Nr. 17/00466 B Zitting: 8 januari 2019 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klaagster] De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 25 januari 2017 de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag, voor zover dit strekte tot opheffing van het beslag op en teruggave aan haar van een drietal horloges en van (de resterende opbrengst van) een onder haar inbeslaggenomen auto. Voor het overige is het klaagschrift van de klaagster gegrond verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 3Omvang van het beroep Hoewel het cassatieberoep blijkens de daarvan opgemaakte akte onbeperkt is ingesteld, komt het middel enkel op tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen auto c.q. de (resterende) opbrengst ervan. Enig belang bij cassatie heeft de klaagster mijns inziens ook niet bij haar cassatieberoep voor zover dat zich richt tegen de partiële gegrondverklaring van haar klaagschrift en tegen de niet-ontvankelijkheidsbeslissing ten aanzien van de reeds aan haar teruggegeven horloges. In cassatie gaat het dus enkel om de inbeslaggenomen auto c.q. de (resterende) opbrengst ervan. 4Relevante feiten en omstandigheden 4.1. Blijkens de bestreden beschikking gaat het om een Porsche Cayenne, met kenteken [kenteken], die op 21 januari 2008 op de voet van art. 94a Sv in beslag is genomen. Dit beslag diende tot bewaring van het recht op verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 4.2. Uit de stukken die op de voet van art. 447 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden kan verder het volgende worden afgeleid. [betrokkene 1] is ex-partner van de klaagster en een van de veroordeelden in het strafrechtelijk onderzoek verricht onder de naam Palm Invest. Tijdens dat onderzoek is de klaagster als verdachte naar voren gekomen. Vervolgens is in een Tripartite Overleg van 16 december 2008 besloten dat ook tegen de klaagster een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Het onderzoek tegen de klaagster werd (van meet af aan) afgesplitst van het onderzoek Palm Invest en vond plaats onder een eigen, nieuw dossiernummer. De verdenkingen jegens de klaagster bestonden hieruit dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan – kort gezegd – witwassen (van onder meer een Porsche Cayenne) en valsheid in geschrifte. Uiteindelijk is de klaagster bij vonnis van 24 mei 2016 – welk vonnis ook aan de schriftuur is gehecht – door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor een aantal van de feiten die haar ten laste waren gelegd. 4.3. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat op de Porsche Cayenne conservatoir beslag is gelegd tot bewaring van het recht op verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de stukken blijkt niet dat daarnaast in het strafrechtelijk onderzoek tegen de klaagster op enig moment op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op de auto of dat conservatoir beslag is gelegd op de auto tot bewaring van het recht op verhaal van een aan de klaagster zelf op te leggen geldboete en of betalingsverplichting ex art. 36e en of 36f Sr. Dat dit wel het geval is, is noch in het klaagschrift, noch tijdens de behandeling in raadkamer aangevoerd. Er kan dus vanuit worden gegaan dat enkel in het strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] conservatoir beslag op de auto is gelegd. 4.4. De rechtbank stelt in haar beschikking dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer gebleken is dat op de Porsche Cayenne op 21 januari 2008 “onder klaagster” beslag is gelegd. Steun voor de vaststelling dat de auto onder de klaagster in beslag is genomen, heb ik echter in de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet aangetroffen. Bij de als bijlage bij het klaagschrift gevoegde lijst van onder de klaagster inbeslaggenomen voorwerpen (productie 1) komt de auto niet voor. Dat stemt overeen met het “Proces-verbaal en kennisgeving conservatoir beslag ex art. 94a Sv onder de verdachte”, waarin [betrokkene 1] als de verdachte wordt aangemerkt en waarin wordt vermeld dat de auto op 21 januari 2008 te Almere conservatoir in beslag is genomen. Onder het kopje “De beslagene” wordt vervolgens gesteld: “Het beslag wordt hierbij gelegd onder de verdachte voornoemd”. Gewezen kan ook worden op het “Proces-verbaal van ambtshandeling inzake Porsche met kenteken [kenteken]” met dossiernummer 39564 en codenummer AH-135, opgemaakt en getekend op 15 april 2008 door verbalisant [verbalisant], dat inhoudt dat de Porsche Cayenne op 21 januari 2008 tijdens een doorzoeking bij Palm Invest BV te Hilversum in beslag is genomen. In de “Reactie OM op het klaagschrift beslag” ten slotte wordt vermeld dat op de Porsche Cayenne op 21 januari 2008 conservatoir beslag is gelegd onder [betrokkene 1]. De vraag is of er in cassatie desondanks vanuit moet worden gegaan dat de auto onder de klaagster in beslag is genomen. Die vraag is niet van belang ontbloot, zoals uit het navolgende moge blijken. 5De status van het beslag 5.1. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat de klaagster ten behoeve van de aanschaf van de Porsche Cayenne een Peugeot met een inruilwaarde van € 20.000,- heeft ingeruild en dat voorts een bedrag van € 37.157,- door [betrokkene 1] is betaald. Het resterende aankoopbedrag (€ 17.843,-) is gefinancierd door middel van een financial leasecontract tussen PSA Finance B.V. en [A], het bedrijf van de klaagster. 5.2. Volgens het openbaar ministerie is ten behoeve van de lease een pandrecht gevestigd op de auto. De Porsche is na de inbeslagneming ervan kennelijk op grond van dit pandrecht op last van PSA Financial B.V. verkocht voor een bedrag van € 32.500,-. Na aftrek van de openstaande kosten van PSA Financial B.V. bleef een bedrag van € 4.237,90 over. Dit bedrag is overgemaakt naar een bankrekening van het openbaar ministerie en ingeboekt als conservatoir beslag ten laste van [betrokkene 1]. Uiteindelijk werd het restantbedrag van € 4.237,90 overgedragen aan de curator in het faillissement van Palm Invest. 5.3. Als ik het goed zie betrof de verkoop van de Porsche Cayenne niet een strafrechtelijke vervreemding ex art. 117 Sv, maar een – door het civiele recht genormeerde – parate executie van het pandrecht dat op de auto was gevestigd. Uit art. 3:248 lid 1 BW volgt dat een pandhouder bevoegd is de verpande zaak te verkopen en het hem verschuldigde bij voorrang te verhalen op de opbrengst daarvan. De pandhouder kan zijn bevoegdheid uitoefenen zodra de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van de vordering; een executoriale titel heeft hij daarvoor niet nodig en het is evenmin nodig dat hij eerst beslag legt op de verpande zaak. 5.4. Met de strafvordering heeft de verkoop van de onder de klaagster inbeslaggenomen Porsche Cayenne dus niet van doen. De vraag is niettemin welk gevolg de uitwinning van het pandrecht op de auto heeft voor het strafvorderlijk conservatoir beslag dat gelegd is op die auto. Wanneer op een reeds verpande zaak een beperkt recht wordt gevestigd of beslag wordt gelegd, dan heeft de verkoop van de verpande zaak door de pandhouder om zich op de opbrengst te verhalen tot gevolg dat het later gevestigde beperkte recht of het later gelegde beslag teniet gaat. Dit volgt volgens Van Mierlo uit art. 3:253 lid 1 BW, waarin met verwijzing naar art. 490b Rv een regeling wordt gegeven ten aanzien van pandhouders of andere beperkt gerechtigden wier recht op het goed door de executie is vervallen. De koper verkrijgt de zaak dus onbezwaard en de pandhouder en vervolgens de beslaglegger kunnen hun vorderingen waarvoor het pandrecht was gevestigd respectievelijk het beslag was gelegd verhalen op de executieopbrengst (art. 480 e.v. Rv). Art. 490b Rv bepaalt in dit verband dat de pandhouder het executieoverschot (de verkoopopbrengst verminderd met de door pand gedekte vordering en kosten) dient uit te keren aan de beslaglegger. 5.5. Klaarblijkelijk heeft PSA Financial B.V. toepassing gegeven aan het bepaalde in art. 490b Rv, door het executieoverschot van € 4.237,90 over te maken op een bankrekening van het openbaar ministerie. Nu het openbaar ministerie enkel conservatoir beslag had gelegd op de Porsche Cayenne en nog niet executiebevoegd was, lijkt het mij dat het niet anders kan zijn dan dat het openbaar ministerie door het geldbedrag te “boeken” als conservatoir beslag, dit bedrag onder zich heeft gehouden tot bewaring van het recht op verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel. 5.6. Ik kom met betrekking tot de status van het beslag tot de volgende tussenconclusie. Met de executieverkoop van de Porsche Cayenne is het daarop gelegde strafvorderlijk conservatoir beslag komen te vervallen. Vervolgens is conservatoir beslag komen te rusten op het executieoverschot van € 4.237,90 dat op de bankrekening van het openbaar ministerie is overgemaakt. 5.7. Het bedoelde geldbedrag is door het openbaar ministerie overdragen aan de curator in het faillissement van Palm Invest. Uit door mij ingewonnen inlichtingen omtrent de ‘status van het beslag’ kan worden afgeleid dat de verdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de zaak Palm Invest in een vaststellingsovereenkomst met de curator afstand hebben gedaan van al de inbeslaggenomen voorwerpen, om die te laten overdragen aan de curator in het faillissement van Palm Invest. Hoe dat moet worden begrepen, is mij niet geheel duidelijk geworden. Zo is onduidelijk of door [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] tevens – al dan niet op de voet van art. 116 lid 2 Sv – afstand van het executieoverschot is gedaan tegenover de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar. Kennelijk echter heeft het openbaar ministerie op grond van de vaststellingsovereenkomst aangenomen dat dit executieoverschot tot de failliete boedel van Palm Invest behoorde en om die reden het geldbedrag van € 4.237,90 aan de curator overgedragen. Met die gang van zaken is mijns inziens het standpunt dat het openbaar ministerie impliciet lijkt in te nemen in de “Reactie OM op klaagschrift beslag”, namelijk dat op dit geldbedrag nog steeds conservatoir beslag rust ten laste van [betrokkene 1], niet te rijmen. Het openbaar ministerie heeft het geldbedrag immers niet meer onder zich (dat geldbedrag is ‘teruggegeven’ aan de curator), terwijl een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting niet verhaald worden op het vermogen van Palm Invest. Bovendien treedt het faillissement van Palm Invest, als algemeen beslag, in de plaats van de maatregelen van executie die de schuldeisers tevoren afzonderlijk konden nemen, zodat een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag ten gevolge van het faillissement vervalt. De Hoge Raad zou het er daarom voor kunnen houden dat het conservatoir beslag op het executieoverschot van € 4.237,90 inmiddels is geëindigd. 5.8. De vraag is of de klaagster op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard in haar beklag. Ik meen dat dit niet het geval is, tenminste niet als vastgehouden wordt aan de vaststelling van de rechtbank dat de Porsche Cayenne onder de klaagster in beslag is genomen. Nu het hier gaat om de (resterende) opbrengst van die auto lijkt het mij dat de klaagster ook heeft te gelden als degene onder wie die resterende opbrengst in beslag is genomen. Het zou hoogst onbevredigend zijn als zij haar positie als beslagene door de gang van zaken zou hebben verloren. Dat betekent dat het openbaar ministerie die positie had moeten respecteren toen het op grond van de tussen de curator van Palm Invest enerzijds en [betrokkene 2] en [betrokkene 1] anderzijds gesloten vaststellingsovereenkomst tot de slotsom kwam dat het geldbedrag aan de curator – en dus aan een ander dan de beslagene – diende te worden ‘teruggegeven’. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat het openbaar ministerie de klaagster overeenkomstig het bepaalde in art. 116 lid 3 Sv kennis heeft gegeven van zijn voornemen het geldbedrag terug te geven aan de curator. 5.9. Het is bestendige jurisprudentie dat wanneer de beslagene op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indient waarin hij opkomt tegen het beslag en teruggave verzoekt van een onder hem inbeslaggenomen voorwerp waarvan het openbaar ministerie inmiddels de teruggave heeft geëffectueerd aan een ander, doch daarbij geen toepassing heeft gegeven aan art. 116 lid 3 Sv, het klaagschrift van de beslagene het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven. In dat geval wordt er gehandeld als ware het inbeslaggenomen voorwerp nog niet teruggegeven. 5.10. De voortijdige teruggave kan zo gezien geen grond opleveren om de klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep. Die conclusie staat of valt echter met de vraag of in cassatie moet worden vastgehouden aan de vaststelling van de rechtbank dat de Porsche Cayenne onder de klaagster in beslag is genomen. Er zijn redenen om aan de juistheid van die vaststelling te twijfelen (hiervoor, onder 4.4). Ik kan mij daarom voorstellen dat de Hoge Raad – die in het kader van de vraag naar ontvankelijkheid van het cassatieberoep een zelfstandig onderzoek naar de feiten verricht – tot het oordeel komt dat de bedoelde vaststelling op een kennelijke misslag berust en dat de klaagster derhalve niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen. Een ander oordeel lijkt mij echter ook verdedigbaar. Tot uitgangspunt zou kunnen worden genomen dat alleen in min of meer evidente gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheid die wordt uitgesproken op basis van een door de Hoge Raad zelf ingesteld feitenonderzoek. In twijfelgevallen zou dan de conclusie moeten zijn dat er onvoldoende grond is om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep. Die benadering heeft mijn voorkeur, ook omdat daardoor wordt voorkomen dat door de Hoge Raad en het parket onevenredig veel tijd en energie in de ontvankelijkheidsvraag moet worden gestoken. Ik meen daarbij – zij het niet zonder aarzeling – dat er in dit geval teveel haken en ogen kleven aan in het bijzonder het feitelijke oordeel dat de Porsche Cayenne niet onder de klaagster in beslag is genomen om op grond daarvan de klaagster niet in haar beroep te ontvangen. 6De beklagtermijn in geval van premature teruggave aan een ander 6.1. De rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag voor zover het strekt tot opheffing van het beslag op en teruggave aan haar van de resterende opbrengst van de Porsche Cayenne, omdat dat beklag niet binnen de door art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn is gedaan. Tegen dat oordeel komt het middel op. Voordat ik aan de eigenlijke bespreking van het middel toekom, behandel ik eerst de vraag of de termijnen van art. 552a Sv wel van toepassing zijn. Die vraag is aan de orde als de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat er weliswaar geen conservatoir beslag meer op het executieoverschot van de auto rust, maar dat de klaagster desondanks in haar beklag kan worden ontvangen doordat het openbaar ministerie art. 116 lid 3 Sv niet heeft nageleefd. In dat geval moet er immers vanuit worden gegaan dat het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift het rechtskarakter heeft van een beklag gedaan op de voet van art. 116 lid 3 Sv. De vraag is of het beklag in een dergelijk geval ook gebonden is aan de in art. 552a Sv genoemde termijnen. 6.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende bepalingen van belang: - Art. 552a Sv, dat voor zover hier van belang luidt: “1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, (….). (…) 3. Het klaagschrift (…) wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (…) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift (…) is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.” - Art. 116, dat voor zover hier van belang luidt: “2. Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie: a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; (…) 3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is Titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing. (…)” 6.3. Het derde lid van art. 116 Sv stelt dus een eigen termijn aan de mogelijkheid voor de beslagene om een klaagschrift in te dienen tegen het voornemen van het openbaar ministerie om het voorwerp te doen teruggeven aan ander: binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van dit voornemen. Voorts verklaart deze bepaling art. 552a e.v. Sv van overeenkomstige toepassing op – kort gezegd – beklag door de beslagene tegen het voornemen tot teruggave aan een ander. De vraag is wat deze ‘overeenkomstige toepassing’ betekent voor de termijn waarbinnen door de beslagene beklag moet worden gedaan. Een antwoord op deze vraag heb ik in de jurisprudentie niet kunnen vinden. 6.4. In HR 1 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5857 is bepaald dat de beslagene aan wie een kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv is gedaan, doch die zich niet binnen de in die bepaling gestelde termijn van veertien dagen heeft beklaagd over het voornemen van de officier van justitie tot teruggave aan een ander, na het verstrijken van de in art. 116 lid 3 Sv genoemde termijn van veertien dagen niet meer kan worden ontvangen in een nadien, op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van het onder hem inbeslaggenomen voorwerp, ook al heeft de officier van justitie ten tijde van de indiening van het klaagschrift nog geen uitvoering gegeven aan zijn voornemen. Hoewel op het voorwerp nog steeds beslag rust, kan de beslagene dus niet meer klagen. 6.5. Anderzijds is het – zoals onder 5.9 besproken – zo dat wanneer geen beslag meer rust op het voorwerp omdat het al aan een ander is teruggegeven, dit “einde beslag” niet kan worden tegenworpen aan de beslagene aan wie van het voornemen als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv niet (schriftelijk) is kennisgegeven en die op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indient strekkende tot teruggave aan hem van het onder hem inbeslaggenomen voorwerp. Zijn klaagschrift heeft dan het rechtskarakter van een beklag gedaan op de voet van art. 116 lid 3 Sv. Die gelijkstelling in rechtskarakter betekent naar mijn mening niet dat gefingeerd moet worden dat de officier van justitie wél kennis heeft gegeven van zijn voornemen het voorwerp aan een ander terug te geven. Van de beklagrechter wordt niet verlangd dat hij de werkelijkheid geweld aandoet. Van een beklag dat zich daadwerkelijk tegen het voornemen van de officier van justitie richt, is geen sprake. Daarom kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de regeling van de beklagtermijn in art. 116 lid 3 Sv op het beklag van toepassing is. Juist omdat de vereiste schriftelijke kennisgeving achterwege is gebleven, ontbeert die termijn een beginpunt. Dat zou anders zijn als men een kennisgeving fingeert en daarbij fingeert dat die kennisgeving is gedaan op het moment waarop zij had moeten worden gedaan (uiterlijk veertien dagen voor de daadwerkelijke teruggave). Het zou echter apert onredelijk zijn om de klager een termijn tegen te werpen waarmee hij niet bekend kon zijn. Met de door de Hoge Raad voor juist gehouden gelijkstelling in rechtskarakter schiet hij dan in feite niets op. 6.6. De vraag is of het feit dat de beklagtermijn van art. 116 lid 3 Sv niet van toepassing is, meebrengt dat het beklag aan geen enkele termijn is onderworpen. Art. 116 lid 3 Sv bepaalt weliswaar dat titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing is, maar dat kan moeilijk betekenen dat ook de termijnregeling van art. 552a Sv van overeenkomstige toepassing is. Art. 116 lid 3 Sv kent immers een eigen termijn. Toch meen ik dat het beklag gebonden is aan de termijnen die in het derde en vierde lid van art. 552a worden gesteld. Ook hier geldt dat niet gefingeerd dient te worden dat sprake is van een beklag dat op art. 116 lid 3 Sv is gebaseerd. Het gaat ‘gewoon’ om beklag ex art. 552a Sv. Dat beklag dient alleen wat het rechtskarakter ervan betreft, gelijkgesteld te worden aan een beklag ex art. 116 lid 3 Sv. Met die gelijkstelling is naar het mij voorkomt door de Hoge Raad beoogd dat bij de beoordeling van het beklag dezelfde criteria moeten worden aangelegd die aangelegd moeten worden bij een beklag dat daadwerkelijk op art. 116 lid 3 Sv is gebaseerd. Voor zover er iets gefingeerd moet worden, is het dat er (alleen) bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het ex art. 552a Sv gedane beklag gedaan moet worden alsof het voorwerp nog niet is ‘teruggegeven’ in de zin van art. 134 Sv. 6.7. Ik kom dan ook tot de conclusie dat de termijnregeling van art. 552a Sv van toepassing is in een geval waarin de officier van justitie art. 116 lid 3 Sv niet heeft nageleefd. Dat is in mijn ogen ook een redelijke oplossing die in lijn is met de ratio legis van de wettelijke regeling. Een beklag dat aan geen enkele termijn is gebonden, past in die regeling slecht. 7De bespreking van het middel 7.1. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de klaagster niet-ontvankelijk is in haar beklag, op de grond dat zij haar klaagschrift niet binnen de in art. 552a lid 3 gestelde termijn van drie maanden heeft ingediend. 7.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in: “Beschikking naar aanleiding van een op 28 februari 2017 ter griffie van deze rechtbank ingediend klaagschrift, als bedoeld in artikel 552uu jo artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, van: (…) Inhoud klaagschrift en standpunt klaagster Het klaagschrift strekt tot teruggave van de onder klaagster in beslag genomen voorwerpen, te weten (…) Porsche Cayenne met kenteken [kenteken] c.q. het surplus van de opbrengst (…) Beoordeling Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op de Porsche Cayenne is op 21 januari 2008 onder klaagster beslag gelegd. Het betreft conservatoir beslag ten laste van [betrokkene 1]. (…) Ten aanzien van de Porsche Cayenne Blijkens artikel 552a lid 3 Sv kunnen derden die pretenderen een recht op voorwerpen te hebben bij reeds vervolgde zaken tot uiterlijk drie maanden na het einde van de vervolgde zaak een klaagschrift indienen. Onder het begrip ‘zaak’ dient in dit verband te worden verstaan het strafbare feit waarmee de inbeslagneming in verband staat. Hoewel de Porsche onder klaagster in beslag is genomen, is het conservatoire beslag ten laste van [betrokkene 1] gelegd. Het beslag is ook al in zijn strafzaak afgewikkeld. De strafzaak tegen [betrokkene 1] moet dan ook worden beschouwd als de ‘vervolgde zaak’ in genoemd wetsartikel. In de vervolgde zaak is op 7 juli 2015 arrest gewezen door de Hoge Raad, waarmee de veroordeling van [betrokkene 1] op die datum onherroepelijk is geworden. Nu het klaagschrift door klaagster pas op 5 september 2016 ter griffie is ingediend, is het niet binnen de daarvoor wettelijk gestelde termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak ingekomen. Dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar was, is de rechtbank niet gebleken. Nu het klaagschrift te laat is ingediend en geen gronden aanwezig zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, zal de rechtbank klaagster niet ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van haar beklag.” 7.3. Het uitgangspunt van de rechtbank dat in het onderhavige geval het derde lid van art. 552a Sv van toepassing is, en niet het vierde lid, wordt in de cassatieschriftuur niet aangevochten. Uit art. 552a lid 3 Sv volgt dat een klager niet in zijn beklag kan worden ontvangen indien zijn klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De vraag die het middel aan de orde stelt, is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het klaagschrift niet binnen drie maanden na “het einde van de vervolgde zaak” is ingekomen. 7.4. De steller van het middel klaagt erover dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip (het einde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.