Nr. 17/04738 Zitting: 8 januari 2019 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] 1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 primair “medeplegen van moord” en feit 2 primair “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.762,65 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/04598, 17/04698, 17/05490 en 18/00253. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Namens de verdachte heeft mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld. 4. Het middel klaagt dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans op onjuiste gronden, tot een bewezenverklaring van ‘medeplegen’ is gekomen. 5. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezenverklaard dat: “hij op 22 juni 2014 te Ewijk, gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel afgevuurd op [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die kogel in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;” 6. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft het hof in het bestreden arrest ten aanzien van het medeplegen het volgende overwogen: “Medeplegen feiten 1 en 2 De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van de moord. Voor hetgeen hiertoe in het bijzonder is aangevoerd, verwijst het hof naar de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de intensiviteit van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding en/of de uitvoering en/of de afhandeling van de beide delicten, alsmede het belang van zijn rol bij die strafbare feiten, niet anders worden geconcludeerd dan dat hij een dusdanig wezenlijke bijdrage aan het bewezenverklaarde heeft geleverd dat van medeplegen behoort te worden gesproken. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan de delicten door verdachte van voldoende gewicht is geweest. Medeverdachte [medeverdachte 3] is degene die de trekker heeft overgehaald en de daadwerkelijke levensberovende handeling en brandstichting heeft verricht. Echter de bijdrage die verdachte heeft geleverd aan deze misdrijven wordt door het hof zodanig geacht dat van medeplegen kan worden gesproken. Immers heeft verdachte met zijn broer, [medeverdachte 5] , wetende van het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, een vuurwapen met munitie opgehaald bij medeverdachte [medeverdachte 2] en dit aan [medeverdachte 3] , de schutter, ter hand gesteld, heeft hij kort voor het plegen van het feit overleg gehad met zijn broers over wie het fatale schot zou lossen, waar die zich zou moeten opstellen om de komst van het slachtoffer ongezien af te wachten en heeft hij op korte afstand gewacht om naderhand het stoffelijk overschot en sporen te verwijderen. Het plan is gezamenlijk gemaakt en tot aan het eind tezamen uitgevoerd. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] hebben een daadwerkelijke en belangrijke rol gespeeld bij het plegen van het delict. In de aanloop tot het delict heeft zich een dramatisch scenario afgespeeld dat is geëindigd in de dood van [slachtoffer] en het verbranden van diens lijk. Naar het oordeel van het hof hebben alle vijf verdachten daarin een wezenlijke rol vervuld. Er wordt in de aanloop tot het geheel gesproken over de dood van [slachtoffer] . Het ombrengen met één genadeschot. Uit de verklaringen komt naar voren dat de aanzet komt van [medeverdachte 2] , maar de andere vier verdachten gaan met dit idee verder en spreken hierover ook in afwezigheid van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] doet de andere vier verdachten zogenaamd toetreden tot de Italiaanse maffia. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit een gewelddadige organisatie is en alle andere vier verdachten, waaronder [medeverdachte 1] , doet daaraan mee. Kenmerk van de maffia is bendevorming en liquidaties en de verdachte kiest er blijkbaar voor om zich daarbij aan te sluiten. In de lijn van die deelname ligt dan ook het latere plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het blijft niet bij plannen. Als [medeverdachte 2] laat op de avond belt, vertrekken de broers [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] spoorslags naar [medeverdachte 2] om een wapen op te halen. Het hof twijfelt niet aan de wetenschap van die boodschap vanaf het moment dat zij het huis verlieten. Wanneer een plan wordt gemaakt om iemand om het leven te brengen met één genadeschot, is het toch wel duidelijk wat er moet worden opgehaald. Al die tijd heeft de verdachte de mogelijkheid gehad om zich aan het delict dan wel aan de samenwerking met de andere verdachten te onttrekken. Ook nadat het wapen is opgehaald hadden [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] dit wapen bijvoorbeeld in het water kunnen gooien om de uitvoering te voorkomen. Maar nee, het wordt ingepakt in een doek en laarzen om het te verbergen en zij veilig bij [medeverdachte 3] aan kunnen komen. Ook dan is er nog geruime tijd om zich te bedenken. De verdachte zegt bedreigd te zijn door [medeverdachte 2] , maar bij de daadwerkelijke uitvoering was [medeverdachte 2] niet aanwezig. Er was alle gelegenheid om of 112 te bellen of [slachtoffer] te waarschuwen zodat dit delict niet had plaatsgevonden. Mogelijke vrees voor [medeverdachte 2] neemt de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte niet weg. Een belangrijk aspect waarom het hof dit feit als medeplegen ziet is dat de verdachte vervolgens na het afleveren van het wapen niet is weggegaan. [medeverdachten 1,3 en 5] hebben het slachtoffer [slachtoffer] met zijn drieën opgewacht. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] hebben het wapen afgeleverd en zijn niet vervolgens weggegaan. Zij hebben zich in de nabijheid opgehouden. Daardoor had [medeverdachte 3] intellectuele en fysieke steun van zijn broers die hij in de nabijheid wist. Er kan er nu eenmaal maar één de trekker overhalen. [medeverdachte 5] heeft in het donker in het huisje gewacht op de aangekondigde dood van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] nabij het huisje. Niemand, ook verdachte niet, is op enig moment tot bezinning gekomen. Naar het oordeel van het hof zou het plan niet zijn ontstaan en zou de uitvoering niet hebben plaatsgevonden wanneer er geen samenwerking zou zijn geweest tussen alle vijf de verdachten. Het was de bedoeling dat alle drie de broers aanwezig zouden zijn bij het plegen van het delict zodat [medeverdachte 3] steun heeft gehad ten tijde van het plegen van het feit en het wegmaken van het lijk. De aaneenschakeling van feiten maakt een soms bizarre en wat klungelige indruk. Er wordt een nepritueel uitgevoerd tot toetreding van de maffia met een bloedcontract, de schutter krijgt pas kort tevoren het wapen, hij weet niet goed hoe hij ermee moet schieten en er zitten maar twee kogels bij. Echter het resultaat van de handelingen is verschrikkelijk en dramatisch voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, alsook schokkend voor de maatschappij. Het resultaat is een strafbaar feit - moord - dat het ernstigste is in ons Wetboek van Strafrecht. Daar wordt de verdachte mede verantwoordelijk voor gehouden. Anders dan de verdediging en de rechtbank, is het hof van oordeel dat de grens met medeplichtigheid is overschreden en dat kan niet gezegd worden dat verdachte slechts door anderen begane misdrijven heeft bevorderd en/of vergemakkelijkt. [...]” 7. Tussen 2014 en 2016 heeft de Hoge Raad in enkele richtinggevende arresten belangrijke beschouwingen gewijd aan het medeplegen, in het bijzonder in relatie tot en ter afbakening van medeplichtigheid. Ik wijs hier met name op HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond. Aan deze arresten ontleen ik het volgende. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht – de Hoge Raad noemt: het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht –, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zijn bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Evenmin is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd of – zelfs – hoofdzakelijk na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.