← Nederland

ECLI:NL:PHR:2019:262

17/04122 mr. G.R.B. van Peursem 15 februari 2019 Conclusie in de zaak van: HP Inc. , (hierna: HP ), eiseres tot cassatie in het principale cassatieberoep, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, adv. mr. A.M. van Aerde, tegen Digital Revolution B.V. , (hierna: DG of Digital Revolution ), verweerster in cassatie in het principale cassatieberoep, eiseres tot cassatie in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep, adv. mr. H.J.W. Alt. Deze octrooizaak gaat over inktcartridges voor printers en ziet op een computergerelateerde uitvinding (computer implemented invention). Het door HP ingeroepen Europees octrooi EP 617 claimt een chip van een verwisselbare inktcartridge die op een bepaalde ook geclaimde werkwijze (fout)informatie kan uitwisselen met de printer. Zo kan de printer bepalen of de op de cartridge opgeslagen informatie wel klopt. Met de geclaimde uitvinding wordt bewerkstelligd dat een oude foutdetectiecode niet wordt overgeschreven voordat een nieuwe foutdetectiecode is opgeslagen. Het schrijven van informatie naar de geheugenchip van de cartridge (zoals over het inktniveau) is gevoelig voor verwijdering van de cartridge uit de printer (net zoals het onverhoeds verwijderen van een USB-stick problemen kan geven) of een stroomstoring bijvoorbeeld. De means-plus-function hoofdconclusie 1 is te situeren op het terrein gegevensverwerking/computerprogramma’s en betreft een geheugeneenheid op een cartridge die door de printer verstuurde gegevens kan ontvangen en opslaan en zo is ingericht dat er sprake is van een opslagdeel en twee validatievelden. Het opslagdeel bevat statische informatie (bijv. het typenummer) en dynamische informatie (bijv. de resterende hoeveelheid inkt). De validatievelden zijn geconfigureerd om foutdetectiecodes, die gerelateerd kunnen worden aan gegevens die in het opslagdeel zitten, op te slaan om te bepalen of die gegevens geldig zijn. Een volgens conclusie 1 geconfigureerde geheugeneenheid kan de werkwijze van conclusie 7 toepassen, die als volgt verloopt. Voorafgaand aan een (eerste) gegevensoverdracht wordt in het ene (eerste) validatieveld vanuit de printer een foutdetectiecode opgenomen die ziet op gegevens die op dat moment in het opslagdeel van de geheugeneenheid staan. In het andere (tweede) validatieveld wordt een foutdetectiecode opgenomen die ziet op gegevens die in het opslagdeel zullen worden opgeslagen na de (eerste) gegevensoverdracht. Voorafgaand aan een volgende gegevensoverdracht wordt in het eerste validatieveld dan weer een nieuwe foutdetectiecode opgeslagen die ziet op de nieuwe gegevens die in het opslagdeel zullen staan na de volgende gegevensoverdracht, terwijl in het tweede validatieveld gegevens staan die op dat moment, na de eerste gegevensoverdracht, in het opslagdeel staan. De twee validatievelden worden zo om beurten beschreven met de meest recent gegenereerde foutcode (vgl. rov. 4.1-4.2 bestreden arrest, vp. vt. 1). Steeds wordt zo eerst de foutdetectiecode verstuurd en pas daarna de bijbehorende gegevens die met de foutdetectiecode kunnen worden gecontroleerd. Hierdoor blijft validatie van de voorafgaande gegevensoverdracht mogelijk en wordt de cartridge bij een verstoring van de gegevensoverdracht (zoals bij voortijdige verwisseling of een stroomstoring) niet onbruikbaar. HP stelt dat DR door cartridges van haar eigen huismerk te verkopen die aan alle kenmerken van het octrooi voldoen (indirect) inbreuk maakt op het octrooi. In reactie hierop heeft DR de nietigheid van het octrooi ingeroepen. Het hof oordeelt in de kern dat conclusie 1 wordt geanticipeerd door een ouder octrooi van HP , Paulsen genoemd, en dat de hulpverzoeken om die conclusie te redden niet kunnen baten, maar dat werkwijzeconclusie 7 wel geldig is. Tegen hoofdzakelijk deze oordelen richten zich het principale en voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel, waarbij het incidentele cassatiemiddel een exorbitante hoeveelheid klachten opwerpt (ik telde (alleen) in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep 95 klachten, zij het niet allemaal uitgewerkt en met herhaling van zetten). In cassatie gaat het in de kern vooral om de geldigheid van conclusies 1 en 7. Op hoofdlijnen wordt in beide middelen aan de orde gesteld de nieuwheid van conclusie 1 en de beoordeling van de drie hulpverzoeken om die conclusie overeind te houden en of die hulpverzoeken aan art. 84 EOV getoetst kunnen worden, de geldigheid van conclusie 7 en bij de indirecte inbreukvraag op conclusie 7 of sprake is van impliciete licentieverlening en hoe ver de uitzonderingen van art. 52 lid 2 EOV reiken, alsmede de geldigheidsbeoordeling van afhankelijke conclusies. Volgens mij is hooguit grond voor cassatie op één, mogelijk twee betrekkelijk ondergeschikte punten. 1. Feiten en procesverloop 1.1 HP is een wereldwijd opererend IT-bedrijf dat hardware, software en IT-services levert aan consumenten, het bedrijfsleven en de overheid. De rechtsvoorgangster van HP is Hewlett-Packard Development Corporation (HPDC). 1.2 HP roept in deze procedure Europees octrooi EP 2 170 617 B9 (hierna: EP 617 of het octrooi) in tegen Digital Revolution . EP 617 is getiteld ‘non-volatile memory data integrity validation’ en is op 8 februari 2012 voor – onder meer – Nederland verleend aan HPDC op grond van de internationale aanvrage PCT/US20008/0708890, die aanspraak maakt op prioriteit van de Amerikaanse aanvrage US 881543 van 27 juli 2007. Op 5 november 2014 is het octrooi op naam gesteld van HP . 1.3 Na een centrale beperkingsprocedure als bedoeld in artikel 105a e.v. van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (EOV) is (het Nederlandse deel van) het octrooi vrijwillig beperkt. De limiteringsbeslissing is op 21 januari 2015 gepubliceerd. De laatste aanpassing van het octrooischrift, de B9-versie, dateert van 5 augustus 2015. Het hof zal van die tekst uitgaan. De (authentieke) Engelse tekst van de beperkte conclusies van het octrooi luidt als volgt: 1. A replaceable printing component

(14)for use in a printing system
(10)including print mechanism configured to receive the replaceable printing component
(14), the replaceable printing component
(14)comprising: an electrical storage device
(38)responsive to printing system control signals for selectively storing information received from the print mechanism, the electrical storage device
(38)including: a storage portion containing data associated with the replaceable printing component
(14); and first and second validation fields configured to store error detection codes relatable to the data contained in the storage portion to determine whether the data is valid; wherein the electrical storage device
(38)is configured, prior to a first transfer of data from the print mechanism to the storage portion, to receive and store in one of the first and second validation fields an error detection code related to the data currently contained in the storage portion, and the electrical storage device
(38)is configured to receive and store in the other of the first and second validation fields an error detection code related to the data that will be contained in the storage portion after the first data transfer; wherein prior to a subsequent transfer of data from the print mechanism to the storage portion, the electrical storage device
(38)is configured to receive and store, in the one of the first and second validation fields not containing data related to the data contained in the storage portion immediately prior to the subsequent transfer of data, an error detection code related to the data that will be contained in the storage portion after the subsequent transfer. 2. The replaceable printing component
(14)of claim 1, wherein the electrical storage device
(38)is configured to receive and store in one of the first and second validation fields parity data computed from the data currently contained in the storage portion, and the electrical storage device
(38)is configured to receive and store, in the one of the first and second validation fields not containing the parity data computed from the data currently contained in the storage portion, parity data computed from the data that will be contained in the storage portion after the first transfer. 3. The replaceable printing component
(14)of claim 1, wherein the electrical storage device
(38)is configured to receive and store in one of the first and second validation fields a cyclic redundancy check computed from the data currently contained in the storage portion, and the electrical storage device
(38)is configured to receive and store, in the one of the first and second validation fields not containing the cyclic redundancy check computed from the data currently contained in the storage portion, a cyclic redundancy check computed from the data that will be contained in the storage portion after the first transfer. 4. The replaceable printing component
(14)of claim 1, wherein the electrical storage device
(38)is configured to receive and store in one of the first and second validation fields a hash sum computed from the data currently contained in the storage portion, and the electrical storage device
(38)is configured to receive and store, in the one of the first and second validation fields not containing the hash sum computed from the data currently contained in the storage portion, a hash sum computed from the data that will be contained in the storage portion after the first transfer. 5. The replaceable printing component
(14)of claim 1 wherein the storage portion comprises a plurality of parameter fields associated with the replaceable printing component
(14), and each parameter field of the plurality of parameter fields comprises a plurality of parameter values, the plurality of parameter fields sized in the storage portion in blocks of the parameter values having a preselected size to ensure that each parameter field of the plurality of parameter fields is transferred between the printing system and the storage portion in a single block of parameter values of the blocks of the parameter values. 6. The replaceable printing component
(14)of claim 1 wherein the printing system is an inkjet printing system, the print mechanism is an ink-jet printer, and the replaceable printing component
(14)further includes a replaceable ink container containing a quantity of ink, the replaceable ink container providing ink to the print mechanism. 7. A method for transferring data between a printer and a replaceable printing component
(14), the method comprising: providing a replaceable printing component
(14)having an electrical storage device
(38)associated therewith, the electrical storage device
(38)configured for receiving a first block of data transferred from the printer, the electrical storage device
(38)having a storage portion containing data related to the replaceable printing component
(14)and two validation fields configured to store error detection codes relatable to the data contained in the storage portion, one validation field containing a first error detection code relatable to the data contained in the storage portion; computing a second error detection code relatable to data that will be stored in the storage portion after transfer of the first block of data to the electrical storage device
(38); storing the second error detection code in the one of the two validation fields not containing the first error detection code; transferring the first block of data from the printer to the electrical storage device
(38); computing a third error detection code relatable to data that will be stored in the storage portion after transfer of a second block of data from the printer to the electrical storage device
(38); storing the third error detection code in the one of the two validation fields not containing the second error detection code; and transferring the second block of data from the printer to the electrical storage device
(38). 8. The method for transferring data of claim 7 wherein upon failure of the step of transferring the first block of data from the printer to the electrical storage device
(38), the method for transferring data includes: relating the error detection code stored in each validation field to the data contained in the storage portion; rejecting the replaceable printing component
(14)when no validation field contains an error detection code relatable to the data contained in the storage portion; and accepting the replaceable printing component
(14)when at least one validation field contains an error detection code relatable to the data contained in the storage portion. 9. The method for transferring data of claim 7, wherein the first error detection code is first parity data computed from the data contained in the storage portion, and the step of computing the second error detection code comprises computing second parity data from the data that will be contained in the storage portion after transfer of the first block of data to the electrical storage device
(38), and the step of storing the second error detection code comprises storing the second parity data in the one of the two validation fields not containing the first parity data. 10. The method for transferring data of claim 7, wherein the first error detection code is a first cyclic redundancy check computed from the data contained in the storage portion, and the step of computing the second error detection code comprises computing a second cyclic redundancy check computed from the data that will be contained in the storage portion after transfer of the first block of data to the electrical storage device
(38), and the step of storing the second error detection code comprises storing the second cyclic redundancy check in the one of the two validation fields not containing the first cyclic redundancy check. 11. The method for transferring data of claim 7, wherein the first error detection code is a first hash sum computed from the data contained in the storage portion using a predetermined hash function, and the step of computing the second error detection code comprises using the hash function to compute a second hash sum of the data that will be contained in the storage portion after transfer of the first block of data to the electrical storage device
(38), and the step of storing the second error detection code comprises storing the second hash sum in the one of the two validation fields not containing the first hash sum. 12. The method of claim 7, further comprising verifying integrity of the data in the storage portion including matching the data in the storage portion against the error detection codes in the first and second validation fields and rejecting the replaceable printing component
(14)if the data in the storage portion is not matched against one of the error detection codes. 13. A printing system
(10)for selectively depositing visible material on print media, the printing system
(10)comprising: a print mechanism configured to receive a replaceable printing component
(14), the print mechanism including a control portion for transferring data between the print mechanism and the replaceable printing component
(14); and a replaceable printing component
(14)as claimed in any of claims 1 to
  1. The printing system
(10)of claim 13, wherein the printing system
(10)is arranged to verify integrity of the data in the storage portion by matching the data in the storage portion against the error detection codes in the first and second validation fields and rejecting the replaceable printing component
(14)the data in the storage portion is not matched against one of the error detection codes. 1.4 De – onbestreden – Nederlandse vertaling van de conclusies van het aldus beperkte octrooi luidt als volgt: 1. Verwisselbare afdrukcomponent
(14)voor gebruik in een afdruksysteem
(10)dat een afdrukmechanisme omvat dat geconfigureerd is om de verwisselbare afdrukcomponent
(14)te ontvangen, waarbij de verwisselbare afdrukcomponent
(14)het volgende omvat: een elektronische opslaginrichting
(38)die reageert op controle signalen van het afdruksysteem om selectief informatie op te slaan die van het afdrukmechanisme ontvangen is, waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)het volgende omvat: een opslagdeel dat gegevens bevat die de verwisselbare afdrukcomponent
(14)betreffen; en eerste en tweede validatievelden die geconfigureerd zijn om foutdetectiecodes, die gerelateerd kunnen worden aan de gegevens die in het opslagdeel zitting, op te slaan en te bepalen of de gegevens geldig zijn; waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is, voorafgaande aan een eerste overdracht van gegevens vanuit het afdrukmechanisme naar het opslagdeel, om in een van de eerste en tweede validatievelden een foutdetectiecode die gerelateerd is aan de gegevens die op dat moment bevat zijn in het opslagdeel, te ontvangen en op te slaan, en waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in het andere van de eerste en tweede validatievelden een foutdetectiecode die gerelateerd is aan de gegevens die in het opslagdeel bevat zullen zijn na de eerste gegevensoverdracht, te ontvangen en op te slaan, waarbij voorafgaande aan een volgende overdracht van gegevens uit het afdrukmechanisme naar het opslagdeel de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in het ene van de eerste en tweede validatievelden die geen gegevens bevat die gerelateerd zijn aan de gegevens die in het opslagdeel bevat zijn, onmiddellijk voorafgaande aan de volgende overdracht van gegevens, een foutdetectiecode, die gerelateerd is aan de gegevens die bevat zullen zijn in het opslagdeel na de volgende overdracht, te ontvangen en op te slaan. 2. Verwisselbare afdrukcomponent
(14)volgens conclusie 1, waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in een van de eerste en tweede validatievelden pariteitgegevens die berekend zijn uit de gegevens die op dat moment in het opslagdeel bevat zijn, te ontvangen en op te slaan, en waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in het ene van de eerste en tweede validatievelden die geen pariteitgegevens bevat die uit de gegevens die op dat moment in het opslagdeel bevat zijn berekend zijn, pariteitgegevens die berekend zijn uit de gegevens die in het opslagdeel na de eerste overdracht bevat zullen zijn, te ontvangen en op te slaan. 3. Verwisselbare afdrukcomponent
(14)volgens conclusie 1, waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in een van de eerste en tweede validatievelden een cyclische redundantiecontrole die uit de gegevens die op dat moment in het opslagdeel bevat zijn berekend is, te ontvangen en op te slaan en waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in het ene van de eerste en tweede validatievelden die geen cyclische redundantiecontrole die uit de gegevens die op dat moment in het opslagdeel bevat zijn berekend is, een cyclische redundantiecontrole die berekend is uit de gegevens die in het opslagdeel na de eerste overdracht bevat zullen zijn, te ontvangen en op te slaan. 4. Verwisselbare afdrukcomponent
(14)volgens conclusie 1, waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in een van de eerste en tweede validatievelden een hashsom die uit de gegevens die op dat moment in het opslagdeel bevat zijn berekend is, te ontvangen en op te slaan, en waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is om in het ene van de eerste en tweede validatievelden die geen hashsom die uit de gegevens die op dat moment in het opslagdeel bevat zijn berekend is, een hashsom die berekend is uit de gegevens die in het opslagdeel na de eerste overdracht bevat zullen zijn, te ontvangen en op te slaan. 5. Verwisselbare afdrukcomponent
(14)volgens conclusie 1, waarbij het opslagdeel een veelheid van parametervelden omvat die de verwisselbare afdrukcomponent
(14)betreffen, en elk parameterveld van de veelheid van parametervelden een veelheid van parameterwaarden omvat, waarbij de veelheid van parametervelden in het opslagdeel in blokken van de parameterwaarden gedimensioneerd zijn met een vooraf gekozen grootte om er zeker van te zijn dat elk parameterveld van de veelheid van parametervelden tussen het afdruksysteem en het opslagdeel in een enkel blok van parameterwaarden van de blokken van de parameterwaarden overgebracht wordt. 6. Verwisselbare afdrukcomponent
(14)volgens conclusie 1, waarbij het afdruksysteem een inkt-jet-afdruksysteem is, het afdrukmechanisme een inkt-jet-printer is, en de verwisselbare afdrukcomponent
(14)verder een verwisselbare inktpatroon omvat, die een hoeveelheid inkt bevat en waarbij de verwisselbare inktpatroon inkt aan het afdrukmechanisme afgeeft. 7. Werkwijze voor overbrengen van gegevens tussen een printer en een verwisselbare afdrukcomponent
(14), waarbij de werkwijze het volgende omvat: het beschikbaarstellen van een verwisselbare afdrukcomponent
(14)met een daarbij behorende elektronische opslaginrichting
(38), waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)geconfigureerd is voor het ontvangen van een eerste blok met gegevens die door de printer worden overgebracht, waarbij de elektronische opslaginrichting
(38)een opslagdeel heeft, dat gegevens bevat die de verwisselbare afdrukcomponent
(14)betreffen, en twee validatievelden heeft, die geconfigureerd zijn voor het opslaan van foutdetectiecodes die de gegevens betreffen die in het opslagdeel zitten, waarbij een validatieveld een eerste foutdetectiecode bevat die de gegevens betreffen die in het opslagdeel zitten; het berekenen van een tweede foutdetectiecode die gegevens betreffen die in het opslagdeel opgeslagen zullen worden na overdracht van het eerste blok met gegevens naar de elektronische opslaginrichting
(38); het opslaan van de tweede foutdetectiecode in het ene van de twee validatievelden die niet de eerste foutdetectiecode bevat; het overbrengen van het eerste blok met gegevens van de printer naar de elektronische opslaginrichting
(38); het berekenen van een derde foutdetectiecode die gegevens betreffen die in het opslagdeel opgeslagen zullen worden na overdracht van een tweede blok met gegevens van de printer naar de elektronische opslaginrichting
(38); de opslag van de derde foutdetectiecode in het ene van de twee validatievelden die niet de tweede foutdetectiecode bevat; en het overbrengen van het tweede blok met gegevens van de printer naar de elektronische opslaginrichting. 8. Werkwijze voor de overdracht van gegevens volgens conclusie 7, waarbij bij het optreden van een fout tijdens de stap van de overdracht van het eerste blok met gegevens van de printer naar de elektronische opslaginrichting
(38), de werkwijze voor de overdracht van gegevens het volgende omvat: het relateren van de in elk validatieveld opgeslagen foutdetectiecode aan de gegevens die in het opslagdeel zitten; het verwerpen van de verwisselbare afdrukcomponent
(14)wanneer geen validatieveld een foutdetectiecode bevat die de gegevens betreft die in het opslagdeel zitten; en het accepteren van de verwisselbare afdrukcomponent
(14)wanneer ten minste een validatieveld een foutdetectiecode bevat die de gegevens betreft die in het opslagdeel zitten. 9. Werkwijze voor de overdracht van gegevens volgens conclusie 7, waarbij de eerste foutdetectiecode eerste pariteitgegevens voorstelt die berekend worden uit de gegevens die het opslagdeel zitten en waarbij de stap voor het berekenen van de tweede foutdetectiecode het berekenen van tweede pariteitgegevens omvat uit de gegevens die in het opslagdeel zullen worden opgeslagen na overdracht van het eerste blok met gegevens naar de elektronische opslaginrichting
(38), en waarbij de stap van het opslaan van de tweede foutdetectiecode het opslaan omvat van de tweede pariteitgegevens in het ene van de twee validatievelden die niet de eerste pariteitgegevens bevat. 10. Werkwijze voor de overdracht van gegevens volgens conclusie 7, waarbij de eerste foutdetectiecode een eerste cyclische redundantiecontrole is die berekend wordt uit de gegevens die in het opslagdeel zitten en waarbij de stap van het berekenen van de tweede foutdetectiecode het berekenen van een tweede cyclische redundantiecontrole omvat die berekend wordt uit de gegevens die in het opslagdeel zullen worden opgeslagen na overdracht van het eerste blok met gegevens naar de elektronische opslaginrichting
(38), en waarbij de stap van het opslaan van de tweede foutdetectiecode het opslaan omvat van de tweede cyclische redundantiecontrole in het ene van de twee validatievelden die niet de eerste cyclisch redundantiecontrole bevat. 11. Werkwijze voor de overdracht van gegevens volgens conclusie 7, waarbij de eerste foutdetectiecode een eerste hashsom is die berekend wordt uit de gegevens die in het opslagdeel zitten met gebruik van een vooraf bepaalde hashfunctie, en waarbij de stap van het berekenen van de tweede foutdetectiecode het gebruik van de hashfunctie omvat om een tweede hashsom van de gegevens die in het opslagdeel zullen worden opgeslagen na overdracht van het eerste blok van gegevens naar de elektronische opslaginrichting
(38)te berekenen, en waarbij de stap van het opslaan van de tweede foutdetectiecode het opslaan omvat van de tweede hashsom in het ene van de twee validatievelden die niet de eerste hashsom bevat. 12. Werkwijze volgens conclusie 7, die verder het verifiëren van de integriteit van de gegevens in het opslagdeel omvat, wat het vergelijken van de gegevens in het opslagdeel met de foutdetectiecodes in de eerste en tweede validatievelden omvat en het verwerpen van de verwisselbare afdrukcomponent
(14)omvat indien de gegevens in het opslagdeel niet passen bij een van de foutdetectiecodes. 13. Afdruksysteem
(10)voor het selectief opbrengen van zichtbaar materiaal op afdrukmedia, waarbij het afdruksysteem
(10)het volgende omvat: een afdrukmechanisme dat geconfigureerd is om een verwisselbare afdrukcomponent
(14)op te nemen, waarbij het afdrukmechanisme een stuurdeel voor het overbrengen van gegevens tussen het afdrukmechanisme en de verwisselbare afdrukcomponent
(14)omvat; en een verwisselbare afdrukcomponent
(14)volgens een der conclusies 1 tot 6. 14. Afdruksysteem
(10)volgens conclusie 13, waarbij het afdruksysteem
(10)ingericht is om de integriteit van de gegevens in het opslagdeel te verifiëren door het vergelijken van de gegevens in het opslagdeel met de foutdetectiecodes in de eerste en tweede validatievelden en door het verwerpen van de verwisselbare afdrukcomponent
(14)indien de gegevens in het opslagdeel niet passen bij een van de foutdetectiecodes. 1.5 De beschrijving van EP 617 omvat onder meer de volgende passages en illustraties (de illustraties zijn voor het leesgemak bij de desbetreffende tekst gevoegd): [0001] The present disclosure relates to printing systems that make use of a replaceable printing component. More particularly, the present disclosure relates to replaceable printing components that include an electrical storage device for providing information to a print mechanism in the printing system. [0021] Fig. 3 represents a block diagram of an example printing system 10 shown connected to an information source or host computer
  1. Host 48 is shown connected to a display device
  2. The host can be any of a variety of information sources (such as a personal computer, work station, or server, to name a few) that provides image information to controller 26 by way of a data link
  3. Data link 52 may be any of a variety of conventional data links (such as an electrical link, infrared link, a wide-area or local-area network link, or any other well-known data link) for transferring information between host 48 and printing system
  4. (...) [0023] Host 48 may provide image description information or image data to printing system 10 for forming images on print media. In addition, host 48 may provide various parameters for controlling operation of the printing system, typically through printer control software referred to as a "print driver". In order to ensure that the printing system provides the highest quality images, controller 26 may compensate for the particular replaceable printer component 14 installed within the printing system. Electric storage device 38 may provide parameters particular to the associated replaceable printer component 14 to controller 26, allowing the controller to utilize these parameters to ensure the reliable operation of the printing system and ensure high quality print images. [0024] Parameters that may be associated with a replaceable printing component 14 and stored in electrical storage device 38 may include the following: amount of ink shipped in an ink container; remaining ink in an ink container; actual count of ink drops emitted from the printhead; a date code associated with the ink container; date code of initial insertion of the ink container; system coefficients; ink type/color: ink container size; age of the ink; printer model number or identification number; cartridge usage information; just to name a few. In printing systems including other types of print mechanisms, such as laser printing systems, these parameters may be associated with other types of replaceable printing components. Accordingly, in such systems, the parameters may include information related to toner cartridges or other appropriate replaceable printing components. [0025] Fig. 4 is a representation of an electrical storage device 38 that may be used in conjunction with controller-26 of printing system 10 for ensuring data integrity for data transfers to the electrical storage device
  5. The electrical storage device 38 may be organized as an Mbit by N memory where M represents the number of bits and N represents the size of the memory device. In some systems, electrical storage device 38 may be an 8-bit (or 1-byte) device. [0026] Each individually addressable M-bit memory location is represented an address value ranging from 0 to N-l. Although Fig. 4 is used to illustrate some of the information that may be stored in electrical storage device 38, it will be understood that electrical storage device 38 may contain additional information not discussed. In addition, the location of the information in electrical storage device 38 may be different from those locations shown in Fig.
  6. Controller 26 in printing system 10 may be required to know where at least some of the information is stored. [0027] Memory address values 0 through N-3 define storage portion
  7. This portion of memory may contain data that includes various parameters relating to the replaceable printing component 14, such as the example parameters described above. [0028] These parameters may be organized within storage portion 60 as a plurality of parameter fields 64 associated with the corresponding replaceable printing component
  8. Each parameter field 64 may contain a plurality of parameter values 66 (e.g., ink color, pages printed, or any of the other example value previously mentioned). The parameter fields 64 may be organized within storage portion 60 in blocks of parameter values
  9. The blocks of parameter values 66 forming the parameter fields 64 may be configured to have a preselected size. The preselected size of these blocks may be selected to ensure that a transfer of a parameter field 64 between a print mechanism 12 and an electrical storage device 38 occurs in a single block of parameter values
  10. The printing system 10 may be configured to ensure that a transfer of a single block of parameter values 66 from a print mechanism 12 to an electrical storage device 38 occurs atomically, in a single operation requiring only one write. While parameter values 66 only have been shown in the first memory address 0, it should be understood that each parameter field 64 from 0 to N-3 may be similarly organized. [0029] Data corruption may occur when a transfer of data to storage portion 60 is interrupted. For instance, in cases where the replaceable printing component is ink container 18, it may be possible to remove the ink container while controller 26 is transferring data to electronic storage device
  11. Interrupting this data transfer may compromise the integrity of the data. In such cases the replaceable printing component may need to be examined to determine whether storage portion 60 contains valid data. [0030] To address such issues, memory address values N-2 through N-l may be validation fields
  12. The fields are used to store error detection codes which may be used to detect data corruption. These error detection codes may be any string of computer-readable characters (e.g., digits, letters, symbols) relatable to data in storage portion
  13. Electrical storage device 38 and/or controller 26 may be configured to store in validation fields 62, error detection codes which are mathematically related to the data in storage portion
  14. For example, an error detection code stored in a validation field 62 may be the result of a predetermined hash function performed on the data contained in storage portion
  15. Another type of error detection code that may be used is a variation of parity data. Specifically, parity data mathematically related to the data in storage portion 60 may be computed and stored in validation fields
  16. Other examples of suitable error detection codes include but are not limited to cyclic redundancy checks, checksums (e.g., MD5), or any other string of computer-readable characters relatable to the data in storage portion
  17. [0031] The electrical storage device 38 and/or controller 26 may be configured to store error detection codes in the validation fields 62 in a "ping-pong" (or circular in embodiments having more than two validation fields) fashion. In other words, electrical storage device 38 and/or controller 26 alternates between the validation fields 62 when storing error detection codes. (...) [0035] While the field which is updated at this point is referred to as the second validation field, one skilled in the art will understand that this is an arbitrary classification. Any validation field may be updated with an error detection code at any time, so long as the validation field to be updated does not contain an error detection code relatable to the data currently stored in storage portion
  18. An exception to this rule occurs in cases where more than one validation field 62 contains an error detection code relatable to the data currently in storage portion
  19. In such instances, the first error detection code may be written to any validation field
  20. [0038] In Fig. 6, which depicts the states of a storage portion 60 and two validation fields 62 during two example updates, time passes towards the right, as indicated by arrow T. The storage portion starts out containing OLD DATA, and validation field 2 contains an error detection code relatable to the OLD DATA. The contents of field 1 at this point are not relevant. However, before storage portion 60 is updated so that it contains DATA 1, validation field 1 is updated so that it contains an error detection code relatable to DATA
  21. Thus, for the time period denoted by XI, validation field 1 contains an error detection code relatable to data that will be stored in storage portion 60 in the future, and validation field 2 contains an error detection code relatable to data currently contained in storage portion
  22. [0039] Once validation field 1 is updated, storage portion 60 may be updated to contain DATA
  23. Thus, for the time period marked by Y1 validation field 1 contains an error detection code relatable to the data currently stored in storage portion 60, and validation field 2 contains an error detection code relatable to the data stored in the storage portion 60 immediately prior. [0040] Continuing with Fig. 6, before storing DATA 2 in storage portion 60, validation field 2 may be updated to contain an error detection code relatable to DATA
  24. Once validation field 2 is updated, storage portion 60 may be updated to contain DATA
  25. [0041] As seen in Fig. 6 and from the previous discussion, immediately prior to transferring data to the storage portion 60, at points in time marked XI and X2, one validation field 62 may contain an error detection code relatable to the data currently in storage portion
  26. Another validation field 62 may contain an error detection code relatable to the data that will be stored in storage portion 60 after the transfer. [0042] At other points in time, marked as Y1 and Y2 in Fig. 6 one validation field may contain an error detection code relatable to the data currently in storage portion 60, and the other validation field may contain an error detection code relatable to the data that was stored in storage portion 60 immediately prior to the current data. [0043] Another aspect of the present disclosure involves error detection. As seen in Fig. 7, the integrity of the data may be verified by relating the contents of the validation fields 62 one-at-a-time to the data in the storage portion
  27. If the error detection code contained in any validation field 62 matches the data in the storage portion 60, the data is valid and the replaceable printing component is not rejected. If no validation field 62 contains an error detection code matching the data, however, the data in the storage portion 60 is corrupt and the replaceable printing component may be rejected. 1.6 Het octrooi heeft onder meer betrekking op een cartridge voor een printer, waarbij de cartridge is voorzien van een geheugeneenheid (ook wel aangeduid als geheugenelement). De printer stuurt gegevens die betrekking hebben op de cartridge naar de geheugeneenheid, zoals bijvoorbeeld de hoeveelheid inkt die op enig moment nog in de cartridge zit (zie de beschrijving, par. [0024]). Deze gegevens worden daar opgeslagen en kunnen later weer door de printer worden opgevraagd. De uitvinding volgens het octrooi heeft betrekking op het valideren van de juistheid van de in het geheugen van de cartridge opgeslagen gegevens. 1.7 Er bestaan verschillende methoden om te bepalen of de opgeslagen gegevens correct zijn, zoals het toepassen van een foutdetectiecode. Een foutdetectiecode heeft een bepaalde relatie tot de gegevens zodat kan worden geverifieerd of de verstuurde gegevens correct zijn ontvangen. Als bijvoorbeeld aan de reeks bits 0 0 1 een “1” als pariteitsbit wordt toegevoegd bij de verzending van deze reeks en aan de reeks 1 1 0 een “0” als pariteitsbit, en de relatie is dat de som van de bits even moet zijn, dan zal een enkele foute bit in een ontvangen reeks gedetecteerd kunnen worden. Op vergelijkbare wijze kan een printer [bedoeld zal zijn: cartridge] in beginsel ook controleren of de van de printer ontvangen gegevens correct zijn. 1.8 Er kunnen verschillende oorzaken zijn die de integriteit van de gegevens op de geheugeneenheid aantasten. Omdat de cartridge een verwijderbare component is, kan de cartridge door een gebruiker worden verwijderd tijdens de overdracht van de gegevens, waardoor de gegevens niet correct kunnen worden opgeslagen. Ook door andere oorzaken kan de overdracht van gegevens worden verstoord, zoals door een stroomstoring. 1.9 Het geheugen van de cartridge volgens de uitvinding kan op bepaalde aangewezen delen bepaalde informatie ontvangen en opslaan waarbij de printer de locatie (het adres) van deze gegevens in het geheugen kent. Een deel van het geheugen volgens de uitvinding betreft een opslagdeel (‘storage portion’) dat gegevens van de cartridge bevat, welk deel door de printer kan worden uitgelezen ten behoeve van het printproces. Daarnaast kent het geheugen van de cartridge twee validatievelden die foutdetectiecodes kunnen bevatten die gerelateerd zijn aan de gegevens in het opslagdeel. 1.10 Volgens de uitvinding hebben beide validatievelden betrekking op hetzelfde opslagdeel, zodat te allen tijde de foutdetectiecode in een validatieveld betrekking kan hebben op de huidige gegevens in het opslagdeel terwijl het andere validatieveld beschikbaar is voor het schrijven van een nieuwe foutdetectiecode die betrekking heeft op toekomstige (nieuwe) gegevens in datzelfde opslagdeel. Daardoor kan worden bepaald of de gegevens correct zijn, ofwel aan de hand van de foutdetectiecode in het ene validatieveld ofwel aan de hand van de foutdetectiecode in het andere validatieveld (behoudens in die gevallen waarin er meerdere fouten zijn die gezamenlijk ertoe leiden dat de fout niet herkend wordt). Deze werkwijze is hieronder schematisch weergegeven. 1.11 De uitgangssituatie in bovenstaande figuur is een geheugeneenheid van een cartridge die gegevens in een opslagdeel 0 bevat, en gegevens in een eerste validatieveld V1 en een tweede validatieveld V
  28. De kleur blauw geeft aan dat de validatievelden V1 en V2 beide een foutdetectiecode bevatten die gerelateerd is aan de gegevens in het opslagdeel
  29. 1.12 Wanneer op enig moment nieuwe gegevens (groen) moeten worden opgeslagen op de geheugeneenheid, wordt eerst in stap S1 een foutdetectiecode (berekend door de printer) opgeslagen in V1 en vervolgens in stap S2 de gegevens zelf. De groene kleur geeft aan dat de foutdetectiecode in V1 gerelateerd is aan de gegevens in het opslagveld. Tot op het moment dat de groene gegevens worden opgeslagen kan de foutdetectiecode in veld V2 gebruikt worden voor het detecteren van een fout in de (blauwe) gegevens in het opslagdeel
  30. Zodra de nieuwe (groene) gegevens zijn opgeslagen, kan de reeds opgeslagen (groene) foutdetectiecode in het eerste validatieveld V1 worden gebruikt. 1.13 Bij een volgende gegevensoverdracht berekent de printer eerst een (rode) foutdetectiecode die in stap S3 wordt opgeslagen in het validatieveld V
  31. Pas daarna worden in stap S4 de (rode) gegevens zelf opgeslagen. De rode kleur geeft aan dat de foutdetectiecode in V2 gerelateerd is aan de gegevens in het opslagveld. Tot op het moment dat de ‘rode’ gegevens worden opgeslagen kan de foutdetectiecode in veld V1 worden gebruikt voor het detecteren van een fout in de ‘groene’ gegevens in opslagdeel
  32. Zodra de nieuwe (rode) gegevens zijn opgeslagen, kan de reeds opgeslagen (rode) foutdetectiecode in het tweede validatieveld V2 worden gebruikt. 1.14 Een printer is (in de regel) zo geprogrammeerd dat deze de cartridge weigert (waarmee de cartridge dus onbruikbaar wordt) zodra een foutdetectie optreedt. Naar HP heeft aangevoerd en zoals ook vermeld in de beschrijving van het octrooi (kolom 1, r. 44-49) gebeurt dat ter voorkoming van schade aan de printer, bijvoorbeeld doordat de printkop oververhit raakt indien een printopdracht wordt uitgevoerd terwijl de inkt op is. 1.15 Een elektronisch geheugen bestaat uit transistoren die al dan niet een lading vasthouden. Een transistor is te beschouwen als een fysieke schakelaar met twee standen. Als de transistor de lading vasthoudt staat de schakelaar op ‘0’, als de transistor geen lading vasthoudt staat de schakelaar op ‘1’. Elke transistor staat voor een bit. In een ‘byte’ gaan 8 bits. Een veld is een logische eenheid van een aantal transistoren, die samen een bepaalde vorm van informatie (bijvoorbeeld een foutdetectiecode) vormen. 1.16 Hoe de geheugeneenheid van een cartridge wordt (of is) ingericht – welke informatie op welke velden wordt opgeslagen (dus de functie van het veld), waar in het geheugen die velden zich bevinden (dus ook de volgorde ervan) en hoe groot de velden zijn (dus uit hoeveel transistoren ze bestaan) – wordt een protocol (ook wel: template) genoemd. De printer kan aan de hand van dat protocol het geheugen uitlezen, dus betekenis geven aan de ‘0’-en en ‘1’-en in een bepaald veld. Een validatieveld is een veld dat in het protocol is aangewezen om foutdetectiecodes in op te slaan. 1.17 Het Europees octrooi EP 0 956 963 (hierna: Paulsen) is aan HP verleend en gepubliceerd op 11 augustus 2004 en behoort tot de stand van de techniek voor EP 617 . Paulsen openbaart onder meer een printercartridge voorzien van een geheugeneenheid die als volgt is geconfigureerd: 1.18 De indeling en functie van deze geheugeneenheid wordt – voor zover van belang – als volgt toegelicht in Paulsen: [0025] Among the parameters, for example which can be stored in electrical storage device 38 associated with the replaceable printing component 14 are the following: actual count of ink drops emitted from the printhead 16; a date code associated with the ink container 18; date code of initial insertion of the ink container 18; system coefficients; ink type/color: ink container size; age of the ink; printer model number or identification number; cartridge usage information; just to name a few. [0026] Fig. 4 is a representation of the memory device 38 that is used in conjunction with the controller 26 of the printing system 10 for ensuring data integrity for data transfers between the memory device 38 and the controller
  33. The memory device 38 is organized as an 8 bit by N memory where N represents the size of the memory device. Each individually addressable 8 bit memory location is represented by a range of address values from 0 to N-l. Although Fig. 4 is used to illustrate some of the information stored in the memory device 38, the memory device 38 may contain additional information not discussed. In addition, the location of the information in the memory device 38 may be different from those locations .shown in Fig.
  34. It is important that the controller 26 in the printing system 10 know where at least some of the particular information is stored. [0027] The memory device 38 includes a portion for storing data and a portion for storing a transaction record. The data portion contains various data that is related to the replaceable printing component
  35. The transaction record maintains a record of each transaction between the memory device 38 and the controller
  36. In the event that a transaction is interrupted before completion the transaction record can be used to restore the data lost in the interrupted transaction. Because the transaction record is retained in the replaceable printing component 14 then the data lost in the last transaction can be restored even if the replaceable printing component 14 is inserted into a different printing system. In the event the transaction is interrupted by a loss of power, once the power is restored the last transaction can be restored. In this manner, data integrity for the replaceable printing component 14 is maintained. [0028] Memory address values 0 through N-7 contains data that includes various parameters relating to the replaceable printing component 14 and tag information. The tag information is used for identifying these various parameters and will be discussed with respect to Fig.
  37. [0029] Memory address values N-4 through N-l contain transaction record information. It is the use of the transaction technique of the present invention that ensures data transactions between the controller 26 and the memory 38 if corrupted can be corrected to insure the integrity of data transfer between the printer 10 and the replaceable printing component
  38. Because, data transfers between the controller 26 and the memory device 38 may be interrupted; it is critical that some technique be used to insure data integrity. For example, in the case where the replaceable printing component 14 is the ink container 18, it is possible to remove the ink container 18 while the controller 26 is transferring data to the memory
  39. If this data transfer is interrupted and data is lost then the integrity of the data is compromised. It is therefore important that there be some way of identifying when a data transaction between the controller 18 and the printing system 10 and the replaceable printing component 14 is not properly accomplished. If a transaction is not properly accomplished the transaction record provides a mechanism to recover this data that was lost in the interrupted transaction to preserve data integrity within the printing system
  40. (...) [0031] It is the parity information, the flag information, and the transaction record, which are used together to preserve the integrity of data transfers between the controller 26 and the memory
  41. The transaction record portion includes an address byte, a new parity byte, two bytes of data designated data byte 1 and data byte
  42. The transaction record portion stores data that is subsequently written by the printing system 10 to the data portion. If the subsequent write to the data portion is interrupted, the transaction record is used to restore the contents of this interrupted data write. It will be helpful to first discuss the transaction record portion in more detail before explaining the technique of the present invention for preserving data integrity. (...) [0033] The new parity value within the transaction record portion represents a parity value to replace the parity byte in address N - 6 after data byte 1 and data byte 2 are used to replace data in the data portion. The new parity value is determined by performing a parity function over the entire data area, and the contents of the transaction record portion so that after data in the data portion is replaced within data byte 1 and data byte 2 the parity is correct. Therefore, in the event of data loss during a transaction the data and parity is restored placing the memory in the same condition it would be in if the transaction was not interrupted. 1.19 Conclusies 1 en 12 van Paulsen luiden als volgt:
  43. A replaceable printing component
(14)for an ink-jet printing system
(10), the replaceable printing component
(14)including an electrical storage
(38)responsive to printing system control signals for transferring information between the printing component
(14)and the ink-jet printing system
(10), the electrical storage device
(38)comprising: a data storage potion containing a plurality of parameter fields associated with the replaceable printing component; and a plurality parameter values stored in each the plurality of parameter fields; the replaceable printing component
(14)characterized in that: the electrical storage device
(38)is responsive to control signals for selectively transferring a block of parameter values having a preselected size between the ink-jet printer
(12)and the data storage portion; the plurality of parameter fields being sized and arranged in the electrical storage device
(38)to ensure each of the plurality of parameter fields is transferred in a single block of parameter values transferred between the ink-jet printer
(12)and the electrical storage device
(38). 12. A method for transferring data between an ink-jet printer
(12)and a replaceable consumable
(14), the method comprising: providing a replaceable consumable
(14)having an electrical storage device
(38)associated therewith, the electrical storage device
(38)configured for transferring a block of data of a selected size to the ink-jet printer
(12), the electrical storage device
(38)having a plurality of parameter values logically mapped on the electrical storage device, the plurality of parameter values sized and arranged to ensure no parameter value is transferred in more than one block of data; and transferring a block data between the electrical storage device
(38)and the ink-jet printer
(12). 1.20 Digital Revolution exploiteert onder de naam “123inkt” een webwinkel waar zij inktcartridges aanbiedt in verschillende Europese landen, waaronder Nederland. Digital Revolution verkoopt inktcartridges van diverse bekende merken, waaronder cartridges van HP . Daarnaast verkoopt Digital Revolution onder haar huismerk “123INKT” inkjet cartridges die als alternatief voor de bekende merkcartridges kunnen worden gebruikt voor toepassing in verschillende typen printers, waaronder HP printers. Deze cartridges (hierna ook: 123-cartrdiges ) worden aangeboden onder vermelding van het typenummer van de vergelijkbare HP cartridges. 1.21 HP heeft op 3 maart 2014 via de website 123inkt.nl huismerkcartridges van de typen HP 920XL, HP 364XL en HP 940XL met verschillende kleuren inkt doen bestellen en zij heeft die cartridges geanalyseerd. 1.22 In eerste aanleg heeft HP in conventie onder meer een inbreukverbod gevorderd en in reconventie heeft DR onder meer gevorderd vernietiging van (het Nederlandse deel van) EP 617 . 1.23 De rechtbank heeft bij vonnis van 25 november 2015 de door HP eerst later in de procedure aangevoerde verdere grondslag voor haar vorderingen, te weten indirecte inbreuk op conclusie 7, buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde (rov. 4.11-4.16). Vervolgens heeft de rechtbank in conventie alle vorderingen afgewezen, omdat zij in reconventie tot het oordeel kwam dat conclusie 1 nietig is wegens gebrek aan nieuwheid over Paulsen en omdat inbreuk op conclusie 2 niet kon wroden vastgesteld. De in reconventie gevorderde nietigheid van conclusie 7 is op grond van strijd met de goede procesorde afgewezen, nu dit pas bij pleidooi werd aangevoerd. Nietigheid van de volgconclusies is door de rechtbank afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Daartoe overwoog de rechtbank voor zover met name in cassatie nog van belang, samengevat weergegeven, het volgende. Bij de toetsing van functionele kenmerken in een productconclusie gaat het om de vraag of deze kenmerken een structureel verschil impliceren met producten uit de stand van de techniek, en, in het verlengde daarvan, of enig voortbrengsel uit de stand van de techniek geschikt is voor het bereiken van dezelfde effecten als het geclaimde voortbrengsel wanneer dat voortbrengsel uit de stand van de techniek volgens de leer van het octrooi wordt gebruikt (rov. 4.26). Niet in geschil is dat de cartridge volgens Paulsen een printcartridge is met een geheugeneenheid die informatie kan opslaan die van de printer afkomstig is (rov. 4.27). Het gereserveerd, aangewezen of bestemd zijn van een of meer geheugenadressen voor bepaalde (typen) gegevens (om foutdetectiecodes te ontvangen en op te slaan) impliceert geen fysiek/structureel onderscheid ten opzichte van de Paulsen-cartridge. Het octrooi openbaart niet dat de validatievelden structureel anders zijn dan de overige geheugenplaatsen (rov. 4.31). Afgaand op de bewoording van conclusie 1 vereist die conclusie niet dat de foutdetectiecodes al in de geheugeneenheid zijn geladen, maar slechts dat het geheugen is geconfigureerd voor het ontvangen en opslaan van die codes (rov. 4.34). De Paulsen-cartridge is geschikt voor het bereiken van dezelfde effecten als het geoctrooieerde voortbrengsel wanneer de Paulsen-cartridge volgens de leer van het octrooi wordt gebruikt (rov. 4.35). 1.24 HP heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en vernietiging gevorderd van het bestreden vonnis. In hoger beroep heeft HP , naast directe inbreuk op conclusie 1, ook (opnieuw) indirecte inbreuk op conclusie 7 aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. DR heeft in het incidenteel appel gevorderd dat alle conclusies van EP 617 worden vernietigd, waarbij zij de nietigheid van conclusies 2 tot en met 14 verder heeft onderbouwd. 1.25 Het hof oordeelt dat de conclusies 1, 2 en 5 niet nieuw zijn (de hulpverzoeken voor conclusie 1 sneuvelen ook) en de conclusies 3, 4, 5 en 6 niet inventief. De van de ongeldig geachte conclusies 1 tot en met 6 afhankelijke conclusie 13 is evenmin geldig. Werkwijze conclusie 7 blijft overeind (nieuw en inventief) en de daarvan afhankelijke conclusies 8 tot en met 12 eveneens. Ook conclusie 14 is volgens het hof geldig. 1.26 De kern van het nietigheidsoordeel over hoofdconclusie 1 staat in rov. 4.6-4.7 (met een nadere uitwerking in 4.8-4.15) waaraan vooraf gaat in rov. 4.3-4.5 de uitleg van het “geconfigureerd” zijn van de chip in relatie tot de eerste en tweede validatievelden: een uit de stand van de techniek bekende gegevensdrager is pas nieuwheidsschadelijk als deze is “aangepast” (adapted for), niet alleen “geschikt voor” (suitable for) de uitoefening van de in de conclusie genoemde functies. HP ’s positie dat alleen van het laatste, maar niet van het eerste sprake is bij Paulsen wordt verworpen. In de uitleg van het functionele kenmerk “geconfigureerd” is volgens het hof alleen vereist dàt er twee geheugenlocaties zijn voor opslag van foutcodes (validatievelden genoemd) en dàt er een geheugenlocatie is voor opslag van informatie over de cartridge (opslagveld). Het is volgens het hof niet zo, zoals HP bepleit, dat de indeling van het geheugen vooraf is bepaald en in het geheugen is vastgelegd, dus opslagdeel, eerste en tweede validatieveld, waarbij elk deel een eigen functie heeft en ook alleen die functie kan hebben. Het hof leidt dat af uit nrs. 25 en 26 van de beschrijving van het octrooi en meent dat HP de geclaimde inrichting van het geheugen ten onrechte beperkt wil zien tot de in figuur 4 van het octrooi getoonde indeling, met validatievelden op de laatste twee posities van het geheugen. Vereist is volgens het hof alleen dat de controller van de printer weet volgens welk protocol de chip van de cartridge is ingedeeld, maar de precieze indeling van de chip maakt geen onderdeel uit van conclusie 1 volgens het hof, dat de precieze locatie of volgorde van die velden ook niet als impliciet kenmerk van de chip volgens conclusie 1 ziet. Daarom mag de test of Paulsen nieuwheidsschadelijk is volgens het hof ook niet zijn of een cartridge met een Paulsen-chip “zou werken” in een willekeurige ( HP -)printer “volgens het octrooi”, zoals HP in de ogen van het hof ten onrechte meent. De juiste test is volgens het hof (rov. 4.9): openbaart de chip bekend uit Paulsen alle door de functionele kenmerken geïmpliceerde structurele kenmerken die – wanneer gebruikt volgens de leer van conclusie 1 – nodig zijn om de daarin beschreven werkwijze voor validatie van gegevens uit te voeren – er daarbij van uitgaand dat de printer met software werkt, althans een template heeft, die communicatie tussen printer en cartridge-geheugen mogelijk maakt. Die test maakt volgens het hof dat alle door HP genoemde redenen waarom de Paulsen geheugenkaart niet zou werken in een printer volgens het octrooi veroorzaakt door gebrek aan compatibiliteit met de software/template van de printer, buiten beschouwing moeten blijven. Toepassing van die test door het hof in rov. 4.11 merkt dan velden 0 - N-7 ‘Data’ uit fig. 4 van Paulsen aan als opslagdeel, N-6 ‘Parity’ als eerste validatieveld en N-3 ‘New Parity’ als tweede validatieveld voor het alternerend opslaan van foutdetectiecodes volgens conclusie 1 van EP 617 . Dat Paulsen een andere werkwijze openbaart, sluit volgens het hof niet uit dat de in Paulsen geopenbaarde chip zonder aanpassing ook geschikt is voor het in EP 617 bedoelde gebruik, zodat aan ‘adapted for’ is voldaan (rov. 4.12). 1.27 Onbetwist is dat de werkwijze uit conclusie 7 nieuw is (rov. 4.24). Uitgaande van Paulsen als onbetwist meest nabije stand van de techniek komt het hof met de problem-solution-approach tot het oordeel dat sprake is van inventiviteit (rov. 4.26-4.29). De “ping-pong”-werkwijze uit EP 617 door het alternerend opslaan van een nieuwe foutdetectiecode op twee validatievelden en behoud van de oude code voor als de gegevensoverdracht wordt verstoord) bereikt hetzelfde doel als Paulsen (daar door het maken van een back-up), maar op minder omslachtige wijze (minder stappen, sneller en dus minder foutgevoelig). 1.28 Ik geef de hiervoor geparafraseerde oordelen van het hof uit het arrest van 23 mei 2017 hier integraal weer: “Conclusie 1 4.1 Conclusie 1 heeft betrekking op een elektronische opslaginrichting (geheugeneenheid) van een afdrukcomponent (verwisselbare cartridge) die bestemd is om te worden gebruikt in een afdruksysteem (printer). Deze geheugeneenheid kan gegevens die door de printer worden verstuurd ontvangen en opslaan en is zo ingericht dat deze een opslagdeel en eerste en tweede validatievelden omvat. Het opslagdeel bevat statische informatie (bijvoorbeeld het typenummer) en dynamische informatie (het aantal gemaakte afdrukken, de resterende hoeveelheid inkt, etc.) betreffende de cartridge. De validatievelden zijn geconfigureerd om foutdetectiecodes, die gerelateerd kunnen worden aan gegevens die in het opslagdeel zitten, op te slaan om te bepalen of die gegevens geldig zijn. 4.2 De geheugeneenheid volgens conclusie 1 is geconfigureerd om de in conclusie 7 onder bescherming gestelde werkwijze toe te passen. Die werkwijze houdt - kort gezegd - in dat in het ene (eerste) validatieveld, voorafgaand aan een (eerste) gegevensoverdracht vanuit de printer, een foutdetectiecode wordt opgenomen die ziet op gegevens die op dat moment in het opslagdeel van de geheugeneenheid staan. In het andere (tweede) validatieveld wordt een foutdetectiecode opgenomen die ziet op de gegevens die in het opslagdeel zullen staan na de (eerste) gegevensoverdracht. Voorafgaand aan een volgende gegevensoverdracht wordt in het eerste validatieveld dan weer een nieuwe foutdetectiecode opgenomen die ziet op de gegevens die in het opslagdeel zullen staan na de volgende gegevensoverdracht, terwijl het tweede validatieveld dan gegevens bevat die op dat moment, na de eerste gegevensoverdracht, in het opslagdeel staan. De twee validatievelden worden zo om beurten beschreven met de meest recent gegenereerde foutdetectiecode, waarbij steeds éérst de foutdetectiecode wordt verstuurd en pas daarna de daarbij behorende gegevens die met de foutdetectiecode kunnen worden gecontroleerd. 4.3 Digital Revolution heeft aangevoerd - en HP heeft bestreden - dat een geheugeneenheid zoals door conclusie 1 van het octrooi onder bescherming gesteld bekend is uit Paulsen, zodat nieuwheid ontbreekt. De discussie spitst zich daarbij toe op de uitleg van ‘geconfigureerd’ uit conclusie 1 in relatie tot de geheugeneenheid en de eerste en tweede validatievelden (conclusie-element f en verder in de onderverdeling volgens r.o. 4.18 van het bestreden vonnis). 4.4 In het bijzonder zijn partijen het niet eens of, en zo ja welke, betekenis toekomt aan de functionele conclusiekenmerken bij de beoordeling van de nieuwheid. Digital Revolution is van oordeel dat deze volledig buiten beschouwing dienen te blijven. Het hof is met HP van oordeel dat functionele kenmerken in een productconclusie moeten worden opgevat als een impliciete definitie van die structurele kenmerken die nodig zijn om een bepaald effect te krijgen indien het product wordt gebruikt volgens de leer van de octrooiconclusie. Een productconclusie met functionele kenmerken moet dus worden uitgelegd als betrekking hebbend op een product dat ‘geschikt’ is om de relevantie functie(
  1. s)te vervullen. Bij de beoordeling van nieuwheid dient de vraag te worden beantwoord of een product uit de stand van de techniek geschikt is om dezelfde effecten te bereiken als het geclaimde product wanneer dat bekende product wordt gebruikt volgens de leer van de uitvinding. Een product uit de stand van de techniek dat zonder aanpassing ‘geschikt’ (suitable for) is om die functie(
  2. s)te vervullen, is nieuwheidsschadelijk zelfs als dat product nog nooit op de geclaimde manier is gebruikt of beschreven. Deze uitgangspunten zijn door de Technische Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau (hierna: TKB) onder meer geformuleerd in de zaak T 0132/02 (IBM, two dimensional management pattern), r.o. 5 en 6: "5. A functional feature in a product claim, however, should be construed as an implicit definition of those structural features which are necessary to achieve a particular effect when the product is used or applied in accordance with the teaching inherent in the claim; the effect to be achieved and the use should be disclosed in the application. The capability of attaining such a particular effect may thus be considered as an implicit feature of the product itself even if the realization of the particular effect requires a particular use or interaction with another product, system or apparatus, provided that such use or interaction are disclosed in the application. 6. It would thus be wrong generally to ignore functional features in product claims (see also decision T1194/97 - Data structure product/PHILIPS, OJ EPO 2000, 525, points 2.2 to 2.5 and 4.2 of the reasons). In the context of novelty the right question to be answered is whether a product in the prior art is suitable to attain the very same effects as the claimed product, when used in accordance with the teaching of the invention." 4.5 In afwijking daarvan geldt voor conclusies van het type ‘means-plus-function’ op het gebied van gegevensverwerking / computerprogramma’s (zoals, naar Digital Revolution ter zitting heeft erkend, hier aan de orde), dat deze zo moeten worden uitgelegd dat de geclaimde gegevensdrager/computer ‘aangepast’ (‘adapted for') moet zijn - en niet alleen ‘geschikt’ - om de relevante stappen / functies uit te voeren. Dit is door de TKB onder meer tot uitdrukking gebracht in de zaak T 0096/12 (Terumo), r.o. 4: "4. Construction of functional features Claims 1 and 3 in particular are mainly drafted in terms of functional features, also called "means plus function". Such features are to be construed in the context of the data-processing/computer program field, as they are employed to define a controller (80 in figure 1) of the claimed blood processing apparatus. (...) In the Board's view, on a proper construction the claimed apparatus should be interpreted as adapted to carry out the specified functions. In the present instance, this implies that the controller of the blood processing apparatus, as programmed, is adapted to do so. An unprogrammed, or differently programmed, controller, as is, would simply be unsuitable for carrying out those functions. Such a construction is in line with the established jurisprudence of the boards of appeal (for example, T 410/96, point 6 of the reasons, and more recently, T 240/11 and T 565/12). The passage in the Guidelines for Examination in the European Patent Office, F, IV- 4.13 is also consistent with this construction. (...)” De consequentie daarvan is dat een uit de stand van de techniek bekende gegevensdrager / computer pas nieuwheidsschadelijk is als deze ‘aangepast’ (‘adapted for’) is volgens de configuratie genoemd in de conclusie - en dus niet alleen ‘geschikt’ - is om de geclaimde stappen / functies uit te voeren. 4.6 Het woord ‘geconfigureerd’ in conclusie 1 betekent dus dat de geheugeneenheid ‘aangepast’ moet zijn voor de uitoefening van de in die conclusie genoemde functies. HP heeft aangevoerd dat de indeling van het geheugen volgens conclusie 1 vooraf is bepaald en in het geheugen [is] vastgelegd, waarbij de geheugeneenheid moet zijn voorzien van een opslagdeel, een eerste validatieveld en een tweede validatieveld, en dat elk deel een eigen functie heeft en louter die functie kan hebben. Het hof is van oordeel dat conclusie 1 slechts de eis stelt dat er twee geheugenlocaties zijn voor de opslag van foutdetectiecodes (aangeduid als validatievelden) en dat er een geheugenlocatie is voor de opslag van informatie betreffende de cartridge (aangeduid als opslagveld), zonder verdere eisen te stellen ten aanzien van de locatie de aanwezigheid van andere velden op de geheugeneenheid (zie ook paragrafen 25 en 26 van de beschrijving). De geclaimde inrichting van het geheugen is, anders dan HP suggereert, dus bijvoorbeeld niet beperkt tot de in figuur 4 van het octrooi getoonde indeling, waarbij de validatievelden zich bevinden op de laatste twee posities van het geheugen. 4.7 Voor wat betreft de communicatie tussen de printer en de geheugeneenheid schrijft conclusie 1 voor dat het cartridgegeheugen reageert op controlesignalen van de printer om selectief informatie op te slaan die van de printer ontvangen is. De gemiddelde vakman zal daaruit begrijpen dat de besturingseenheid (controller) van de printer bekend moet zijn waar ten minste sommige informatie in het geheugen is of moet worden opgeslagen, zoals door HP opgemerkt (en zoals vermeld in par. [0026] van de beschrijving), omdat anders informatie verkeerd wordt geïnterpreteerd of belangrijke informatie [wordt] overschreven, wat tot een falen van het systeem zou leiden. De printer moet met andere woorden weten volgens welk protocol de geheugeneenheid van de cartridge is ingedeeld, waardoor de besturingseenheid weet welke vooraf gedefinieerde velden zijn toegewezen voor de opslag van cartridge-gegevens en welke voor de opslag van validatiecodes, zodat (enkel) deze velden voor dat doel en die functie worden gebruikt. De precieze indeling van de geheugeneenheid maakt zoals hiervoor opgemerkt evenwel geen onderdeel uit van conclusie 1. Aangezien bovendien voor het kunnen uitvoeren van de in conclusie 1 beschreven functies de locatie van de relevante velden op de geheugeneenheid niet van belang is (zolang de printer maar weet waar ze staan), kan de precieze locatie of volgorde van die velden ook niet worden gezien als een (impliciet) kenmerk van de geheugeneenheid volgens conclusie 1 (waar HP kennelijk ten onrechte vanuit gaat in par. 113 pleitnota HP HB). In die zin is de situatie dus anders dan die aan de orde in de QR-code zaak van de TKB (Tl32/12) waarop HP zich heeft beroepen. Daarin werden de specifieke grafische patronen wel door de functionele kenmerken in de conclusie geïmpliceerd. 4.8 De omstandigheid dat het geheugen van een cartridge in de praktijk een EEPROM geheugen met een omvang van 256 bytes (2048 bits) betreft en is uitgerust met een Family ID (om de compatibiliteit met de printer vast te stellen) en een specifieke Template Version (aan de hand waarvan de controller van de printer vast kan stellen hoe het geheugen van de cartridge is ingericht, in het bijzonder welk soort informatie zich in het geheugen bevindt en waar in het geheugen dit is opgeslagen, waarbij ten aanzien van de validatievelden is bepaald dat deze in de laatste twee velden van het geheugen staan) mag derhalve voor de functioneren van het printersysteem in de praktijk van groot belang zijn, maar dient bij de uitleg van conclusie 1 en de beoordeling van de nieuwheid daarvan in het licht van Paulsen buiten beschouwing te blijven. 4.9 De beoordeling of de uit Paulsen bekende geheugeneenheid nieuwheidsschadelijk is, houdt dus ook niet in dat dient te worden beoordeeld of een cartridge die is voorzien van een in Paulsen geopenbaarde geheugeneenheid ‘zou werken’ in een willekeurige ( HP -) printer ‘volgens het octrooi’, waar HP van uit lijkt te gaan (par. 98 pleitnota HP HB). Beoordeeld moet worden of de geheugeneenheid bekend uit Paulsen alle - door de functionele kenmerken geïmpliceerde - structurele kenmerken openbaart die, indien gebruikt volgens de leer van conclusie 1, nodig zijn om de daarin beschreven werkwijze voor de validatie van gegevens uit te voeren, ervan uitgaand dat de printer is voorzien van software, althans een template, die communicatie tussen printer en cartridge-geheugen mogelijk maakt. Het hof merkt daarbij op dat ook HP er vanuit gaat dat de indeling van het cartridgegeheugen leidend is en dat de printer dient te worden voorzien van met de geheugeneenheid compatibele software, althans een passende template (MvG p. 76 en 77 onder L, regel 5 en verder, in het bijzonder: “De geheugens op de cartridges worden in de fabriek volgens een bepaalde template ingedeeld en de controller dient zich aan deze specifieke indeling aan te passen” en par. 59 pleitnota HP HB: “Je cartridge bepaalt zelf hoe zijn gegevens moeten worden uitgelezen en geïnterpreteerd doordat het al volgens een bepaald protocol is ingericht'). Alle door HP genoemde redenen waarom de Paulsen geheugenkaart niet zou werken in een ‘printer volgens het octrooi’ die worden veroorzaakt door gebrek aan compatibiliteit met de software c.q. template van de printer, in het bijzonder omdat die niet bekend is met de specifieke indeling en volgorde van de op de Paulsen geheugeneenheid vastgelegde velden, dienen daarom buiten beschouwing te blijven. Deze kunnen niet verhinderen dat de geheugeneenheid van conclusie 1 wordt geanticipeerd door de in Paulsen geopenbaarde geheugeneenheid. Het standpunt van HP dat de Paulsen geheugeneenheid op een andere manier is gevuld dan geclaimd en daarom wel geschikt maar niet aangepast is om te functioneren volgens conclusie 1 (Par. 55 pleitnota HP HB), wordt om dezelfde reden verworpen: de specifieke volgorde van velden op de geheugeneenheid maakt geen deel uit van conclusie 1. 4.10 Zoals hiervoor reeds overwogen impliceren de in conclusie 1 opgenomen functionele maatregelen (uitsluitend) het structurele kenmerk dat de geheugeneenheid een opslagveld en twee validatievelden ‘omvat’. In zoverre deelt het hof niet het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.32 en 4.33 van het bestreden vonnis dat de functionele kenmerken uit conclusie 1 geen structurele kenmerken impliceren. Het standpunt van Digital Revolution dat HP tegen rechtsoverweging 4.33 niet zou hebben gegriefd wordt verworpen. De MvG in zijn geheel en in samenhang gelezen, mede gelet op de onder P van de MvG genoemde test voor nieuwheid, laat geen andere lezing toe dan dat HP zich met dit oordeel van de rechtbank niet kan verenigen. Overigens heeft Digital Revolution ter zitting ook erkend dat een leeg geheugen niet voldoet aan conclusie 1, omdat het geheugen volgens conclusie 1 zodanig dient te zijn geformatteerd dat er ten minste 3 velden zijn. 4.11 Niet in geschil is dat de uit Paulsen bekende geheugeneenheid een opslagdeel heeft die gegevens betreffende de cartridge kan bevatten, bestaande uit de ‘velden 0 - N-7, Data’ uit figuur 4 van Paulsen. Daarnaast bevat Paulsen een validatieveld voor de opslag van een foutdetectiecode, veld N-6. ‘Parity’ uit die figuur. Verder bevat de geheugeneenheid van Paulsen blijkens die figuur een opslagveld N-3, ‘New Parity’. Dit opslagveld dient blijkens de beschrijving van Paulsen ook voor de opslag van een foutdetectiecode, namelijk de tijdelijke opslag van de foutdetectiecode die nadien in het Parity veld wordt opgeslagen. Gelet op de functie / bestemming van die velden valt niet in te zien waarom deze velden niet de voor de opslag van de foutdetectiecode benodigde grootte zouden hebben, mede gelet op de stelling van HP dat een validatieveld ‘typisch’ een lengte heeft van 8 bits (par. 29 pleitnota HB HP ). Evenmin valt in te zien dat er enige andere aanpassing aan de Paulsen geheugeneenheid nodig zou zijn om die specifieke ‘Parity ’ en ‘New Parity’ velden te gebruiken - met behulp van een op de inrichting van de geheugeneenheid afgestemde controller van de printer - als ‘eerste validatieveld’ respectievelijk ‘tweede validatieveld’ om alternerend foutdetectiecodes in op te slaan die gerelateerd zijn aan gegevens die in het opslagdeel zijn of zullen worden opgeslagen volgens de werkwijze bedoeld in conclusie 1 van het octrooi. Een aanpassing van de inrichting van de geheugeneenheid is daarvoor niet nodig omdat de controller van de printer op basis van de inrichting van de in Paulsen geopenbaarde geheugeneenheid al weet op welke twee locaties in de geheugeneenheid foutdetectiecodes kunnen worden opgeslagen en uitgelezen. 4.12 Niet relevant is dat de in Paulsen beschreven werkwijze - waarin bij een storing bij de opslag van nieuwe gegevens wordt teruggevallen op de in het Transaction Record vooraf opgeslagen back-up - afwijkt van de in het octrooi beschreven werkwijze en dat bij de Paulsen werkwijze een foutdetectiecode eerst in het New Parity veld wordt weggeschreven en dezelfde foutdetectiecode vervolgens in het Parity veld van de daarin geopenbaarde geheugeneenheid. Dat Paulsen een andere werkwijze openbaart, sluit immers niet uit dat de daarin geopenbaarde geheugeneenheid zonder enige aanpassing ook geschikt is voor het in het octrooi bedoelde gebruik en in die zin dus ook voor dat gebruik is ‘aangepast’. Anders dan HP veronderstelt (MvG p. 80, onder Q) kan de omstandigheid dat het New Parity veld bij gebruik volgens de in Paulsen beschreven werkwijze foutdetectiecodes bevat die betrekking hebben op gegevens in zowel het opslagveld als in de back-up velden Data 1 en Data 2, ook niet verhinderen dat de in conclusie 1 onder bescherming gestelde geheugeneenheid wordt geanticipeerd door de geheugeneenheid volgens Paulsen. Voor de beoordeling van de nieuwheid van de in conclusie 1 in ‘means-plus-function’ vorm geclaimde geheugeneenheid is uitsluitend van belang dat de geheugenkaart van Paulsen door de indeling daarvan, met in elk geval het Parity geheugenveld, New Parity geheugenveld en de Data opslagvelden, ‘geschikt’ en ‘aangepast’ is om te worden gebruikt voor de in conclusie 1 van het octrooi beschreven (en in conclusie 7 onder bescherming gestelde) werkwijze, zonder dat daarvoor enige verdere aanpassing van de geheugeneenheid nodig is. Daar komt bij dat Digital Revolution terecht heeft opgemerkt dat conclusie 1 niet uitsluit dat een foutdetectiecode mede betrekking heeft op andere gegevens dan die in het opslagveld worden opgeslagen of dat de foutdetectiecode wordt gebruikt om de gegevens in het opslagveld te valideren in combinatie met die andere gegevens. Vereist is slechts dat de foutdetectiecode gerelateerd kan worden aan de gegevens die in het opslagdeel zitten en kunnen worden gebruikt om te bepalen of die gegevens geldig zijn. Aan die voorwaarde is voldaan. 4.13 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat conclusie 1 niet vereist dat er al foutdetectiecodes op de geheugeneenheid aanwezig zijn bij de eerste ingebruikname ervan. Ook als HP gevolgd zou worden in haar standpunt dat de gemiddelde vakman inleest dat de geheugeneenheid ‘af fabriek’ is voorzien van een foutdetectiecode die betrekking heeft op de gegevens betreffende de cartridge op dat moment - omdat transistoren nu eenmaal altijd op ‘0’ of ‘ 1’ staan en velden dus nooit leeg kunnen zijn - en voor zover dat als een structureel kenmerk te beschouwen zou zijn, dan kan dat HP niet baten, omdat dat dan evenzeer geldt voor de uit Paulsen bekende geheugeneenheid. 4.14 Evenmin is van belang te achten dat de geheugeneenheid volgens Paulsen ook nog andere geheugenvelden omvat, die bij toepassing van de werkwijze volgens het octrooi overbodig zouden zijn, zoals de velden Flag (N-
  3. l)en Data 1 en 2 (N-2 en N-l). Het octrooi stelt immers, zoals hiervoor overwogen, geen eisen of beperkingen ten aanzien van de overige veldindeling of grootte van het geheugen. De aanwezigheid van deze, voor de geclaimde uitvinding overbodige velden verhindert derhalve niet dat de geheugeneenheid van Paulsen zowel wat indeling als functionaliteit van de daarin (minimaal) aanwezige Parity, New Parity en Data velden [betreft], geconfigureerd - in de zin van ‘geschikt’ en ‘aangepast’ - is om zonder structurele aanpassingen samen te werken met de besturingseenheid van de printer en de in conclusie 1 beschreven functie te vervullen. 4.15 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar het oordeel van het hof de in Paulsen geopenbaarde cartridge-geheugeneenheid, indien die wordt gebruikt volgens de leer van conclusie 1, geschikt en aangepast is om hetzelfde effect te bereiken als de in conclusie 1 onder bescherming gestelde cartridge-geheugeneenheid. Conclusie 1 is derhalve nietig wegens gebrek aan nieuwheid. Hulpverzoeken voor conclusie 1 4.16 HP beroept zich in subsidiaire sleutel op drie hulpverzoeken. Het eerste hulpverzoek voegt aan conclusie 1 zoals verleend toe dat ‘af-fabriek’ in de eerste en tweede validatievelden van de geheugeneenheid reeds foutdetectiecodes zijn geladen, die tijdens gebruik van het printsysteem worden gebruikt voor validatie van de gegevens in het opslagdeel. Deze toevoeging kan HP niet baten. De gemiddelde vakman zal begrijpen dat de eerste foutdetectiecode betrekking zal hebben op de gegevens die zich op dat moment in de geheugeneenheid bevinden betreffende de cartridge ‘af-fabriek’. Aangezien er nog geen gebruik van de cartridge heeft plaatsgevonden, kan een zinvolle tweede foutdetectiecode alleen betrekking hebben op diezelfde gegevens en dus de eerste foutdetectiecode dupliceren. Het is voor de in conclusie 1 beschreven werkwijze bovendien helemaal niet relevant of en zo ja welke foutdetectiecode ‘af-fabriek’ in het andere validatieveld is opgeslagen. Het uitlezen van de foutdetectiecode uit dat tweede validatieveld is pas aan de orde voorafgaand aan een eerste gegevensoverdracht, wanneer een op die over te dragen gegevens betrekking hebbende (nieuwe, aan de hand van die over te dragen gegevens gegenereerde) foutdetectiecode in dat validatieveld zal zijn opgeslagen. Derhalve valt niet in te zien welk probleem met de aanwezigheid van deze validatiecodes af-fabriek ten opzichte van de uit Paulsen bekende geheugeneenheid wordt opgelost en welk technisch effect daarmee wordt bereikt. Derhalve kunnen deze maatregelen geen inventiviteit verschaffen ten opzichte van de Paulsen cartridge. 4.17 Het tweede hulpverzoek leidt evenmin tot een geldige conclusie. Dit hulpverzoek bevat de verder beperkende maatregel dat af-fabriek het eerste validatieveld een foutdetectiecode bevat die betrekking heeft op de gegevens die zich op dat moment in de geheugeneenheid bevinden en het tweede validatieveld een foutdetectiecode die betrekking heeft op gegevens die zich na een eerste gegevensoverdracht in het opslagdeel van het geheugen zullen bevinden. Voor zover het al technisch mogelijk zou zijn te voorspellen wat de tweede foutdetectiecode zal zijn - deze wordt immers berekend aan de hand van de gegevens die zullen worden opgeslagen, welke gegevens afhankelijk zullen zijn van de mate en wijze van het eerste gebruik van het printsysteem - dan is in elk geval niet in de oorspronkelijke aanvrage te lezen hoe die van toekomstig gebruik afhankelijke foutdetectiecode dan toch vooraf kan worden berekend, zodat deze reeds af-fabriek op het tweede validatieveld kan zijn opgeslagen. Aldus bevat die maatregel in elk geval toegevoegde materie. De verder toegevoegde maatregel dat het eerste validatieveld een (derde) foutdetectiecode zal bevatten die de eerste vervangt en die is gerelateerd aan de gegevens die zich na een daaropvolgende gegevensoverdracht op de geheugeneenheid zullen bevinden, impliceert nog verder gebruik van het printsysteem en is dus een maatregel die afhankelijk is van een toekomstige gebeurtenis en daarmee niet toelaatbaar wegens strijd met artikel 84 EOV. 4.18 Het derde hulpverzoek heeft (kennelijk) betrekking op een in gebruik zijnde cartridge, aangezien volgens dit hulpverzoek is vereist dat het eerste validatieveld een foutdetectiecode bevat die betrekking heeft op de gegevens die zich op dat moment in de geheugeneenheid bevinden en het tweede validatieveld een tweede foutdetectiecode die betrekking heeft op gegevens die zich in het opslagdeel van het geheugen bevonden direct voorafgaand aan de gegevens die zich thans op het opslagdeel bevinden. Deze laatste maatregel wordt gedefinieerd aan de hand van gegevens die er niet meer zijn en is als zodanig ook niet toelaatbaar wegens strijd met artikel 84 EOV. (…) Conclusie 3/4 4.20 Conclusies 3 en 4 vereisen dat de foutdetectiecode van een bepaald type is, te weten in conclusie 3 een cyclische redundantiecontrole en in conclusie 4 een hashsom. Uit het octrooischrift is niet duidelijk welk additioneel probleem met het gebruik van een bepaald type foutdetectiecode zou worden opgelost. Ook nadat Digital Revolution heeft aangevoerd dat het gebruik van een foutdetectiecode van [een] bepaald – op zichzelf niet inventief – type, geen inventiviteit kan verschaffen, heeft HP daar evenmin duidelijkheid over verschaft. Bij gebreke van enig kenbaar technisch effect moet worden aangenomen dat deze conclusies geen inventieve maatregelen bevatten. (…) Conclusie 7 4.24 Conclusie 7 stelt de hiervoor in 4.1 kort beschreven werkwijze onder bescherming. Onbestreden is dat deze werkwijze niet wordt geopenbaard in Paulsen, noch in enig ander tot de stand van de techniek behorend document, zodat de nieuwheid daarmee vast staat. Digital Revolution heeft aangevoerd dat in de beschrijving van het octrooi geen probleem wordt beschreven dat door de werkwijze van conclusie 7 wordt opgelost, zodat niet kan worden vastgesteld wat het technisch effect is dat met deze werkwijze wordt bereikt en dat daarom inventiviteit ontbreekt. Het hof verwerpt die stelling. Het door een uitvinding opgeloste probleem en het bereikte technisch effect hoeven niet met zoveel woorden in een octrooibeschrijving te zijn vermeld. Voldoende is dat de gemiddelde vakman, gebruik makend van zijn algemene vakkennis, bij lezing daarvan ten tijde van de prioriteitsdatum het objectieve probleem dat door de geclaimde uitvinding wordt opgelost en daarmee het technisch effect dat met de geclaimde maatregelen wordt bereikt, kan vaststellen. 4.25 Naar het oordeel van het hof zou de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum van het octrooi begrijpen dat het doel en technisch effect van de door conclusie 7 onder bescherming gestelde werkwijze is, dat wanneer de overdracht van nieuwe gegevens of een nieuwe foutdetectiecode niet slaagt (bijvoorbeeld doordat de stroom uitvalt of de cartridge wordt verwijderd), de in het opslagdeel opgeslagen ‘oude’ gegevens kunnen worden gevalideerd met de ‘oude’ c.q. vorige foutdetectiecode. Dat wordt bereikt doordat steeds eerst een foutdetectiecode op de geheugeneenheid wordt opgeslagen die ziet op gegevens die door de printer zullen worden verstuurd en in het opslagdeel zullen worden opgeslagen, voordat die gegevensoverdracht en opslag plaatsvindt, terwijl de foutdetectiecode die ziet op de gegevens die al in het opslagdeel staan behouden blijft. Daardoor blijft validatie van de voorgaande gegevensoverdracht mogelijk. Het belang daarvan is dat daarmee wordt voorkomen dat de cartridge bij een verstoring van een gegevensoverdracht onbruik[baar] wordt. 4.26 Niet in geschil is dat Paulsen ook moet worden aangemerkt als meest nabije stand van de techniek ten aanzien van conclusie 7. Het doel van de in Paulsen beschreven werkwijze is hetzelfde, maar dat doel wordt op een andere, veel omslachtiger (meer stappen omvattend en daarmee langzamer en foutgevoeliger) wijze bereikt, namelijk door het maken van een back-up van de overgedragen gegevens. Die werkwijze wijkt wezenlijk af van de ‘ping-pong’ werkwijze (het alternerend opslaan van een nieuwe foutdetectiecode op twee validatievelden en behoud van de oude code voor het geval de gegevensoverdracht wordt verstoord) volgens conclusie 7. 4.27 Het standpunt van Digital Revolution dat de werkwijze volgens conclusie 7 voor de gemiddelde vakman op voor de hand liggende wijze voortvloeit uit Paulsen in combinatie met een ander document uit de stand van de techniek wordt verworpen. Het technisch gebied van de documenten waar Digital Revolution zich op beroept, te weten een muziekcomputersysteem en een telecommunicatiesysteem, is te ver verwijderd van het onderhavige technische gebied. De gemiddelde vakman zou bij zijn zoektocht naar een oplossing voor het probleem waarvoor hij zich gesteld ziet daarom niet op deze documenten stuiten en in elk geval daarvan niet kennis nemen, zoals door HP aangevoerd en door Digital Revolution vervolgens onvoldoende gemotiveerd bestreden. 4.28 Aan de stelling van Digital Revolution , dat de ‘ping-pong’ werkwijze volgens conclusie 7 op de prioriteitsdatum tot de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman (een specialist op het gebied van ICT) behoorde, wordt bij gebreke van enige onderbouwing, ook na gemotiveerde betwisting door HP , voorbij gegaan. Digital Revolution heeft ter zake ook geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat voor nadere bewijslevering geen plaats is. 4.29 Het betoog van Digital Revolution dat de in conclusie 7 geclaimde werkwijze een ‘abstract idee’ is en daarom op grond van artikel 52 lid 2 EOV niet als uitvinding zou worden beschouwd, kan ook niet slagen, alleen al omdat conclusie 7 de ‘ping-pong’ methode niet in abstracto claimt, maar slechts in de vorm van een concrete toepassing daarvan op een geheugeneenheid van een cartridge. De slotsom is dat conclusie 7 geldig is te achten. Conclusies 8 -12 4.30 De conclusies 8 tot en met 12 zijn afhankelijk van conclusie 7 en daarmee evenzeer geldig te achten. Aan het betoog van Digital Revolution dat de conclusies onduidelijke termen bevatten kan voorbij worden gegaan omdat onduidelijkheid in de zin van artikel 84 EOV geen nietigheidsgrond is en zonder onderbouwing niet kan worden aangenomen dat de geclaimde werkwijzen door de gestelde onduidelijkheid niet nawerkbaar zouden zijn in de zin van artikel 83 EOV. (…) Resumerend ten aanzien van de geldigheid 4.33 Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof de conclusies 1 tot en met 6 en 13 nietig verklaard dienen te worden en dat conclusies 7 tot en met 12 en 14 geldig zijn te achten. Inbreuk 4.34 HP stelt zich op het standpunt dat Digital Revolution indirect inbreuk maakt op conclusie 7. Van directe inbreuk op conclusie 7 kan geen sprake zijn, nu de stappen die zien op de berekening van de (tweede en derde) foutdetectiecodes plaats vinden in de printer en niet in de geheugeneenheid van de door Digital Revolution aangeboden cartridges. 4.35 Het antwoord op de vragen of de door Digital Revolution verkochte cartridge een geconfigureerd geheugen in de zin van conclusie 1 (het hof begrijpt: in de zin van conclusie 7) bevat, en of een cartridge een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding is - zoals door HP gesteld, maar door Digital Revolution bestreden - kan in het midden blijven. 4.36 Digital Revolution heeft verder aangevoerd dat zij geen cartridges aanbiedt of levert aan ‘anderen dan hen, die krachtens de artikelen 55 tot en met 60 (dus krachtens licentie) tot toepassing van de geoctrooieerde uitvinding bevoegd zijn’, zoals volgens artikel 73 ROW vereist voor het aannemen van indirecte inbreuk. Zij stelt daartoe dat de aanschaf van een HP printer van een type waarvoor de 123-cartridges geschikt en bestemd zijn, impliceert dat een licentie wordt verkregen om die printer te gebruiken, met inbegrip van de door middel van de software van de controller van de printer daarin geïncorporeerde werkwijze volgens conclusie 7 van het octrooi. Dat verweer slaagt. Vast staat immers dat de printer alleen functioneert met een cartridge die is voorzien van een geheugeneenheid die in staat is met de software van de printer te communiceren zodanig dat de werkwijze van conclusie 7 kan worden toegepast. Miscommunicatie, bijvoorbeeld omdat de geheugeneenheid niet is ingericht voor toepassing van die werkwijze, leidt onherroepelijk tot het weigeren van de cartridge en dus tot disfunctioneren van het printersysteem, zoals HP ook nadrukkelijk heeft gesteld. Aangezien degene die een HP printer aanschaft mag verwachten dat de printer normaal moet kunnen functioneren, moet die toestemming - behoudens bij de aanschaf van de printer overeengekomen beperkende voorwaarden, die niet zijn gesteld of gebleken - geacht worden zich tevens uit te strekken tot het gebruik van voor die printer geschikte cartridges die zelf geen inbreuk maken op enige productconclusie, zoals hiervoor is vastgesteld. 4.37 De slotsom is dat Digital Revolution geen indirecte inbreuk maakt op conclusie 7 van het ingeroepen octrooi. 4.38 Bij deze stand van zaken kan het antwoord op de vraag of de vorderingen zijn ingesteld door of namens de octrooihouder en daarmee of HP wel ontvankelijk is in haar vorderingen, in het midden blijven.” 1.29 HP heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Digital Revolution heeft van antwoord gediend en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. In het incidentele cassatieberoep heeft HP van antwoord gediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarop is gerepliceerd en gedupliceerd. 2Bespreking van het principale cassatiemiddel 2.1 Het principale cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, die ieder uiteenvallen in diverse klachten. Het eerste onderdeel richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel dat conclusie 1 van EP 617 nietig is bij gebrek aan nieuwheid (rov. 4.11-4.12). Het tweede onderdeel bevat diverse klachten over de overwegingen ten aanzien van de drie hulpverzoeken die HP heeft gedaan met betrekking tot conclusie 1 van EP 617 (rov. 4.16-4.18). Het derde onderdeel richt zich tegen het oordeel dat DR geen indirecte inbreuk maakt op conclusie 7 omdat er (impliciet) een licentie is verstrekt aan de afnemers van HP printers (rov. 4.36). Onderdeel 1: nieuwheid means-plus-function-conclusie 1 over Paulsen 2.2 Het eerste onderdeel gaat er – terecht – van uit (vgl. de inleiding tot de klacht onder 1.0.6) dat het hof in rov. 4.4 en 4.5 het juiste juridische kader vooropstelt, onder verwijzing naar deze uitspraken van de technische kamers van beroep van het EOB: T 132/02, T 1194/97, en T 96/12. Dat vat de geldende leer met betrekking tot octrooieerbaarheid van computergerelateerde uitvindingen correct samen. In art. 52 lid 2 onder c EOV 2000 en art. 2 lid 2 sub c ROW 1995 worden computerprogramma’s weliswaar van octrooibescherming uitgesloten, maar in de woorden van Huydecoper c.s.: die “(...) uitzondering heeft nog juist niet het karakter van een dode letter, maar veel scheelt dat niet.” Computerprogramma’s an sich zijn in essentie misschien als wiskundige methoden te beschouwen (eveneens uitgesloten van octrooibescherming, vlg. art. 52 lid 2 onder a EOV 2000, art. 2 lid 2 onder a ROW 1995, waarover nader hierna in 3.80 bij de beoordeling van het incidentele cassatieberoep). De praktijk aanvaardt een vrijwel onbeperkte octrooibescherming van software en dat is zeker het geval bij door computers gedreven industriële toepassingen als in onze zaak; de uitgangspunten zijn door het hof correct verwoord in rov. 4.4-4.5, hiervoor weergegeven in 1.28. Voor de “means-plus-function” voortbrengselconclusie 1 van EP 617 geldt dus dat de functionele kenmerken uit die conclusie moeten worden opgevat als een impliciete definitie van de structurele kenmerken noodzakelijk om een bepaald effect te krijgen wanneer het voortbrengsel wordt gebruikt volgens de leer van het octrooi. Daarbij moet voldaan zijn aan de eisen suitable for en tevens adapted for, wil sprake kunnen zijn van nieuwheidsschadelijkheid van een inrichting bekend uit de stand van de techniek (zoals die uit Paulsen). De klacht uit onderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 4.11-4.12, in het bijzonder het oordeel dat niet relevant zou zijn dat de in Paulsen beschreven werkwijze afwijkt van de in EP 617 beschreven werkwijze. Dat is volgens HP onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof hiermee heeft miskend dat (
  4. i)conclusie 1 van EP 617 een geheugeneenheid claimt die is aangepast (en niet slechts geschikt
  5. is)om de in conclusie 1 beschreven en in conclusie 7 onder bescherming gestelde werkwijze toe te passen en (
  6. ii)de in conclusie 1 beschreven en in conclusie 7 onder bescherming gestelde werkwijze nieuw is (zoals het hof overweegt in rov. 4.24), zodat de geheugeneenheid van conclusie 1 derhalve is aangepast voor toepassing van een werkwijze die niet eerder in de stand van de techniek bekend was: ook niet in Paulsen. Nu Paulsen niet de (immers nieuwe) werkwijze openbaart voor toepassing waarvan de geheugeneenheid volgens conclusie 1 is aangepast, is uitgesloten dat Paulsen nieuwheidschadelijk is voor conclusie 1. 2.3 Ik zie deze klacht (bij oppervlakkige of eerste beschouwing misschien: paradoxaal genoeg) niet opgaan, omdat het hof juist niet heeft miskend dat voor nieuwheidsschadelijkheid van Paulsen voor conclusie 1 van EP 617 moet zijn voldaan aan de eisen van zowel “geschikt voor” als “aangepast voor”. Dat Paulsen een andere werkwijze voor foutbewaking openbaart dan EP 617 , heeft het hof expliciet onder ogen gezien, zo volgt duidelijk uit rov. 4.12. Los van die geopenbaarde werkwijze (die het hof toetst bij de geldigheidsbeoordeling van werkwijzeconclusie 7), beoordeelt het hof (feitelijk) of de geheugenkaart uit Paulsen “zonder enige aanpassing ook geschikt is voor het in het octrooi [sc. EP 617 , A-G] bedoelde gebruik en in die zin dus ook voor dat gebruik is “aangepast.”” Het hof past in rov. 4.12 als het ware een “cleane”, haast mechanische test toe, die volgens mij, gelet op de besproken uitgangspunten, in dit geval juist is: “Voor de beoordeling van de nieuwheid van de in conclusie 1 in ‘means plus function’ vorm geclaimde geheugeneenheid is uitsluitend van belang dat de geheugenkaart van Paulsen door de indeling daarvan, met in elk geval het Parity geheugenveld, New Parity geheugenveld en de Data opslagvelden, ‘geschikt’ en ‘aangepast’ is om te worden gebruikt voor de in conclusie 1 van het octrooi beschreven (en in conclusie 7 onder bescherming gestelde) werkwijze, zonder dat daarvoor enige verdere aanpassing van de geheugeneenheid nodig is (...) Vereist is slechts dat de foutdetectiecode gerelateerd kan worden aan de gegevens die in het opslagdeel zitten en kunnen worden gebruikt om te bepalen of die gegevens geldig zijn. Aan die voorwaarde is voldaan.” De tweedledige test geschikt èn aangepast voor is zodoende toegepast door het hof en de feitelijke toepassing daarvan is volgens mij ook niet onbegrijpelijk in cassatie-technische zin, omdat de gevolgde stappen van het hof goed zijn te volgen: het is een means-plus-function claim in een computergerelateerde uitvinding (dus er moet voldaan zijn aan de eisen (
  7. i)geschikt èn (
  8. ii)aangepast zijn voor (het woord “geconfigureerd” wijst daar
  9. op)de uitoefening van de in conclusie 1 genoemde functies, rov. 4.4-4.5) voor een chip van een inktcartridge voor een printer. De chip kan gegevens die door de printer worden verstuurd ontvangen en opslaan en is zo ingericht dat deze een opslagdeel en een eerste en tweede validatieveld omvat (rov. 4.1). Conclusie 1 stelt daarbij slechts de eis dát er twee geheugenlocaties zijn voor de opslag van foutdetectiecodes en dát er een geheugenlocatie is voor de opslag van informatie betreffende de cartridge, maar bepaalt niets over de locatie daarvan en over de aanwezigheid van andere velden. De geclaimde inrichting van het geheugen is niet beperkt tot de in figuur 4 van het octrooi getoonde indeling (rov. 4.6). De precieze indeling van de geheugeneenheid maakt geen onderdeel uit van conclusie 1. Voor het uitvoeren van de in conclusie 1 beschreven functies is de locatie van de relevante velden op de geheugeneenheid niet van belang. Deze indeling kan ook niet worden gezien als een (impliciet) kenmerk van de geheugeneenheid (rov. 4.7). De specifieke volgorde van de velden maakt verder evenmin deel uit van conclusie 1 (rov. 4.9). De toets is dan of de geheugeneenheid bekend uit Paulsen alle – door de functionele kenmerken geïmpliceerde – structurele kenmerken openbaart die, indien gebruikt volgens de leer van conclusie 1, nodig zijn om de daarin beschreven werkwijze voor de validatie van gegevens uit te voeren, ervan uitgaand dat de printer is voorzien van software, althans een template, die communicatie tussen printer en cartridge-geheugen mogelijk maakt. Buiten beschouwing moeten daarbij volgens het hof blijven alle door HP genoemde redenen waarom de Paulsen geheugenkaart niet zou werken in een “printer volgens het octrooi” die worden veroorzaakt door een gebrek aan compatibiliteit met de software c.q. template van de printer, in het bijzonder omdat die niet bekend is met de specifieke indeling en volgorde van de op de Paulsen geheugeneenheid vastgelegde velden (rov. 4.9). De uit Paulsen bekende geheugeneenheid beschikt over twee validatievelden en een opslagveld (rov. 4.11). Daarbij is (
  10. i)niet relevant dat Paulsen een andere werkwijze openbaart, omdat dat niet uitsluit dat de in Paulsen geopenbaarde geheugeneenheid zonder enige aanpassing ook geschikt is voor het in het octrooi bedoelde gebruik en in die zin dus voor dat gebruik is “aangepast”, is (
  11. ii)uitsluitend van belang dat de geheugenkaart van Paulsen, door de indeling daarvan, geschikt en aangepast is om te worden gebruikt voor de in conclusie 1 beschreven werkwijze, zonder dat daarvoor verdere aanpassing van de geheugeneenheid nodig is en is (iii) slechts vereist dat de foutdetectiecode gerelateerd kan worden aan de gegevens die in het opslagdeel zitten en kunnen worden gebruikt om te bepalen of die gegevens geldig zijn (rov. 4.12). Dat hier sprake zou zijn van onbegrijpelijkheid omdat Paulsen een andere werkwijze openbaart, is zodoende bij nadere, grondige beschouwing, in het spoor van de zo opgebouwde en uitgevoerde “cleane”/zuivere nieuwheidstoets van deze means-plus-function claim volgens mij niet zo. Onderdeel 2: hulpverzoeken conclusie 1 2.4 De klachten uit onderdeel 2 zien op de overwegingen over de drie door HP gedane hulpverzoeken voor conclusie 1. Een hulpverzoek is een herformulering van een octrooiconclusie bedoeld om de octrooihouder een “fall back” positie te geven voor het geval de rechter een nietigheidsverweer honoreert en de conclusie in oorspronkelijke vorm niet in stand kan blijven. 2.5 Onderdeel 2.1 richt motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof over het eerste hulpverzoek in rov. 4.16 (weergegeven in 1.28). Volgens onderdeel 2.1.1 is hier sprake van ontoereikende motivering, omdat het hof primair had moeten beoordelen of conclusie 1 wél nieuw was in de vorm van het eerste hulpverzoek, maar dat heeft het hof niet beoordeeld; met name niet of Paulsen ook een geheugeneenheid openbaart volgens conclusie 1 zoals beperkt volgens het eerste hulpverzoek. Voor zover dat wel is gebeurd in rov. 4.16, is dat niet kenbaar en dus ontoereikend gemotiveerd; rov. 4.16 is beperkt tot een inventiviteitsoordeel. Onderdeel 2.1.2 vervolgt dat als rov. 4.16 zo moet worden begrepen dat in de versie van hulpverzoek 1 wel sprake is van nieuwheid, maar niet van inventiviteit, ook dat niet toereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet conclusie 1 als geheel op inventiviteit heeft beoordeeld, maar alleen of de in het hulpverzoek toegevoegde maatregelen inventiviteit verschaffen ten opzichte van Paulsen. Ook of althans is dit onbegrijpelijk, omdat het hof niet heeft geoordeeld dat conclusie 1 in niet beperkte vorm niet inventief is. Onderdeel 2.1.3 besluit dat voor het geval rov. 4.16 zo moet worden begrepen dat de met hulpverzoek 1 beperkte conclusie 1 als geheel niet inventief is, dat onbegrijpelijk is in het licht van de door het hof niet besproken essentiële stellingen van HP bij cva rec 9.1-9.18, plta EA 121-133, mvg 111-122 en plta HB 104-111. 2.6 Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Nu niet wordt geklaagd over de zelfstandig dragende afwijzingsgrond uit rov. 4.16 dat de toevoeging uit het eerste hulpverzoek HP niet kan baten, omdat de gemiddelde vakman (dus de octrooirechtelijke maatman) “(...) zal begrijpen dat de eerste foutdetectiecode betrekking zal hebben op de gegevens die zich op dat moment in de geheugeneenheid bevinden betreffende de cartridge ‘af-fabriek’. Aangezien er nog geen gebruik van de cartridge heeft plaatsgevonden, kan een zinvolle tweede foutdetectiecode alleen betrekking hebben op diezelfde gegevens en dus de eerste foutdetectiecode dupliceren.” Daarop vervolgt rov. 4.16 met een volgend argument (“bovendien”), waartegen, als ik het goed zie, de klachten van onderdeel 2.1 zijn gericht. Nu de eerste grond niet lijkt te worden aangevallen, bestaat bij de geformuleerde klachten geen belang in cassatie. 2.7 Maar ook als dit niet zo opgevat moet worden, heeft althans te gelden dat het hof hier heel wel een oordeel over nieuwheid van conclusie 1 in de versie van hulpverzoek 1 in het midden kan hebben gelaten en een inventiviteitstoets kan hebben aangelegd. Nieuwheid en inventiviteit zijn cumulatieve geldigheidsvereisten voor een octrooi volgens art. 52 EOV. Dus de klacht uit onderdeel 2.1.1 dat de nieuwheid van conclusie 1 beperkt door hulpverzoek 1 had moeten worden beoordeeld, snijdt op zich al geen hout, nu het hof onmiskenbaar het hulpverzoek op inventiviteit afserveert. 2.8 Mogelijk is overigens ook nog de lezing dat in rov. 4.13 al verkapt het nieuwheidsdoek is gevallen voor hulpverzoek 1, zodat hier alleen een nadere inventiviteitstoets voorligt in rov. 4.16, die dan zo beschouwd ten overvloede is gegeven, zodat ook om die reden de klachten falen. Immers, dat hulpverzoek 1 houdt in dat al “af-fabriek” in de eerste en tweede validatievelden foutdetectiecodes zijn geladen (vgl. ro. 4.16, 2e volzin). Precies over die situatie overweegt het hof eerder in rov. 4.13 (daar nog bezig met de nieuwheidstoets van de B9-versie van conclusie 1, zoals we gezien hebben) dat het kan zijn dat de vakman dat “al geladen zijn af fabriek” inleest, maar dat dat geen nieuwheid brengt ten opzichte van Paulsen: “Ook als HP gevolgd zou worden in haar standpunt dat de gemiddelde vakman inleest dat de geheugeneenheid ‘af fabriek’ is voorzien van een foutdetectiecode die betrekking heeft op de gegevens betreffende de cartridge op dat moment (…) en voor zover dat als een structureel kenmerk te beschouwen zou zijn” dan helpt dat HP niet om nieuwheid aan te nemen “(…) omdat dat dan evenzeer geldt voor de uit Paulsen bekende geheugeneenheid.” Dus als je dat moet inlezen bij EP 617 , moet je dat ook bij Paulsen doen en ook dan is geen sprake van nieuwheid. Een oordeel in gelijke zin gaf de rechtbank hierover in rov. 4.34. Zo bezien is er dan wel sprake van een – toegegeven: enigszins (maar voor de goede verstaander kenbaar) verkapt – nieuwheidsoordeel van hulpverzoek 1 over Paulsen (vgl. in deze zin s.t. DR 4.2.2 en 4.2.5) en ook dan lopen de klachten van dit onderdeel hierop stuk. 2.9 Indien deze nieuwheidstoets over hulpverzoek 1 zo is uitgevoerd als aangegeven in 2.8, dan draagt dat - niet in cassatie bestreden - oordeel zelfstandig en bestaat geen belang bij de klachten uit onderdeel 2.1.2 en 2.1.3. 2.10 Maar ook anders beschouwd kan onderdeel 2.1.2 niet slagen, omdat de eerste klacht feitelijke grondslag mist. Er is sprake van een verkapt non-nieuwheidsoordeel of nieuwheid is in het midden gelaten, maar in rov. 4.16 valt niet (ook niet impliciet) te lezen dat sprake is van nieuwheid van hulpverzoek 1, maar dat inventiviteit ontbreekt, zoals de klacht veronderstelt. De op die onjuiste veronderstelling voortbouwende klacht dat ten onrechte niet zou zijn onderzocht of de volgens hulpverzoek 1 beperkte conclusie als geheel inventief is, behoeft dan geen behandeling. Dat het hof niet heeft beoordeeld of conclusie 1 in de B9-versie niet-inventief is, zoals onderdeel 2.1.2 in fine aandraagt, is niet relevant, omdat voor die versie al was geoordeeld dat nieuwheid ontbreekt over Paulsen, zodat op grond van niet-nieuwheid al sprake is van ongeldigheid. 2.11 Op dit een en/of ander ketsen volgens mij alle klachten van subonderdeel 2.1.2 af. 2.12 HP ontbeert ten slotte belang bij onderdeel 2.1.3 over inventiviteit, als moet worden aangenomen dat een verkapt non-nieuwheidsoordeel voorligt over hulpverzoek 1 (zoals hiervoor in 2.8 aangegeven). 2.13 Het onderdeel ontbeert overigens feitelijke grondslag, omdat de veronderstelling waar de klacht van uitgaat, zich niet voordoet. Bovendien zien de in het onderdeel genoemde vindplaatsen op de vermeende inventiviteit van conclusie 1 in de B9-versie en niet van conclusie 1 volgens hulpverzoek 1, zodat ook daarom de klacht niet opgaat. 2.14 Onderdeel 2.2 richt zich tegen het oordeel over het tweede hulpverzoek, dat iets gecompliceerder is. Conclusie 1 met beperking volgens het tweede hulpverzoek (hierna gecursiveerd / doorgehaald weergegeven) luidt zo (prod. 26 mvg): “1. A replaceable printing component
(14)for use in a printing system
(10)including print mechanism configured to receive the replaceable printing component
(14), the replaceable printing component
(14)comprising: an electrical storage device
(38)responsive to printing system control signals for selectively storing information received from the print mechanism, the electrical storage device
(38)including: a storage portion containing data associated with the replaceable printing component
(14); and first and second validation fields configured to store error detection codes relatable to the data contained in the storage portion to determine whether the data is valid, wherein:  the first validation field contains a first error detection code related to the data contained in the storage portion;  the second validation field contains a second error detection code related to data that will be contained in the storage portion after a first transfer of data from the print mechanism to the storage portion, and  the first validation field will contain a third error detection code replacing the first error detection code, wherein the third error detection code is related to data that will be contained in the storage portion after a subsequent transfer of data from the print mechanism to the storage portion, and; wherein the electrical storage device
(38)is configured, prior to the a first transfer of data from the print mechanism to the storage portion, to receive and store in one of the first and second validation fields the first an error detection code related to the data currently contained in the storage portion, and the electrical storage device
(38)is configured to receive and store in the other of the first and second validation fields an the second error detection code related to the data that will be contained in the storage portion after the first data transfer; wherein prior to the a subsequent transfer of data from the print mechanism to the storage portion, the electrical storage device
(38)is configured to receive and store, in the one of the first and second validation fields not containing the second error detection code data related to the data contained in the storage portion immediately prior to the subsequent transfer of data, an the third error detection code related to the data that will be contained in the storage portion after the subsequent transfer.” 2.15 Onderdelen 2.2.1 – 2.2.3 richten klachten tegen de afwijzing van hulpverzoek twee in rov. 4.17 op grond van toegevoegde materie (“added matter”), nu die aanpassing volgens het hof niet steunt op de beschrijving, zodat dat in strijd komt met art. 84 EOV. 2.16 Onderdeel 2.2.1 klaagt over de passage in rov. 4.17 dat conclusie 1 volgens het tweede hulpverzoek zou claimen dat af-fabriek in de twee validatievelden twee foutdetectiecodes zijn geladen. Dat is volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat dit niet volgt uit de redactie van conclusie 1 zoals die wordt beperkt door het tweede hulpverzoek. Onder verwijzing naar mvg 144-154 en met name 150 ziet conclusie 1 volgens het tweede (en derde) hulpverzoek op een in gebruik zijnde cartridge, die voor het eerst wordt gebruikt. De tweede foutdetectiecode in het tweede validatieveld volgens conclusie-element f2 wordt dan ook niet af-fabriek berekend, maar direct voorafgaand aan de eerste gegevensoverdracht. Deze tweede foutdetectiecode heeft betrekking op gegevens die zich na de eerste gegevensoverdracht in het opslagdeel zullen bevinden, zo luidt de klacht. 2.17 Ik zie dat niet opgaan. Conclusie 1 volgens het tweede hulpverzoek claimt dat de elektronische opslaginrichting geconfigureerd is om in het tweede validatieveld een tweede foutdetectiecode te ontvangen en op te slaan die is gerelateerd aan gegevens die zullen worden opgeslagen in het opslagdeel na een eerste overdracht van gegevens vanuit het afdrukmechanisme. Conclusie 1 versie tweede hulpverzoek claimt ten aanzien van het eerste validatieveld dat de elektronische opslaginrichting geconfigureerd is om in dit veld voorafgaande aan de eerste overdracht van gegevens vanuit het afdrukmechanisme naar het opslagdeel een eerste foutdetectiecode te ontvangen en op te slaan die gerelateerd is aan de gegevens die op dat moment in het opslagdeel zitten. Dit lijkt er op te wijzen dat conclusie 1 volgens het tweede hulpverzoek niet vereist dat het tweede validatieveld af-fabriek een foutdetectiecode bevat. Twijfel hierover ontstaat evenwel doordat conclusie 1 volgens het tweede hulpverzoek ook claimt dat zowel het eerste als het tweede validatieveld een foutdetectiecode bevat (de aangepaste conclusie spreekt van “contains”, terwijl ten aanzien van de derde foutdetectiecode wordt gesproken over “will contain”), hetgeen de suggestie kan wekken dat de beide validatievelden al af-fabriek een foutdetectiecode dienen te bevatten (vgl. s.t. DR 5.2.2). 2.18 Eenzelfde ambiguïteit bevat de MvG. Zo is in mvg 150 enerzijds de stelling ingenomen dat de conclusie vereist dat in het tweede validatieveld een tweede foutdetectiecode is geladen, maar anderzijds dat hieraan wordt voldaan doordat het tweede validatieveld (“de andere Parity Bite”) tijdens het printproces voorafgaand aan de eerste gegevensoverdracht wordt geactualiseerd. Daarnaast is in mvg 144 door HP gesteld dat het tweede hulpverzoek, net zoals het eerste hulpverzoek, vereist dat in de eerste en tweede validatievelden reeds een foutdetectiecode is geladen, met dien verstande dat het eerste validatieveld een foutdetectiecode bevat die betrekking heeft op de gegevens die zich op dat moment in de geheugeneenheid bevinden en het tweede validatieveld een foutdetectiecode die betrekking heeft op gegevens die zich daarná in het opslagdeel van het geheugen zullen bevinden. 2.19 Dat het hof op basis van deze door HP gecreëerde onduidelijkheden conclusie 1 tweede hulpverzoek zo leest dat vereist is dat af-fabriek het tweede validatieveld een foutdetectiecode bevat die betrekking heeft op gegevens die zich na een eerste gegevensoverdracht in het opslagdeel van het geheugen zullen bevinden, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat deze ingewikkelde materie ook anders uitgelegd kan worden moge zo zijn, maar dat wordt door de door HP zelf geschapen en aan haar toe te rekenen onduidelijkheid veroorzaakt en doet op zichzelf aan de begrijpelijkheid in cassatie-technisch opzicht van het aangevochten oordeel van het hof niet af. De klacht faalt. 2.20 Onderdeel 2.2.2 klaagt over de passage uit rov. 4.17 dat de maatregel dat het eerste validatieveld een foutdetectiecode bevat die betrekking heeft op de gegevens die zich op dat moment in de geheugeneenheid bevinden en het tweede validatieveld een foutdetectiecode die betrekking heeft op gegevens die zich na een eerste gegevensoverdracht in het opslagdeel van het geheugen zullen bevinden, toegevoegde materie betreft. Dat is onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd volgens de klacht. Van toegevoegde materie is immers sprake indien het onderwerp van het octrooi niet wordt gedekt door de inhoud van de ingediende aanvrage (art. 75 lid 1 sub c ROW 1995). Is dit niet miskend, dan is het oordeel onvoldoende begrijpelijk, omdat het onderwerp van de bij het tweede hulpverzoek voorgestelde maatregelen volgens HP gedekt wordt door conclusies 8 en 9 van de oorspronkelijke aanvrage (onder verwijzing naar mvg 146 in samenhang met HP -prod. 25). Hieraan doet niet af dat in die oorspronkelijke aanvrage niet zou zijn te lezen hoe die van toekomstig gebruik afhankelijke foutdetectiecode vooraf kan worden berekend: dat betreft volgens de klacht immers een andere octrooirechtelijke kwestie – nawerkbaarheid (vgl. art. 75 lid 1 sub b ROW 1995). 2.21 De rechtsklacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof heeft geoordeeld dat in de oorspronkelijke aanvrage niet kan worden gelezen hoe een van toekomstig gebruik afhankelijke foutdetectiecode toch vooraf kan worden berekend, zodat deze af-fabriek op het tweede validatieveld kan worden opgeslagen en dat om die reden sprake is van toegevoegde materie. Dat leest immers naadloos op art. 75 lid 1 sub c ROW 1995 (vgl. art. 132 lid 2 EOV). Dat dit ook dragend kan zijn voor een niet-nawerkbaarheidsoordeel (vgl. art. 75 lid 1 sub b ROW 1995) moge zo zijn, maar doet aan de juistheid van het added matter-oordeel niet af. 2.22 Ook de motiveringsklacht gaat niet op. Bij mvg 146 heeft HP (slechts) gesteld dat “basis voor de wijzigingen in het tweede hulpverzoek” bijvoorbeeld kan worden gevonden in conclusies 8 en 9 van de aanvrage zoals ingediend, dit onder verwijzing naar de aanvrage (prod. 25 HP ). Deze stellingname – voor zover die al aldus moet worden begrepen dat bedoeld is te stellen dat de wijzigingen van het tweede hulpverzoek gedekt zijn door conclusie 8 en 9 van de oorspronkelijke aanvrage – is door Digital Revolution betwist door aan te voeren dat conclusies 8 en 9 werkwijzeconclusies zijn, zonder dat daarin fysieke, structurele kenmerken voor het bij die werkwijze te gebruiken voortbrengsel worden geopenbaard, zodat daar geen grondslag voor de voorgestane wijziging in kan worden gevonden (mva/mvg inc 16.3). Hierop is door HP niet gerespondeerd (mva inc 51-54, evenmin bij pleidooi). Dat maakt niet onbegrijpelijk dat het hof (impliciet) voorbij is gegaan aan het standpunt van HP dat het tweede hulpverzoek gedekt wordt door conclusies 8 en 9 van de oorspronkelijke aanvrage. Art. 84 EOV toetsbaar bij hulpverzoeken voor nationale rechter? 2.23 Onderdeel 2.2.3 klaagt over het oordeel dat de verder toegevoegde maatregel dat het eerste validatieveld een (derde) foutdetectiecode zal bevatten die de eerste vervangt en die is gerelateerd aan de gegevens die zich na een daaropvolgende gegevensoverdracht op de geheugeneenheid zullen bevinden, niet toelaatbaar is wegens strijd met art. 84 EOV (clarity). De rechtsklacht hiertegen is dat art. 84 EOV geen nietigheidsgrond is. 2.24 Bij strikte lezing mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat art. 84 EOV een nietigheidsgrond bevat, maar dat de door het tweede hulpverzoek gewijzigde conclusie 1 niet toelaatbaar is wegens strijd met art. 84 EOV. Een minder strikte lezing van de klacht is dat het hof ten onrechte de door het tweede hulpverzoek gewijzigde conclusie 1 heeft getoetst aan art. 84 EOV. De vraag is of de klacht dan voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, nu niet is toegelicht wáárom het hof niet zou hebben mogen toetsen aan art. 84 EOV (anders dan dat “het geen nietigheidsgrond is”). Een dergelijke toelichting ontbreekt ook in de s.t. zijdens HP (vgl. s.t. HP 4.3.6). Zou hier ook overheen worden gestapt, dan is de klacht kennelijk of, indien de oorspronkelijke conclusie nietig is en ten aanzien van die conclusie een hulpverzoek is gedaan, alleen beoordeeld moet worden of dat hulpverzoek de nietigheid opheft (en dus alleen getoetst kan worden aan de eigenlijke nietigheidsgronden nieuwheid, inventiviteit en nawerkbaarheid) of dat (ook) beoordeeld dient te worden of de conclusie volgens het hulpverzoek een geldige conclusie oplevert - zodat ook getoetst kan worden aan bijvoorbeeld de vereisten van art. 84 EOV. Dat brengt mij tot de volgende beschouwingen. 2.25 Art. 78 EOV schrijft voor dat een Europese octrooiaanvrage een of meer conclusies (‘claims’) dient te bevatten, die, zoals art. 84 EOV bepaalt, het onderwerp beschrijven waarvoor bescherming wordt gevraagd. Deze conclusies moeten volgens art. 84 EOV duidelijk en beknopt zijn en daarvoor moet steun te vinden zijn in de beschrijving. De conclusies bepalen de beschermingsomvang van het Europees octrooi (art. 69 lid 1 EOV, eerste volzin). Het doel van dit vereiste is tweeledig. Ten eerste is het bedoeld om duidelijk te maken wat wel en niet onder de geclaimde octrooibescherming valt. Ten tweede is het bedoeld om duidelijk de maken wat de toevoeging aan de stand van de techniek is van de uitvinding. Na verlening van het octrooi heeft de octrooihouder het recht door wijziging

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.