Nr. 18/03585 Zitting: 2 april 2019 Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 7 maart 2018 door het hof Amsterdam wegens (zaak A) 1 primair. “afpersing”, (zaak A) 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, (zaak B) 1. “diefstal, voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden” en (zaak B) 2. “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest verwoord. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het gaat hier in de kern om twee overvallen in Amsterdam. Zaak A betreft een overval op een ING filiaal op 13 oktober 2016. In die zaak is de overval (feit A onder 1 primair) na politie-interventie beëindigd, heeft verdachte in de kern bekend (bewijsmiddel 9 van de aanvulling op het arrest van het hof ) en een gebruikt vuurwapen (feit A onder 3) is ter plaatse aangetroffen (bewijsmiddelen 7 en 8 van de aanvulling op het arrest). Zaak B betreft een daaraan enkele maanden voorafgaande overval op 20 juni 2016 op [A] (feit B onder 1 primair) en een daarmee nauw samenhangende wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit B2). Het bewijs van betrokkenheid van verdachte bestaat uit een aangetroffen DNA-spoor aangevuld met schakelbewijs (overeenkomsten met zaak A) (met name bewijsmiddelen 12, 14, 16 t/m 19 in de aanvulling op het arrest). In de zaak is verdachte vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit B onder 3). De middelen keren zich alle drie tegen de motivering van de bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Alvorens ik de middelen bespreek, geef ik hier eerst de bewezenverklaring, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer. Ten laste van de verdachte is in zaak B bewezenverklaard dat: “1: hij op 20 juni 2016 in de gemeente Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 9.875 euro, toebehorende aan [A], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte: - voorzien van donkere kleding en een opengeklapte paraplu en met een capuchon over zijn hoofd en met een sjaaltje voor zijn gezicht en een zwarte bril en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, het pand van [A] heeft betreden, en - het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft getoond en op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft gericht, en - tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd/geschreeuwd dat zij naar achteren moest lopen en 'slowly, slowly', tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft gezegd/geschreeuwd 'geld, geld, geld en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gezegd/geschreeuwd dat zij op de grond moesten gaan zitten, en - die [slachtoffer 2] aan de arm heeft vastgepakt, en - het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft doorgeladen, en - tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gezegd dat ze met het gezicht naar de muur moesten gaan zitten met de handen op de rug, en - de handen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met ductape heeft vastgebonden, en - tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen, en - de handen van die [slachtoffer 2] met ductape heeft vastgebonden, en - die [slachtoffer 2] hard in de rug heeft getrapt. 2: hij op 20 juni 2016 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door - die [slachtoffer 2] aan de arm vast te pakken, en - tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te zeggen dat ze met het gezicht naar de muur moesten gaan zitten met de handen op de rug, en - de handen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met ductape vast te binden, en - tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij op de grond moest gaan liggen, en - de handen van die [slachtoffer 2] met ductape vast te binden, en - die [slachtoffer 2] hard in de rug te trappen.” 7. Het hof heeft in een aanvulling op het arrest – voor zover voor de bespreking van de middelen relevant – de volgende bewijsmiddelen opgenomen, waarbij het hof heeft overwogen dat de bewijsmiddelen die ook relevant zijn voor hetgeen overigens is bewezen verklaard tevens redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten: “(…) 12. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2016133247-6 van 20 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , p. 43-48 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [slachtoffer 2] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven: (…). Hij had zwarte schoenen met een rood embleem op de zijkant en een dunne witte zool. Tussen de schoen en de zool zat een dun soort foam-randje. Het waren veterschoenen. Ik weet het zo goed omdat ik op de grond heb gelegen en toen alleen zijn schoenen zag. Zijn wapen was zilverkleurig en vrijwel even groot als zijn hand, het wapen stak wel ietsje uit. (…) 14. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016 133 247, van 2 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , p. 9-19 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als mededeling van de verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op maandag 20 juni 2016 heeft omstreeks 12:42 uur bij [A] op het [adres] te Amsterdam een gewapende overval plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze overval zijn op last van de Officier van Justitie diverse camerabeelden gevorderd van winkels in de directe omgeving van de plaats delict. Ook is gebruik gemaakt van de aanwezige camera’s (CCTR) die zich ten behoeve van de openbare orde op het [adres] bevinden. Algemene beschrijving camerabeelden De verdachte komt op 20 juni 2016 om 12:28:16 uur voor de eerste maal in beeld. De verdachte komt aangelopen vanuit de richting van het Tussenmeer en loopt richting de fontein op het [adres]. Hij loopt langs de fontein en naar de ingang van [A]. Op de beelden is duidelijk te zien hoe de verdachte een zwarte paraplu boven zijn hoofd houdt. De verdachte staat vervolgens stil voor [A] (12:29:18 uur) en loopt hierop weg in de richting van de passage / onderdoorgang bij de Mc Donalds (12:30:36 uur). Hij slaat hier vervolgens linksaf en loopt langs het parkeerterrein en Used Products, waarop hij opnieuw in beeld komt bij één van de camera’s van de Hema (12:33:25 uur) (het hof begrijpt: de aan het [adres] te Amsterdam gelegen vestiging van de Hema). Hierna loopt hij opnieuw over het [adres] in de richting van [A]. Hierna loopt hij [A] binnen (12:35:50 uur) en loopt direct op medewerkster [slachtoffer 1] af. Hierna is te zien hoe de verdachte en medewerkster [slachtoffer 1] naar het magazijn lopen en uiteindelijk de kluisruimte/kantoor binnen gaan. Onder bedreiging van een zilverkleurige handvuurwapen nemen de medewerkers ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ) plaats op de grond van de kluisruimte/kantoor. Hierna werden de handen van de medewerkers samengebonden met tape/ducttape en moesten zij met hun gezicht naar de muur gaan zitten. De verdachte pakte hierop uit de geopende kluis sealbacks. Direct hierop verlaat de verdachte zonder zijn paraplu de kluisruimte en loopt hij via de laad- en losingang de achterzijde van [A] het beeld uit. Signalement verdachte - donkere zwarte jas, met capuchon op zijn hoofd - shawl voor zijn neus en mond - donkere joggingbroek - zwarte sportschoenen - atletisch gebouwd / afgetraind - ongeveer 1.85 meter lang Overige informatie - zwarte paraplu - klein zilverachtig handvuurwapen 15. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer PL1300-2016133247-3 van 22 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 20-22 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als mededeling van de verbalisanten, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op 20 juni 2016 is forensisch onderzoek verricht naar sporen in een bedrijfspand van winkelketen [A], gevestigd [adres 1] te Amsterdam. In het kantoor lag de paraplu die door de dader was gebruikt. De steel van de paraplu is met twee wattenstaafjes bemonsterd op lichaamseigen stoffen (DNA). Deze bemonsteringen zijn veiliggesteld, bij elkaar verpakt en voorzien van SIN- AAJW2298NL. 16. Een verslag van een deskundige, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Amsterdam op 20 juni 2016, van ing. M.J.W. Pouwels van 5 januari 2017 (p. 62-65 van het doorgenummerde dossier). Dit deskundigenverslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen en conclusies van de deskundige: DNA-onderzoek Op grond van het eerste resultaat van het standaard DNA-onderzoek is de bemonstering AAJW2298NL#01 (vanaf steel paraplu dader) onderworpen aan een zogenoemde LCN DNA-analyse. Resultaten, interpretatie en conclusie Van het (cel)materiaal in de bemonstering referentiemonster AAJW2298NL#01 is een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man. DNA-databank Uit dit DNA-mengprofiel is een combinatie van DNA-kenmerken afgeleid. Deze combinatie van afgeleide DNA-kenmerken is op 4 januari 2017 vergeleken met de in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken aanwezige DNA-profielen van personen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van onderstaande persoon: Achternaam : [verdachte] Voornaam : [...] Geboortedatum : [geboortedatum] 1983 SIN/Identiteitszegel : RABO0443NL Dit betekent dat deze persoon een van de donoren kan zijn van het celmateriaal in de bemonstering AAJW2298NL#01. Ten behoeve van het berekenen van de ordegrootte van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van [verdachte] RABO0443NL en het DNA- mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAJW2298NU01 zijn de volgende aannames gedaan: 1. de bemonstering AAJW2298NL#01 bevat celmateriaal van twee personen; 2. de personen in deze bemonstering zijn onderling niet aan elkaar verwant. Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar: hypothese I De bemonstering bevat celmateriaal van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon. hypothese II De bemonstering bevat celmateriaal van twee willekeurige onbekende personen. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljard keer waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is. 17. Een verslag van een deskundige, te weten een aanvullend rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, over het DNA-onderzoek van ing. M.J.W. Pouwels van 12 februari 2018 (los opgenomen in hofdossier). Dit deskundigenverslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Vraagstelling Advocaat-Generaal mr. J.B. Develing heeft op 7 februari 2018 verzocht om een aanvullend rapport over de berekende bewijskracht van de gevonden overeenkomsten en de wijze van interpretatie hiervan. Beantwoording Op grond van de gevonden match wordt geconcludeerd dat [verdachte] donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in de bemonstering AAJW2298NL#01. De bewijskracht van de gevonden match is berekend met de ‘likelihood ratio methode’. Deze methode berekent de kans op het waarnemen van het verkregen DNA-mengprofiel (alle waargenomen DNA-kenmerken) onder twee verschillende hypothesen. Hierbij is gebruik gemaakt van een rekenprogramma dat rekening houdt met het aantal donoren dat heeft bijgedragen aan een mengsel van DNA en de kansen op het optreden van complicerende neveneffecten. De gerapporteerde ordegrootte ‘ten minste één miljard keer waarschijnlijker’ geeft aan dat het ten minste één miljard keer waarschijnlijker is het DNA-mengprofiel te verkrijgen als de bemonstering DNA van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon bevat dan als de bemonstering geen DNA van [verdachte] bevat, maar DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. De ordegrootte ‘ten minste één miljard keer waarschijnlijker’ is de sterkste bewijskracht die door het NFI wordt gerapporteerd bij het gebruik van de ‘likelihood ratio berekening’ en komt overeen met een uitspraak in verbale termen van ‘extreem veel waarschijnlijker’. 18. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer 2016 133 247 van 3 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , p. 66-67 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als mededeling van de verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op maandag 20 juni 2016 omstreeks 12:42 uur heeft een gewapende overval plaatsgevonden bij [A], gelegen op het [adres] te Amsterdam. In het onderzoek zijn op last van de Officier van Justitie camerabeelden gevorderd. De verdachte komt [A] binnen lopen met een zwarte paraplu die hij na de overval heeft achtergelaten. Dit is duidelijk te zien op de camerabeelden en is afzonderlijk beschreven in het proces-verbaal van bevindingen - camerabeelden. Deze paraplu is ingenomen en onderzocht op DNA. Hieruit kwam een DNA-match met: Naam : [verdachte] Voornamen : [...] Geboren op : [geboortedatum] 1983 Geboren te : Tsjechoslowakije Onderzoek politiesystemen - overval ING - 2016 222 649 [verdachte] is op donderdag 13 oktober 2016 op heterdaad aangehouden na een gewapende overval op de ING bank gelegen aan Plein 40-45 te Amsterdam. Bij zijn aanhouding bleek verdachte [verdachte] in het bezit van een klein zilverkleurig vuurwapen. Overeenkomsten overvallen Er zijn overeenkomsten met betrekking tot beide overvallen: 1. Het postuur van de verdachte komt bij beide overvallen overeen; 2. Bij beide overvallen is gebruik gemaakt van een klein zilverkleurig vuurwapen; 3. Bij beide overvallen sprak de verdachte Engels. 19. De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting van 21 februari 2018, inhoudende: Op de foto’s (p. 178 dossier ING-zaak) van het vuurwapen dat de verdachte heeft gebruikt bij de overval op de ING Bank is te zien dat het gedeelte van dat wapen dat zichtbaar is wanneer het in de hand wordt gehouden zilverkleurig is, terwijl op dat zichtbare gedeelte duidelijk is vermeld “ZASTAVA CAL. 6.35”, alsmede dat daarop een figuur zichtbaar is waarvan niet uitgesloten is dat iemand daarin een “M” ziet. Op de foto (p. 20 dossier ING-zaak) van de schoenen die de verdachte droeg bij zijn aanhouding na de overval op de ING Bank is te zien dat dit zwarte veterschoenen zijn met een rood biesje en een dun soort witte foam-rand tussen de schoen en de zool. Bij het betreden door de verdachte van de zittingszaal en op de camerabeelden en stills van de overval op de ING Bank is te zien dat de verdachte enigszins wijdbeens loopt en staat, waarbij de bovenbenen niet bij elkaar komen en waarbij de voorkant van zijn voeten naar buiten is gericht, terwijl het hof dezelfde kenmerken waarneemt bij de dader op de camerabeelden en stills van de overval op [A] (stills van de camerabeelden in de ING-zaak en [A]-zaak waarop de stand van de benen en de voeten van de verdachte tijdens het lopen en stilstaan zichtbaar is, zijn door het hof aan het dossier toegevoegd). Op de camerabeelden van de overval op [A] is te zien dat de dader zwarte handschoenen draagt met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte / in het verlengde van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken, en, op de camerabeelden van de overval op de ING Bank, dat de verdachte bij die overval zwarte handschoenen heeft gedragen met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte / in het verlengde van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken (stills van deze camerabeelden zijn door het hof aan het dossier toegevoegd). De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. Als gevolg van een misslag is in het verkort arrest als geboortedatum van de verdachte vermeld [...] 1983. Dit moet zijn: [geboortedatum] 1983.” 8. Voorts heeft het hof nog de volgende bewijsoverwegingen opgenomen in het bestreden arrest: “Op 20 juni 2016 is het filiaal van [A] gelegen aan het [adres 1] te Amsterdam overvallen. De dader heeft daarbij een geldbedrag van € 9.875 weggenomen. Op 13 oktober 2016 heeft de verdachte het filiaal van de ING-bank gelegen aan Plein ’40-’45 9B te Amsterdam overvallen. Kort na deze overval is de verdachte op heterdaad aangehouden. Hij heeft bekend deze laatste overval te hebben gepleegd. Overeenkomsten tussen beide overvallen Tussen de overval op het filiaal van [A] en die op het filiaal van de ING-bank bestaat een aantal overeenkomsten. In beide gevallen gaat het om een op klaarlichte dag gepleegde, gewapende overval door een in het Engels communicerende man, in goeddeels zwarte/donkere kleding, waaronder een zwarte jas met capuchon en zwarte veterschoenen met rode en witte elementen en foam tussen de schoen en de zool. De dader hield het door hem gebruikte wapen in zijn rechterhand vast, droeg een grote bril en observeerde, voor de ingang, het te overvallen object enige tijd, voordat hij overging tot het plegen van de overval. Ten aanzien van de overval op het filiaal van de ING-bank heeft de verdachte verklaard dat hij zich ervan wilde verzekeren dat zich zo weinig mogelijk mensen binnen bevonden. Daarnaast wijst het hof op de volgende specifieke overeenkomsten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.