Zaaknr: 18/00635 mr. B.J. Drijber Zitting: 22 maart 2019 Conclusie inzake:
(1949), is lange tijd als ondernemer werkzaam geweest in Zuid-Afrika. In 1989 heeft hij (onder meer) de volgende twee Zuid-Afrikaanse rechtspersonen opgericht: [A] Limited (sinds 2007 geheten [B] Limited, hierna: [B] ) en haar dochtervennootschap [C] (Pty) Ltd. (sinds 2009 geheten Megacube Mining (Pty) Ltd., hierna: Megacube ). [betrokkene 1] is vanaf de oprichting tot oktober 1999 (toen hij voor het eerst persoonlijk failliet werd verklaard) CEO van [B] en Megacube geweest. Tijdens zijn faillissement, tussen 2000 en 2005, is hij bij voornoemde vennootschappen in dienst geweest als consultant. In maart 2005 werd [betrokkene 1] voor een termijn van drie jaar herbenoemd tot CEO van [B] en Megacube . Als gevolg van een meningsverschil met nieuwe aandeelhouders over de te volgen bedrijfsstrategie is zijn contract vervroegd beëindigd per 30 november 2007. Daarna is [betrokkene 1] nog zes maanden als general manager aangebleven. In april 2008 is hij definitief bij het bedrijf vertrokken. 1.3 Omdat het vermoeden was gerezen dat bij Megacube onregelmatige transacties waren verricht heeft de directie van [B] in juni 2008 KPMG Services (Pty) Ltd. (hierna: KPMG ) opdracht gegeven een intern onderzoek uit te voeren. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat [betrokkene 1] samen met de (voormalige) financieel directeur van [B] en Megacube , [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), op grote schaal gelden heeft verduisterd. In december 2008 is Megacube een procedure tegen [betrokkene 1] gestart. 1.4 Niet lang daarna heeft [betrokkene 1] op de Britse Maagdeneilanden en op Curaçao een structuur van rechtspersonen voor zich doen opzetten. Op 23 juni 2009 werd de vennootschap Anticus Ltd. (hierna: Anticus ) opgericht en op 7 juli 2009 CIMS Group Ltd. (hierna: CIMS Group ). 1.5 Bij notariële akte van 25 juni 2009 is in opdracht van [betrokkene 1] op Curaçao door het trustkantoor Corporate Agents N.V. (hierna: Corporate Agents ) de stichting particulier fonds RSA Private Foundation (hierna: RSA ) opgericht. Covenant Managers N.V. (hierna: Covenant Managers ) is de enige bestuurder van RSA . Corporate Agents en Covenant Managers zijn gevestigd aan hetzelfde adres op Curaçao en hebben dezelfde bestuurders.RSA is 100% aandeelhouder van Anticus en van CIMS Group . 1.6 De statuten van RSA bepalen onder meer: “PURPOSE Article 2 1. The purpose of the foundation is to make distributions out of its assets to such institutions and persons as the board may determine and to provide assistance to such institutions and persons by means of loans, granting securities, annuity contracts and the like. 2. (...) MANAGEMENT Article 5 1. (...) The supervisory board shall appoint the directors (...). If no supervisory board has been appointed, the Founder shall appoint the directors (...). 2. A director may at all times, with or without cause, be suspended or dismissed by the individual or entity who is authorized to appoint directors at that time. (...) FOUNDER'S AUTHORITIES Article 10 1. The Founder’s authorities are personal, cannot be exercised by any other person, and do not devolve unto his successors in inheritance. During his bankruptcy the authorities of the Founder are suspended. In the event the Founder's authority temporarily cannot be exercised, then the same will temporarily be exercised by the board. In the event the Founder's authorities should cease, then the same will pass to the board. 2. The Founder may, however, appoint one or more successors, being either (
- a)natural person(
- s)or (
- a)legal entity(ies), who shall (...) take the place and stead of the original Founder, including the authority to appoint a successor. 3. (...)” De term founder’s authorities wordt vertaald als ‘oprichtersrechten’. 1.7 Op 3 juli 2009 heeft [betrokkene 1] een source of wealth declaration ondertekend. Daarin staat onder meer: “I, the undersigned, declare that I am the ultimate beneficial owner of RSA PRIVATE FOUNDATION and ANTICUS , LTD. and its present and future assets; (...)” 1.8 Op 13 juli 2009 heeft [betrokkene 1] een aan RSA (ter attentie van de bestuurders) gerichte letter of wishes ondertekend. Hierin staat onder meer: “The Undersigned, Mr. [betrokkene 1] , acting as sole holder of the Founders Authorities for [ RSA ], does herewith set forth his/her wishes regarding the management of the assets of [ RSA ] and the appointment of Board Members of [ RSA ]. During my life I do have sole control authorities on the assets (either contributed or distributed) of [ RSA ]. If I will either die, become missing or incapacitated, mentally ill, temporary or permanently insolvent/bankrupt sufficient written proof thereof from acknowledged and proper authorities should be provided to the Board Members of [ RSA ]. As then my wife [betrokkene 3] takes over full Founders authorities and the subsequent control authorities. The following instructions would apply: (...) I realize that you are not legally bound to follow these wishes and I acknowledge that you are able at all times to use the powers and discretions given to you under the terms of the instrument creating the foundation.” 1.9 De letter of wishes is ondertekend “for acceptance and acknowledgement” door een “board member” namens het bestuur van RSA . 1.10 Blijkens een vaststellingsovereenkomst en een vonnis van het South Gauteng High Court (Johannesburg, Zuid-Afrika) had Megacube een vordering op [betrokkene 1] van in totaal circa (6,3 + 12,4 =) US$ 18,7 miljoen, te vermeerderen met rente en kosten. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald: “1.1 The defendant [ [betrokkene 1] ] consents to judgment in the amount of R88 588 862.96 [ongeveer US$ 6,3 miljoen] (...) plus costs of suit. The said amount (...) shall be payable by the defendant by no later than 31 December 2010; (...)” In het vonnis van 5 april 2011 is bepaald: “2. The respondent (defendant) [ [betrokkene 1] ] shall pay to the applicant (plaintiff) [ Megacube ] the amount of R170 886 698.68 [ongeveer US$ 12,4 miljoen] (...).” Betaling van deze bedragen is uitgebleven. 1.11 Bij vonnissen van het Western Cape High Court (Kaapstad, Zuid-Afrika) van 20 mei 2011 en 5 juli 2011 is [betrokkene 1] op verzoek van Megacube in staat van faillissement verklaard, met de aanstelling van de Curatoren tot joint trustees. 1.12 De Curatoren zijn een – tot dusver vergeefse – zoektocht begonnen naar vermogensbestanddelen van [betrokkene 1] . Deze heeft hen geen enkele medewerking verleend. RSA , Corporate Agents en Covenant Managers hebben verzoeken van de Curatoren onbeantwoord gelaten. 1.13 Bij order van 8 maart 2017 heeft de Eastern Caribbean Supreme Court in the High Court of Justice van de Britse Maagdeneilanden tegen onder meer RSA (
- i)een worldwide freezing injunction uitgevaardigd, op grond waarvan het RSA is verboden om bestanddelen aan het vermogen te onttrekken zoals nader in de order vermeld, en (
- ii)een bevel gegeven om opgave te doen van de samenstelling van het vermogen. Deze beslissing is op 5 april 2017 aan RSA betekend. Er is geen gevolg aan gegeven. 1.14 Op 9 maart 2017 hebben de Curatoren bewijsbeslag doen leggen op de administratie van RSA en een bewaarder aangesteld. In het beslagrekest is hetgeen beslagen dient te worden als volgt omschreven: “de administratie van RSA die zich bevindt te Curaçao op het adres [adres], meer in het bijzonder: alle gegevensdragers (elektronisch en fysiek) met informatie die betrekking heeft op RSA en haar vermogensbestanddelen (historisch en actueel), alsmede op alle overige informatie die gerekwestreerden ter beschikking hebben die verband houdt met [betrokkene 1] , Anticus en CIMS Group , waaronder doch niet beperkt tot correspondentie met één van deze partijen of één van hun vertegenwoordigers, de jaarrekeningen van RSA en alle overige documenten waaruit blijkt welke activa door RSA , Anticus en CIMS Group worden gehouden en de herkomst daarvan”. 1.15 Bij brief van 29 maart 2017 hebben de Curatoren RSA en haar bestuurder Covenant Managers gesommeerd de boeken van RSA open te leggen en medewerking te verlenen aan het terugtreden van Covenant Managers als bestuurder van RSA en de benoeming van de Curatoren tot enig bestuurders van RSA . Aan deze sommatie is geen gevolg gegeven. 2Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Op 7 april 2017 hebben de Curatoren bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het GEA) een kort geding aanhangig gemaakt tegen RSA , haar oprichter Corporate Agents en haar bestuurder Covenant Managers (hierna tezamen: RSA c.s. ). De Curatoren hebben gevorderd: (
- i)een verbod voor RSA c.s. om goederen van RSA te verkopen, te leveren, over te dragen, over te doen gaan, te bezwaren of op welke andere wijze dan ook aan het vermogen van RSA of het verhaal van de Curatoren te onttrekken of deze in waarde te doen verminderen, (
- ii)RSA c.s. te veroordelen tot openlegging van de boeken van RSA en (iii) Covenant Managers als bestuurder van RSA te ontslaan en de Curatoren tot bestuurders van RSA te benoemen, een en ander (
- iv)op straffe van een dwangsom van NAf 50.000 per dag of gedeelte daarvan. 2.2 In reconventie hebben RSA c.s. gevorderd dat (
- i)de bewijsbeslagen worden opgeheven en (
- ii)de Curatoren wordt geboden de in beslag/gerechtelijke bewaring genomen bescheiden terug te geven, een en ander (iii) op straffe van een dwangsom. 2.3 Bij vonnis van 5 mei 2017 heeft het GEA onder meer geoordeeld dat de oprichtersrechten in RSA als een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW-C hebben te gelden, welke rechten (althans het recht tot levering daarop) tot de faillissementsboedel behoren. Het GEA heeft dat oordeel als volgt gemotiveerd: “4.8 Gelet op de combinatie van begunstiging, zeggenschap en de bevoegdheid de oprichtersrechten te doen overgaan op derden, hebben de oprichtersrechten in RSA te gelden als een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW. De oprichtersrechten zijn in die zin vergelijkbaar met de rechten van een enig aandeelhouder in een besloten of naamloze vennootschap. 4.9 Indien tot uitgangspunt wordt genomen dat de oprichtersrechten op het moment van diens faillietverklaring bij [betrokkene 1] berustten, brengt het voorgaande mee dat deze rechten thans tot zijn faillissementsboedel behoren en dat de Curatoren de daaruit voortvloeiende rechten kunnen uitoefenen, de rechten die eerder door [betrokkene 1] konden worden uitgeoefend. Gelet op de volledige en uitsluitende zeggenschap en gerechtigdheid van [betrokkene 1] met betrekking tot RSA , zijn de Curatoren in de positie van RSA en haar bestuurder Covenant Managers te verlangen dat aan hen inzage in de volledige administratie van RSA wordt verstrekt en dat zij zich onthouden van het vervreemden van vermogen van RSA . 4.10 (…) Indien de oprichtersrechten abusievelijk niet aan [betrokkene 1] zijn overgedragen, heeft hij terzake een vordering op Corporate Agents tot levering. Dit recht op levering behoort thans tot de faillissementsboedel, zodat de Curatoren dit recht jegens Corporate Agents kunnen doen gelden. Ook in dit geval kunnen zij van RSA en Covenant Managers - en nu ook van Corporate Agents - verlangen dat inzage wordt verstrekt en geen vermogen aan RSA wordt onttrokken.” 2.4 Het GEA heeft voorts geoordeeld dat er sprake is van misbruik van identiteitsverschil tussen RSA en [betrokkene 1] en dat RSA hierdoor onrechtmatig jegens de Curatoren handelt. Het GEA heeft dienaangaande het volgende overwogen: “4.12 Tegen de stellingen van de Curatoren dat RSA door [betrokkene 1] is opgericht en gebruikt om zijn door verduistering verkregen vermogen aan het verhaal en zicht van eerst Megacube en nu de Curatoren te onttrekken, hebben RSA , Corporate Agents en Covenant Managers niet veel inhoudelijker gereageerd dan met de stelling dat zij hieromtrent geen eigen kennis hebben en dat de Curatoren maar wat roepen. In het licht van de onderbouwing door de Curatoren van hun stellingen, mede aan de hand van in Zuid-Afrika en de Britse Maagdeneilanden gegeven rechterlijke beslissingen en afgelegde beëdigde verklaringen, en gelet op de relatie van RSA , Corporate Agents en Covenant Managers met hun opdrachtgever en begunstigde [betrokkene 1] , is die betwisting niet genoegzaam en zal van de juistheid van de stellingen van de Curatoren worden uitgegaan. Deze stellingen rechtvaardigen de conclusie dat sprake is van misbruik van het identiteitsverschil tussen RSA en [betrokkene 1] en dat RSA daarmee onrechtmatig jegens de Curatoren handelt. Ook op deze grond kunnen de Curatoren aanspraak maken op inzage en op het behoud van het in RSA ondergebracht, door verduistering verkregen vermogen.” 2.5 Op voornoemde twee gronden heeft het GEA de vorderingen van de Curatoren tot het verkrijgen van inzage in de boeken van RSA en tot het opleggen van een vervreemdingsverbod toegewezen. Het GEA achtte de zaak echter “nog niet rijp” voor een eventuele wijziging in het bestuur van RSA en wees daarom de gevorderde bestuurswissel af. 2.6 In reconventie heeft het GEA overwogen dat de Curatoren – gelet op hetgeen in conventie is bepaald – recht hebben op inzage in de administratie van RSA en dat RSA c.s. geen rechtens te respecteren belang hebben bij opheffing van de bewijsbeslagen en teruggave van de in beslag genomen bescheiden. Het GEA heeft op grond hiervan de reconventionele vorderingen van RSA c.s. afgewezen. Hoger beroep 2.7 Vier dagen na het wijzen van het vonnis in kort geding hebben RSA c.s. spoedappel ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof). Het beroep was gericht (
- i)tegen de toewijzing van de vorderingen (in conventie) tot inzage in de administratie van RSA en oplegging van het vervreemdingsverbod en (
- ii)tegen de afwijzing van de vorderingen (in reconventie) tot opheffing van de bewijsbeslagen en teruggave van de in beslag genomen bescheiden. De Curatoren hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun vordering (in conventie) dat zij het bestuur van RSA vervangen. 2.8 RSA c.s. hebben bij afzonderlijk verzoekschrift gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van het GEA hangende het hoger beroep wordt geschorst. De Curatoren hebben zich tegen dat schorsingsverzoek verweerd. Bij vonnis van 30 mei 2017 heeft het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 mei 2017 geschorst voor zover het de veroordeling tot openlegging van de boeken van RSA betreft. 2.9 Bij vonnis van 12 december 2017 in de hoofdzaak heeft het hof het vonnis van het GEA vernietigd voor zover de vordering van de Curatoren tot vervanging van het bestuur van RSA daarin was afgewezen. Het hof heeft RSA c.s. bevolen “te gehengen en gedogen dat de curatoren Covenant Managers ontslaan als bestuurder van RSA en zichzelf benoemen tot bestuurders van RSA , op straffe van een dwangsom van NAf 10.000,-- per keer voor iedere keer dat zij niet aan dit bevel voldoen, met een maximum van NAf 500.000,-- per gedaagde in conventie.” Voor het overige is het vonnis van het GEA bevestigd. 2.10 Het hof heeft, samengevat, het volgende overwogen. Op grond van de statuten van RSA , in samenhang beschouwd met de source of wealth declaration en de letter of wishes (zie hiervoor 1.7 en 1.8) en met inachtneming van de aard van de dienstverlening van een trustkantoor, moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] een zodanige contractueel gevestigde zeggenschap over RSA heeft verkregen dat sprake is van in Curaçao aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort. Hierdoor kunnen de Curatoren met betrekking tot dat vermogen beheers- en beschikkingshandelingen verrichten (rov. 2.14-2.18), waaronder inzage krijgen in de administratie van RSA en een vervreemdingsverbod opleggen (rov. 2.24). De in de letter of wishes opgenomen voorziening dat in geval van faillissement de echtgenote van [betrokkene 1] de oprichtersrechten overneemt, is in strijd met dwingend recht en doet aan het voorgaande niet af (rov. 2.19). Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat in art. 10 van de statuten van RSA staat vermeld dat de oprichtersrechten bij faillissement van de oprichter worden opgeschort (rov. 2.20). De oprichtersrechten van [betrokkene 1] zijn niet naar hun aard hoogstpersoonlijk (rov. 2.21). Aan de zeggenschap van [betrokkene 1] doet niet af dat geen akte is aangetroffen waarbij de oprichtersrechten van Corporate Agents aan hem zijn overgedragen (rov. 2.22). 2.11 Het hof heeft voorts overwogen dat RSA c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de vordering van Megacube op [betrokkene 1] verband houdt met door [betrokkene 1] verduisterde gelden en dat deze verduistering in 2008 is vastgesteld (rov. 2.28). RSA c.s. hebben ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat RSA in opdracht van [betrokkene 1] is opgericht en gebruikt om vermogen aan het verhaal en zicht van eerst Megacube en later de Curatoren te onttrekken (rov. 2.29). Een en ander acht het hof voldoende voor het voorshandse oordeel dat RSA onrechtmatig jegens de Curatoren heeft gehandeld door misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen RSA en [betrokkene 1] (rov. 2.30). 2.12 Ten aanzien van de vordering tot vervanging van het bestuur van RSA heeft het hof overwogen dat de kortgedingrechter niet de bevoegdheid heeft om op grond van art. 2:55 jo. 2:276 lid 3 BW-C een bestuurder te ontslaan. Volgens het hof kan de kortgedingrechter echter wel een voorziening treffen die inhoudt dat een gedaagde moet gehengen en gedogen dat eiser een hem toekomende bevoegdheid uitoefent. Het treffen van een dergelijke voorziening ligt volgens het hof in de vordering van Curatoren besloten. Aangezien [betrokkene 1] een zodanige zeggenschap heeft over (het vermogen van) RSA , moet hij ook worden geacht (contractueel) recht te hebben op vervanging van het bestuur van RSA . Door het faillissement van [betrokkene 1] is dit recht op de Curatoren overgegaan. Het hof kan RSA c.s. daarom bevelen te gehengen en gedogen dat de Curatoren het bestuur van RSA vervangen (rov. 2.44). Cassatie 2.13 Corporate Agents en Covenant Managers (hierna tezamen: Corpag c.s. ) hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van het hof. RSA heeft geen cassatieberoep ingesteld, hetgeen niet verbaast omdat de Curatoren inmiddels RSA besturen (zie ook hierna, 4.2-4.3). 2.14 De Curatoren hebben geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep. Zij hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Corpag c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd. 3. De rechtsvorm SPF en het arrest Resort of the World / Maple Leaf 3.1 De SPF is in 1998 als civielrechtelijk alternatief voor de Anglo-Amerikaanse trust op de Nederlandse Antillen geïntroduceerd. Deze nieuwe rechtsvorm is er op aandringen van de Antilliaanse offshore-sector gekomen. Daartoe is een wijziging van de Landsverordening op de stichtingen 1967 doorgevoerd. Op 1 maart 2004 is de SPF opgenomen in art. 2:50 e.v. BW-NA. Na de herziening van de staatsinrichting per 10 oktober 2010 is deze rechtsvorm opgenomen in onder andere het BW van Curaçao. 3.2 Een SPF is – evenals een reguliere stichting – een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon die geen leden of aandeelhouders kent en met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel beoogt te verwezenlijken (art. 2:50 lid 1 en lid 3 BW-C). Een SPF mag niet tot doel hebben een bedrijf uit te oefenen (art. 2:50 lid 6 BW-C). Niet als ‘bedrijf’ wordt aangemerkt een SPF die (
- i)haar eigen kapitaal belegt, (
- ii)een belang in andere rechtspersonen houdt of (iii) als commandiet deelneemt in een commanditaire vennootschap (art. 2:50 lid 7 BW-C). 3.3 Art. 2:50 lid 4 BW-C maakt voor de SPF een uitzondering op het algemeen voor stichtingen geldende uitkeringsverbod. Dit betekent dat het de SPF is toegestaan om uitkeringen te doen, zonder dat is vereist dat de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben en zonder enige beperking ten aanzien van de persoon/personen aan wie de uitkeringen worden gedaan. Dit maakt de SPF bij uitstek geschikt voor estate planning (kort gezegd, het fiscaal gunstig regelen van de overheveling van vermogen naar familieleden of derden) en asset protection (het veiligstellen van vermogen voor verhaal door derden). Zodra het vermogen aan de SPF is overgedragen, behoort het niet meer tot het privé- of ondernemingsvermogen van de overdrager. Crediteuren van de oorspronkelijke eigenaar van het vermogen kunnen zich nadien in beginsel niet verhalen op het aan de SPF overgedragen vermogen. 3.4 Degene die (een deel van) zijn vermogen met behulp van een SPF wenst af te scheiden, wordt ook wel als de ‘insteller’ van de SPF aangeduid. Naar ik begrijp komt het veel voor dat een insteller enerzijds anoniem (en onzichtbaar) wil blijven, maar anderzijds wel in meer of mindere mate controle wil houden over het in de SPF ondergebracht vermogen. In de praktijk wordt de anonimiteit van de insteller gewaarborgd door de SPF te laten oprichten en besturen door een trustkantoor. De statuten van de SPF zullen dan in de regel bepalen dat oprichtersrechten aan de oprichter worden toegekend en dat die rechten overdraagbaar zijn dan wel dat de oprichter een opvolgend oprichter kan benoemen. Ook wordt dikwijls gebruikgemaakt van een letter of wishes, waarin de insteller jegens het bestuur van de SPF zijn ‘wensen’ vastlegt omtrent het in de SPF onder te brengen c.q. ondergebrachte vermogen. Naar ik begrijp wordt gewoonlijk pas ná het verkrijgen van de oprichtersrechten en ná de letter of wishes het vermogen afgescheiden en aan de SPF overdragen. Naar mijn indruk is RSA naar dit ‘model’ opgericht. 3.5 Met betrekking tot de Nederlandse inkomstenbelasting heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in 2013 geoordeeld over de vraag of het door een erflaatster in een SPF opgebouwde kapitaal onder de vermogensrendementsheffing (box 3) van de erflaatster viel. Het hof had geoordeeld dat dit niet het geval was, omdat de erflaatster niet over het vermogen van de SPF in kwestie kon beschikken als ware het haar eigen vermogen. Volgens het hof kon uit de manier waarop de SPF was vormgegeven niet worden afgeleid dat de erflaatster de beschikkingsmacht over het vermogen had behouden en niet was gebleken dat de erflaatster een juridisch of feitelijk afdwingbaar recht had op grond waarvan vermogen uit de SPF kon worden uitgekeerd. De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof in stand gelaten. Zo bezien lijkt het gebruik van een SPF dus tot gevolg te hebben dat het in de SPF ondergebrachte vermogen aan box 3 ontsnapt, tenzij de belanghebbende beschikkingsmacht over het vermogen in de SPF heeft of jegens de SPF een afdwingbaar recht op een uitkering heeft. 3.6 In 2016 heeft de Hoge Raad (eerste kamer) in Resort of the World / Maple Leaf geoordeeld over de vraag of een SPF, waarin een villa was ondergebracht, aansprakelijk kon worden gehouden voor onttrekking van die villa aan verhaal door een derde. Werknemer M., die als financial controller in dienst was bij Resort of the World , had van een aan Resort of the World gelieerde vennootschap een villa verworven en die ondergebracht in Maple Leaf , een SPF naar het recht van Sint-Maarten. In 2011 heeft Resort of the World M. ontslagen omdat hij fraude zou hebben gepleegd. Zij heeft zowel M. als Maple Leaf aangesproken voor schadevergoeding uit hoofde van (
- i)vereenzelviging, (
- ii)misbruik van identiteitsverschil, (iii) onrechtmatig profiteren van fraude en (
- iv)ongerechtvaardigde verrijking. Door de villa in een SPF te stoppen had de werknemer het belangrijkste verhaalsobject buiten het bereik van Resort of the World gebracht. 3.7 In zijn arrest geeft de Hoge Raad eerst een weergave van de wetsgeschiedenis van de SPF en concludeert daaruit het volgende: “3.4.3 Uit de wettelijke regeling en de toelichting daarop vloeit voort dat het gebruik van de rechtsvorm stichting particulier fonds weliswaar niet bij uitsluiting aan het rechtsverkeer binnen de ‘financiële offshore’ is voorbehouden, maar dat de wetgever misbruik of oneigenlijk gebruik van deze stichtingsvorm heeft willen voorkomen, met het oog waarop de nieuwe rechtsvorm is ingebed in het algemene rechtspersonenrecht.” 3.8 De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het oordeel van het hof, dat vereenzelviging van Maple Leaf met M. als vorm van redres te ver zou gaan, in het licht van het bepaalde in het Rainbow-arrest geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat vereenzelviging bovendien “op gespannen voet” staat “met de doelstellingen van de invoering van de stichting particulier fonds”. Misbruik van identiteitsverschil kon wel via de weg van de onrechtmatige daad worden aangepakt. Het oordeel van het hof dat M. en Maple Leaf niet onrechtmatig hebben geprofiteerd van het tussen hen bestaande identiteitsverschil, acht de Hoge Raad onbegrijpelijk in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval. De Hoge Raad overweegt: “3.6.2 (…) Dat [het oordeel van het hof onbegrijpelijk is] geldt in het bijzonder voor de omstandigheden dat de villa om niet aan Maple Leaf is overgedragen, dat dit is geschied op een moment dat M. al ernstig rekening diende te houden met de mogelijkheid dat zijn, ten tijde van de oprichting van Maple Leaf reeds gaande zijnde, fraude zou worden ontdekt en tot een aanzienlijke claim van Resort of the World op hem zou leiden en dat M. de woonlasten is blijven betalen. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen dat Resort of the World de gestelde onrechtmatigheid mede heeft gebaseerd op de stelling dat M. zijn fraude heeft voortgezet in de wetenschap dat de door hem verworven en bewoonde villa veilig was voor verhaal door Resort of the World .” 3.9 Het oordeel van het hof dat Maple Leaf niet onrechtmatig heeft gehandeld door mee te werken aan en te profiteren van de fraude van M. bleef ook niet in stand. De Hoge Raad overweegt daartoe onder meer: “3.7.2 (…) Voor het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden een onrechtmatig handelen of nalaten van personen door wie de rechtspersoon aan het rechtsverkeer deelneemt, als eigen onrechtmatig handelen aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, is beslissend of dat handelen of nalaten in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als handelen of nalaten van de rechtspersoon zelf (vgl. HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34 (Kleuterschool Babbel)). Dat geldt voor gedragingen van een bestuurder, maar de formele hoedanigheid van de handelende persoon is niet beslissend voor de toerekeningsvraag. Indien, zoals hier veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, M. de volledige zeggenschap over M. had, ook in de periodes dat hij geen bestuurder was, en dat hij haar ‘ultimate beneficiary’ is, is in beginsel aan de aan te leggen maatstaf voldaan. Dat het hier om een aansprakelijkheidskwestie gaat, doet daaraan niet af, zoals ook blijkt uit rov. 3.6 van HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018, NJ 2007/231. 3.7.3 Hetgeen het hof overweegt omtrent de doelomschrijving van Maple Leaf houdt in dat de inbreng en het beheer van de villa bij Maple Leaf ten behoeve van M. als zodanig legitiem en toelaatbaar waren. Resort of the World heeft evenwel aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Maple Leaf door de inbreng en het beheer van de villa welbewust ten koste van Resort of the World heeft geprofiteerd van e oor M. gepleegde fraude. Het hof heeft niet onderzocht of de – op zichzelf, bij een stichting particulier fonds in het bijzonder, toelaatbare – inbreng en het beheer van de villa op die grond onrechtmatig zijn geweest jegens Resort of the World .” 3.10 In het Resort of the World / Maple Leaf heeft de Hoge Raad dus ‘vereenzelviging’ van twee (rechts)personen als vorm van redres voor toegebrachte schade afgewezen, maar ‘onrechtmatig profiteren van identiteitsverschil’ tussen twee (rechts)personen (en ongerechtvaardigde verrijking) als grondslag voor schadevergoeding toegewezen. 4Bespreking van het principaal cassatieberoep 4.1 Het cassatiemiddel van Corpag c.s. bestaat uit zeven onderdelen (I t/m VII), die overwegend motiveringsklachten bevatten. Sommige van die klachten lijken erop te zijn gericht uw Raad te verleiden de zaak te beoordelen als derde feitelijke instantie. Ik zal de klachten zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Opmerking vooraf – procesbelang van Corpag c.s. 4.2 De Curatoren betogen dat Corpag c.s. geen belang hebben bij hun cassatieberoep omdat RSA geen cassatieberoep heeft ingesteld en daarom de voorzieningen die het hof in het bestreden vonnis heeft getroffen, zolang niet in een bodemprocedure anders is beslist, voor RSA onverkort blijven gelden. 4.3 Ik ga hier niet in mee. Hoewel een eventuele vernietiging van het bestreden vonnis inderdaad niet tot gevolg heeft dat de jegens RSA getroffen voorzieningen komen te vervallen, hebben Corpag c.s. desalniettemin belang bij hun cassatieberoep. Niet alleen zijn de veroordelingen waartegen in cassatie wordt opgenomen ook jegens Corpag c.s. uitgesproken en zijn zij in feitelijke instantie mede in de proceskosten veroordeeld, ook moet worden bedacht dat de reden waarom RSA niet tegen het bestreden vonnis in cassatie is gekomen geen andere kan zijn dan dat de Curatoren haar nu besturen en niet namens RSA tegen zichzelf zullen willen procederen. Onderdeel I – Bevoegdheid Curatoren op te treden in Curaçao 4.4 Onderdeel I richt klachten tegen rov. 2.9 en 2.10 van het bestreden vonnis, waarin het hof oordeelt dat de Curatoren bevoegd zijn om in Curaçao op te treden: “2.9 De curatoren hebben een opinie van 2 maart 2017 overgelegd (productie 4 bij inleidend verzoekschrift, eerste bijlage) waarin in paragraaf 26 het volgende staat vermeld: "In order to administer any of the insolvent's property located in a foreign country (...), the trustees ordinarily would require recognition as such under the relevant foreign law." Dit betekent niet dat de curatoren naar Zuid-Afrikaans recht eerst een formele erkenning door de Curaçaose rechter van de faillietverklaring of van hun hoedanigheid van curator moeten verzoeken en verkrijgen, voordat zij in Curaçao enige bevoegdheid kunnen uitoefenen, maar slechts dat zij hun bevoegdheden in Curaçao uitsluitend kunnen uitoefenen, voor zover het recht van Curaçao dat toelaat. Dat betekent niet meer dan dat voldaan moet zijn aan hetgeen hiervoor in rov. 2.8 is overwogen, d.w.z. dat sprake moet zijn van in Curaçao aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort. Of daarvan in dit geval sprake is, komt hierna bij de behandeling van de grieven 3 en 4 aan de orde. 2.10 Bij pleidooi in hoger beroep hebben RSA c.s. betoogd dat de curatoren niet bevoegd zijn in Curaçao op te treden, omdat zij zich niet tot de Zuid-Afrikaanse rechter hebben gewend, opdat deze de Curaçaose rechter zou verzoeken tot erkenning over te gaan. Een dergelijke rechtsgang is echter niet nodig om de curatoren naar het recht van Zuid-Afrika bevoegd te achten beheers- en beschikkingshandelingen in een ander land te verrichten, in gevallen waarin het recht van dat andere land zich daartegen niet verzet en het recht van dat andere land een dergelijke rechtsgang niet voorschrijft, zoals in dit geval. Een dergelijke rechtsgang dient bovendien niet ter bescherming van het belang van de failliet wiens vermogen zich buiten Zuid-Afrika bevindt, maar ter bescherming van het belang van de gezamenlijke schuldeisers (of de enige schuldeiser) dat geen onnodige kosten ten laste van de boedel worden gemaakt. Het betoog wordt verworpen.” 4.5 Blijkens punt 1 t/m 5 van het cassatierekest wordt geen klacht gericht tegen de daaraan voorafgaande rov. 2.8, die als volgt luidt: “2.8 De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] failliet is verklaard op basis van de vordering van één schuldeiser, hetgeen naar Zuid-Afrikaans recht mogelijk is, terwijl naar Curaçaos recht voor faillietverklaring is vereist dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft, brengt niet mee dat de uitspraken van de Zuid-Afrikaanse rechter tot faillietverklaring van [betrokkene 1] tot stand zijn gekomen op een wijze die in strijd is met de Curaçaose openbare orde. Daarom kunnen de curatoren in beginsel beheers- en beschikkingshandelingen verrichten met betrekking tot in Curaçao aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, mits zij daartoe naar het recht van Zuid-Afrika bevoegd zijn.” 4.6 Corpag c.s. betogen, onder verwijzing naar de door de Curatoren overgelegde opinie van 2 maart 2017 van BakerMcKenzie (Zuid-Afrika) en Zuid-Afrikaanse jurisprudentie, dat RSA c.s. in hoger beroep hebben toegelicht dat de Curatoren naar Zuid-Afrikaans faillissementsrecht hun bevoegdheden slechts buiten Zuid-Afrika kunnen uitoefenen na voorafgaande toestemming daartoe van de Zuid-Afrikaanse rechter, die op zijn beurt toestemming vraagt aan de betreffende buitenlandse (in dit geval Curaçaose) rechter. Er zou dus een systeem van dubbele toestemming gelden. Corpag c.s. klagen dat het hof zonder nadere toelichting een andere betekenis aan het Zuid-Afrikaanse recht toekent dan RSA c.s. had betoogd. 4.7 De klachten falen. De bestreden rechtsoverwegingen zien op de uitleg en toepassing van Zuid-Afrikaans recht. Art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO belet dat in cassatie de juistheid wordt onderzocht van oordelen omtrent vreemd recht. Voor zover Corpag c.s. rechtsklachten richten tegen rov. 2.9 en 2.10 stuiten deze daar op af. 4.8 Ook de door Corpag c.s. naar voren gebrachte motiveringsklachten stranden hierop. Deze kunnen niet worden beoordeeld zonder te treden in de juistheid van de vaststelling dat de Curatoren naar Zuid-Afrikaans recht niet de toestemming van de Zuid-Afrikaanse rechter nodig hebben om buiten Zuid-Afrika beheers- en beschikkingshandelingen te kunnen verrichten. Indien uw Raad deze klacht zou behandelen, zou via de omweg van een motiveringsklacht de juistheid van de door het hof gegeven toepassing van het Zuid-Afrikaanse recht alsnog worden getoetst. 4.9 Voor de volledigheid merk ik op dat het hof m.i. terecht heeft overwogen dat uit (punt 26 van) de opinie van 2 maart 2017 – die in voetnoot 8 verwijst naar Zuid-Afrikaanse jurisprudentie – niets anders volgt dan dat de Curatoren naar Zuid-Afrikaans recht beheers- en beschikkingshandelingen kunnen verrichten met betrekking tot in het buitenland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, voor zover zij daartoe naar het recht van dat vreemde land (“the relevant foreign law”) bevoegd zijn. Anders dan Corpag c.s. betogen, betreft het hier dus niet een redenering die door het hof “zelf is bedacht”. 4.10 De Zuid-Afrikaanse jurisprudentie waarnaar Corpag c.s. zelf in feitelijke aanleg hebben verwezen, maakt het voorgaande niet anders. Uit de twee aangehaalde uitspraken volgt slechts dat de Zuid-Afrikaanse rechter aan een buitenlandse rechter verzoeken om erkenning van en assistentie in een Zuid-Afrikaans faillissement kan doen, wanneer dat naar het recht van dat vreemde land een voorwaarde is om de curatoren in staat te stellen hun bevoegdheden daar uit te oefenen. Hierin zie ik een bevestiging dat de uitleg die het hof op basis van de opinie van 2 maart 2017 aan het Zuid-Afrikaanse faillissementsrecht heeft gegeven, juist is. 4.11 Aangezien de Curatoren noch naar Zuid-Afrikaans recht noch naar Curaçaos recht van de Zuid-Afrikaanse rechter voorafgaande toestemming nodig hadden om in Curaçao beheers- en beschikkingshandelingen te kunnen verrichten, is de in het middel opgeworpen vraag wiens belang een dergelijke rechtsgang normaal gesproken dient (het belang van de failliet en/of het belang van de gezamenlijke schuldeisers) een zuiver hypothetische vraag die geen bespreking behoeft. De klacht tegen de een na laatste volzin van rov. 2.10 hebben faalt dan ook bij gebrek aan belang, temeer nu het daar een overweging ten overvloede betreft. Onderdeel II – Oprichtersrechten 4.12 Onderdeel II bevat klachten tegen negen rechtsoverwegingen, te weten rov. 2.15 en 2.17 t/m 2.24. Klachten tegen rov. 2.15, 2.17, 2.18 en 2.22 4.13 Het onderdeel richt allereerst een waaier aan klachten tegen rov. 2.15, 2.17, 2.18 en 2.22, die volgt luiden: “2.15 De statuten van RSA vermelden in art. 2 niets waaruit kan worden afgeleid dat het doel van RSA in enig opzicht afwijkt van het doel de belangen van de ultimate beneficial owner te dienen bij het maken van "distributions out of its assets". De bevoegdheden die art. 5 van de statuten aan de oprichter toekent, geven de oprichter volledige zeggenschap over RSA . Art. 10 lid 2 van de statuten maakt het mogelijk dat deze bevoegdheden worden overgedragen aan de ultimate beneficial owner. De combinatie van art. 5 en 10 van de statuten maakt het mogelijk de volledige zeggenschap over RSA aan de ultimate beneficial owner toe te kennen zonder dat deze in de statuten wordt genoemd. Bij het pleidooi in hoger beroep heeft mr. Aardenburg opgemerkt dat de naam van de ultimate beneficial owner in de praktijk niet in de statuten van een stichting particulier fonds pleegt te worden genoemd, omdat deze statuten openbaar worden gemaakt. Het Hof merkt op dat voor de trust geldt dat de naam van de insteller of de begunstigde niet bekend behoeft te worden gemaakt (vergelijk art. 5 lid 2, tweede en derde zin, Handelsregisterverordening, zoals gewijzigd bij PB 2001 no. 67, met art. 21 lid 2 Handelsregisterbesluit 2009, PB 2009 no. 71). (…) 2.17 In de letter of wishes duidt [betrokkene 1] zichzelf aan als de "sole holder of the Founders Authorities". Dit betekent dat hij volgens die door RSA voor akkoord ondertekende brief geldt als degene die door de combinatie van art. 5 en 10 van de statuten de volledige zeggenschap over RSA heeft. Hij geeft in de brief ook "instructions". Weliswaar staat aan het slot van de letter of wishes dat RSA (of het bestuur van RSA ) niet rechtens gebonden is aan de "wishes" van [betrokkene 1] en dat het bestuur van RSA zijn statutaire bevoegdheden kan uitoefenen, maar gelet op de inhoud van de statuten, zoals hiervoor in rov. 2.15 omschreven en gelet op de aard van de dienstverlening van een trustkantoor, komt daaraan in normale omstandigheden geen of geringe betekenis toe. 2.18 Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] een zodanige contractueel gevestigde zeggenschap heeft verkregen over RSA en over het vermogen van RSA dat sprake is van in Curaçao aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, en dat de curatoren met betrekking tot dat vermogen beheers- en beschikkingshandelingen kunnen verrichten. (…) 2.22 Voor het hiervoor in rov. 2.18 gegeven oordeel is ook niet van belang dat er geen akte is aangetroffen waarbij oprichtersrechten van Corporate Agents aan [betrokkene 1] zijn overgedragen. Opnieuw geldt immers dat dit er niet aan af doet dat hij de hiervoor omschreven (contractueel gevestigde) zeggenschap heeft. Om dezelfde reden is niet van belang of een eventueel recht van [betrokkene 1] op levering van oprichtersrechten is verjaard.” 4.14 Ik stel het volgende voorop. Waar Corpag c.s. in hun schriftelijke toelichting stellen dat onderdeel II is gericht tegen “de beslissingen van het Hof in rov. 2.14-2.24”, miskennen zij dat zij in het cassatierekest de rov. 2.14 en 2.16 niet hebben bestreden. Die twee rechtsoverwegingen luiden als volgt: “2.14 Beoordeeld dient te worden wat tussen [betrokkene 1] enerzijds en RSA c.s. anderzijds is overeengekomen. Uit overeenkomsten kunnen immers vermogensrechten voortvloeien. Hiertoe moeten de statuten van RSA in samenhang beschouwd worden met de source of wealth declaration en de letter of wishes. Daarbij is ook de aard van de dienstverlening van een trustkantoor van belang, omdat die nadere invulling geeft aan hetgeen geacht moet worden tussen [betrokkene 1] enerzijds en RSA c.s. anderzijds te zijn overeengekomen, gelet op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs mogen verwachten en moeten begrijpen in verband met de aard van de dienstverlening. (…) 2.16 De source of wealth declaration stelt buiten twijfel dat [betrokkene 1] ultimate beneficial owner van RSA is en blijft. Nu niets is aangevoerd ten betoge van het tegendeel, wordt dit geacht tussen [betrokkene 1] en RSA c.s. te zijn overeengekomen.” 4.15 Het hof is op grond van een samenstel van factoren tot de conclusie gekomen zeggenschap over RSA heeft: (
- i)de statuten van RSA , (
- ii)de source of wealth declaration en (iii) de letter of wishes, waarbij het ook (
- iv)de aard van de dienstverlening van een trustkantoor van belang acht. Corpag c.s. richten enkele motiveringsklachten tegen dit oordeel. Die klachten falen. 4.16 Ad (
- i)- de statuten van RSA: zoals het hof in rov. 2.15 heeft vastgesteld, kent art. 5 van de statuten aan de oprichter rechten toe die met zich brengen dat de oprichter volledige zeggenschap heeft over RSA . Art. 10 lid 2 bepaalt in aanvulling daarop dat de oprichter een of meer opvolgers kan benoemen, die zodra hun benoeming aan het bestuur is bekendgemaakt, de plaats van de oorspronkelijke oprichter zullen innemen (“who shall as from the date that the appointment is made known to the board, take the place instead of the original Founder, including the authority to appoint a successor”). Het oordeel van het hof in rov. 2.15 – dat het mogelijk is om (middels de oprichtersrechten) de volledige zeggenschap over RSA aan de ultimate beneficial owner toe te kennen zonder dat deze in de statuten wordt genoemd – is gelet hierop niet onjuist of onbegrijpelijk. Anders dan Corpag c.s. stellen, blijkt nergens uit dat het hof bij de uitleg van de statuten een onjuiste maatstaf zou hebben aangelegd. 4.17 Het oordeel van het hof in rov. 2.22 dat niet van belang is dat er geen overdrachtsakte is aangetroffen waarbij de oprichtersrechten van Corporate Agents aan [betrokkene 1] zijn overgedragen, acht ik evenmin onjuist of onbegrijpelijk. Uit de statuten van RSA volgt immers dat de opvolgend oprichter wordt benoemd. Een overdracht bij akte is kennelijk niet noodzakelijk. Het hof heeft daarom het betoog van Corpag c.s. over de onoverdraagbaarheid van oprichtersrechten buiten beschouwing mogen laten. 4.18 Ad (
- ii)- de source of wealth declaration: het oordeel van het hof in rov. 2.16 dat de source of wealth declaration buiten twijfel stelt dat [betrokkene 1] ultimate beneficial owner van RSA is en blijft, is als gezegd in cassatie onbestreden. 4.19 Ad (iii) - de letter of wishes: op 13 juli 2009 – een kleine drie weken na de oprichting van RSA – heeft [betrokkene 1] een door hem ondertekende letter of wishes aan (het bestuur van) RSA gezonden, waarin hij zich ondubbelzinnig als enig houder van de oprichtersrechten en dus als (opvolgend) oprichter van RSA presenteert. Het bestuur van RSA ( Covenant Managers ) heeft de letter of wishes ter goedkeuring getekend (zie hiervoor, 1.9). Nu de statuten van RSA de oprichter volledige zeggenschap over RSA geven (zie hiervoor, 4.16), is het oordeel in rov. 4.17 dat [betrokkene 1] volgens de letter of wishes – waarin hij zich als oprichter presenteert – geldt als degene die door de combinatie van art. 5 en 10 van de statuten de volledige zeggenschap over RSA heeft, niet onjuist of onbegrijpelijk. 4.20 Het oordeel van het hof met betrekking tot de statuten en dat met betrekking tot de letter of wishes sluiten op elkaar aan. Op grond van de statuten heeft de oprichter de volledige zeggenschap over RSA en kan de oprichter een opvolgend oprichter benoemen; in de letter of wishes presenteert [betrokkene 1] zich als oprichter dan wel opvolgend oprichter van RSA , die de “sole control authorities on the assets (either contributed or distributed) of RSA Private Foundation” heeft. 4.21 Evenmin is onjuist of onbegrijpelijk het oordeel in rov. 2.17 dat in normale omstandigheden geen of geringe betekenis toekomt aan het feit dat aan het slot van de letter of wishes staat vermeld dat RSA niet is gebonden aan de daarin vastgelegde wishes van [betrokkene 1] . Onbestreden staat vast dat de (opvolgend) oprichter volledige zeggenschap over RSA heeft. Daaraan wordt niet afgedaan door de stelling van Corpag c.s. dat het bestuur van RSA zelfstandig beslissingen neemt. 4.22 Ad (
- iv)- de aard van de dienstverlening van een trustkantoor: het hof heeft in rov. 2.17 geoordeeld dat, mede gelet op de aard van de dienstverlening van een trustkantoor, in normale omstandigheden geen of geringe betekenis toekomt aan het feit dat in de letter of wishes staat vermeld dat RSA niet is gebonden aan de wishes van [betrokkene 1] . Tegen dit oordeel is, voor wat betreft de verwijzing naar de aard van de dienstverlening van een trustkantoor, geen klacht gericht. Dat lijkt mij terecht. 4.23 Gelet op de in rov. 2.14 geformuleerde en onbestreden beoordelingsmaatstaf en op hetgeen ik zojuist heb opgemerkt over de elementen (
- i)t/m (
- iv)acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.18 tot het (feitelijk) oordeel is gekomen dat [betrokkene 1] en RSA c.s. zijn overeengekomen dat hij “contractueel gevestigde zeggenschap” heeft over RSA . 4.24 In genoemd oordeel ligt m.i. besloten dat het hof aannemelijk heeft geacht dat oprichter Corporate Agents in de periode tussen de oprichting van RSA op 25 juni 2009 en de letter of wishes van 13 juli 2009 conform art. 10 lid 2 van de statuten (
- a)[betrokkene 1] tot opvolgend oprichter van RSA heeft benoemd en (
- b)van die benoeming mededeling heeft gedaan aan de bestuurder Covenant Managers . Bij gebreke aan een dergelijke benoeming en een daaropvolgende mededeling mag immers worden aangenomen dat Covenant Managers de letter of wishes van [betrokkene 1] niet ter goedkeuring zou hebben ondertekend. Bestaande praktijk is (zie ook hiervoor, 3.4), dat omwille van de anonimiteit een trustkantoor wordt ingeschakeld om een SPF op te richten en te besturen en pas daarna de insteller – ongemerkt – tot (opvolgend) oprichter wordt benoemd nadat hij een letter of wishes aan het bestuur van de SPF heeft afgegeven. Klachten tegen rov. 2.19 en 2.20 4.25 Rov. 2.19 en 2.20 van het bestreden vonnis luiden als volgt: “2.19 Door de faillietverklaring heeft [betrokkene 1] van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot de failliete boedel behorende vermogen verloren, en hebben de curatoren die beschikking en dat beheer verkregen. De in de letter of wishes opgenomen voorziening dat in geval van faillissement van [betrokkene 1] zijn echtgenote de oprichtersrechten overneemt, is in strijd met deze regel van dwingend recht. Daarom staat die voorziening niet in de weg aan voornoemd oordeel. 2.20 De omstandigheid dat art. 10 lid 1 van de statuten vermeldt dat de oprichtersrechten persoonlijk zijn, staat aan voornoemd oordeel evenmin aan de weg. Deze vermelding doet er immers niet aan af dat [betrokkene 1] de zeggenschap over RSA heeft die hiervoor is omschreven. De omstandigheid dat art. 10 lid 1 van de statuten vermeldt dat de oprichtersrechten worden opgeschort bij faillissement van de oprichter, staat aan voornoemd oordeel ook niet in de weg. Deze vermelding laat onverlet dat de faillietverklaring van [betrokkene 1] het dwingendrechtelijke gevolg heeft dat de curatoren met betrekking tot het vermogen van [betrokkene 1] beheersen beschikkingshandelingen kunnen verrichten, ook waar dit de zeggenschap van [betrokkene 1] over RSA en het vermogen van RSA betreft.” 4.26 Corpag c.s. klagen dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot de failliete boedel behorende vermogensbestanddelen heeft verloren. Eveneens onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn het oordeel van het hof dat de voorzieningen, die in de letter of wishes en art. 10 lid 1 van de statuten van RSA zijn getroffen voor het geval [betrokkene 1] failliet zou worden verklaard, daaraan niet afdoen. 4.27 De aangevochten oordelen zien op de uitleg en de toepassing van Zuid-Afrikaans recht. Dat blijkt uit de in cassatie onbestreden rov. 2.8, waarin het hof heeft geoordeeld dat de Curatoren beheers- en beschikkingshandelingen kunnen verrichten, mits zij daartoe naar het recht van Zuid-Afrika bevoegd zijn (zie hiervoor, 4.5). Ook deze rechtsklacht stuit af op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. 4.28 De motiveringsklacht dat het hof niet duidelijk maakt uit welke regel van Zuid-Afrikaans recht zou volgen dat het faillissement van [betrokkene 1] tot gevolg heeft dat de Curatoren met betrekking tot zijn vermogen beheers- en beschikkingshandelingen kunnen verrichten, waardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, faalt eveneens. Daartoe geldt allereerst dat in de klacht niet wordt toegelicht dat en op grond van welke regel van Zuid-Afrikaans recht het faillissement van [betrokkene 1] niet tot gevolg heeft dat hij het beheer en de beschikking over zijn vermogen verliest. Voor zover de klacht niet reeds daarop strandt, komt daarbij dat de Curatoren in hoger beroep aan de hand van een tweetal opinies van het kantoor Baker McKenzie (Zuid-Afrika) hebben toegelicht dat (
- i)uit art 20