Zaaknr: 19/00841 mr. M.L.C.C. Lückers Zitting: 3 april 2019 Conclusie inzake: [betrokkene ] (hierna: betrokkene) verzoeker tot cassatie advocaat: mr. G.E.M. Later tegen de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Den Haag, verweerder in cassatie, advocaat: mr. M.M. van Asperen. In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis van betrokkene is geschorst of beëindigd. Het cassatiemiddel komt op tegen de totstandkoming van de geneeskundige verklaring in aanwezigheid van twee Penitentiair Inrichtings Werkers (PIW’ers). Hierdoor zou betrokkene geen eerlijk en onafhankelijk onderzoek hebben gehad en zou zijn privacy zijn geschonden. Voorts wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het vaststaan van de stoornis en de aanwezigheid van gevaar. Ten slotte klaagt het middel dat de voorlopige machtiging is verleend onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 10 lid 1 van de Wet Bopz. 1Feiten en procesverloop 1.1 Bij verzoekschrift van 23 november 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis/verpleeginrichting/zwakzinnigeninrichting te doen opnemen en te doen verblijven. Op 3 december 2018 heeft de officier van justitie zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij heeft verzocht de voorlopige machtiging te verlenen onder de opschortende voorwaarde van beëindiging van de voorlopige hechtenis van betrokkene. Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en op 22 november 2018 ondertekend door [betrokkene 1] , psychiater (niet bij de behandeling van betrokkene betrokken). In rubriek 4.d van de geneeskundige verklaring is als diagnose gesteld: schizofrenie. 1.2 Op 4 december 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren blijkens de in cassatie bestreden beschikking aanwezig: betrokkene, de advocaat van betrokkene, de arts-assistent ( [betrokkene 2] ) en de officier van justitie. 1.3 Bij beschikking van 4 december 2018, schriftelijk uitgewerkt op 11 december 2018, heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend tot het doen opnemen en doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene tot en met 4 februari 2019, onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen: “De rechtbank overweegt dat betrokkene thans in voorlopige hechtenis zit. Binnen de P.I. is het, alleen al vanwege de veiligheid, niet ongebruikelijk dat PIW’ers bij bepaalde gesprekken aanwezig zijn, dan wel zich in de buurt ophouden. Niet is gebleken dat betrokkene op enig moment aan de psychiater te kennen heeft gegeven dit niet prettig te vinden, daar waar de rechtbank betrokkene ter zitting heeft meegemaakt als een stevig persoon die zijn mening niet onder stoelen of banken schuift. Het had dan ook op zijn weg gelegen aan de psychiater kenbaar te maken dat hij de setting voor het gesprek vervelend vond, zodat daar iets aan gedaan had kunnen worden. Zelfs al zou betrokkene door de setting een andere indruk hebben gegeven aan de psychiater, maakt dit in ieder geval niet dat de geneeskundige verklaring niet onafhankelijk zou zijn, zoals door de advocaat van betrokkene betoogd is. Hooguit zou de conclusie minder recht doen aan de toestand van betrokkene ten tijde van het onderzoek, maar zoals ter zitting door de rechtbank is geoordeeld is daar in dit geval niet van gebleken. De psychiater trekt meer conclusies uit het medicijngebruik van betrokkene, zijn (behandel)verleden en hetgeen kort voor de hechtenis heeft plaatsgevonden dan uit zijn actuele gemoedstoestand. De geneeskundige verklaring is naar het oordeel van de rechtbank conform de wettelijke vereisten opgesteld en voldoet daarmee aan de gestelde criteria. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en de verklaringen van de gehoorde personen is gebleken dat in de gestructureerde omgeving waar betrokkene momenteel verblijft, geen sprake lijkt te zijn van gevaar. Voor zijn detentie heeft betrokkene in de thuissituatie gerommeld met zijn medicatie en daarbij (veel) alcohol genuttigd. Daardoor is het in de thuissituatie behoorlijk geëscaleerd. Indien betrokkene niet langer in detentie zou verblijven is de kans groot dat deze situatie zich herhaalt, gelet op de onderliggende psychische stoornis waarmee betrokkene al jaren bekend is. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat middelengebruik een aanjager is van psychotische klachten. Betrokkene is naast zijn psychische stoornis naar eigen zeggen een alcoholist. Het is dan ook van belang dat betrokkene, aansluitend op zijn detentie, wordt opgenomen zodat hij op adequate wijze kan worden ingesteld op zijn medicatie en veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt. De rechtbank zal het verzoek verlenen voor de duur van maximaal twee maanden, nu de verwachting is dat betrokkene binnen deze periode voldoende zal zijn opgeknapt om met ontslag te gaan.” 1.4 Uit een zich in het dossier bevindende brief van GGZ Rivierduinen aan de rechtbank van 27 december 2018 blijkt dat betrokkene op 10 december 2018, op grond van de verleende voorlopige machtiging, vanuit de PI Scheveningen is overgeplaatst naar GGZ Rivierduinen. Op 21 december 2018 is betrokkene met voorwaardelijk ontslag gegaan uit voornoemde kliniek. 1.5 Bij brief van 5 februari 2019 heeft de advocaat van betrokkene in eerste aanleg, mr. A.A. van Harmelen, de rechtbank verzocht de beschikking van 4 december 2018 op drie punten te rectificeren. Het betreft de datum van inkomen van het verzoek van de officier van justitie (in de beschikking staat vermeld dat dit op 3 december 2018 is ingekomen, terwijl dit op 23 november 2018 zou zijn gebeurd), de ter zitting aanwezige personen (in de beschikking wordt vermeld: [betrokkene 2] , arts-assistent, en het zou moeten zijn: de psychiater en een medewerker van de afdeling, beiden werkzaam in het PPC), en de weergave van hetgeen de advocaat ter zitting heeft gezegd (in het proces-verbaal is vermeld dat gezegd zou zijn “zij stelt opname voor om een diagnose te kunnen stellen”, terwijl de advocaat dit niet gezegd zou hebben, maar de onafhankelijk psychiater dit zou hebben voorgesteld). 1.6 Namens betrokkene is op 16 februari 2019 tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Namens de officier van justitie is op 14 maart 2019 een verweerschrift ingediend, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. Onderdeel I keert zich tegen de totstandkoming van de geneeskundige verklaring in aanwezigheid van twee Penitentiair Inrichtings Werkers (PIW’ers). Geklaagd wordt dat deze verklaring niet naar behoren tot stand is gekomen, omdat de rechtbank op geen enkele manier heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van PIW’ers in casu noodzakelijk was, de schending van de privacy van betrokkene niet in het oordeel heeft betrokken en een verwijt bij betrokkene legt dat niet bij hem hoort te liggen. Hierdoor zijn aan betrokkene onvoldoende mogelijkheden geboden om een eerlijk en onafhankelijk onderzoek te hebben. Uit de rapportage van psychiater [betrokkene 3] van het NIFP Zuid-Holland van 6 november 2018 blijkt niet van agressiviteit van betrokkene, dit blijkt evenmin uit de geneeskundige verklaring van 22 november 2018 en ook is niet gebleken dat betrokkene in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) agressief is geweest, aldus het onderdeel. Voorts blijkt niet uit de geneeskundige verklaring dat de psychiater het nodig vond dat PIW’ers aanwezig waren. Het onderdeel verwijst op dit punt naar artikel 8 EVRM en klaagt dat van de psychiater verwacht had kunnen worden dat zij aan betrokkene had gevraagd of hij akkoord ging met de aanwezigheid van PIW’ers. Het oordeel van de rechtbank op dit punt is derhalve niet juist, althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. 2.2 Artikel 5 Wet Bopz betreft bepalingen over de geneeskundige verklaring; deze dient – onder meer – opgemaakt te zijn door een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. De psychiater mag niet bij de behandeling van de patiënt betrokken zijn. Regelmatig is de taakopdracht van een psychiater (om een onderzoek in te stellen met het oog op een mogelijk te verzoeken Bopz-maatregel) gestoeld op vrees voor agressie door de betrokkene. Onder bijzondere omstandigheden kan het onderzoek van betrokkene in direct contact zelfs achterwege worden gelaten vanwege die vrees voor agressie, zo oordeelde uw Raad in januari 2015: “Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de psychiater de betrokkene persoonlijk te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. In gevallen waarin die betrokkene niet meewerkt aan het in art. 5 lid 1 Wet Bopz bedoelde onderzoek, moet de psychiater doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden (vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484).” 2.3 In de hierboven geciteerde zaak was besloten geen huisbezoek te doen door de psychiater, omdat een escalatie werd verwacht en politie-interventie nodig zou zijn. Betrokkene was wel driemaal uitgenodigd op het bureau van de psychiater, maar had aan deze uitnodigingen geen gehoor gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling in een penitentiaire inrichting (betrokkene was inmiddels gedetineerd) verklaarde een sociaal psychiatrisch verpleegkundige dat betrokkene hem onlangs bij een huisbezoek had aangevallen. Noch de uitnodigingen van de psychiater, noch het incident werd door betrokkene betwist. De rechtbank heeft hierna geoordeeld dat voldoende getracht is om betrokkene persoonlijk te onderzoeken en heeft vervolgens een rechterlijke machtiging verleend. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van de rechtbank, erop neerkomende dat de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zo oordeelde uw Raad. In zijn noot bij deze uitspraak concludeert Dijkers: “De uitspraak geeft blijk van veel begrip voor een afweging die de eigen veiligheid voorop stelt. Dat is daarom ook begrijpelijk, omdat als er géén Bopz-maatregel komt vanwege de onmogelijkheid om op veilige wijze psychiatrisch onderzoek te verrichten, het gevaar eenvoudigweg blijft voortbestaan; dat is pas echt onaanvaardbaar.” En A-G Langemeijer merkt in zijn conclusie bij voornoemde uitspraak het volgende op: “De aangehaalde maatstaf (namelijk “of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden”) laat ook ruimte om rekening te houden met risico’s voor de veiligheid van de arts die het onderzoek verricht.” 2.4 Uit de overweging van de rechtbank in de bestreden beschikking “Binnen de P.I. is het, alleen al vanwege de veiligheid, niet ongebruikelijk dat PIW’ers bij bepaalde gesprekken aanwezig zijn, dan wel zich in de buurt ophouden” kan afgeleid worden dat de rechtbank het voor de veiligheid van de psychiater noodzakelijk achtte dat de PIW’ers bij het gesprek met betrokkene aanwezig waren. Ter zitting van de rechtbank is dit punt ook op deze wijze aan de orde geweest; zo volgt uit het proces-verbaal van de zitting dat de arts heeft verklaard dat “bij een gesprek in de P.I. altijd naar de situatie wordt gekeken. Sommige mensen zijn heel agressief en dan wordt zo’n gesprek niet alleen met de psychiater gevoerd”, aldus de arts. Dit (impliciete) oordeel van de rechtbank is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk; immers uit het dossier volgt – onder meer – dat de stoornis van de geestvermogens van betrokkene een gevaar oplevert dat bestaat uit (naast maatschappelijke teloorgang) agressie naar derden, meer specifiek het gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen. Bovendien was betrokkene in de P.I. gedetineerd vanwege een verdenking van huiselijk geweld en geweld tegen de politie. Uit de politiemutaties blijkt van gewelddadig gedrag van betrokkene . Waar het onderdeel klaagt dat uit het dossier, meer specifiek de geneeskundige verklaring, niet zou blijken dat betrokkene agressief is, faalt het derhalve. Dit geldt ook voor de klacht dat niet zou zijn gebleken dat betrokkene in het PPC agressief zou zijn geweest of dat dit niet uit de verklaring van [betrokkene 3] van het NIFP zou blijken; dat hij in een dergelijke ingeperkte en gestructureerde omgeving geen agressief gedrag heeft vertoond doet niet af aan de reden van zijn voorlopige hechtenis, te weten (kort gezegd) verdenking van geweld dan wel agressie. 2.5 Waar het onderdeel klaagt dat de rechtbank een verwijt bij betrokkene legt, dat niet bij hem hoort te liggen, te weten dat hij zelf opmerkingen had moeten maken over de aanwezigheid van PIW’ers, terwijl (juist) van de psychiater verwacht had kunnen worden dat zij aan betrokkene had gevraagd of hij akkoord ging met de aanwezigheid van PIW’ers, verwijs ik nogmaals naar de hierboven in punt 2.2 en 2.3 besproken uitspraak van uw Raad en de noot van Dijkers en conclusie van A-G Langemeijer daarbij. Daaruit volgt dat het aan de psychiater is om te doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden, ook als het nodig is PIW’ers daarbij aanwezig te laten zijn. Het is derhalve niet aan een betrokkene om “akkoord te gaan” met de aanwezigheid van PIW’ers, zoals het onderdeel betoogt. De klacht dat de rechtbank de schending van de privacy van betrokkene, als bedoeld in artikel 8 EVRM, op dit punt niet in het oordeel heeft betrokken slaagt evenmin. De inperking van dit recht is immers voorzien in het tweede lid van artikel 8 EVRM, te weten de bescherming van de rechten en vrijheden van – in dit geval – de psychiater (zoals hierboven is beschreven dient hij in staat te zijn op veilige wijze het psychiatrisch onderzoek te verrichten, omdat anders een maatregel op grond van de Wet Bopz in principe niet kan worden opgelegd). De aanwezigheid van PIW’ers leidt er ook niet toe dat er voor betrokkene onvoldoende mogelijkheden waren om een eerlijk en onafhankelijk onderzoek te hebben, zoals het onderdeel ten slotte klaagt. Voor de deugdelijkheid van het psychiatrisch onderzoek gelden andere vereisten, zoals dat (in dit geval) de psychiater niet bij de behandeling van de patiënt betrokken is (artikel 5 lid 1 Wet Bopz). Daarover wordt verder niet geklaagd, zodat ik hier verder niet op in zal gaan. Het oordeel van de rechtbank is op deze punten derhalve niet onjuist althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat onderdeel I faalt. 2.6 Onderdeel II klaagt dat het onjuist althans onbegrijpelijk is dat de rechtbank aan het verweer van betrokkene ten aanzien van de stoornis voorbij is gegaan, althans dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van een stoornis van de geestesvermogens. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de onafhankelijk psychiater wil dat betrokkene wordt opgenomen voor diagnostiek, terwijl een voorlopige machtiging daar niet voor bedoeld is. De diagnose moet vaststaan, aldus het onderdeel, anders is niet bekend of betrokkene zou lijden aan een stoornis. De diagnose ‘schizofrenie’ is weliswaar aangekruist, maar die is twaalf jaar geleden gesteld. Ook in 2018 dient duidelijk te zijn wat er feitelijk aan de hand is, aldus het onderdeel. 2.7 Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat betrokkene sinds 2012 zeker acht keer opgenomen is geweest binnen de GGZ vanwege psychoses en in behandeling is bij GGZ Rivierduinen. Bij binnenkomst in het PPC liet hij een maniform gekleurd pre-psychotisch beeld liet zien. Hij krijgt antipsychotica voorgeschreven en is wisselend therapietrouw gebleken. Ziekte-inzicht en ziektebesef zijn afwezig bij betrokkene, aldus de geneeskundige verklaring. Onder meer op basis van deze symptomen, gedragingen en feiten is de psychiater gekomen tot de diagnose “schizofrenie”. Dat deze diagnose reeds twaalf jaar geleden is gesteld, doet niet ter zake nu schizofrenie een chronisch psychiatrische ziekte is, zoals uit de geneeskundige verklaring blijkt. De stoornis staat derhalve vast. De psychiater heeft daarnaast onder het kopje “welke mededelingen acht u nog van belang?” opgenomen: “Gezien de zorgen die geuit worden in het reclasseringsrapport, kiest ondergetekende ervoor een geneeskundige verklaring uit te schrijven, zodat betrokkene opgenomen kan worden in een psychiatrisch ziekenhuis. Alhier kan verdere diagnostiek en behandeling plaatsvinden.” Hoewel de geneeskundige verklaring derhalve spreekt van “verdere diagnostiek”, is blijkens het hiervoor vermelde de diagnose “schizofrenie” reeds gesteld. Onderdeel II faalt derhalve. 2.8 Onderdeel III klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank in het kader van de Wet Bopz een gevaar heeft aangenomen, althans dat de rechtbank zijn oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Ter onderbouwing voert het onderdeel aan dat betrokkene al twaalf jaar medicatie gebruikt en dat op enig moment eenmalig iets mis is gegaan, maar dat het beeld weer stabiel is en betrokkene zich na zijn detentie ambulant wil laten behandelen door [betrokkene 4] . Betrokkene is twaalf jaar vrijwillig behandeld, uit de justitiële documentatie blijkt al jaren niet van agressie en in de PI worden geen psychotische kenmerken gezien. Betrokkene neemt zijn medicijnen weer en heeft alternatieven voor woonruimte na zijn detentie, aldus het onderdeel. 2.9 Zoals hierboven in 1.3 is geciteerd, heeft de rechtbank ten aanzien van het gevaar overwogen dat betrokkene voor zijn detentie (in de thuissituatie derhalve) heeft gerommeld met zijn medicatie en daarbij veel alcohol heeft genuttigd. Hierdoor is de situatie geëscaleerd. Gelet op de onderliggende psychische stoornis waarmee betrokkene al jaren bekend is, is de kans groot dat deze situatie zich herhaalt. Betrokkene dient te worden opgenomen, zodat hij adequaat kan worden ingesteld op zijn medicatie en veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt, aldus de rechtbank. In het licht van de geneeskundige verklaring, waarin onder meer is opgenomen dat het gevaar bestaat uit agressie naar derden, betrokkene wordt verdacht van bedreiging en mishandeling (daarvoor is hij immers gedetineerd), betrokkene geen ziekte-inzicht en ziektebesef toont, in het verleden zorgmijdend is gebleken en wisselend therapietrouw is gebleken ten aanzien van zijn medicatie en voorts dat ambulante behandeling onvoldoende haalbaar wordt geacht, is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dat betrokkene zijn medicatie weer neemt, zoals het onderdeel betoogt, doet aan voorgaande niet af. Ook het argument dat betrokkene zich ambulant wil laten behandelen is, gelet op hetgeen is opgenomen in de geneeskundige verklaring, voor de rechtbank kennelijk op dit moment onvoldoende zwaarwegend, nu de rechtbank heeft overwogen dat een opname noodzakelijk is om betrokkene op adequate wijze in te stellen op zijn medicatie en veiligheidsafspraken te maken. De rechtbank heeft wel met de in het onderdeel genoemde argumenten rekening gehouden, in die zin dat de machtiging is verleend voor de duur van maximaal twee maanden nu de verwachting is dat betrokkene binnen deze periode voldoende zal zijn opgeknapt om met ontslag te gaan, aldus de rechtbank. Dit leidt ertoe dat onderdeel III faalt. 2.10 Onderdeel IV klaagt dat de rechtbank de voorlopige machtiging heeft verleend onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd, hetgeen in strijd is met artikel 10 lid 1 van de Wet Bopz. De bestreden beschikking van 4 december 2018 is uitvoerbaar bij voorraad en opname moet plaatsvinden binnen veertien dagen, zodat de laatste dag hiervoor 18 december 2018 is. Als de voorlopige hechtenis langer duurt dan deze veertien dagen, verloopt de verleende voorlopige machtiging, aldus het onderdeel. 2.11 Uit rov. 3.2 en 3.3 van de uitspraak van Uw Raad van 18 april 2003 volgt dat maatregelen op grond van het strafrecht en maatregelen op grond van de Wet Bopz elkaar niet dienen te doorkruisen. Uw Raad heeft in deze uitspraak, die betrekking had op een aflopende terbeschikkingstelling, in rov. 3.4 als volgt overwogen: “Voor de in 3.3 bedoelde doorkruising behoeft niet te worden gevreesd indien in het zicht van de onvoorwaardelijke beëindiging van een terbeschikkingstelling (met of zonder bevel tot verpleging van overheidswege) de strafrechter te kennen geeft dat behoefte bestaat aan een direct aansluitende voorlopige machtiging ingevolge de Wet Bopz. In een dergelijk geval zal, indien naar het oordeel van de burgerlijke rechter aan de vereisten daarvoor is voldaan, een machtiging op grond van de Wet Bopz kunnen worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk wordt beëindigd. Door het verlenen van een aansluitende voorwaardelijke machtiging kan worden voorkomen dat ten aanzien van dezelfde persoon zowel een strafrechtelijke als een civielrechtelijke maatregel tegelijkertijd van toepassing is.” 2.12 A-G Langemeijer heeft in zijn conclusie voor HR 19 december 2014 (welke zaak eveneens betrekking had op een terbeschikkingstelling) bovenstaand citaat aangehaald en het volgende hieraan toegevoegd: “Dit brengt mee dat kort vóór het einde van de geldigheidsduur van de lopende t.b.s. alvast een voorlopige machtiging kan worden verleend op grond van de Wet Bopz. De officier van justitie kan deze machtiging ten uitvoer leggen terstond nadat de t.b.s. is geëindigd.” In de voetnoot bij voorgaand citaat merkt hij op: “Zij het onder aantekening dat op grond van art. 10 lid 1 Wet Bopz een voorlopige machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. Vgl. de conclusie voor HR 18 april 2003, punt 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.