ECLI:NL:PHR:2019:354
Nr. 17/01571 Zitting: 19 februari 2019 Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 1 maart 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt dat het bewijs slechts berust op de verklaringen van één getuige. De overweging van het hof dat de verklaringen van de aangeefster over het betasten van haar lichaam door de verdachte voldoende steun vinden in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , al hebben laatstgenoemde verklaringen geen betrekking op de door het hof bewezenverklaarde voorvallen, zou onjuist en/of onbegrijpelijk zijn, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed zou zijn. In de toelichting op het middel klagen de stellers ook dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: ‘hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 24 juli 2007 tot en met 1 april 2014 te Budel (gemeente Cranendonck) en/of te Budel-Schoot (gemeente Cranendonck), door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde] (telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande dat geweld en/of bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die ontuchtige handeling(en) (telkens) uit
Het proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 3 april 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde] : (…) Ik ben sinds 15 jaar werkzaam bij [A] (het hof begrijpt uit het proces-verbaal van relaas op pg. 3 dat het bedrijf is gevestigd te [vestigingsplaats] ). Ik werk aldaar als productiemedewerker. De baas van [A] is genaamd [verdachte] . Ik word lastig gevallen door mijn baas [verdachte] . Ik heb [verdachte] al diverse malen gezegd dat ik hier niet van gediend ben.
2.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 april 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] , geboren op 25 juli 1978:
V: vraag A: antwoord (…) Wanneer heeft [verdachte] jou voor de eerste keer seksueel lastig gevallen?
A: Voor het eerst dat [verdachte] mij thuis bezocht was in 2007. (…) Mijn baas stond toen onverwachts bij mij aan de deur. (...) Ik vierde toen mijn verjaardag in mijn woning. (...) Toen hij wegging waren [getuige 2] , [verdachte] en ik nog in huis. (...) [verdachte] probeerde mij bij mijn tieten te pakken. (…) V: Wanneer werd het gedrag van [verdachte] erger?
A: Eigenlijk sinds 3 jaar. (...) [verdachte] pakte mij vanaf die tijd ook op mijn werk, als niemand het zag. (…) V: Wat is het ergste wat [verdachte] bij jou op het werk heeft gedaan?
A: Als ik alleen bij de spuitmachine stond, dat hij mij dan bij mijn kont pakte en dat hij mij ooit tussen mijn kruis heeft gepakt, aan de achterzijde toen ik op een stoel wilde gaan zitten. (...) Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
3.
Het proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 20 juni 2014 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten over hetgeen [getuige 1] heeft verklaard:
Op 1 september 2008 is ze (het hof begrijpt [getuige 1] ) gaan werken bij [A]. Ze is vaker aangerand door [verdachte] . Op het werk raakte hij haar ook aan bij haar borsten. Als er niets te doen was zei hij: ga het magazijn maar tellen. Dan kwam hij ook naar haar toe. Dan pakte hij haar vast, omarmde haar en trok haar stevig tegen hem aan. Toen ze hem beter leerde kennen zag ze dat hij dat bij al die vrouwen deed.
4.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 mei 2014 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] (het hof begrijpt [getuige 2] ) [getuige 2] : [benadeelde] is een kennis. Ik ben getuige geweest van aanrakingen door [verdachte] bij [benadeelde] . De eerste keer dat ik [verdachte] heb ontmoet was op de verjaardag van [benadeelde] . Dat was volgens mij in 2007 of 2008. Het viel me op dat toen [verdachte] de kamer in kwam lopen hij [benadeelde] aanraakte en dat [benadeelde] zich dan terugtrok. Ik zag duidelijk dat [benadeelde] zich er niet prettig bij voelde. Ik zag dat hij erg opdringerig was in haar richting. Hij raakte haar taille en schouders aan terwijl [benadeelde] duidelijk aangaf daar niet blij mee te zijn. Ze zei dan: “Dat wil ik niet” en draaide zich weg. Ik heb gezien dat hij haar lichamelijk aanraakte terwijl ze dit duidelijk niet wilde en dit ook heeft uitgesproken. Hij drong zich aan haar op.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2014 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 3 april 2014 heb ik uit handen van de aangever in deze zaak een telefoon ontvangen. Op deze telefoon zou een geluidsopname staan alwaar [benadeelde] in gesprek is met [verdachte] , op het moment dat hij haar bezoekt op haar woonadres op 5 november 2012.
Ik hoor een vrouwspersoon, welke ik aan haar stem herken als zijnde de aangever in deze zaak genaamd [benadeelde] , en dat zij de navolgende woorden mededeelt: “ [verdachte] , moet maar voortaan afgelopen zijn, dat je steeds aan mij zit. Ik wil dat gewoon niet hebben”.
Ik hoor vervolgens een voor mij onbekende manspersoon antwoorden met de navolgende woorden: “Ja, goed dan doen we dat”.
6.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 11 september 2015, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik 6 à 7 jaar geleden op haar verjaardag ben geweest. Daar is toen iets gebeurd tussen ons. [benadeelde] en ik zijn altijd heel vriendschappelijk met elkaar omgegaan. We hebben ook samen geknuffeld. Het kan zijn dat ik bij het knuffelen haar borsten heb geraakt. Haar houding tijdens mijn knuffelen was passief. [benadeelde] is nooit uit zichzelf begonnen mij te knuffelen.
Die spuitmachine staat in een aparte ruimte. De machine wordt bediend door één persoon. Andere werknemers hebben geen zicht op die machine.’ 7. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover van belang, het volgende overwogen: ‘De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De aangifte van de aangeefster vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel en staat op zichzelf. Door de verdachte wordt weliswaar erkend dat hij aangeefster bij haar thuis heeft geknuffeld en dat hij door haar is afgetrokken, maar op het werk heeft dit nooit plaatsgevonden. Er zijn ook geen getuigen die op het werk iets gezien of gemerkt hebben.
Er heeft geen geweld of bedreiging met geweld plaatsgevonden. Het gaat aldus om de ten laste gelegde andere feitelijkheid, inhoudende het “onverhoeds” handelen door verdachte en dat kan niet bewezen worden. Allereerst heeft de aangeefster daar zelf niet over verklaard en voorts blijkt het onverhoedse handelen ook niet op andere wijze uit het dossier. Over het aftrekken is door de aangeefster niet consistent verklaard. Hetgeen ze in de aangifte daarover heeft verklaard is fysiek onmogelijk en in haar latere verklaringen heeft ze anders verklaard. Zo zou ze niet op zijn schoot hebben gezeten maar naast hem op de bank en heeft ze het maar gedaan om er van af te zijn. Waarom ze dat gedaan heeft weet ze niet.
De gedragingen van de verdachte, als werkgever van aangeefster die mogelijk een zwakkere persoonlijkheid heeft, moge verwerpelijk zijn maar dit is niet ten laste gelegd, aldus de raadsman van de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
I.
Aangeefster was in de ten laste gelegde periode werkzaam bij [A] te [vestigingsplaats] (BFK: Cranendonck), als productiemedewerker. Haar werkgever was [verdachte] , de verdachte. Uit de aangifte volgt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode diverse keren de aangeefster tegen haar zin in heeft aangeraakt, waaronder ook haar kruis en billen. De verdachte is handtastelijk geweest terwijl aangeefster diverse malen heeft gezegd dat ze daar niet van gediend was. Daarover heeft de aangeefster consistent verklaard en het hof acht haar verklaringen daarover betrouwbaar. De verdachte heeft ook erkend dat hij aangeefster diverse malen heeft aangeraakt maar heeft dat als knuffelen benoemd.
Wat daar ook van zij, de vraag waar het hof zich voor ziet gesteld is of de handelingen van de verdachte waar de aangeefster over heeft verklaard zijn te beschouwen als een feitelijke aanranding van de eerbaarheid als bedoeld in het ten laste gelegde artikel 246 Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is vereist het door dwangmiddelen of dwang dulden of plegen van ontuchtige handelingen.
Van geweld of bedreiging met geweld bij het aanraken van het lichaam van de aangeefster is het hof niet gebleken. Het gaat in casu aldus om de mede ten laste gelegde “andere feitelijkheid”, bestaande uit het onverhoeds betasten van het lichaam van de aangeefster.
Het hof is van oordeel dat slechts ten aanzien van een tweetal voorvallen in voldoende mate kan worden vastgesteld dat de verdachte daarbij de aangeefster onverhoeds over de kleding heeft betast waartegen aangeefster geen weerstand kon bieden en dat er toen sprake was van aanranding in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht, te weten:
Dit zijn gedragingen die naar het oordeel van het hof vallen onder de noemer onverhoeds, het plotseling, ineens vastpakken/betasten van het lichaam van de aangeefster, waar de aangeefster zich op dat moment niet aan kon onttrekken.
Dat voornoemde handelingen van seksuele aard zijn die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm behoeft naar het oordeel van het hof geen betoog. Ze zijn niet te beschouwen als een onschuldige knuffel, zoals de verdachte doet voorkomen.
De pogingen van verdachte bij andere gelegenheden om aangeefster aan te raken, waarover de aangeefster heeft verklaard, voldoen naar het oordeel van het hof niet aan voornoemde beschrijving van het onverhoeds betasten, omdat de aangeefster toen wel in staat was om zich daaraan te onttrekken. De andere aanrakingen waar de aangeefster over heeft verklaard, hebben blijkens haar verklaring niet op onverhoedse wijze, de ten laste gelegde feitelijkheid, plaatsgevonden.
De verklaringen van de aangeefster over het betasten van haar lichaam door de verdachte vinden naar het oordeel van het hof voldoende steun in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , al hebben die verklaringen geen betrekking op de hierboven aangehaalde door het hof bewezen geoordeelde voorvallen.
Uit het proces-verbaal informatief gesprek zeden dat met [getuige 1] is gevoerd, volgt dat ook [getuige 1] te maken heeft gehad met handtastelijkheden gepleegd door haar werkgever, de verdachte, op het bedrijf van verdachte. Voorts heeft zij in dat gesprek verteld dat verdachte dat bij alle vrouwen deed. [getuige 2] heeft verklaard dat hij getuige is geweest van aanrakingen door de verdachte bij aangeefster in haar woning tegen haar zin. Op een verjaardagsfeest van aangeefster (het hof begrijpt in 2008/2009) zag hij dat de verdachte aangeefster aanraakte en dat zij zich dan terugtrok. Hij zag duidelijk dat zij zich er niet prettig bij voelde. Hij was erg opdringerig in haar richting. Op een ander moment zag hij dat verdachte aangeefster aanraakte bij haar taille en schouders terwijl zij duidelijk aangaf daar niet blij mee te zijn.
Ze zei ”Dat wil ik niet” en draaide zich om. Hoewel deze getuige nooit heeft gezien dat verdachte aangeefster onzedelijk heeft betast, heeft hij wel gezien dat hij haar lichamelijk aanraakte terwijl ze dit duidelijk niet wilde en dit ook heeft uitgesproken. De verdachte drong zich aan haar op, aldus de getuige [getuige 2] . Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen waarbij verbalisant [verbalisant] een geluidsopname heeft afgeluisterd, zijnde een gesprek tussen aangeefster en verdachte waarbij aangeefster zegt tegen de verdachte “dat het afgelopen moet zijn dat je steeds aan mij zit, ik wil dat gewoon niet hebben”. De verdachte heeft daarop gezegd: “Ja, goed dan doen we dat”.
Alles overziende en in onderling verband bezien, acht het hof derhalve en anders dan de rechtbank en de verdediging, voldoende wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bij een tweetal gelegenheden het slachtoffer op het werk onverhoeds heeft aangeraakt bij haar billen en kruis.’ 8. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.
Het hof heeft in dit verband overwogen dat [getuige 2] heeft gezien dat hij haar lichamelijk aanraakte terwijl zij dit duidelijk niet wilde en dit ook heeft uitgesproken. Het hof heeft kunnen oordelen dat deze verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] steun bieden aan de verklaringen van de aangeefster over de aanrakingen door de verdachte tegen haar wil. Naar het mij voorkomt is op dit punt geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen enerzijds de verklaringen van de aangeefster en anderzijds de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Wat betreft de verklaring van [getuige 1] wijs ik er daarbij op dat de gang van zaken bij de door haar beschreven incidenten een zekere gelijkenis vertoont met de door het hof bewezen verklaarde gang van zaken bij de spuitmachine, en dat zij verklaart dat de verdachte dit bij al die vrouwen deed; een verklaring die naar zijn strekking en naar het hof kennelijk heeft geoordeeld een ruimere periode bestrijkt.
Aan dat verband doet wat de beide door [getuige 2] beschreven momenten niet af dat deze niet binnen de bewezen verklaarde periode vallen. Hierbij neem ik in aanmerking dat uit het bestreden arrest volgt dat de bewezenverklaring enkel niet mede betrekking heeft op die aanrakingen omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat er ook bij die gelegenheden sprake was van een ten laste gelegde andere feitelijkheid als bedoeld in art. 246 Sr; van ‘onverhoeds’ handelen was naar ‘s hofs oordeel geen sprake. Dat laat onverlet dat het hof heeft vastgesteld dat die aanrakingen hebben plaatsgevonden en dat ook in zoverre sprake was van het door de verdachte tegen haar kenbare wil aanraken van het lichaam van de aangeefster.
In de bewijsoverweging heeft het hof voorts gerefereerd aan de verklaring van de verdachte waarin hij heeft erkend dat hij de aangeefster diverse malen heeft aangeraakt, maar dat zelf als ‘knuffelen’ heeft benoemd. Die als bewijsmiddel 6 gebezigde verklaring, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 11 september 2015, houdt onder meer in dat tussen de verdachte en de aangeefster op haar verjaardag zes à zeven jaar eerder (BFK: in 2008/2009) ‘iets gebeurd’ is. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij samen hebben ‘geknuffeld’, dat het kan zijn dat hij daarbij haar borsten heeft geraakt, dat haar houding tijdens het ‘knuffelen’ passief was en dat zij nooit uit zichzelf is begonnen hem te ‘knuffelen’.
Ten slotte houdt die verklaring in dat de spuitmachine in het bedrijf van de verdachte in een aparte ruimte staat en door één persoon wordt bediend, waarbij andere werknemers geen zicht op de machine hebben. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat ook deze verklaring van de verdachte steun biedt aan de aangifte.
Anders dan in het door de stellers van het middel genoemde HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84 m.nt. Reijntjes is niet sprake van een reeks ten laste gelegde feiten waarbij de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Het is evenwel niet zo dat buiten deze situatie geen steun mag worden ontleend aan aanwijzingen dat de verdachte vergelijkbare gedragingen heeft begaan; met annotator Reijntjes meen ik dat het zelfs denkbaar is dat steun wordt ontleend ‘aan vergelijkbaar gedrag dat (nog, of net) niet met de wet in strijd is gekomen’. Die steun wordt in dit geval in verschillende opzichten door het overige bewijsmateriaal geleverd: [getuige 2] verklaart over twee incidenten tussen de verdachte en aangeefster waarbij het tot handtastelijkheden is gekomen; [getuige 1] verklaart over handtastelijkheden jegens haar in een vergelijkbare setting als één van beide bewezen verklaarde feiten, en over handtastelijkheden jegens alle vrouwen die – zoals aangeefster – in het bedrijf van de verdachte werkten.
En daarnaast is er dan nog de opname van het gesprek en de verklaring van de verdachte.
Het hof let bij het bepalen van de straf voor deze feiten op de ernst ervan in verhouding tot andere feiten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het wettelijk strafmaximum dat op de feiten gesteld is. Vergelijking met andere zedendelicten leert dat feitelijke aanranding van de eerbaarheid in beginsel (ontucht met dwang of een andere feitelijkheid) een maximum gevangenisstraf van acht jaren kent.
Ook beziet het hof welke straffen eerder zijn opgelegd in enigszins vergelijkbare gevallen, die zich in het verleden hebben voorgedaan.
Daarnaast neemt het hof omstandigheden in aanmerking die deze individuele strafzaak onderscheiden van andere, zowel ten nadele als ten gunste van verdachte, en beziet het hof hoe zo veel als mogelijk voorkomen kan worden dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan feiten als deze.
Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij als werkgever en gelet op de beperkingen van het slachtoffer, op haar had. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het handelen van verdachte een grote impact op het slachtoffer heeft gehad.
Daarnaast moet ook worden gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft in dat verband rekening gehouden met de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 november 2016 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake soortgelijke delicten door een strafrechter is veroordeeld, alsmede met de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. De verdachte runt een bedrijf en heeft na het overlijden van zijn echtgenote de zorg voor zijn minderjarige zoon.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat het slechts in twee gevallen de toepassing van een feitelijkheid (het onverhoeds betasten) bewezen acht.
In beginsel zou een taakstraf passend en geboden zijn. Het bepaalde in artikel 22b staat het opleggen van een taakstraf bij een delict waar een gevangenisstraf op staat van zes jaar of meer en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad, echter niet toe. Het hof acht het, gezien de partiële vrijspraak en het tijdsverloop, ook niet geboden om de verdachte van zijn vrijheid te beroven. Derhalve komt het hof tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.’ 19. In HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:186, rov. 2.3 heeft Uw Raad het volgende overwogen: ‘Bij wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1, inwerkingtreding 3 januari 2012) is art. 22b Sr opnieuw ingevoegd. Die wet bevat in art. II een bepaling van overgangsrecht inhoudende dat de wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van die wet. In aanmerking genomen dat het feit ter zake waarvan de verdachte is veroordeeld is gepleegd voor 3 januari 2012, heeft het Hof ten onrechte de onmogelijkheid aangenomen een taakstraf op te leggen en kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover het de strafoplegging betreft.’ 20. In het bestreden arrest heeft het hof, zo bleek, de verdachte veroordeeld ter zake van ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd’ in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 april 2014. Blijkens de strafmotivering en de bij de bespreking van het eerste middel geciteerde bewijsoverweging heeft het hof twee gevallen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid bewezen geacht. Uit de bewijsvoering van het hof volgt niet op welke momenten binnen de bewezenverklaarde periode de desbetreffende twee feiten zijn gepleegd. Nu de bewijsvoering de mogelijkheid openlaat dat die feiten zijn gepleegd voor 3 januari 2012, komt het mij voor dat het hof ten onrechte de onmogelijkheid heeft aangenomen een taakstraf op te leggen. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. onder meer HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers, rov. 2.4.
Vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. Rozemond, rov. 2.4.
Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 (rov. 3.4) m.nt. Borgers onder NJ 2010/515. Voldoende steun ontbrak bijvoorbeeld in HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297 m.nt. Rozemond onder NJ 2018/298.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 843. Zie ook de conclusie van A-G Knigge (onder 6.10) voorafgaand aan HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279 m.nt. Reijntjes: ‘voldoende lijkt te zijn dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt uit andere bron.’ Uit de weergave van bewijsmiddel 4 in de aanvulling op het bestreden arrest volgt niet duidelijk dat [getuige 2] heeft verklaard over twee afzonderlijke momenten. Het middel klaagt hier niet over. Ten overvloede merk ik op dat een blik achter de papieren muur leert dat [getuige 2] inderdaad over twee momenten heeft verklaard. Het door het hof bedoelde andere moment vond volgens de in zoverre niet onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van [getuige 2] ongeveer een half jaar na het genoemde verjaardagsfeest plaats.
Vgl. ook de noot van Rozemond en de daarin vermelde rechtspraak. Rozemond neemt op basis van die rechtspraak aan dat de enkele bevestiging dat ‘een mogelijk slachtoffer en een verdachte zich op een bepaald moment op dezelfde plaats (…) bevonden’ onvoldoende is. Steunbewijs voor het afzonderen van het slachtoffer zou onder omstandigheden wel toereikend kunnen zijn. In dat verband kan in de onderhavige strafzaak gewezen worden op het incident bij de spuitmachine en de verklaring van [getuige 1] .
In zoverre verschilt de onderhavige zaak van de zaak die aanleiding gaf tot HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:186, aangezien in die zaak vaststond dat het feit was gepleegd voor 3 januari 2012. De onderhavige zaak verschilt voorts van de zaak die leidde tot het in de schriftuur genoemde HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2524, NJ 2016/482. In die zaak was de verdachte veroordeeld voor hennepteelt in de periode van 12 november 2011 tot en met 12 januari 2012 alsmede diefstal van stroom in de periode van 4 augustus 2011 tot en met 12 januari 2012. Uw Raad oordeelde dat, nu de hennepteelt mede voor 3 januari 2012 was begaan, het hof had miskend dat art. 22b Sr buiten toepassing diende te blijven. Aldus betrof die zaak een geval waarin art. 22b Sr is gewijzigd tijdens het begaan van het feit.
Zie het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 april 2014 (bewijsmiddel 2) dat inhoudt dat de verdachte ‘(e)igenlijk sinds 3 jaar’ de aangeefster ook op haar werk ‘pakte’.
Vgl. HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:66, NJ 2017/70, rov. 3.5.
Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1711.
Daarin verschilt de onderhavige zaak van de zaken die hebben geleid tot HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:186 en HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2524, NJ 2016/482. In beide zaken legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Zie ook HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2780, NJ 2014/422 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1294 waarin het hof in het kader van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf ten onrechte de onmogelijkheid had aangenomen tot omzetting in een taakstraf. In beide zaken had het hof vervolgens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf gelast. Dat leidde tot cassatie.
Vgl. de memorie van toelichting: ‘Daar in de artt. (55-58) herhaaldelijk wordt gesproken van de betrekkelijke zwaarte en duur zoowel van gelijksoortige als van ongelijksoortige hoofdstraffen, dient eene algemeene bepaling der wet den maatstaf, die hare onderlinge verhouding in beide opzigten bepaalt, aan te geven’ (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, Haarlem: Tjeenk Willink 1881, p. 458).
Ik wijs er daarbij ook nog op dat de taakstraf in het toenmalige artikel 9 Sr niet voorkwam en dat ook de mogelijkheid om gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen pas later in het wetboek is opgenomen (F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, tweede druk, Deventer: Kluwer 2016, p. 310 e.v.) Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:129, NJ 2015/224 m.nt. Keijzer (rov. 3.2, niet opgenomen in de publicatie in de NJ); HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. Bleichrodt onder NJ 2013/245 en HR 28 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0625, NJ 1997/408.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2, sub A. Zie bijvoorbeeld HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3070.
Vgl. HR 16 september 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9001, NJ 1986/726 m.nt. Melai: ‘Een voorwaardelijke gevangenisstraf is (…) naar haar aard niet aan te merken als een straf die vrijheidsbeneming medebrengt. Dat zij ingevolge de art. 14f t/m 14k Sr vrijheidsbeneming kan medebrengen doet daaraan niet af.’ Die toelichting kan met het oog op toepassing van artikel 80a RO van belang zijn; vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.6.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 988: ‘Indien de schriftuur klachten bevat die afstuiten op het ‘klaarblijkelijk onvoldoende belang’-criterium (…) maar het cassatieberoep niet integraal met art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard, worden de desbetreffende klachten afgedaan op de voet van art. 81 lid 1 RO’.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2, sub C.