ECLI:NL:PHR:2019:41
Nr. 17/02457 Zitting: 15 januari 2019 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 9 mei 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “Poging tot handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde als nader in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een geldbedrag aan de rechthebbende.
Namens de verdachte heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Blijkens de stukken van het geding gaat het in deze zaak om het volgende. Op basis van een bericht van Australische opsporingsautoriteiten wordt het onderzoek 26Boonville gestart. Volgens de verkregen informatie doet een zekere “ […] ” pogingen om via internet wapens en explosieven te kopen. Een politie-informant (verder: de informant) ontvangt op 7 augustus 2016 een eerste mailbericht van iemand die op zoek is naar wapens, naar uit latere mailberichten blijkt: een handvuurwapen/shotgun, munitie, een Glock, AK’s en uiteindelijk handgranaten (bewijsmiddelen 2, 4 en 5). De mailwisseling leidt tot een ontmoeting tussen een man – de verdachte –, die voldoet aan de beschrijving die de afzender van de e-mails heeft opgegeven, en de informant.
Op de plaats van ontmoeting zegt de verdachte geld bij zich te hebben en is hij samen met de informant naar een auto gelopen om tien handgranaten te bekijken (bewijsmiddel 3). De verdachte wordt aangehouden. Het geld wordt in zijn kleding aangetroffen. De verdachte erkent dat het emailadres van hem is en dat hij de afzender van de emailberichten is; bij het zoeken op internet was hij via via op het Darkweb geraakt (bewijsmiddel 1). In hoger beroep wordt door de verdediging aangevoerd (i) dat de verdachte ontoelaatbaar is uitgelokt en dat dus sprake is van schending van het Tallon-criterium en (ii) dat sprake was van pseudokoop waarvoor ten onrechte geen bevel was aangevraagd respectievelijk afgegeven.
Om deze twee punten gaat het thans ook in cassatie.
Gedurende het emailcontact heeft de informant aangedrongen op een koop. De verdachte was echter terughoudend en de informant heeft op die terughoudendheid van de verdachte ingespeeld door het vragen van een in werkelijkheid absurd lage prijs en op die manier de verdachte over de streep getrokken. De koop, dan wel poging daartoe, zou zonder tussenkomst en aandringen van de informant niet tot stand zijn gekomen en de informant is hierbij op onaanvaardbare wijze te werk gegaan. […]
Hier komt nog bij dat voor deze opsporingshandelingen een bevel is aangevraagd noch afgegeven. De afgegeven bevelen zien op stelselmatige informatiewinning als bedoeld in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering. Voor de verrichte handelingen door de informant was echter een bevel als bedoeld in artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering nodig.
Afgezien dat de bevelen niet zien op de juiste opsporingsbevoegdheid, is een belangrijk deel van de onderzoeksperiode niet gedekt door de afgegeven bevelen. In ieder geval blijkt dat er tijdens de periode van 7 augustus 2016 tot 23 augustus 2016 en van 15 september 2016 tot 21 september 2016 op onrechtmatige wijze bewijs is vergaard, nu voor die perioden geen bevel was afgegeven.
Het voorgaande dient volgens de raadsvrouw primair te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Door de vormverzuimen is een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming belangen van de verdachte zijn geschaad. Het onverschillige omspringen met het wel of niet rechtmatig uitvoeren van de bijzondere opsporingsbevoegdheden raakt het recht van de verdachte op een eerlijk proces.
De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat genoemde vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van het door de vormverzuimen vergaarde bewijs, ter bescherming van het recht op een eerlijk proces. […] Beoordeling door het hof Op grond van het Tallon-criterium mag een opsporingsambtenaar een verdachte niet brengen tot het begaan van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds van tevoren was gericht. Uit het dossier blijkt dat op 7 augustus 2016 een mail bij de informant is binnengekomen afkomstig van het mailadres (…). Op grond van het dossier moet worden aangenomen dat dit mailadres toen bij de verdachte in gebruik was. De verdachte heeft in een email van 17 augustus 2016 zelf aangegeven dat hij op zoek was naar een handvuurwapen en misschien ook handgranaten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zelf het initiatief heeft genomen tot de aankoop van de handgranaten en dat er dus geen sprake is van enige vorm van uitlokking.
Het hof overweegt voorts dat, nu het de verdachte is geweest die een nieuw contact heeft gelegd, dit de start is van het onderzoek in Nederland. Hier komt nog bij dat de verdachte op geen enkel moment heeft verklaard te zijn uitgelokt door de Australische autoriteiten.
Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte derhalve niet tot het begaan van andere strafbare feiten is gebracht dan waarop diens opzet reeds van tevoren was gericht. Het verweer wordt verworpen. […] Ten aanzien van de gestelde pseudo-koop en het ontbreken van vereiste (tijdige) strafvorderlijke bevelen overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier blijkt dat bij de politie nooit de intentie aanwezig is geweest om daadwerkelijk tot verkoop van handgranaten over te gaan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7331) volgt dat er dan ook geen sprake is geweest van pseudo(ver)koop in de zin van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen bevel tot pseudo(ver)koop nodig was. […]”.
In dat verband heeft het hof voorts overwogen dat de verdachte op geen enkel moment heeft verklaard te zijn uitgelokt. Het is, gezien bewijsmiddel 2, de verdachte zelf die het contact legt. Na wat heen en weer gemaild te hebben, antwoordt de verdachte op de vraag van de informant wat hij zoekt: “Hey ja voor nu ben ik ff op zoek naar een handvuurwapen/shotgun tot een grens van 1500/2000 tevens ook wel munitie (…) en of je wellicht ook granaten hebt.” Nadat de informant in een daaropvolgend mailtje zegt dat hij aanneemt dat de verdachte handgranaten bedoelt, antwoordt de verdachte met: “Ja handgranaten”. De verdachte geeft aan dat hij wel 10 eitjes (straattaal voor handgranaten, AG) zou willen nemen.
Als de informant daarna vraagt”: “ Ok, wat wil je nu: wil je 10 handgranaten of niet”, antwoordt de verdachte: “Ja”. Dat kost de verdachte 300 euro. Medio september mailt de informant dat de eitjes binnen zijn en voegt daarbij twee foto’s van scherfgranaten (M75 en M52; bewijsmiddel 5). Als de verdachte wordt aangehouden, heeft hij € 304,75 bij zich (bewijsmiddel 4). Een vorm van uitlokking doet zich in deze zaak niet voor, zodat het uiteraard voor het hof zinloos was om ook nog eens expliciet in te gaan op de rechtsgevolgen die de raadsvrouw aan haar betoog heeft verbonden (niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, dan wel vrijspraak).
3.7. In het onderhavige geval is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van het misdrijf van art. 10a Opiumwet door het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de verstrekking van harddrugs aan anderen, die opsporingsambtenaren bleken te zijn. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de opsporing daarop was gericht, in het kader van de bestrijding van overlast door zogenaamde drugsrunners, en dat er van de zijde van de politie niet de bedoeling aanwezig was om daadwerkelijk tot aankoop over te gaan, waarin besloten ligt dat geen afspraken zijn gemaakt die onder meer strekten tot aflevering van de goederen. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen geeft het oordeel van het Hof dat in dit geval geen sprake was van pseudokoop in de zin van art. 126i Sv geen blijkt van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.”
In het hierboven al aangehaalde arrest van 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0199 deed zich naar het oordeel van de Hoge Raad geen (burger)pseudoverkoop voor. Een farmaceutische groothandel had bijstand verleend aan de opsporing en, conform een daartoe strekkende overeenkomst met de officier van justitie, cafeïne en paracetamol geleverd aan een persoon die deze stoffen vermoedelijk als versnijdingsmiddel wilde gebruiken (art. 10a Opiumwet). Geen pseudoverkoop aldus de Hoge Raad, omdat de genoemde stoffen in het gewone handelsverkeer legaal kunnen worden overgedragen. En evenmin pseudoverkoop in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5593, NJ 2010/77: de betrokken medeverdachte was (na zijn aanhouding) door de verbalisanten slechts gevraagd om zijn reeds bestaande plan tot het overdragen van de koffer met een hoeveelheid cocaïne aan de verdachte voort te zetten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Requisitoir in hoger beroep, p. 1.
Zie voorts het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Rotterdam d.d. 22 december 2016, p.2.
Stb. 1999, 245.
Het bevel dient tevens om, overeenkomstig het bepaalde in art. 43 Sr, strafbaarheid van de informant uit te sluiten.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 33.
Kamerstukken II 1996-97, 25 403, nr. 3, p. 76.
Dit is een verschil met het daadwerkelijk verkopen door de verdachte bij pseudokoop; daarom schreef ik zojuist “in zekere zin” het spiegelbeeld.
Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, negende door M.J. Borgers en T. Kooijmans bewerkte druk, 2018, p. 538: “Onder pseudo-koop mag geen pseudo-verkoop worden verstaan.”
Kamerstukken II 1995-96, 24 072, nrs. 10-11, p. 269.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 34. Zie voorts: E.M. Moerman, Inburgeren in de opsporing (diss.), 2016, p. 144-145.
Vgl. ook HR 2 november 1993, DD 94.110.