Nr. 17/04748 Zitting: 16 april 2019 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte]
(5252776)dient onttrokken te worden aan het verkeer nu dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.”
- Ook ten aanzien van deze beslissing ga ik ervan uit dat het hof deze heeft bevestigd (zie de bespreking van het tweede middel).
- Het middel bevat geen klacht over de grondslag van de onttrekking aan het verkeer van de Peugeot. De steller van het middel beperkt zich tot de klacht dat het hof niet (kenbaar) tot uitdrukking heeft gebracht op welke wijze het bij zijn beslissing een proportionaliteitstoets heeft aangelegd.
- In zijn arrest van 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter ingevolge art. 33c, tweede lid, Sr in verbinding met art. 36b, tweede lid, Sr een geldelijke tegemoetkoming toekent indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of de eigenaar van het voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen, de waarde van het onttrokken voorwerp, alsmede eventueel voordeel dat de Staat na de onttrekking ten aanzien van dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop (van onderdelen) daarvan. Deze regeling is volgens de Hoge Raad in overeenstemming met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.
- In het oordeel van het hof ligt besloten dat de verdachte door de onttrekking aan het verkeer van de Peugeot niet onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Ik wijs erop dat in hoger beroep dienaangaande geen verweer is gevoerd, terwijl ook over de draagkracht van de verdachte niets is aangevoerd.
- Het middel faalt.
- Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt.
- Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte, die gedetineerd was ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie, is op 10 augustus 2017 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad de zaak zelf afdoet, dient dit te leiden tot strafvermindering. Als de Hoge Raad de zaak terugwijst, kan het hof de overschrijding van de redelijke termijn in zijn overwegingen betrekken.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat het het vonnis “zal bevestigen behalve ten aanzien van de straf” en heeft in zijn arrest geen beslissing opgenomen over de in de beslag genomen voorwerpen. Ik besteed hieraan aandacht bij de bespreking van het tweede middel. Met weglating van voetnoten. De verdachte is op 12 september 2016 aangehouden. In het desbetreffende proces-verbaal wordt opgemerkt dat de verdachte op de dag van de observaties is aangehouden (bewijsmiddel 1). Vgl. onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis. Deze passage is in de gebezigde bewijsmiddelen niet terug te vinden, maar het hof heeft in zijn overweging met voldoende mate van nauwkeurigheid (in de voetnoot) aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het deze heeft ontleend. Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes. Zie onder meer HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/
- HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/
- Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:469, HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1173, HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9542, HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7366, HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6965, HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK
- HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, rov. 3.4.1 en 3.4.
- HR 2 maart 1999, NJ 1999/
- Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.3