Nr. 17/05793 B Zitting: 23 april 2019 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [klager] 1Inleiding 1.
- De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 5 december 2017 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van een onder hem in beslag genomen auto, ongegrond verklaard. 1.
- Uit de gedingstukken maak ik het volgende op. Er bevindt zich een kennisgeving van inbeslagneming (KVI) in het dossier. Hieruit volgt dat op 15 mei 2017 een Mercedes-Benz in beslag is genomen op grond van art. 94 Sv, in het kader van de waarheidsvinding, omdat deze auto zou zijn verkregen door middel van afpersing. De klager in cassatie is de beslagene. 1.
- Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.
- Het middel bevat de klacht dat de rechtbank de onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van het klaagschrift. 2.
- De bestreden beschikking houdt het volgende in: “
- De beoordeling Namens klager is aangevoerd dat onder hem een voertuig, Mercedez-Benz Viano met kenteken [kenteken] , in beslag is genomen. Klager heeft deze auto gekocht en is eigenaar van deze auto. Klager is van mening dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de teruggave van zijn auto aan hem. De officier van justitie heeft zich in de raadskamer op het standpunt gesteld dat er aangifte van afpersing van de auto is gedaan. Deze zaak is inmiddels onderdeel geworden van een groter onderzoek genaamd Keiappel. Er zijn bewijsmiddelen die tegen klager pleiten, waardoor het nog veel te vroeg is om te oordelen dat de auto terug kan. Er is thans nog onderzoeksbelang. Ter zitting is door gemachtigde van klager aangevoerd dat sprake is van een separate verdenking binnen onderzoek Keiappel, zodat ook zonder kennisname van dat dossier een beslissing kan worden genomen. De rechtbank overweegt als volgt. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Voor beantwoording van de vraag of het inbeslaggenomen voertuig al dan niet terug kan worden gegeven aan klager, dient te worden getoetst of klager al dan niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat klager aangifte heeft gedaan van diverse bedreigingen na de aankoop van het inbeslaggenomen voertuig. Daarentegen blijkt ook uit het dossier dat tegen klager aangifte is gedaan waarin is gesteld dat klager het voertuig door middel van afpersing heeft verkregen. Vooralsnog is uit het dossier niet af te leiden wie onder deze omstandigheden de rechtmatige eigenaar van het voertuig is. Hier doet zich dus niet het geval voor dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat klager als rechthebbende van het in beslag genomen voertuig moet worden aangemerkt. Gelet hierop dient het beklag ongegrond te worden verklaard.
- De beslissing De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.” 2.
- Bij het beoordelen van een beklag op grond van art. 94 Sv dient de rechter (i) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, (ii) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Verder verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. 2.
- Uit de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank blijkt dat niet de juiste maatstaf is toegepast. De rechtbank heeft niet beoordeeld of het belang van strafvordering zich thans tegen teruggave van de in beslag genomen auto verzet. Ook de vraag die pas aan de orde komt als is vastgesteld dat er geen belang van strafvordering meer is, te weten of een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd, heeft de rechtbank miskend. Het middel is terecht voorgesteld. 3Conclusie 3.
- Het middel slaagt. 3.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven. 3.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.8 t/m 2.11.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.