Obsah (7)
§ 443§ 398§ 444§ 356§ 400§ 354§ 51Zaaknr: 18/00137 mr. E.B. Rank-Berenschot Zitting: 15 maart 2019 Conclusie inzake: [eiseres] , optredend ten behoeve van de gemeenschap van eigenaren van de viool bekend onder de naam "Stradivarius [A
§ 443
heeft gesteld dat hij op 26 maart 2010 is gaan houden voor de stichting Melstring, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Die stelling wordt daar niet aangetroffen. Evenmin heeft [eiseres] op de aangegeven vindplaatsen gesteld dat op 26 maart 2010 van onvoorwaardelijk bezit nog geen sprake was. Voor zover dat laatste zou voortvloeien uit [verweerder] ’ eigen stelling dat hij tot het moment van betaling ‘nog van de transactie af had gekund’, verwijs ik naar alinea 2.10 van deze conclusie. [verweerder] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de viool op 26 maart 2010 definitief aan hem is verkocht en heeft kennelijk het oog gehad op eventuele ontbinding of vernietiging. Tegen deze achtergrond is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof, overeenkomstig de stellingen van [verweerder], heeft geoordeeld dat de viool op 26 maart 2010 aan [verweerder] is geleverd. 2.19 De subonderdelen 1.7-1.8 bouwen voort op de voorgaande klachten en falen daarom eveneens. Onderdeel 2: beoordelingskader goede trouw 2.20 Onderdeel 2 richt zich tegen het door het hof in rov. 4.5.6 e.v. gehanteerde beoordelingskader voor de vraag of [verweerder] te goeder trouw was met betrekking tot de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] . 2.21 Volgens subonderdeel 2.1 heeft het hof ten eerste miskend (
- i)dat goede trouw in de zin van art. 3:86 lid 1 BW in ieder geval ontbreekt indien de verkrijger daadwerkelijk twijfelde over de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben en (
- ii)dat het dus aan [verweerder] was om te stellen dat hij niet aan [betrokkene 1] beschikkingsbevoegdheid twijfelde. 2.22 Deze klachten falen. Het hof heeft in rov. 4.5.6 de maatstaf van art. 3:11 BW vooropgesteld en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het aan de verkrijger ( [verweerder] ) is om de omstandigheden te stellen die rechtsvaardigen dat hij de vervreemder voor bevoegd mocht houden en die uitsluiten dat hij reden had aan diens bevoegdheid te twijfelen. Niet is gebleken dat het hof die maatstaf vervolgens zou hebben miskend. Naar het oordeel van het hof in rov. 4.5.7-4.5.8 heeft [verweerder] ter zake voldoende gesteld. 2.23 Ten tweede zou het hof hebben miskend dat het [eiseres] moest toelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat [verweerder] daadwerkelijk aan [betrokkene 1] beschikkingsbevoegdheid twijfelde. 2.24 Ook deze klacht treft geen doel. Uit de in het subonderdeel genoemde stellingen in MvG § 120, die betrekking hebben op eerst na 26 maart 2010 gebleken feiten, volgt niet dat [verweerder] reeds op de peildatum daadwerkelijk twijfelde. De stellingen in § 65-73 van de appelpleitnota van [eiseres] zien met name op de rol van de stichting en op de vraag of 26 maart 2010 wel als peildatum moet worden aangemerkt. Dat het hof daarin niet de stelling heeft gelezen dat [verweerder] op 26 maart 2010 daadwerkelijk twijfelde, is mijns inziens niet onbegrijpelijk. In MnV § 118 valt wel de stelling te lezen dat [verweerder] daadwerkelijk heeft getwijfeld aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] , maar ook deze is voornamelijk gebaseerd op het opmaken en de inhoud van de als ‘schijnconstructie’ betitelde (posterieure) vaststellingsovereenkomst. De (voor het eerst) in MnV § 153 sub
- a)en
- h)te bewijzen aangeboden stelling dat [verweerder] op 26 maart 2010 feitelijk twijfelde respectievelijk niet te goeder trouw was, was dan ook niet onderbouwd. Reeds daarom kon het hof aan dit bewijsaanbod voorbijgaan. 2.25 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov 4.5.6 weliswaar de juiste maatstaf voorop heeft gesteld – dat de stellingen van [verweerder] ter zake zijn goede trouw moeten rechtvaardigen dat hij [betrokkene 1] voor beschikkingsbevoegd mocht houden en uitsluiten dat hij reden had om aan diens bevoegdheid te twijfelen –, maar die maatstaf vervolgens niet heeft toegepast, althans een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel heeft gegeven. Verwezen wordt naar onderdeel 3. 2.26 De klacht dat het hof de maatstaf niet heeft toegepast, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit rov. 4.5.7 e.v. blijkt, integendeel, dat het hof de door [verweerder] gestelde omstandigheden uitvoerig heeft gewogen. Ik meen dat het subonderdeel geen zelfstandige motiveringsklacht bevat. Voor zover er wel een (zelfstandige) motiveringsklacht in gelezen zou moeten worden, faalt het subonderdeel op dezelfde gronden als het hierna te bespreken onderdeel 3. 2.27 Subonderdeel 2.3 klaagt dat het hof in rov. 4.5.6 heeft miskend dat [verweerder] ’ beroep op de goede trouw niet alleen faalt, althans nadere onderbouwing behoeft, als [eiseres] bewijs levert van de onjuistheid van de door [verweerder] aangevoerde stellingen, maar ook als zij andere stellingen inneemt en zo nodig bewijst die maken dat [verweerder] ’ beroep op de goede trouw niet meer als voldoende draagkrachtig kan gelden. 2.28 De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in rov. 4.5.8 in algemene zin geoordeeld dat [eiseres] dient te bewijzen dat [verweerder] op 26 maart 2010 niet te goeder trouw was en in dat verband in rov. 4.5.9 en 4.5.10 tal van stellingen van [eiseres] beoordeeld die niet uitsluitend dienen ter betwisting van de stellingen van [verweerder] , maar ook zelfstandig het gebrek aan goede trouw kunnen onderbouwen, waarna het hof tot het oordeel is gekomen dat hetgeen [eiseres] heeft gesteld onvoldoende is om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat [verweerder] op 26 maart 2010 niet te goeder trouw was (rov. 4.5.11). 2.29 Subonderdeel 2.4 komt op tegen het oordeel van het hof dat 26 maart 2010 als peildatum heeft te gelden (rov. 4.5.6). Het hof zou hebben miskend dat dit niet geldt indien de bezitsverschaffing op die datum nog niet onvoorwaardelijk was. Ook zou het hof in dit verband ten onrechte niet hebben gereageerd op de als essentieel aan te merken stelling van [eiseres] dat ( [verweerder] zelf heeft gesteld dat) ook na 26 maart 2010 de koop niet zou zijn doorgegaan als [verweerder] getwijfeld had. 2.30 Het subonderdeel stuit reeds af op de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. Vast stond dat 26 maart 2010 heeft te gelden als peildatum. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 1 in de alinea’s 2.5.1-2.5.3 hiervoor. 2.31 Ook overigens treft het subonderdeel geen doel. Uit het hiervoor onder 2.10 en 2.18 betoogde volgt dat de stelling van [verweerder] dat de koop bij twijfel ook na 26 maart 2010 ‘niet zou zijn doorgegaan’ niet meebrengt dat op 26 maart 2010 niet geleverd was. 2.32 Subonderdeel 2.5 berust op het uitgangspunt dat de regel van art. 3:118 lid 2 BW (is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven) niet van toepassing is in gevallen waarin de koper zich eerst het bezit laat verschaffen en dan pas overgaat tot onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid en het formaliseren van de overeenkomst. Het hof zou hebben miskend dat de strekking en systematiek van art. 3:86 lid 1 BW, in combinatie met art. 3:118 lid 2 BW, niet is dat verkrijgers hun goede trouw kunnen veiligstellen door eerst bezit te verkrijgen en vervolgens pas nadere zekerheid over de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder te zoeken. 2.33 De klacht faalt, omdat bedoelde uitzondering geen steun vindt in het recht. Bovendien ziet de klacht eraan voorbij dat in een geval als in het middel bedoeld ten tijde van de verkrijging klaarblijkelijk reden tot twijfel bestond, de verkrijger derhalve niet te goeder trouw was en aan art. 3:118 lid 2 BW derhalve niet wordt toegekomen. 2.34 Subonderdeel 2.6 ziet op het oordeel in rov. 4.5.11 dat hetgeen [eiseres] heeft gesteld onvoldoende is om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat [verweerder] op 26 maart 2010 niet te goeder trouw was toen hij de viool van [betrokkene 1] verkreeg. Geklaagd wordt dat het hof daarmee heeft miskend dat bij de beoordeling van de goede trouw in de zin van art. 3:86 lid 1 BW alle relevante omstandigheden van het geval in onderling verband in aanmerking genomen moeten worden. Het hof zou slechts van enkele omstandigheden hebben geoordeeld dat deze op zichzelf onvoldoende zijn om te oordelen dat [verweerder] niet te goeder trouw was. 2.35 De klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.5.6 de (juiste) maatstaf van art. 3:11 BW vooropgesteld, daarbij onder meer overwogen dat de aard en omvang van de onderzoeksplicht van de verkrijger afhangt van ‘de omstandigheden van het geval’ en vervolgens de in dit verband geldende verdeling van de stelplicht van partijen uiteengezet. Bij de beoordeling in de daaropvolgende rechtsoverwegingen heeft het hof eerst een reeks door [verweerder] aangevoerde stellingen opgesomd (rov. 4.5.7) en geoordeeld dat ‘deze omstandigheden’ – kennelijk: in onderling verband – op zichzelf het beroep van [verweerder] op goede trouw kunnen dragen (rov. 4.5.8). Met de woorden ‘op zichzelf’ brengt het hof slechts tot uitdrukking dat de eerste fase van de beoordeling (positief) is afgerond en dat daarna de volgende fase aan de orde is, namelijk de beoordeling of [eiseres] voldoende heeft gesteld voor het oordeel dat [verweerder] niet te goeder trouw was. Dat onderzoek heeft het hof verricht in de rov. 4.5.9-4.5.10. Dat het hof daarbij een enkele door [eiseres] aangevoerde omstandigheid ‘op zichzelf’ heeft beoordeeld, neemt niet weg dat het hof de omstandigheden onmiskenbaar ook in onderling verband heeft beoordeeld en gewogen. Dat valt af te leiden uit zinswendingen als ‘kan zij [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet tegenwerpen’ en ‘in dit verband is tevens van belang’ en uit de (met het subonderdeel bestreden) conclusie van het hof in rov. 4.5.11, dat ‘uit het voorgaande volgt’ dat hetgeen [eiseres] heeft gesteld onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat [verweerder] op de peildatum niet te goeder trouw was. Aldus is het hof op basis van een afweging van de door elk van partijen aangevoerde omstandigheden tot het eindoordeel gekomen dat [verweerder] op 26 maart 2010 te goeder trouw was. 2.36 Dit betekent dat onderdeel 2 in zijn geheel faalt. Onderdelen 3-6: beoordeling goede trouw schiet tekort 2.37 De onderdelen 3-6 richten zich met een reeks van klachten – met name motiveringsklachten – tegen het oordeel van het hof omtrent de goede trouw van [verweerder] in rov. 4.5.7-4.5.11. De klachten zijn deels algemeen van aard (onderdeel 3) en deels gericht tegen de oordelen onder de verschillende subkopjes van rov. 4.5.10 betreffende de consignatieovereenkomst (onderdeel 4), de transactie (onderdeel 5) en de certificaten (onderdeel 6). 2.38 Bij de beoordeling van deze onderdelen staat voorop dat het oordeel van het hof sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard, zodat dit slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Ik meen dat het oordeel van het hof zeer uitgebreid is gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk is. Voor zover de onderdelen 3-6 in feite vragen om integrale herbeoordeling, geldt dat daarvoor in cassatie geen plaats is. Onderdeel 3: beoordeling goede trouw schiet tekort: algemeen 2.39 Onderdeel 3 omvat zes subonderdelen. 2.40 Subonderdeel 3.1 komt op tegen het oordeel van het hof dat hetgeen [verweerder] heeft gesteld als vermeld in rov. 4.5.7 zijn beroep op goede trouw kan dragen (rov. 4.5.8) en dat [eiseres] de in rov. 4.5.7 onder a-e, g-j en m vermelde omstandigheden niet (voldoende gemotiveerd) heeft bestreden, zodat deze vast staan (rov. 4.5.10). Geklaagd wordt dat deze overwegingen onbegrijpelijk zijn ten aanzien van de omstandigheden onder a-e, g en i. 2.41 Met betrekking tot de omstandigheden in rov. 4.5.7 onder a-e (betreffende de algemene reputatie van [betrokkene 1] ) voert het subonderdeel aan dat het hof deze niet (wegens onvoldoende betwisting) als ter zake doend kon aannemen in het licht van de stellingen van [eiseres] , weergegeven in rov. 4.5.9 onder a-j, waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] tegenover [verweerder] allerminst een onberispelijke reputatie genoot. Voor het vaststellen van goede trouw is niet de algemene reputatie naar de buitenwereld, maar de reputatie jegens [verweerder] (te weten die van ernstige wanbetaler) van belang, aldus het subonderdeel. 2.42 Op dit punt faalt de klacht. Het hof mocht (moest) alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn oordeel betrekken, waaronder de algemene reputatie van [betrokkene 1] . Het heeft die omstandigheid meegewogen bij zijn oordeel (in rov. 4.5.10 onder ‘De transactie’) dat, mede in het licht van de achtergrond en gebruikelijke bedrijfsvoering van [betrokkene 1] , de omstandigheid dat [verweerder] [betrokkene 1] al twee jaar tevergeefs had aangemaand, niet tot bedenkingen omtrent diens beschikkingsbevoegdheid had moeten leiden. Mede in het licht van de vaststaande omstandigheid dat [verweerder] in het verleden vaker en probleemloos transacties met [betrokkene 1] had gesloten (rov. 4.5.7 sub
- d)is dit oordeel niet onbegrijpelijk. 2.43 Met betrekking tot omstandigheden in rov. 4.5.7 onder g en i voert het subonderdeel aan dat uit de door [verweerder] gestelde feiten niet blijkt dat hij op de peildatum van 26 maart 2010 (
- i)naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] heeft gevraagd en (
- ii)heeft onderzocht of de viool als vermist of gestolen bekend stond, al dan niet in het Art Loss Register. [verweerder] heeft zijn stellingen omtrent zijn onderzoek beperkt tot de periode voor en tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, hetgeen wordt geïllustreerd door het bewijsaanbod in CvA § 116 onder i. Het hof heeft deze feiten niet als op 26 maart 2010 (voldoende) vaststaand en/of draagkrachtig mogen aannemen, aldus de klacht. 2.44 De vaststelling van het hof dat [verweerder] op de peildatum heeft geïnformeerd naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] (omstandigheid
- g)is niet onbegrijpelijk. In CvA § 50 en 52 en
§ 398
, 400 en 415 wordt weliswaar niet expliciet gesteld dat [verweerder] op de peildatum naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] informeerde, maar dat het hof de stellingen zo heeft opgevat is mijns inziens niet onbegrijpelijk. In
nV § 455 onder ix (onderbouwd in voetnoot 191) en § 500 wordt wel expliciet gesteld dat [verweerder] ‘bij de levering’ respectievelijk ‘op 26 maart 2010’ heeft geïnformeerd naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] . Op dit punt faalt de klacht. 2.45 Wat betreft ’s hofs vaststelling betreffende omstandigheid i faalt de klacht eveneens, nu deze eraan voorbij ziet dat het hof niet heeft vastgesteld dat [verweerder] op de peildatum heeft onderzocht of de viool als vermist of gestolen bekend stond. 2.46 Subonderdeel 3.2 gaat ervan uit dat het hof wat betreft de overige in 4.5.7 genoemde omstandigheden heeft geoordeeld dat [eiseres] de stellingen daaromtrent wel voldoende gemotiveerd heeft betwist en klaagt dat het hof haar had moeten toelaten tot het (tegen)bewijs dat zij ter zake die stellingen had aangeboden (CvR § 97 en MnV § 153 sub a, c, f en h). Het betreft de volgende stellingen: f. Het gaat om een aankoop van een waardevolle viool, hetgeen in het bijzonder een transactie was, die paste in de normale bedrijfsvoering en bij de achtergrond van [betrokkene 1] . k. [betrokkene 3] was niet bekend met enig probleem rondom de viool en hij was evenmin bekend met enige consignatie. l. Het was op geen enkele wijze wereldkundig gemaakt dat [eiseres] de (beweerde) rechthebbende was op de viool en dat zij deze in consignatie had gegeven; n. De overeengekomen prijs is een reële prijs, gelet op het bedrag waarvoor [eiseres] de viool zelf in consignatie heeft gegeven te weten $ […] ,- (tegen de koers van eind maart 2010 is dat € 1.650.000,-). 2.47 Nog daargelaten dat in het oordeel van het hof in het vervolg van rov. 4.5.10 besloten ligt dat het ook de betwisting van een deel van de betreffende stellingen te licht heeft bevonden, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist, hoefde het hof [eiseres] dienaangaande niet toe te laten tot tegenbewijs, omdat het aanbod daartoe niet toereikend was. Het eerstgenoemde bewijsaanbod is volstrekt generiek en de genoemde onderdelen van het tweede bewijsaanbod, dat pas na verwijzing en dus tardief is gedaan, corresponderen niet met bovengenoemde stellingen. 2.48 Subonderdeel 3.3 klaagt dat het hof in rov. 4.5.7 aanhef en sub i ten onrechte als op 26 maart 2010 relevante omstandigheid in aanmerking heeft genomen dat de viool ‘ten tijde van het sluiten van de onderhavige koopovereenkomst’ niet als vermist of gestolen bekend stond. Daartoe wordt aangevoerd dat [verweerder] onder ‘koopovereenkomst’ verstaat de op 29 juni 2010 ondertekende vaststellingsovereenkomst. 2.49 Zoals hiervoor (onder 2.10 en 2.18) al aan de orde kwam, heeft [verweerder] zich steeds op het standpunt gesteld dat de viool op 26 maart 2010 (mondeling) aan hem is verkocht. In dit licht is niet onbegrijpelijk dat het hof de in rov. 4.5.7 onder i opgetekende stelling van [verweerder] omtrent hetgeen bekend was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst heeft opgevat als betrekking hebbende op de mondelinge koopovereenkomst gesloten op 26 maart 2010. 2.50 Subonderdeel 3.4 klaagt ten eerste over het oordeel in rov. 4.5.10 dat [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [verweerder] op 26 maart 2010 bij [betrokkene 1] heeft geïnformeerd naar diens bevoegdheid en dat het antwoord daarop was dat hij eigenaar en rechthebbende was en dat er geen belemmering bestond voor de verkoop en levering. Die overweging is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de ‘betwistingslast’ of is onbegrijpelijk in het licht van [eiseres] betwistingen ten aanzien van het moment van navragen, aldus de klacht, onder verwijzing naar CvR § 41. 2.51 Mijns inziens faalt deze klacht. Op voornoemde vindplaats in de gedingstukken is te lezen dat ter voorbereiding van de vaststellingsovereenkomst namens [verweerder] in een e-mail van 7 april 2010 is gevraagd wie eigenaar was van de viool. Daarin valt echter geen (onderbouwde) betwisting te lezen van de stelling dat [verweerder] daarnaar (ook) al op 26 maart 2010 mondeling had geïnformeerd. De andere stellingen waarnaar het subonderdeel verwijst zijn, wat er verder ook van zij, niet relevant voor de vraag of [eiseres] bedoelde stelling van [verweerder] (voldoende gemotiveerd) heeft betwist. 2.52 Voor zover het subonderdeel verder nog afzonderlijk bedoelt te klagen dat onbegrijpelijk is dat het hof is voorbijgegaan aan stellingen van [eiseres] die erop neer komen dat [verweerder] ’ stellingen ongeloofwaardig zijn dat hij de viool op 26 maart 2010 onherroepelijk heeft gekocht, stuit deze klacht af op het gegeven dat in het verwijzingsgeding reeds vaststond dat op 26 maart 2010 een geldige titel tot stand is gekomen. Ik verwijs naar alinea 2.5.2 hiervoor. Ten slotte is, anders dan in subonderdeel 3.4 tot slot nog lijkt te worden geklaagd, niet onbegrijpelijk dat het hof is voorbijgaan aan de stelling van [eiseres] over ongeloofwaardigheid van [verweerder] ’ stelling dat hij zonder enige concrete informatie ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] eigenaar van de viool was. De stellingen van [verweerder] strekten immers tot betoog dat hij, gelet op de in rov. 4.5.7 genoemde omstandigheden, ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] eigenaar was. 2.53 Subonderdeel 3.5 klaagt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het als essentieel aan te merken betoog van [eiseres] dat de transactie voor [verweerder] onevenredig voordelig was, omdat deze tegen betaling van € 1.000.000,- en kwijtschelding van een oninbare vordering van nominaal € […] ,- instrumenten ter waarde van € 8.000.000,- in handen kreeg. Dit betoog kan leiden tot het oordeel dat [verweerder] op 26 maart 2010 niet te goeder trouw was, aldus de klacht. 2.54 De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft genoemd betoog in rov. 4.5.10 onder ogen gezien en vervolgens verworpen. Het heeft immers geoordeeld dat de verrekening van de vordering ter zake de koopsom met een erkende tegenvordering in het zakelijk verkeer niet zodanig ongebruikelijk is dat deze op het ontbreken van goede trouw zou wijzen (onder ‘De transactie’) en verder geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de overeengekomen koopprijs niet reëel zou zijn althans aanleiding zou moeten zijn voor twijfel omtrent de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] (onder ‘De koopprijs’). Daarbij heeft het hof enerzijds betekenis toegekend aan de prijs waarvoor [eiseres] de viool zelf heeft gekocht en vervolgens te koop heeft aangeboden, en anderzijds de relevantie van het appraisal van [betrokkene 1] verworpen. 2.55 Subonderdeel 3.6 neemt tot uitgangspunt dat het door het hof in rov. 4.5.9 onder k samengevatte betoog van [eiseres] inhoudt dat [verweerder] pas na 26 maart 2010 onderzoek is gaan doen, dat dit duidt op twijfel bij [verweerder] op die datum omtrent het eigenaarschap althans de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] , en dat dit de conclusie rechtvaardigt dat hij op 26 maart 2010 niet te goeder trouw was. Daarvan uitgaande klaagt het subonderdeel dat het hof ten onrechte niet op dit essentiële betoog is ingegaan. 2.56 Ik meen dat de klacht faalt. Het hof heeft in de onder k weergegeven stellingen (‘pas nadat …’, ‘pas begin april …’) kennelijk (uitsluitend) het betoog gelezen dat [verweerder] voorafgaand aan de levering geen onderzoek heeft gedaan naar de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] . Die lezing is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in het middel aangegeven stellingen die, anders dan het middel suggereert, niet (duidelijk) ingaan op de eventuele betekenis van na de peildatum voorgevallen feiten voor het al of niet bestaan van goede trouw op die peildatum. Het hof heeft de (wel) door hem in rov. 4.5.9 onder k ontwaarde stelling in rov. 4.5.10 verworpen. Onderdeel 4: beoordeling goede trouw schiet tekort: ‘De consignatieovereenkomst’ 2.57 Onderdeel 4 bevat eveneens klachten tegen het oordeel dat [verweerder] te goeder trouw was en richt zich daarbij op het oordeel van het hof met betrekking tot de consignatieovereenkomst. Het omvat vijf subonderdelen. 2.58 Subonderdeel 4.1 luidt als volgt: “4.1. In rov. 4.5.10 onder de kop "De consignatieovereenkomst" heeft het hof, door te beoordelen of ( [eiseres] heeft gesteld dat) [verweerder] wist of moest begrijpen dat de viool in consignatie was gegeven aan [betrokkene 1] , miskend dat [eiseres] heeft gesteld dat [verweerder] wist dat [betrokkene 1] als directeur van zijn vennootschappen zich gemakkelijk tot kostbare instrumenten toegang kon verschaffen, en dat de enkele gebruikelijkheid van consignatie in dit licht kan afdoen aan [verweerder] ' goede trouw, zodat het hof dit (kenbaar) bij de beoordeling ter zake had moeten betrekken.” Dit subonderdeel is niet eenvoudig te doorgronden. Voor zover het klaagt dat het hof de essentiële stelling zou hebben gepasseerd dat de gebruikelijkheid van consignatie in de branche kan afdoen aan [verweerder] ’ goede trouw, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft het beroep op de gebruikelijkheid van consignatie onderkend (in de eerste zin van de aangevallen passage) maar te licht bevonden. Het subonderdeel mist eveneens feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan de stelling dat [betrokkene 1] gemakkelijk toegang tot kostbare instrumenten had. De positie en rol van [betrokkene 1] binnen het toenmalige (familie)bedrijf gelden tussen partijen en in de procedure als vaststaand en zijn door het hof onder ogen gezien. In de voldoende gemotiveerde en niet onbegrijpelijke overwegingen onder het kopje ‘De consignatieovereenkomst’ ligt een verwerping van de in dit subonderdeel bedoelde stellingen besloten. 2.59 Subonderdeel 4.2 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor de goede trouw van [verweerder] relevant te achten dat [eiseres] de modaliteiten van de consignatie zelf heeft gekozen. Het hof zou hebben miskend dat voor de beoordeling van de (afwezigheid van) goede trouw niet van belang is in hoeverre degene die de aanwezigheid van goede trouw betwist, de hand heeft gehad in de daarvoor relevante feitelijke omstandigheden. Volgens de motiveringsklacht valt niet (zonder meer) in te zien dat de modaliteiten van de consignatie van invloed zijn geweest op hetgeen [betrokkene 1] aan [verweerder] heeft of zou hebben meegedeeld. 2.60 Ik meen dat de klacht feitelijke grondslag mist. Het hof heeft het feit dat [eiseres] de modaliteiten van de consignatie heeft gekozen als zodanig niet van belang geacht voor zijn oordeel, doch slechts relevant geoordeeld dat die keuze tot gevolg heeft gehad dat [betrokkene 1] de viool op eigen naam moest verkopen, dat aan derden(verkrijgers) niet kenbaar zou worden gemaakt dat de viool ten tijde van de verkoop niet aan [betrokkene 1] , maar aan [eiseres] en [betrokkene 2] toebehoorde, en dat [betrokkene 1] dienovereenkomstig op de hem door [verweerder] gestelde vraag heeft geantwoord dat er geen belemmering bestond voor de overdracht, hetgeen naar het oordeel van het hof tot gevolg heeft dat [verweerder] zijn aldus ontstane onwetendheid niet kan worden tegengeworpen. Dat lijkt mij niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, nog daargelaten dat het wegdenken van de gewraakte overweging niet leidt tot bewijs van het ontbreken van goede trouw bij [verweerder] , zodat de klacht ook belang ontbeert. 2.61 Subonderdeel 4.3 keert zich tegen de vaststelling van het hof dat de door [eiseres] (en [betrokkene 2] ) aan [betrokkene 1] verstrekte opdracht inhield dat [betrokkene 1] de viool op eigen naam zou verkopen en dat daarin besloten ligt dat het de keuze van [eiseres] (en [betrokkene 2] ) was om aan derden(verkrijgers) niet kenbaar te maken dat de viool aan hen in eigendom toebehoorde. Deze vaststelling is volgens het subonderdeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd omdat het hof daarbij niet kenbaar heeft betrokken de betwistingen van [eiseres] inhoudende: (
- i)dat [B] GmbH in plaats van [betrokkene 1] de wederpartij was bij de consignatieovereenkomst en dat alleen [B] GmbH de viool mocht verkopen; (
- ii)dat geen sprake was van stille consignatie; en (iii) dat [betrokkene 1] noch [B] GmbH opdracht of toestemming had om te verbergen wie eigenaar was. 2.62 Wat betreft de stelling onder (
- ii)stuit de klacht af op de grenzen van de rechtsstrijd. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 31 maart 2015 wegens onvoldoende betwisting door [eiseres] geoordeeld dat sprake was van stille consignatie (rov. 4.11-4.12). De tegen rov. 4.11 en 4.12 gerichte (en door uw Raad onbehandeld gelaten) onderdelen hadden slechts betrekking op de vraag wie partij was bij de consignatieovereenkomst (onderdeel 3) en of [betrokkene 1] heeft gehandeld ter uitvoering van die overeenkomst (onderdeel 4). De kwalificatie ‘stille consignatie’ is echter niet bestreden, zodat die in de verwijzingsprocedure reeds vaststond. In het verlengde daarvan mocht het hof ook niet meer ingaan op stelling (iii). 2.63 Wat betreft stelling (
- i)faalt de klacht eveneens. Op de aangegeven vindplaats (CvR § 53-54) heeft [eiseres] de gestelde rechtsverhouding met [B] GmbH aangevoerd ten betoge dat [betrokkene 1] niet beschikkingsbevoegd was. Zij heeft deze niet aangevoerd in het kader van de door het hof in rov. 4.5.10 behandelde vraag of [verweerder] te goeder trouw was. Bovendien zou de omstandigheid dat [B] GmbH moet worden aangemerkt als contractspartij bij de consignatieovereenkomst niet afdoen aan het stille karakter van die overeenkomst en de consequenties daarvan voor de goede trouw van [verweerder] . 2.64 In het verlengde van subonderdeel 4.3 klaagt subonderdeel 4.5 dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd met het oordeel dat de onwetendheid van [verweerder] door toedoen van [eiseres] is ontstaan en dat [eiseres] die onwetendheid niet aan [verweerder] kan tegenwerpen. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiseres] heeft betwist dat sprake was van stille consignatie, dat [betrokkene 1] de viool op eigen naam moest verkopen en dat hij de identiteit van de eigenaar van de viool moest verbergen. 2.65 Dit onderdeel komt neer op een herhaling van onderdeel 4.3 en faalt op dezelfde gronden. 2.66 Subonderdeel 4.4 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor het ontbreken van goede trouw te vereisen dat [verweerder] wist of behoorde te weten dat de viool door [eiseres] aan [betrokkene 1] in consignatie was gegeven en dat deze beschikkingsonbevoegd was (onder ‘De consignatieovereenkomst’, slot). Daarmee is het hof uitgegaan van te lichte eisen voor de aanwezigheid van goede trouw en heeft het miskend dat de vraag naar goede trouw moet worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, aldus de klacht. 2.67 De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft het (behoren
- te)kennen van de consignatieovereenkomst niet gezien als vereiste voor het ontbreken van goede trouw, maar slechts vastgesteld dat dat (behoren
- te)kennen als een mogelijke grondslag voor het ontbreken van goede trouw zich niet voordoet. Verder blijkt uit het arrest dat het hof tal van andere relevante omstandigheden heeft beoordeeld. Onderdeel 5: beoordeling goede trouw schiet tekort: ‘De transactie’ 2.68 Onderdeel 5 richt zich tegen overwegingen onder het kopje ‘De transactie’ in rov. 4.5.10 in het kader van de beoordeling van de goede trouw van [verweerder] . Het bestaat uit drie subonderdelen. 2.69 Subonderdeel 5.1 klaagt over onbegrijpelijkheid van dat het oordeel van het hof dat het verkopen door [betrokkene 1] aan [verweerder] van twee waardevolle violen uit zijn privécollectie past bij de door het hof geschetste achtergrond van [betrokkene 1] en tot zijn normale bedrijfsuitoefening behoort. 2.70 In het midden kan blijven of [eiseres] op de aangegeven vindplaats (pleitnota in appel zijdens [eiseres] § 45) de stelling heeft betrokken dat de transactie niet bij de achtergrond van [betrokkene 1] paste en buiten zijn normale bedrijfsuitoefening viel. Het subonderdeel faalt, omdat het (feitelijk) oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde. In de motivering van het hof ligt besloten dat het naar zijn oordeel in het licht van de aangehaalde achtergrond van [betrokkene 1] (familie met een lange traditie van violenbouwers en handelaren) en van de aard van zijn onderneming (familiebedrijf) niet vreemd is dat [betrokkene 1] ook kostbare violen in privéeigendom heeft en deze verkoopt. Naar het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof kunnen, gelet op de positie van [betrokkene 1] in het familiebedrijf, de handel in privéviolen en de bedrijfsmatige handel in de specifieke omstandigheden van het geval in elkaar overlopen en als (normale) bedrijfsuitoefening van [betrokkene 1] worden bestempeld. Verder heeft het hof, anders dan het middel betoogt, wel degelijk in zijn oordeel betrokken dat de koopprijs gedeeltelijk is verrekend met een openstaande schuld van [betrokkene 1] . Het hof heeft echter geoordeeld dat dit gegeven niet wijst op het ontbreken van goede trouw. [verweerder] wijst er terecht op dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is in het licht van zijn stellingen betreffende [verweerder] ’ gerechtvaardigde veronderstelling omtrent een (mede door bevoorschotting van de consignatiegevers) bij [betrokkene 1] ontstaan liquiditeitsprobleem. 2.71 Subonderdeel 5.2 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling in rov. 4.5.10 onder het kopje ‘De transactie’ te overwegen dat daar genoemde omstandigheden ‘op zichzelf’ onvoldoende zijn om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat deze bij [verweerder] tot bedenkingen omtrent de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] hadden moeten leiden. Het hof zou hiermee hebben miskend (
- i)dat alle relevante omstandigheden van het geval in onderling verband in aanmerking genomen dienen te worden en (
- ii)dat voor het ontbreken van goede trouw niet vereist is dat ‘bedenkingen omtrent de beschikkingsbevoegdheid’ bestaan. Omstandigheden kunnen ook los van ‘bedenkingen’ afdoen aan goede trouw, aldus de klacht. 2.72 Wat betreft verwijt (
- i)faalt de klacht bij gemis aan feitelijke grondslag. Ook hier geldt dat uit het arrest niet blijkt dat het hof heeft nagelaten alle relevante omstandigheden in onderling verband in ogenschouw te nemen. Zie de uitvoerige bespreking van de aangedragen stellingen en de conclusie in rov. 4.5.11 omtrent hetgeen naar het oordeel van het hof ‘uit het voorgaande volgt’. Ook verwijt (
- ii)ontbeert feitelijke grondslag. Hier geldt m.m. hetzelfde als voor subonderdeel 4.4 (zie hiervoor onder 2.67). Het hof heeft ‘bedenkingen’ niet gezien als vereiste voor het ontbreken van goede trouw, maar slechts vastgesteld dat voor bedenkingen als een mogelijke grondslag voor het ontbreken van goede trouw geen aanleiding was. 2.73 Subonderdeel 5.3 klaagt dat het hof met zijn oordeel dat verrekening ‘op zichzelf’ niet zodanig ongebruikelijk is dat dit op het ontbreken van goede trouw wijst, (
- i)opnieuw heeft miskend dat alle relevante omstandigheden in hun onderling verband in aanmerking moeten worden genomen en (
- ii)ten onrechte heeft nagelaten het in subonderdeel 3.5 bedoelde betoog (over het onevenredige voordeel van [verweerder] bij de transactie) bij de beoordeling te betrekken. 2.74 Het subonderdeel faalt. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof niet overwogen dat ‘verrekening’ (in het algemeen) niet ongebruikelijk is, maar dat deze (concrete) verrekening – als door het hof op p. 9 onderaan met vermelding van de betrokken bedragen vastgesteld – niet zodanig ongebruikelijk is dat deze op het ontbreken van goede trouw wijst. Mede op die grond ontbreekt het bij verwijt (
- ii)aan feitelijke grondslag. Zoals al ter sprake kwam bij de bespreking van subonderdeel 3.5, heeft het hof het bedoelde betoog uiteindelijk integraal verworpen (zie hiervoor onder 2.54). . Ook hier mist verwijt (
- i)feitelijke grondslag, waarvoor ik verwijs naar de bespreking van het vorige subonderdeel. Onderdeel 6: beoordeling goede trouw schiet tekort: ‘De certificaten’ 2.75 Onderdeel 6 richt twee klachten tegen de overwegingen onder het kopje ‘De certificaten’ bij de beoordeling van de goede trouw in rov. 4.5.10. 2.76 Subonderdeel 6.1 komt op tegen het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] op 26 maart 2010 niet beschikte over het certificaat van echtheid ‘op zichzelf’ onvoldoende is om te kunnen concluderen dat [verweerder] op dat moment niet te goeder trouw was (‘De certificaten’, eerste alinea). 2.77 Geklaagd wordt in de eerste plaats dat het hof ook hier heeft miskend dat de vraag naar de goede trouw moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden in onderling verband. Dat deze klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag, behoeft inmiddels geen toelichting meer. 2.78 Ten tweede zou het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk hebben gemotiveerd, door aan het oordeel (louter) ten grondslag te leggen dat [verweerder] terecht had aangevoerd dat een certificaat van echtheid niets zegt over de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder, maar hooguit over de authenticiteit van de viool. Daartoe wordt het volgende aangevoerd: (
- i)[verweerder] heeft zelf gesteld dat voor hem aannemelijk was dat [betrokkene 1] de eigenaar van de viool was en bevoegd was daarover te beschikken, omdat [betrokkene 1] de originele certificaten van echtheid begin april 2010 aan hem heeft geleverd; (
- ii)[verweerder] wist dat bij antieke instrumenten documentatie hoort die de echtheid en herkomst van het instrument kan bevestigen, zodat hij niet zonder enige documentatie te hebben verkregen als te goeder trouw kan worden aangemerkt; en (iii) het hof is niet (kenbaar) ingegaan op [eiseres] betoog dat [verweerder] niet de kritische zin had die bij een gewone koper van een dergelijk object hoort, omdat hij pas na 26 maart 2010 naar certificaten heeft gevraagd en bovendien, na ontvangst van die stukken, ondanks de kennelijke valsheid van de certificaten, klakkeloos de transactie heeft doorgezet. 2.79 Ook deze klacht faalt. Het hof is niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, noch heeft het zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het subonderdeel voert (terecht) niet aan dat [verweerder] de door het hof aangehaalde stelling niet zou hebben aangedragen. De onder (
- i)genoemde stelling van [verweerder] strekt slechts tot extra onderbouwing van zijn goede trouw op grond van latere omstandigheden, hetgeen onder meer blijkt uit het woordje ‘ook’ in de betreffende zin. Dat, zoals [verweerder] heeft gesteld, een certificaat van echtheid (op zichzelf) alleen iets zegt over de authenticiteit, neemt niet weg dat het feit dat een verkoper zo’n certificaat op enig moment kan overleggen, een aanwijzing kan zijn dat hij ook bevoegd was over de viool te beschikken. Uit de stelling onder (
- ii)dat [verweerder] zou weten dat bij antieke instrumenten behorende documentatie (onder meer) de herkomst daarvan kan bevestigen, volgt niet dat [verweerder] zonder dergelijke documentatie op 26 maart 2010 te hebben gezien niet te goeder trouw kan zijn. Naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof (‘De certificaten’, tweede alinea) was [verweerder] in het licht van de omstandigheden van het geval, waaronder (met name) de toen nog onberispelijke achtergrond van [betrokkene 1] als handelaar in dergelijke violen, niettemin te goeder trouw. In het oordeel in ‘De certificaten’, tweede alinea, ligt verder onmiskenbaar een verwerping van het onder (iii) genoemde betoog van [eiseres] besloten. 2.80 Subonderdeel 6.2 komt met een motiveringsklacht op tegen het vermeende oordeel van het hof “dat de mededeling van [betrokkene 1] dat de viool afkomstig was uit diens privécollectie de afkomst van de viool verklaart en dus ook dat [betrokkene 1] niet beschikte over een certificaat van herkomst.” De klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het oordeel van het hof is niet dat het ontbreken een certificaat van herkomst wordt verklaard door het feit dat de viool afkomstig is uit de privécollectie van [betrokkene 1] . Het hof komt tot het voldoende gemotiveerde en niet onbegrijpelijke oordeel dat het feit dat [betrokkene 1] op 26 maart 2010 geen certificaat van herkomst kon tonen, niet afdoet aan de goede trouw van [verweerder] omtrent de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 1] , (mede) gelet op de mededeling dat de viool afkomstig is uit de privécollectie van [betrokkene 1] (in het licht van de overige omstandigheden van het geval). Onderdeel 7: beroep op art. 3:86 lid 3 BW op onvoldoende gronden verworpen 2.81 Onderdeel 7 komt op tegen de verwerping van het beroep op art. 3:86 lid 3 BW in rov. 4.6.2. 2.82 Volgens de rechtsklacht van subonderdeel 7.1 heeft het hof ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat art. 3:86 lid 3 BW alleen kan worden ingeroepen in geval van diefstal in strafrechtelijke zin. Het begrip ‘diefstal’ in art. 3:86 lid 3 BW omvat volgens het subonderdeel ook gevallen die in strafrechtelijke zin als verduistering kwalificeren. 2.83 De rechtsklacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. 2.84 De tekst van de wet beperkt zich uitdrukkelijk tot gevallen van diefstal. In de wetsgeschiedenis is uiteengezet dat de mogelijkheid van revindicatie slechts bestaat bij diefstal en (anders dan onder het oude recht) niet bij verlies. De ratio van de regeling is gelegen in misdaadbestrijding en het voorkomen van heling. Volgens de minister ontbreekt dit aspect bij verlies en ligt het bovendien bij gevallen van verlies – vaak door slordigheid – voor de hand dit aan de gedepossedeerde toe te rekenen. 2.85 In zijn arrest van 12 oktober 1999 heeft de strafkamer van de Hoge Raad – in een zaak betreffende beklag tot teruggave van een klager die aangifte van verduistering had gedaan – geoordeeld dat de bescherming van art. 3:86 lid 3 BW ‘slechts ingeval van diefstal’ van toepassing is. In een arrest van 15 mei 2001 werd daaraan toegevoegd dat de bewoordingen van de bepaling geen ruimte laten voor de opvatting dat deze ook van toepassing is op de eigenaar die het bezit van de zaak heeft verloren door oplichting. 2.86 Enkele auteurs hebben nadien nog betoogd dat het begrip breder is dan uitsluitend (het strafrechtelijke begrip) diefstal en dat verduistering er ook onder valt. Ook enkele feitenrechters hebben in die zin geoordeeld. 2.87 In de literatuur wordt echter meestal aangenomen dat het begrip diefstal in art. 3:86 lid 3 BW niet mede verduistering omvat. Ook in de rechtspraak wordt er regelmatig van uitgegaan dat het begrip diefstal in van art. 3:86 lid 3 BW beperkt moet worden uitgelegd. 2.88 Verder worden in de subonderdelen 7.2 tot en met 7.6 klachten aangevoerd tegen het oordeel van het hof in rov. 4.6.2 dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld ter rechtvaardiging van de conclusie dat zij het bezit heeft verloren door diefstal. 2.89 Deze klachten stranden alle op de grenzen van de rechtsstrijd. 2.90 Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in rov. 4.7 van zijn arrest van 31 maart 2015 geoordeeld dat geen sprake was van onvrijwillig bezitsverlies door diefstal. De tegen dat oordeel gerichte cassatieklacht (onderdeel 2.3) is door uw Raad met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen. Daarmee stond in de verwijzingsprocedure reeds vast dat geen sprake is van diefstal als bedoeld in art. 3:86 lid 3 BW. 2.91 De slotsom is dat het principaal beroep in alle onderdelen faalt. 3Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 3.1 [verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal beroep in cassatie in enige klacht gegrond is. Nu niet aan die voorwaarde is voldaan, behoeft het incidenteel cassatieberoep geen bespreking. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2984, NJ 2017/23, JIN 2017/99 m.nt. E.J.H. Zandbergen, ( [eiseres] / [verweerder] I). Zie Hof ’s-Hertogenbosch 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4327, NJF 2017/469, rov. 4.1, onder verwijzing naar het arrest van uw Raad van 23 december 2016, rov. 3.1. ‘Consignment Agreement’, overgelegd als prod. 3 bij inl. dagv. ‘Vaststellingsovereenkomst koop violen’, overgelegd als prod. 1 bij CvA. Deze vaststelling wordt bestreden in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep (onderdeel 5). Rb Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, 27 februari 2013 (zaak C/06/130327/HA ZA 12-212). Rb Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 31 juli 2013 (zaak C/06/130327/HA ZA 12-212). Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2333. Bedoeld zal zijn € […] ,-. Bedoeld zal zijn: [betrokkene 1] . De procesinleiding is ingediend op 9 januari 2018. Zie hiervoor onder 1.1 (iii). Het middel verwijst naar
§ 444en voorts naar appelpleitnota [eiseres] § 68-74.
Vgl.
nV § 115-119 en 444. CvD § 70, 119;
§ 356en 367. Cv
A § 52 en 60;
§ 400
.
nV § 560-561 jo.
§ 443
. Appelpleitnota [eiseres] § 73-74, met verwijzing naar
§ 444
.
§ 354
en 356;
nV § 115-
- Zie m.b.t. de stellingen f, l en n de overwegingen in rov. 4.5.10 onder ‘De transactie’, ‘De consignatieovereenkomst’, resp. ‘De koopprijs’. Het middel verwijst naar CvR §
- Het middel verwijst naar CvR §54-
- Het middel verwijst naar appelpleitnota [eiseres] § 31 en MvG § 122 e.v. Het middel verwijst naar appelpleitnota [eiseres] §
- De klacht noemt hierbij per abuis de datum 26 maart
- Dit was uiteraard voorafgaand aan die datum gebeurd. Dit wordt door [verweerder] betwist, zie diens s.t. § 9.
- S.t. § 9.3, met verwijzingen. Het middel verwijst naar
§ 51. Het middel verwijst naar Cv
R § 14. Het middel verwijst naar inl. dagv. § 19, CvR § 38 en de omstandigheden en vindplaatsen genoemd in subonderdeel 1.2 onder (iii)(b). Zie
§ 51
: “ [betrokkene 1] heeft [verweerder] verklaard dat hij enig eigenaar van en enig rechthebbende op de Viool was, en dat er (kort gezegd) ook geen enkele andere belemmering aan de koop in de weg stond, en was bereid dit schriftelijk vast te leggen (…). Dat [betrokkene 1] inderdaad eigenaar van de Viool was en bevoegd was daarover te beschikken, was voor [verweerder] ook aannemelijk omdat [betrokkene 1] de originele certificaten van echtheid begin april 2010 (…) aan [verweerder] heeft geleverd.” (met mijn onderstreping). PG Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1217, 1220 en
- HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC2680, NJ 2000/
- HR 15 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB
- J.H.M. van Erp, ‘Diefstal: een strafrechtelijk of (ook) een privaatrechtelijk begrip?’, WPNR 2000/6405 en J.W. Wagenaar, ‘Artikel 3:86 BW en verduistering’, WPNR 2004/
- Zie Rb Arnhem 27 juni 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AY4918 en Rb Arnhem 4 september 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BF
- Zie o.m. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/436; GS Vermogensrecht (Chorus), art. 3:86 BW, aant. 10.2.4; Goederenrecht (Snijders), 2017/
- Zie ook R.A. González Nicolás, ‘Verduistering en diefstal in het kader van art. 3:86 lid 3 BW’, WPNR 2018/7177, en J.E. Fesevur, Goederenrechtelijke colleges
(2005), p. 154. Rb ’s-Hertogenbosch 24 september 1998, ECLI:NL:RBSHE:1998:AD2941, NJ 1999/39; Hof ’s-Hertogenbosch 28 oktober 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AN9548; Rb Rotterdam 20 augustus 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BE9341 en Rb Haarlem 4 oktober 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY2126.