Nr. 17/04910 Zitting: 16 april 2019 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 27 september 2017 wegens “smaadschrift” veroordeeld tot een geldboete van 250 euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week, met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. De zaak
(1976)bracht het EHRM de betekenis van dit fundamentele recht in de democratische samenleving als volgt onder woorden: “The Court's supervisory functions oblige it to pay the utmost attention to the principles characterising a "democratic society". Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of such a society, one of the basic conditions for its progress and for the development of every man. Subject to paragraph 2 of Article 10 (art. 10-2), it is applicable not only to "information" or "ideas" that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no "democratic society.” 25. Hiervoor kwam reeds aan de orde dat een inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting ingevolge art. 10, tweede lid, EVRM gerechtvaardigd kan zijn voor zover die noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dat wil zeggen dat voor die inmenging een dringende maatschappelijke noodzaak ("pressing social need") moet bestaan. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de vrijheid van meningsuiting een essentieel fundament van de democratische samenleving is en dat ook “information or ideas (…) that offend, shock or disturb” hieronder vallen. Voorts heeft het EHRM in diverse uitspraken overwogen dat “style constitutes part of the communication as the form of expression and is as such protected together with the substance of the ideas and information expressed”. De “margin of appreciation” die de lidstaten genieten bij de beoordeling of de vrijheid van meningsuiting mag worden beperkt, is kleiner als het gaat om een uitlating waarmee een bijdrage wordt geleverd aan een politiek of (anderszins) maatschappelijk debat. Daarbij komt dat “the limits of acceptable criticism are wider as regards a politician as such than as regards a private individual. Unlike the latter, the former inevitably and knowingly lays himself open to close scrutiny of his words and deeds by journalists and the public at large, and he must consequently display a greater degree of tolerance”. Ook voor “large public companies” geldt dat “the limits of acceptable criticism are wider”. Voor kleinere bedrijven geldt in de regel een hogere mate van bescherming van hun reputatie dan voor “large public companies”. Dat is evenwel anders in geval publieke belangen in het spel zijn. Zo overwoog het EHRM: “Nevertheless, the Court considers that when a private company decides to participate in transactions in which considerable public funds are involved, it voluntarily exposes itself to an increased scrutiny by public opinion. In particular, if there are allegations that such transactions were detrimental to public finances, a company must accept criticism by the public”. 26. Bij de beoordeling of een uitlating dient te worden beschermd door het in art. 10 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting, komt betekenis toe aan de inhoud van de uitlating. In dat verband maakt het EHRM onderscheid tussen “statements of facts” en “value judgments”. Het overweegt in dat verband dat “while the existence of facts can be demonstrated, the truth of value judgments is not susceptible of proof. (…) Where a statement amounts to a value judgment, the proportionality of an interference may depend on whether there exists a sufficient factual basis for the impugned statement, since even a value judgment without any factual basis to support it may be excessive.” 27. De feiten in de onderhavige zaak doen denken aan die in de zogenoemde “ […] ”-zaak. De verdachte in de desbetreffende zaak werd vervolgd wegens uitlatingen over de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw (Rita) Verdonk. Deze uitlatingen hadden betrekking op de brand in het detentiecentrum Schiphol-Oost in de nacht van 26 op 27 oktober 2005, waarbij vijf mensen om het leven kwamen. De verdachte had een poster met daarop de tekst “ […] , arrestatie - deportatie - crematie, adequaat tot het bittere einde” getoond voor een camera van een filmploeg van TV Gelderland. Het hof had de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Het had daartoe onder meer overwogen dat de poster een standpuntbepaling inhield over het vreemdelingenbeleid en de doeltreffendheid van de maatregelen die waren genomen na de Schiphol-brand, terwijl daarover op dat moment een “heftige discussie” werd gevoerd, dat minister Verdonk politiek verantwoordelijk was voor het vreemdelingenbeleid en het detentiecentrum en dat de tekst spottend was en zich kenmerkte door een zekere mate van overdrijving maar niet opriep tot geweld, haat of discriminatie dan wel verstoring van de openbare orde. In cassatie klaagde het openbaar ministerie dat de op de poster vervatte woorden “arrestatie-deportatie-crematie” voor nagenoeg iedere lezer het beeld oproepen dat onder verantwoordelijkheid van mevrouw Verdonk als minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vreemdelingen bewust worden gedeporteerd en vervolgens gecremeerd en dat de desbetreffende woorden in combinatie met het gebezigde woord “reisbureau” een sterke associatie oproepen met de arrestatie, deportatie en crematie van Joden in de Tweede Wereldoorlog. De Hoge Raad overwoog evenwel dat het hof op niet onbegrijpelijke wijze had uiteengezet waarom het aan die bewoordingen een zo ver gaande strekking niet had toegekend en verwierp het cassatieberoep. 28. De uitkomst in de “ […] ”-zaak moet worden bezien in het licht van de hiervoor besproken rechtspraak van het Europese hof. Daarbij spelen de volgende twee factoren een rol van betekenis: (
- i)de omstandigheid dat de uiting een politicus betreft en (
- ii)de omstandigheid dat de uitlating plaatsvindt in het kader van een politiek en / of maatschappelijk debat. Beide factoren maken dat weinig ruimte bestaat voor een inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting. Ook in de onderhavige zaak maakt de ten laste gelegde uitlating onderdeel uit van een politiek en / of maatschappelijk debat. De uitlating betreft weliswaar geen politicus, maar wel een bedrijf dat heeft meegedaan aan een openbare aanbesteding ter uitvoering van overheidsbeleid. Daarbij gaat het om publieke middelen die ten dienste staan van de uitvoering van een overheidstaak. Het hof heeft, in lijn met de hiervoor besproken jurisprudentie van het EHRM, overwogen dat een dergelijk bedrijf er in beginsel rekening mee moet houden dat het, eerder dan een willekeurig ander particulier bedrijf, doelwit kan zijn van publiek geuit ongenoegen. 29. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de inmenging in de vrijheid van meningsuiting van de verdachte is gerechtvaardigd ter bescherming van de belangen van de aangever en dat er een dringende maatschappelijke behoefte is aan een veroordeling. Het hof heeft daartoe overwogen dat de door de verdachte gebruikte bewoordingen de reputatie van het bedrijf kunnen schaden. Het heeft in dat verband gewezen op het verschil in bewoordingen die zijn gekozen door de verdachte (“Kamp Zeist ”) en de overheid (“een gesloten gezinsvoorziening”) en op het verschil in de werkzaamheden van het bouwbedrijf enerzijds en het overheidsbeleid inzake het uitzetten van vluchtelingen anderzijds. Dit oordeel acht ik niet begrijpelijk. Daartoe wijs ik in het bijzonder op het volgende. 30. De term “Kamp Zeist ” is van een geheel andere orde dan bijvoorbeeld de term “Kamp Vught”. De laatstgenoemde term roept associaties op met misstanden in de Tweede Wereldoorlog. De woorden “Kamp Zeist ” hebben die lading niet. De term “Kamp van Zeist ” wordt bijvoorbeeld ook door de gemeente Zeist op haar website gebruikt. De omstandigheid dat de overheid de term “gesloten gezinsvoorziening” gebruikt, is in dit verband niet redengevend. Het lijkt mij bij uitstek tot het terrein van de vrije meningsuiting behoren om bij de woordkeuze niet gebonden te zijn aan de termen die de overheid gebruikt. Ten aanzien van de term “deportaties” geldt het volgende. Dit woord kan een negatieve connotatie hebben, maar die enkele omstandigheid maakt een inmenging in het recht op de vrijheid van meningsuiting nog niet gerechtvaardigd. Zoals opgemerkt, vinden ook uitingen die “shock, disturb or offend” bescherming onder art. 10 EVRM. De uitlatingen zijn in dit verband minder zwaar aangezet dan in de genoemde ‘ […] ’-zaak, waarin de Hoge Raad het ontslag van alle rechtsvervolging in stand liet. In beide zaken zijn de uitlatingen gedaan in het kader van een maatschappelijk debat over de detentie van mensen zonder geldige verblijfstitel. Ik mis een reactie van het hof op het verweer van de verdediging dat meningsuitingen in het licht van art. 10 EVRM een “degree of exaggeration, or even provocation” mogen bevatten. Voor zover de verwerping van dit verweer ligt besloten in de overweging dat het ophangen van de posters onnodig veel verder gaat dan het bewust maken van anderen van voornoemd overheidsbeleid, acht ik deze motivering niet begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof terecht heeft vooropgesteld dat het bouwbedrijf rekening moet houden met publiek geuit ongenoegen, dat de verdediging heeft aangevoerd dat de gekozen bewoordingen nauwelijks afwijken van de door DJI en de IND gehanteerde bewoordingen, dat de omstandigheid dat de kritiek op een andere wijze had kunnen worden geleverd in het kader van art. 10 EVRM niet beslissend is en dat de poster niet oproept tot het gebruik van geweld, discriminatie of verstoring van de openbare orde. De klacht slaagt. 31. Het middel behelst voorts de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het verweer van de verdediging dat de verdachte een beroep toekomt op art. 261, derde lid, Sr. Nu het middel reeds slaagt gelet op het voorafgaande, behoeft deze klacht geen bespreking. 32. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt. 33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Gerechtshof Den Haag 20 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2700. Voor zover ik kon overzien, heeft het openbaar ministerie tegen dit arrest geen cassatieberoep ingesteld. Zie onder meer HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159, NJ 2011/356 m.nt. Reijntjes, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7488, NJ 2012/473 m.nt. Borgers en HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340, NJ 2015/299 m.nt. Rozemond. Zie onder meer HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3247, rov. 2.4.1. A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Amsterdam: Thela Thesis 1998, p. 133. A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, p. 66-67. Vgl. in dit verband de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel voor HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4322, onderdelen 5 t/m 10. A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, Amsterdam: Thela Thesis 1998, p. 98. Zie onder meer HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:331, NJ 2018/160 en R 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541 m.nt. Reijntjes. Vgl. Kamerstukken II 1975/76, 11 249, nr. 3, p. 6 en onderdeel 17 van de conclusie van toenmalig A-G Silvis voor HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504 m.nt. Dommering. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750, NJ 2009/379 m.nt. Dommering. Onder meer HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 m.nt. Dommering onder NJ 2018/283 en – ten aanzien van art. 137d Sr – HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108 m.nt. Rozemond. HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504 m.nt. Dommering, rov. 7.3. EHRM 7 december 1976, appl.no. 5493/72 (Handyside v. the United Kingdom). Onder meer EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72 (Handyside v. the United Kingdom), rov. 49. Onder meer EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 (Savva Terentyev tegen Rusland), rov. 68. Vgl. onder meer EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 (Savva Terentyev tegen Rusland), rov. 61, EHRM 12 juli 2001, nr. 29032/95 (Feldek tegen Slowakije), rov. 74 en 83 en EHRM 8 juli 1999, nr. 26684/95 (Sürek tegen Turkije), rov. 61. Onder meer EHRM 6 april 2006, nr. 43797/98 (Malisiewic-Gasior tegen Polen), rov. 57 en EHRM 8 juli 1986, NJ 1987/901 m.nt. Alkema (Lingens v. Austria), rov. 42. Zie ook EHRM 7 februari 2012, nr. 39954/08 (Axel Springer AG tegen Duitsland), rov. 91. EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01 (Steel en Morris tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 93 en EHRM 21 september 1990, nr. 17101/90 (Fayed tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 75. EHRM 27 november 2007, nr. 42864/05 (Timpul Info-Magazin en Anghel tegen Moldavië), rov. 34. EHRM 12 juli 2001, nr. 29032/95 (Feldek tegen Slowakije), rov. 76. Zie voorts EHRM 24 februari 1997, nr. 19983/92 (De Haes en Gijsels tegen België), rov. 42 en EHRM 27 februari 2001, nr. 26958/95 (Jerusalem tegen Oostenrijk), rov. 42-43. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750, NJ 2009/379 m.nt. Dommering. Vgl. https://www. zeist.nl/inwoner/wonen-en-verbouwen/wonen/vluchtelingen/asielzoekerscentrum/ .