Nr. 17/04615 Zitting: 19 februari 2019 (bij vervroeging) Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [verdachte]
(2011)nog wel genoeg contant geld (€ 5.500) om een nieuwe auto te kopen? c. Als verklaring geeft [betrokkene 1] dat cliënt "er een paar zou hebben omgelegd". Daar blijkt nergens iets van uit het dossier. Integendeel, [betrokkene 1] noemt hem eerder een vriend. Maar zeker gelet op het gemak waarmee de getuige in alle latere verhoren cliënt de schuld geeft, lijkt die angst wel mee te vallen. De getuige kan er - desgevraagd bij de RC - ook niets zinnigs over melden. In de ogen van cliënt betrekt hij wel heel erg makkelijk de slachtofferpositie en doet dit geen recht aan het eigen aandeel van [betrokkene 1] . In elk geval is er minstgenomen reden om te twijfelen aan zijn geloofwaardigheid en betrouwbaarheid, hetgeen al reden zou moeten zijn om de verklaring terzijde te leggen. Maar ook inhoudelijk kunnen de verklaringen van [betrokkene 1] niet kloppen. d. Zo zegt hij in een verhoor bij de politie dat hij het pand aan de [a-straat 1] gehuurd heeft voor [verdachte] , terwijl hij eerder in datzelfde verhoor nog zegt te hebben gehuurd voor (elf!) vrienden (p 120); e. In zijn eerste verhoor bij de politie stelt hij verder dat hij niet eerder geknipt heeft (p 116), terwijl hij in zijn tweede verhoor zegt wél te hebben geholpen bij het eerdere oogsten (p 121) en bij zijn aanhouding ontkende hij zelf in eerste instantie!; f. Bij de RC weet hij niet eens meer van de plaats waar hij is aangehouden en legt hij een grote mate van vergeetachtigheid en weigerachtigheid aan de dag als hem kritische vragen worden gesteld, uiteindelijk zwijgt hij zelfs helemaal en beroept hij zich op zijn verschoningsrecht bij vragen van de verdediging. Dat mag uiteraard, maar spreekt niet voor zijn geloofwaardigheid; g. Zo weet hij bijvoorbeeld niet meer of hij meer gedaan heeft dan (bouw)spullen kopen en helpen bij de opbouw, terwijl hij bij de politie nog uitgebreid heeft verklaard over het knippen (p 116) en het oogsten en de opbrengsten (p 120 ev) h. Verder spreekt hij zich bij de RC tegen doordat hij zegt dat er opeens een kwekerij was "toen ik terug kwam" (van een internationale vracht), terwijl hij bij de politie aangaf meegeholpen te hebben bij het bouwen (p 120) i. Die kwekerij zou hem ook verrast hebben, terwijl hij bij de politie nog uitgebreid verklaard over de kennelijke reputatie van cliënt (p 120) en moet hij zich bij de RC in bochten wringen om uiteindelijk de politie de schuld te geven van een verkeerde uitleg aan zijn woorden; j. Ter terechtzitting in eerste aanleg wordt het nog mooier, dat heeft hij - klaarblijkelijk - herinneringen hervonden want dan zegt hij dat hij cliënt zelfs elke dag heeft gezien in het pand aan de [a-straat 1] . Kennelijk kwam [betrokkene 1] daar ook elke dag? Terwijl hij bij de RC nog vertelde dat hij "het grootste deel" in het buitenland was, soms voor meerdere weken! Vgl. p 116 bij de politie: soms drie keer per week in het pand, soms een hele tijd niet; k. Wat betreft de opbrengsten van de kwekerij bij de politie eerst dat hij geen idee heeft over de opbrengst van de oogst, waarna hij doodleuk ingaat op het aantal kilo's en aantal keer dat geoogst is en welke kweekruimtes daarbij gebruikt werden - hij weet dus duidelijk van de hoed en de rand (vgl. kweekschema's in woning).
- Hieruit volgt: [betrokkene 1] probeert zijn eigen straatje schoon te vegen met een volstrekt ongeloofwaardige en inconsistente verklaring waarin hij cliënt wijst als zijn opdrachtgever, zodat hij onder hem komt te staan in hiërarchie en zich de slachtofferrol kan toemeten. Een aanwijzing is ook de bereidheid waarmee hij de politie wat extra wil plezieren door te zeggen dat hij nog wel wat extra informatie over 'harddrugspanden' heeft (p 122); iets wat de politie kennelijk gelaten aanhoort en dat zegt al genoeg!
- De objectieve aanwijzingen zeggen bovendien ook genoeg: a. De woning is van [betrokkene 1] b. Uit (forensisch of tactisch) politieonderzoek volgt geen bewijs dat cliënt verantwoordelijk is te houden voor de aanleg van de kwekerij in [a-straat 1] , terwijl daar wél onderzoek naar is gedaan (oa DNA) c. Onderzoek van Stedin levert daaromtrent niets belastend op ten aanzien van cliënt d. Getuige [betrokkene 2] : weet niet anders dan dat ze daar met cliënt was om te helpen bij kwekerij en dat past in scenario dat beiden een eigen kwekerij hebben waarbij ze elkaar over en weer helpen e. Want tenslotte nog verklaring cliënt: "fout is fout", maar enkel kwekerij in [a-straat 1] is niet van mij f. Nota bene, het enkele bezit van de sleutel van pand aan [a-straat 1] bewijst ook niet (redengevend) het "telen", maar hooguit het "aanwezig hebben" door de feitelijke beschikkingsmacht
- De "werkelijkheid van cliënt" in deze zaak is veel simpeler en minder spannend (en dus doorgaans de juiste, aldus de leer van "Ockhams scheermes"): het waren - vrij letterlijk - partners in crime, met een gelijkwaardige positie. Een andere duidelijke aanwijzing is het registratieformulier op naam van cliënt bij de getuige thuis: daarbij werd cliënt door de getuige geholpen zoals cliënt omgekeerd de getuige wel hielp. Ze zijn vervolgens tegen de lamp gelopen en dan moet je je eigen verantwoordelijkheid nemen: ieder voor zijn eigen aandeel en dat is voor cliënt niet de (eind)verantwoordelijkheid voor (het aanleggen van) de kwekerij in het pand aan [a-straat 1] .
- Conclusie: ik verzoek uw hof om cliënt partieel vrij te spreken van feit 3 door "telen" weg te strepen, alsook de "1632 planten" en cliënt in het geheel vrij te spreken voor feit
- Met betrekking tot feit 4 merk ik nog op dat aanwijzingen voor een substantiële bijdrage, materieel dan wel intellectueel, voor het wegnemen van stroom in pand [a-straat 1] in het geheel ontbreken. Dit geldt te meer nu de verklaring van [betrokkene 1] dat cliënt daar elke dag kwam, welke de rechtbank ten grondslag legt aan de bewezenverklaring van feit 4, niet kan kloppen in het licht van zijn eerdere verklaringen. Vgl. wijze waarop rechtbank is omgegaan met het "elektriciteitsfeit" in de zaak van medeverdachte.”
- In het bestreden arrest heeft het hof, voor zover hier relevant, het volgende overwogen: “Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
- Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is sprake indien het standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Indien de strafrechter afwijkt van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd bewijsverweer, is deze ingevolge artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv gehouden de beslissing tot afwijking te motiveren.
- Het hiervoor onder 7 weergegeven betrouwbaarheidsverweer kan m.i. bezwaarlijk anders worden gezien dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof is hiervan afgeweken door de verklaringen van [betrokkene 1] tot het bewijs te bezigen, maar heeft – in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv – niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Daarover klaagt het middel terecht.
- Ik heb mij echter afgevraagd of het voorgaande tot cassatie dient te leiden. Bij de beantwoording van die vraag dient m.i. een onderscheid te worden gemaakt tussen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde en de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.
- Het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer strekte allereerst tot partiële vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van ‘telen’ nu de verdachte niet de opdrachtgever en (eind)verantwoordelijke is voor (het aanleggen van) de hennepkwekerij in het pand aan de [a-straat 1] . Volgens de verdediging is de verklaring van [betrokkene 1] (met name) op dit punt onbetrouwbaar.
- Het verweer gaat echter uit van een onjuiste rechtsopvatting. In het arrest d.d. 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1292, oordeelde de Hoge Raad dat de opvatting dat slechts sprake is van ‘telen’ als bedoeld in artikel 3 onder B Opiumwet indien het gehele productieproces vanaf het laten groeien van de hennepplanten of stekken tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct is voltooid, onjuist is.
- Uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte een sleutel had van het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen. Tevens blijkt uit de getuigenverklaring van [betrokkene 2] dat zij samen met de verdachte in het pand is geweest en samen met hem hennepplanten heeft geknipt. Hieruit kan worden opgemaakt dat de verdachte tezamen met een ander een materiële bijdrage heeft geleverd aan het productieproces door (in ieder geval) hennepplanten te knippen. De omstandigheid dat de verdachte niet tevens kan worden aangemerkt als eigenaar van of opdrachtgever voor (het aanleggen van) de hennepkwekerij, staat aan de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde niet in de weg. Voor zover de klacht betrekking heeft op het onder 3 tenlastegelegde, heeft de verdachte m.i. dan ook geen in rechte te respecteren belang bij het slagen van zijn klacht.
- Het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer strekte echter ook tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde. Gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen, heeft het hof kennelijk (uitsluitend) uit de verklaringen van [betrokkene 1] afgeleid dat de verdachte degene is geweest die samen met een ander de elektriciteit heeft weggenomen. Het hof had dan ook nader moeten motiveren waarom het de verklaringen van [betrokkene 1] , ondanks het door de verdediging gevoerde verweer, voor het bewijs heeft gebezigd. Voor zover de klacht betrekking heeft op het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdachte wel een in rechte te respecteren belang bij zijn klacht en slaagt het middel.
- Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/593 m.nt. Buruma. Zie: HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0265; HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2184, HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN
- In de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Jörg d.d. 17 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX1758, voorafgaande aan HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1758, achtte Jörg niet-onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat sprake was van het medeplegen van het telen van hennep. In die zaak verzorgde de verdachte de planten tijdens de kweek en bracht de planten daarna weg. De HR deed de zaak af met 81 RO. Zie ook: HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:
- In die zaak had de verdachte met een ander de taak op zich genomen om de in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten water te geven tegen een vergoeding van € 500,- per week. De Hoge Raad oordeelde dat het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte aldus een bijdrage van voldoende gewicht aan het telen van hennepplanten had geleverd en derhalve nauw en bewust had samengewerkt met anderen zodat hij zich schuldig had gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het telen van hennepplanten, niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend was gemotiveerd. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat voor zover het middel berust op de opvatting dat voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat het gewicht van de bijdrage van verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s), het geen steun vindt in het recht.