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv) in de gelegenheid is gesteld haar vordering toe te lichten. 12. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 mei 2017 blijkt dat de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij] daar wel is toegelicht. Het desbetreffende proces-verbaal houdt voor zover relevant het volgende in: ‘[medewerker 1] en [medewerker 2] lichten namens [benadeelde partij] de vordering toe die is omschreven in het formulier ex artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat zich al in het dossier bevindt. (…) [medewerker 1] verklaart namens benadeelde partij [benadeelde partij] -zakelijk weergegeven- als volgt. Het was die dag koopavond. Na het incident rond half vier ’s middag is de winkel de rest van de dag gesloten. Tot op de dag van vandaag hebben mijn collega en ik begeleiding. Ik neem aan dat het bedrag van € 3.873,20 volledig in rekening is gebracht. De behandeling bestond uit acht uren crisisinterventie en daarnaast hebben mijn collega en ik een EMDR-behandeling gehad. Op het kantoor is de loonschade vastgesteld. Ik weet ook niet wat daarmee precies wordt bedoeld. [medewerker 2] verklaart namens benadeelde partij [benadeelde partij] -zakelijk weergegeven- als volgt. Na het incident is op de computer een PTSS-test bij mij en mijn collega afgenomen. Hieruit bleek dat wij hoog scoorden op de herbeleving van het incident. Hierdoor zijn later meerdere gesprekken met een EMDR-therapeut en psycholoog geweest. Door de herbeleving is het namelijk lastig om in de winkel te werken.’ 13. In de toelichting op het middel staat dat door de verdediging het verweer is gevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat daartoe is aangevoerd ‘dat geen sprake is van een causaal verband tussen de diefstal en de gevorderde schade; geen enkele andere winkel zo’n geval de winkel sluit; de schade te ver verwijderd is van het delict en verdachte niet voor die kosten hoeft op te draaien’. En dat ook is aangevoerd ‘dat de vaststelling van de schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert’. De vaststelling door het hof dat sprake is van rechtstreekse schade zou niet, althans niet zonder meer begrijpelijk zijn. De betreffende gevolgen (winkelsluiting/omzetderving/loonkosten) zouden ‘naar algemene ervaringsregels niet waarschijnlijk, eerder onwaarschijnlijk’ zijn. En de gevolgen zouden ‘voorts verder verwijderd van de onrechtmatige daad’ zijn. ‘Ook gelet op de aard van de geschonden norm, de mate van schuld en de aard van de activiteit waarbij de schade is toegebracht’ zou toerekening niet in de rede liggen, ‘mede gelet ook op de aard van de schade (zaakschade)’. Het hof heeft ‘slechts overwogen dat de kosten ‘noodzakelijk’ waren’. De vaststelling van het schadebedrag en/of de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zouden daarom onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. 14. In HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga heeft Uw Raad uiteengezet op welke wijze de rechter de vordering van de benadeelde partij dient te beoordelen. Uw Raad overwoog onder meer (met weglating van voetnoten): ‘2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. 2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. 2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het (…) geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. (...) 2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.’ 15. In het hiervoor genoemde overzichtsarrest overwoog Uw Raad met betrekking tot het begrip ‘rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv) (met weglating van voetnoten): ‘2.3.1 ‘2.3.1 De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. ‘2.3.1 Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. (…) Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. 2.3.2 Van zodanige schade die de benadeelde partij rechtstreeks door een strafbaar feit heeft geleden, was bijvoorbeeld sprake in het geval waarin: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.