Nr. 18/01047 B Zitting: 23 april 2019 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [klaagster] 1Inleiding 1.
(2)Is een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zich richt redelijkerwijs rechthebbende en is die ander bekend? Het is de rechtbank gebleken dat het Openbaar Ministerie bij brief van 6 december 2017 een mededeling ex artikel 116 lid 3 Sv heeft gedaan, inhoudende dat de [de hond] zal worden teruggegeven aan belanghebbende [belanghebbende] . Een beslissing op grond van artikel 116 Sv wordt pas genomen op het moment dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van de hond. Zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp geldt de hoofdregel dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het is inbeslaggenomen. Van die regel wordt afgeweken indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het maatschappelijk niet onverantwoord is om het voorwerp terug te geven aan die ander. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat belanghebbende [belanghebbende] op 21 november 2016 een bedrag van 150,00 euro, onder vermelding van ‘ [de hond] ’, heeft overgemaakt aan klaagster. Belanghebbende heeft daarover verklaard dat klaagster de hond op Marktplaats had geadverteerd en dat hij op deze advertentie heeft gereageerd. De verklaring van klaagster dat de hond slechts voor korte tijd bij belanghebbende was ondergebracht voor tijdelijke verzorging, vindt geen steun in het dossier. De rechtbank concludeert dan ook dat het er alle schijn van heeft dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen klaagster en belanghebbende. Dat klaagster nadien spijt heeft gekregen van die koop doet daar niets aan af. Over de vraag of klaagster ten tijde van het wilsbesluit (de verkoop) onder invloed van een psychische stoornis verkeerde en of de nietigheid van de koop dient te worden ingeroepen, behoeft de rechtbank op dit moment geen oordeel te geven. Deze kwestie kan in een civiele procedure aan de orde gesteld te worden. Nu daarin nog geen beslissing is genomen, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Voorts is niet gebleken dat het maatschappelijk onverantwoord is om de hond terug te geven aan [belanghebbende] en heeft [belanghebbende] in raadkamer verklaard dat hij de hond terug wenst te krijgen. De rechtbank zal zo beslissen. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond en gelast de teruggave van de [de hond] aan belanghebbende [belanghebbende] .” 3.3. Het middel is, zoals gezegd, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De kern van de klacht is dat de civielrechtelijke eigendomsverhouding in deze allerminst helder is en dat de rechtbank daarom niet had mogen afwijken van de hoofdregel dat het beslag terug moet naar de beslagene. 3.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter (
- i)te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee (
- ii)de teruggave van het in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In het systeem van de wet ligt besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een klaagschrift dat is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan anderen dan de beslagene, zoals in onderhavige zaak. In dat voornemen ligt, gelet op art. 116 lid 1 Sv, besloten dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Het staat de rechter dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat. De te beantwoorden vraag voor de rechter is dan slechts of degene aan wie de officier van justitie voornemens is het voorwerp terug te geven op het eerste gezicht redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar mag hij daarbij wel civielrechtelijke aspecten betrekken. Het gaat in de beslagprocedure om een (voorlopig) oordeel over de eigendomsverhoudingen. 3.5. De vraag is of de rechtbank de bovenstaande maatstaven juist heeft toegepast. 3.6. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster kennelijk opgevat als zowel te zijn gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave aan de klaagster, als tegen het voornemen van de officier van justitie als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv de hond aan de belanghebbende [belanghebbende] terug te geven. Dat de klaagster ook opkwam tegen dit voornemen van de officier van justitie blijkt niet als zodanig uit het ingediende klaagschrift, maar wel uit de zich bij de gedingstukken bevindende pleitnotitie van de raadsman, die aan het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 23 januari 2018 is gehecht. Het is dus niet onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de door het openbaar ministerie gedane mededeling ex art. 116 lid 3 Sv meebrengt dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van de hond. Als de officier van justitie immers als zijn voornemen te kennen geeft een inbeslaggenomen voorwerp terug te geven aan een derde die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, ligt daarin besloten dat naar het oordeel van het openbaar ministerie het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie zich tijdens de raadkamerbehandeling op het (tegenstrijdige) standpunt heeft gesteld dat er wel nog een strafvorderlijk belang is. 3.7. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet, de hoofdregel geldt dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan de beslagene maar dat van die regel wordt afgeweken indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het maatschappelijk niet onverantwoord is om het voorwerp terug te geven aan die ander. De rechtbank heeft hiermee de juiste maatstaven gehanteerd. In zoverre vindt de opvatting van de steller van het middel dat ‘uit de wet als ook de jurisprudentie van uw Hoge Raad geen mogelijkheid blijkt om van die hoofdregel af te wijken’, dan ook geen steun in het recht. 3.8. De kern van de klacht is dat de rechtbank niet van de hoofdregel had mogen afwijken omdat de civielrechtelijke rechtsverhouding niet voldoende duidelijk is geworden. 3.9. De rechtbank heeft vastgesteld dat de hond middels diefstal bij de klaagster terecht is gekomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende [belanghebbende] een bedrag van 150,00 euro heeft overgemaakt aan klaagster onder vermelding van ‘ [de hond] ’ en dat hij daarover heeft verklaard dat klaagster de hond op Marktplaats had geadverteerd en dat hij hierop heeft gereageerd. De verklaring van klaagster dat zij de hond slechts voor korte tijd bij belanghebbende had ondergebracht voor tijdelijke verzorging, vindt volgens de rechtbank geen steun in het dossier. De rechtbank concludeert hieruit dat het er alle schijn van heeft dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen klaagster en belanghebbende en dat zij over de vraag of klaagster ten tijde van deze verkoop onder invloed psychische stoornis verkeerde en of de koopovereenkomst op grond daarvan nietig is, geen oordeel hoeft te geven. Die kwestie kan volgens de rechtbank in een civiele procedure aan de orde worden gesteld. 3.10. Anders dan de steller van het middel betoogt, getuigt dit oordeel van de rechtbank mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank heeft met haar overwegingen tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende [belanghebbende] op het eerste gezicht een beter recht heeft op de hond dan de klaagster. De rechtbank is daarbij niet getreden in de beslechting van civielrechtelijke eigendomskwesties, maar heeft bij haar oordeel slechts betrokken dat het er alleen schijn van heeft dat er sprake is geweest van een rechtsgeldige koopovereenkomst. Dat oordeel is, gelet op de vaststellingen die gebaseerd zijn op het dossier, niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat artikel 116 lid 6 Sv bepaalt dat de beslissingen ex artikel 116 Sv ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laten en verwijst de beslagene aldus naar de civiele rechter om eventuele civiele claims te kunnen beslechten. 3.11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven. 5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. bijvoorbeeld de situatie waarin uit uitlichtingen bij de Hoge Raad blijkt dat het in beslag genomen voorwerp is teruggegeven aan de beslagene zelf: HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:8. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.6. Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0514, NJ 2007/361. Tot ambtshalve vernietiging hoeft dit niet te leiden, zie HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9355. Overigens maak ik uit de zich in het dossier bevindende reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift van de klaagster op dat de hond reeds gedurende de procedure bij belanghebbende [belanghebbende] in bewaring was gegeven (art. 116 lid 4 Sv schept deze mogelijkheid). Omdat de gerechtelijke last tot teruggave is gericht aan de bewaarder, doet zich hier dus de situatie voor dat de bewaarder zichzelf als het ware de hond teruggeeft. Vgl. de situatie waarin de officier van justitie zonder dat de beslissing onherroepelijk is geworden, overgaat tot teruggave en in cassatie wordt gehandeld als ware het voorwerp niet teruggegeven, impliciet HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4381 en expliciet de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga. Zie ook HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656, NJ 2007/147 en van recentere datum HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2588 (officier van justitie gaat zonder toepassing art 116 lid 3 Sv over tot teruggave aan derde en de beslagene is toch ontvankelijk omdat diens beklag moet worden beschouwd als te zijn gericht tegen het voornemen van de officier van justitie alsof de teruggave nog niet heeft plaatsgevonden). Vgl. HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6283, NJ 2006/385. Zie voor dit alles HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.8-2.13. Vgl. HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003/459.