Nr. 17/02480 Zitting: 15 januari 2019 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 28 maart 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, 2. “wederspannigheid” en 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Namens de verdachte heeft mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting, keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en klaagt in de kern dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft overwogen dat de imitatiewapens niet zijn aan te merken als speelgoed in de zin van art. 2, eerste lid, Richtlijn 2009/48/EG (hierna: Speelgoedrichtlijn) en aldus niet onder het toepassingsbereik vallen van de Speelgoedrichtlijn. Alvorens het middel te bespreken, merk ik op dat het middel naar mijn inzicht enkel de hierboven geformuleerde klacht bevat. Weliswaar luidt het middel voorts dat – indien mocht komen vast te staan dat de feiten wettig en overtuigend bewezen worden geacht – er sprake is van schending van het recht en/of verzuim van vormen “doordat het Hof aan verdachte een straf heeft opgelegd in plaats van, bijvoorbeeld - primair -, verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan - subsidiair – door[dat] het Hof deze zaak niet met toepassing van art. 9a Sv heeft afgedaan”. In de toelichting op het middel (onderdeel 33) wordt te dien aanzien echter niet méér aangevoerd dan: het hof had de verdachte “terzake van onder 1. tenlastegelegde in de optiek van de verdediging primair behoren vrij te spreken, subsidiair haar van alle rechtsvervolging te ontslaan, meer subsidiair deze zaak behoren af te doen onder toepassing van art. 9a Sv". Dit zijn echter geen stellige en duidelijke klachten. Niet wordt immers aangegeven waarom ter zake van die onderdelen de door het hof gegeven beslissingen onjuist zouden zijn of in welk opzicht de motivering van de beslissingen onvoldoende zouden zijn. Beide stellingen zijn slechts een blote herhaling van standpunten van de verdediging waarop het hof gemotiveerd heeft beslist onder het hoofd “Strafbaarheid van de verdachte met betrekking tot feit 1” respectievelijk onder het hoofd “Strafmotivering”. Ik zal deze stellingen dan ook onbesproken laten, ook met betrekking tot de feiten 2 en 3. 5. Voorts gaat in de schriftuur aan het middel een inleidend betoog over het “lex certa-beginsel” vooraf, waarnaar in de toelichting op het middel wordt teruggegrepen (onderdelen 26 en 32). Op de terechtzittingen van het hof is evenwel door de verdediging over het “lex certa-beginsel” met geen woord gerept. Ik beschouw dit betoog in de schriftuur dan ook als een vorm van doorpleiten waarvoor in cassatie geen ruimte is. Ook dit punt laat ik derhalve in mijn conclusie buiten beschouwing. 6. Dan nu de bespreking van het middel. Ten laste van de verdachte is onder 1. bewezenverklaard dat: “zij op 23 september 2015 te Gouda wapens als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie, zijnde een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk: 20 veerdruk pistolen (merk: ES, model: ES-2011K) en 20 veerdruk pistolen (merk: C&L, model: HY.729B) en 22 veerdruk pistolen (merk: Fei Xiang, model: MP 800), voorhanden heeft gehad.” 7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2017 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “De raadsman voert, daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, het woord tot verdediging: Toen ik het requisitoir van de advocaat-generaal aanhoorde, merkte ik dat het Openbaar Ministerie erg worstelt met deze materie. Het verzoek om artikel 9a Sr toe te passen is voor mij een doekje voor het bloeden. Ik verzoek het hof de verdachte vrij te spreken van feit 1 zoals tenlastegelegd. De inbeslaggenomen voorwerpen vallen mijns inziens onder de Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed, waardoor deze voorwerpen onder de uitzonderingscategorie vallen als bedoeld in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. De in beslaggenomen voorwerpen, althans de verpakking ervan, zijn immers voorzien van een CE-markering als bedoeld in de eerdergenoemde Speelgoedrichtlijn. Wat de fabrikant van het voorwerp aan teksten en tekens heeft aangebracht op de verpakking is niet bepalend of het voorwerp speelgoed is in de zin van de Speelgoedrichtlijn. [...]. ” 8. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen: “De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van feit 1. Daartoe is – kortweg – aangevoerd dat de in beslag genomen voorwerpen vallen onder Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (verder: Speelgoedrichtlijn), waardoor zij een uitzonderingscategorie vormen als bedoeld in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. De in beslaggenomen voorwerpen, althans de verpakking hiervan, zijn immers voorzien van een CE-markering als bedoeld in de eerdergenoemde Speelgoedrichtlijn, aldus de raadsman. Wat de fabrikant van het voorwerp aan teksten/tekens op de verpakking heeft aangebracht is volgens de raadsman niet bepalend of het voorwerp speelgoed is in de zin van de Speelgoedrichtlijn. Voor de beoordeling van het verweer van de raadsman zijn de navolgende bepalingen van belang: - art. 13, eerste lid, Wet wapens en munitie luidende: "Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan." - art. 2, eerste lid aanhef en onder 7° bij Categorie I, Wet wapens en munitie, luidende: "Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën. Categorie I (…) 7° andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.” - art. 3, aanhef en onder a, Regeling wapens en munitie, luidende: "Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen: a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG." - art. 2, eerste lid, Speelgoedrichtlijn, luidende: "Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna "speelgoed" genoemd).” Artikel 2 van de Speelgoedrichtlijn bepaalt aldus het toepassingsbereik van deze richtlijn. Van belang is hierbij dat het product ontworpen of bestemd is om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt. Blijkens het proces-verbaal team forensische opsporing wapens, munitie en explosieven nr. PL1500 2015280375 1410066 van 28 september 2015 van opsporingsambtenaar Groen (pagina 49 e.v.) omtrent de twintig veerdrukpistolen, merk ES, model: ES2011K, staat – voor zover van belang – het volgende op de verpakking: “ACHTUNG! Kein Speilzeug! Nicht für Personen unter 14 Jahren!” “Nicht in Reichweite von Kindern liegen lassen” “This is not a toy! Not for persons under the age of 14!” “Don’t leave the gun within reach of children” Verder staat – voor zover van belang – blijkens het proces-verbaal team forensische opsporing wapens, munitie en explosieven nr. PL1500 2015280375 1410074 van 28 september 2015 van opsporingsambtenaar Groen (pagina 22 e.v.) omtrent de twintig veerdrukpistolen, merk C&L, model: HY.729B, het volgende op de verpakking: “The best for ages 18 and up” Op de linkerzijde van het deksel staat: Een verbodsbord met daarin de afbeelding van een gezicht en 0-18 Op de rechterzijde van het deksel staat: “Only for 18 years of age or older Operation of this air gun for competition use is restricted to users of 18 years of age or older” Ten slotte staat – voor zover van belang – blijkens het proces-verbaal team forensische opsporing wapens, munitie en explosieven nr. PL1500 2015280375 1410060 van 28 september 2015 van opsporingsambtenaar Groen (pagina 32 e.v.) omrent de tweeëntwintig veerdrukpistolen, merk Fei Xiang, model: MP 800, het volgende op de verpakking: “The best for ages 18 and up” “Not for children under 18 years” Voorts staat er op de verpakking een verbodsbord met daarin de afbeelding van een gezicht en 0-18. Het hof overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsman, met inachtneming van hetgeen hiervoor is weergegeven, als volgt. Uit het dossier blijkt dat de voorwerpen verpakt zijn in verschillende soorten dozen waarop door de fabrikant expliciet verschillende waarschuwingen – voorzien van uitroeptekens – en tekens in de vorm van een verbodsbord staan vermeld dat er geen sprake is van speelgoed en dat vorenbedoelde voorwerpen niet geschikt/bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 dan wel 18 jaar te worden gebruikt. Dat aan deze waarschuwingen en tekens geen belang zou moeten worden gehecht is ten aanzien van de onderhavige voorwerpen niet gebleken. Het hof heeft voorts in de hiervoor besproken wet- en regelgeving geen bepaling kunnen aantreffen waaruit blijkt dat de beslissing van de importeur om de voorwerpen als speelgoed te importeren en (al dan niet op de doos) van een CE-markering te voorzien bepalend is voor de vraag of een voorwerp speelgoed is in de zin van de Speelgoedrichtlijn. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de voorwerpen niet zijn aan te merken als speelgoed in de zin van art. 2, eerste lid, van de Speelgoedrichtlijn en aldus niet onder het toepassingsbereik vallen van de Speelgoedrichtlijn. Het enkele feit dat de voorwerpen, althans de verpakking daarvan, zijn voorzien van een CE-markering doet daar niet aan af, nu deze CE-markering een markering is waarmee de fabrikant/importeur aangeeft dat het voorwerp in overeenstemming is met alle toepasselijke veiligheidseisen van de communautaire harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet. Nu de voorwerpen niet als speelgoed worden aangemerkt, en aldus niet vallen onder de Speelgoedrichtlijn en onder de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie, wordt het verweer van de raadsman mitsdien verworpen.” 9. Naast de door het hof aangehaalde regelgeving zijn voor de beoordeling van het middel de navolgende bepalingen nog van belang: Speelgoedrichtlijn - - Art. 2, eerste lid: “Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna „speelgoed” genoemd). De in bijlage I vermelde producten worden niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn beschouwd.” (cursivering door mij, AG; zie voor bijlage I hieronder) - Art. 3, aanhef en onder 16: “CE-markering”: een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het speelgoed in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de communautaire harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet;” - Art. 4, tweede lid: “Fabrikanten stellen overeenkomstig artikel 21 de vereiste technische documentatie op en voeren overeenkomstig artikel 19 de toepasselijke beoordelingsprocedure ten behoeve van overeenstemming uit of laten deze uitvoeren. Wanneer met die procedure is aangetoond dat het speelgoed aan de toepasselijke eisen voldoet, stellen de fabrikanten een EG-verklaring van overeenstemming, zoals bedoeld in artikel 15, op en brengt hij de in artikel 17, lid 1, beschreven CE-markering aan." - Art. 16: “1. Speelgoed dat op de markt wordt aangeboden, is voorzien van de CE-markering. 2. De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008. 3. De lidstaten veronderstellen dat speelgoed dat van de CE-markering is voorzien, aan deze richtlijn voldoet. 4. […]” Bijlage I bij de Richtlijn: “Lijst van producten die, met name, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn worden beschouwd (als bedoeld in artikel 2, lid 1) (…) 2. Producten voor verzamelaars, mits op het product of de verpakking ervan zichtbaar en leesbaar is aangegeven dat het bestemd is voor verzamelaars van 14 jaar en ouder. Voorbeelden van deze categorie zijn:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.