Zaaknr: 19/01090 M.L.C.C. Lückers Zitting: 26 april 2019 Conclusie inzake: [betrokkene] (hierna: betrokkene), verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg tegen 1. [verweerder 1] en 2. [verweerder 2] , verweerders in cassatie, niet verschenen. 1. Feiten en procesverloop 1.1 Betrokkene verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis van de Stichting GGZ Eindhoven (GGzE, hierna ook: de instelling), te weten de forensisch-psychiatrische kliniek ‘De Woenselse Poort’, afdeling Volte 1c, in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Op de interne rechtspositie van betrokkene is de Wet Bopz van toepassing (art. 51 lid 3 Wet Bopz). 1.2 De bewoners van afdeling Volte lc mogen één uur per dag (in de weekenden twee uur per dag) gebruik maken van de binnentuin wanneer er toezicht is. Dit geldt ook voor betrokkene. 1.3 Betrokkene beschikte over een zogenaamde tuinpas. Houders van een dergelijke pas mogen zich vrij in de binnentuin bewegen tussen 8.00 uur en 21.00 uur (in de wintertijd 20.00 uur). 1.4 In een protocol van 15 april 2016 “Uitleg aan behandelverantwoordelijken en medewerkers hoe we willen omgaan met het verlenen van privileges om vrij in de binnentuin van Woensel te kunnen bewegen” wordt onder meer vermeld dat privileges enkel en alleen kunnen worden toegekend na positief resultaat in de zorgplanbespreking. In het protocol zijn tien criteria opgenomen die daarvoor worden toegepast. Onder punt 10 staat “geruime tijd geen drugs gebruikt en niet betrokken (geweest) in handel in drugs”. 1.5 In een protocol van diezelfde datum “Uitleg aan cliënten over privileges om vrij in de binnentuin van Woensel te kunnen bewegen” staat onder meer het volgende: “In de zorgplanbespreking kan op jouw verzoek worden gekeken naar de volgende voorwaarden: • Ben je in je behandeltraject toe bent aan dit privilege; dit betekent: 1. goed samenwerken, overleggen en afspraken maken met je team 2. anderen niet tot last zijn door je gedrag 3. voldoende controle hebben op impulsief gedrag 4. geen conflicten veroorzaken • Past deze stap bij je verlofmogelijkheden of plannen daarvoor • Neem je in je programma vast deel aan de blokken in je veranderrooster en neem je voldoende deel aan je structuurrooster ( arbeid, onderwijs, sport, activiteitenbegeleiding)? • Kun je het gebruik van de binnentuin goed combineren met je programmadeelname want je programma gaat voor op het gebruiken van de binnentuin? • Kun je zonder begeleiding naar en van je Programmaonderdelen (en terug) naar de afdeling lopen • Kan het gebruik van je signaleringsplan worden ingezet om te bepalen of je van de binnentuin gebruik kunt maken (niet eenmalig maar dagelijks)? • Geruime tijd geen drugs gebruikt en niet betrokken geweest in handel daarin Als deze bespreking positief uitvalt en je binnentuinprivileges krijgt dan ga je een keycord krijgen waardoor zichtbaar is dat je op een goede en veilige manier gebruik maakt van de binnentuin. (…) Wanneer je niet op een goede en veilige manier gebruik maakt van deze privileges worden deze ingetrokken, uiteraard met uitleg van de redenen waarom. (…)” 1.6 Op 11 oktober 2018 is aan betrokkene een schriftelijke “Mededeling beperking rechten art. 40 BOPZ” uitgereikt. In die mededeling staat dat betrokkene wordt beperkt in het gebruik van bewegingsvrijheid (binnen de instelling, inclusief het terrein van GGzE) ter voorkoming van verstoring van de orde in de instelling en ter voorkoming van strafbare feiten. In de mededeling is als grond voor deze beperking opgenomen: “Er is een signaal binnen gekomen dat jouw bezoek drugs binnen zou brengen met de bedoeling dat jij dit zou verhandelen binnen de kliniek wat de veiligheid binnen de kliniek in het geding zou brengen. Op basis hiervan is de actie ingezet jouw bezoek te fouilleren bij aankomst in de kliniek. Dit is gebeurd en hier is drugs aangetroffen. Jouw bezoek zijn toegang is ontzegd en op basis van bovenstaande is jouw tuinpas ingenomen voor onbepaalde tijd.” 1.7 Op 15 oktober 2018 is aan betrokkene een schriftelijke “Mededeling beperking rechten art. 40 BOPZ” uitgereikt, inhoudende een beperking in het gebruik van bewegingsvrijheid binnen de instelling. In de mededeling is de volgende grond voor de beperking opgenomen: “Kamer kast controle gehad bij jou. n.a.v. transactie die gezien is op camerabeelden tussen jou en mede cliënt welke mogelijk vals geld aan andere mede cliënten gegeven zou hebben. Deze andere mede cliënten zouden in de soos geprobeerd betaald te hebben met dit geld waar bleek dat dit vals was. Tijdens de kamer kast controle is één briefje van 50 euro in beslag genomen om 15.00 uur. Dit bleek een vals biljet te zijn. Hierdoor blijft je in de ruis en krijgt je jouw tuinpas niet terug die al in beslag was genomen n.a.v. vermoeden van drugshandel.” 1.8 Op 10 oktober 2018 heeft betrokkene op de voet van art. 41 Wet Bopz bij de klachtencommissie van de instelling een klaagschrift ingediend. De klacht richtte zich tegen de beslissing tot intrekking van zijn tuinpas. In haar uitspraak van 8 november 2018 heeft de klachtencommissie zich niet bevoegd verklaard om de klacht van betrokkene te beoordelen. Voor een goed begrip van de zaak acht ik het zinvol om bepaalde passages uit de uitspraak weer te geven. De klachtencommissie heeft in de uitspraak het verweer van de instelling als volgt weergegeven: “Klager geeft in zijn klaagschrift aan dat hij zijn tuinpas in moest leveren omdat er sprake is van ruis over zijn bezoek. Het bezoek is door de beveiliging gefouilleerd waarbij drugs zijn gevonden en waarna het bezoek de toegang is ontzegd. Binnen de Woenselse Poort is het voor cliënten mogelijk om, mits zij aan de gestelde voorwaarden voldoen, een tuinpas te krijgen waarmee zij vrij kunnen verblijven in de binnentuin zonder begeleiding en binnen gezette tijden. Verweerster verwijst naar het overgelegde protocol waarin deze gang van zaken wordt beschreven. Eén van de voorwaarden om deze tuinpas te kunnen verkrijgen èn behouden is dat een patiënt geruime tijd geen drugs gebruikt en niet betrokken is, of is geweest, bij de handel in drugs. Al verschillende malen is door enkele medepatiënten bij het team aangegeven dat klager drugs zou verhandelen binnen de instelling. Op 8 oktober is er een bezoekmoment, met een vriend van klager, voor klager ingepland. Voorafgaand aan dit bezoek werd aan het team medegedeeld door medepatiënten dat deze bezoeker drugs zou binnen brengen met de bedoeling dat klager die binnen de instelling zou gaan verhandelen. Op 8 oktober 2018 is het bezoek van klager bij binnenkomst gefouilleerd. Er werden inderdaad drugs, ongeveer 10 gram cannabis, in de rand van de capuchon van de bezoeker aangetroffen. Daarnaast is er een vermoeden dat deze bezoeker ook drugs bij zich heeft gedragen in het ondergoed. Dit heeft vervolgens weer aanleiding gegeven tot het vermoeden van drugshandel bij klager. Naar aanleiding daarvan is de tuinpas van klager, na overleg met het team op 9 oktober 2018, ingetrokken en is aan hem een mededeling cliënt uitgereikt. Dus zowel de signalen van medepatiënten, als het daadwerkelijk meebrengen van drugs door bezoek was voor het team voldoende reden om de tuinpas van klager in te nemen. Zodra klager meer duidelijkheid kan verschaffen over het mogelijke gebruik en de eventuele handel in drugs zal worden gekeken of klager opnieuw in aanmerking kan komen voor een tuinpas.” De klachtencommissie heeft als volgt overwogen: “Klager is TBS met dwangverpleging opgelegd. Hij verblijft in De Woenselse Poort op grond van artikel 37b van het wetboek van Strafrecht. Op personen die om die reden gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis zijn op grond van artikel 51, lid 3 van de wet BOPZ de artikelen 36 tot en met 41b, 44, 56, 57, en 58 van de wet BOPZ toepassing. Dat betekent dat klager een klacht kan indienen als bedoeld in artikel 41, lid 1 van de wet BOPZ. De klachtencommissie heeft vastgesteld dat de klacht die klager naar voren heeft gebracht over de beslissing om hem te beperken in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis, behoort tot de in artikel 41, lid 1 van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen genoemde beslissingen op grond waarvan een patiënt een klacht kan indienen. Het klachtrecht op grond van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen is derhalve van toepassing op deze klacht die klager naar voren brengt. Door verweerster wordt aangegeven dat er geen sprake zou zijn van een beperking van het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis. Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht naar voren gebracht dat zij van oordeel is dat, in lijn met eerdere uitspraken van de klachtencommissie, door de instelling algemene maatregelen mogen worden genomen om de veiligheid binnen de instelling te waarborgen. Door de instelling is een dergelijke algemene maatregel getroffen door tijden aan te geven waarop patiënten van verschillende afdelingen van De Woenselse Poort toegang hebben tot de binnentuin van De Woenselse Poort. Klager kan binnen de tijd die is vastgelegd voor de afdeling Volte 1C naar de binnentuin. Klager wordt daardoor niet beperkt in zijn recht op bewegingsvrijheid. Daarnaast kent De Woenselse Poort een regeling waardoor het mogelijk is dat patiënten die aan bepaalde voorwaarden voldoen een ruimer gebruik kunnen maken van de binnentuin. Dit ruimere gebruik van de binnentuin is te zien als een voorrecht dat bovenop het reeds bestaande recht op bewegingsvrijheid komt. Patiënten die een gebruik kunnen maken van de binnentuin krijgen een tuinpas. Deze tuinpas kan worden ingenomen als een patiënt niet meer aan de voorwaarden voldoet om het voorrecht te hebben om buiten de voor alle patiënten vastgestelde tijd gebruik te maken van de binnentuin. De verruiming van het gebruik van de binnentuin is tot stand gekomen in overleg met de Cliëntenraad van De Woensels Poort. Het intrekken van het voorrecht om een ruimer gebruik te maken van de binnentuin is daarom niet te beschouwen als een beperking van het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis. Daarmee bestrijdt verweerster in feite dat de klachtencommissie bevoegd is om de klacht van klager te beoordelen. De klachtencommissie zal zich in eerste instantie uitspreken over de vraag of zij zich bevoegd acht om de klacht van klager te beoordelen. De klachtencommissie heeft inderdaad eerder het standpunt ingenomen dat het recht op bewegingsvrijheid niet betekent dat een patiënt het recht heeft om zondermeer alle bij de afdeling behorende ruimtes te betreden en dat, voor wat betreft De Woenselse Poort ook maatregelen mogen worden getroffen om de toegang tot een patio of binnentuin te reguleren. Deze opvatting van de klachtencommissie vindt steun in het ontwerp van een wijziging van het besluit rechtpositieregelen BOPZ in verband met de verruiming van de huisregels van psychiatrische ziekenhuizen. De Woenselse Poort is een psychiatrisch ziekenhuis waar een zwaardere categorie (forensische) patiënten wordt behandeld. Volgens het ontwerpbesluit moeten de huisregels kunnen worden afgestemd op de specifieke zorgbehoeften van deze categorie patiënten en op het ernstig nadeel dat patiënten zichzelf of anderen kunnen berokkenen. Daarom is het in de ogen van de klachtencommissie gerechtvaardigd dat in de huisregels van De Woenselse Poort maatregelen worden getroffen om de handel in en het gebruik van verdovende middelen tegen te gaan. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat bepaalde patiënten of patiëntengroepen niet gelijktijdig in dezelfde (buiten-)ruimte mogen verblijven. En dat brengt met zich mee dat in de huisregels, of in ieder geval op grond van de huisregels, tijden moeten worden aangewezen waarop patiëntengroepen gebruik kunnen maken van de (buiten-)ruimte. De aan de klachtencommissie overgelegde huisregels bevatten echter geen bepaling over hoe de toegang van patiënten tot de binnentuin wordt geregeld. De klachtencommissie meent dat het wenselijk is dat in de huisregels van De Woenselse Poort wordt opgenomen hoe de toegang van patiënten tot de binnentuin wordt geregeld. Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat het klager is toegestaan om op de voor de afdeling Volte 1C afgesproken tijd naar de binnentuin te gaan. Daar heeft klager geen tuinpas voor nodig. In dat opzicht wordt klager, in de ogen van verweerster, dus niet beperkt in zijn recht op bewegingsvrijheid, zoals in de daarvoor geldende huisregels is vastgelegd. De klachtencommissie kan verweerster niet in deze redenering volgen. Immers, in de huisregels is niets vastgelegd over de toegang van patiënten tot de binnentuin. Echter, de klacht van klager richt zich niet op het ontzeggen van de mogelijkheid om op de voor de afdeling Volte 1C vastgestelde tijden naar de binnentuin te gaan. De klachtencommissie zal daarom dit aspect van de mogelijkheid van klager om zich vrij in de binnentuin van De Woenselse Poort buiten beschouwing laten. Voor het betreden van de binnentuin op andere momenten dan voor de afdeling Volte 1C is vastgelegd hebben patiënten een tuinpas nodig. Verweerster stelt zich op het standpunt dat daarmee sprake is van een uitbreiding van de mogelijkheid om naar de binnentuin te gaan. Het verkrijgen van de tuinpas moet gezien worden als een voorrecht volgens verweerster. De tuinpas kan gezien worden als een “plus-regeling” op het recht op bewegingsvrijheid, zoals in de daarvoor geldende huisregels is vastgelegd. De tuinpas is ingetrokken omdat klager niet meer voldeed aan de voorwaarden die verbonden zijn aan het bezit van een tuinpas, die zijn neergelegd in een document van 15 april 2016, waarin de uitleg aan patiënten is neergelegd over privileges om zich vrij in de binnentuin van De Woenselse Poort te kunnen bewegen. De klachtencommissie stelt vast dat de regeling met de voorwaarden om een tuinpas te krijgen op zich geen onredelijke voorwaarden stelt voor het verkrijgen van een tuinpas. De regeling, zoals die is getroffen, is te zien als een regeling voor de uitbreiding van het recht op bewegingsvrijheid. De klachtencommissie is niet bevoegd om zich uit te spreken over een klacht die zich richt op de weigering om het recht op bewegingsvrijheid uit te breiden. Dat brengt met zich mee dat de klachtencommissie zich ook niet bevoegd acht om een oordeel te geven over de klacht zoals klager die naar voren heeft gebracht, namelijk over het intrekken van een eerder toegestane uitbreiding van het recht op bewegingsvrijheid, op grond van het niet voldoen aan voorwaarden van een binnen GGzE vastgestelde beleidsregel. Tenslotte wil de klachtencommissie aangeven dat zij twijfels heeft of de regeling die getroffen is voor het verkrijgen van een tuinpas voldoende aansluit bij het systeem van artikel 40 lid 3 van de wet BOPZ. De klachtencommissie zal deze twijfels overbrengen aan de Raad van Bestuur van GGzE.” 1.9 Op 23 november 2018 heeft betrokkene op de voet van art. 41a lid 5 Wet Bopz een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Hij heeft de rechtbank verzocht zijn klacht gegrond te verklaren. 1.10 De rechtbank heeft de zaak op 13 december 2018 mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat, en verweerders in cassatie (de jurist van de instelling respectievelijk de behandelaar van betrokkene). 1.11 Bij beschikking van 20 december 2018 heeft de rechtbank de klacht ongegrond verklaard. 1.12 Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het middel bevat één onderdeel dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klacht van betrokkene. De rechtbank heeft daaromtrent als volgt overwogen: “De rechtbank stelt voorop dat betrokkene die op grond van een TBS maatregel met dwangverpleging in de Woenselse Poort verblijft, op grond van artikel 51, derde lid jo artikel 41a Wet Bopz, een klacht kan indienen als bedoeld in artikel 41a Wet Bopz. De vraag die de rechtbank eerst dient te beantwoorden is of er sprake is van een beperking in het recht op bewegingsvrijheid van betrokkene in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels in zin van artikel 40, derde lid van de Wet Bopz. Artikel 40, eerste lid van de Wet Bopz bepaalt - voor zover hier van belang - dat het bestuur er zorg voor draagt dat een patiënt zo spoedig mogelijk na zijn opneming in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels alsmede van de op grond van de Wet Bopz aan de patiënt toekomende rechten. De voor de behandeling verantwoordelijke draagt er op grond van het derde lid van artikel 40 zorg voor dat de patiënt een mondelinge toelichting ter zake ontvangt. Niet is gebleken dat de huisregels bepalingen bevatten over hoe de toegang van patiënten tot de binnentuin wordt geregeld. Ter zitting is wel gebleken dat bij opname van patiënten op de afdeling Volte lc aan hen onder andere wordt medegedeeld dat zij een uur per dag en in het weekend twee uur per dag toegang tot de binnentuin hebben als er toezicht is. Aldus wordt aan alle patiënten bij hun opname mondeling medegedeeld wat hun recht op bewegingsvrijheid ten aanzien van de binnentuin inhoudt. De rechtbank is van oordeel dat deze mondeling medegedeelde regel op een lijn te stellen valt met een huisregel, doordat deze voor alle bewoners geldt en die regel bij opname aan alle bewoners kenbaar wordt gemaakt. Tot 11 oktober 2018 had betrokkene doordat hij een tuinpas had het privilege om vrij in de binnentuin te kunnen bewegen. Van dat privilege kon hij gebruik maken tussen 08.00 uur en 21.00 uur (in de wintertijd tot 20.00 uur). Door de mededeling van 11 oktober 2018 is de bewegingsvrijheid die betrokkene op grond van die tuinpas had beperkt. Uit de stukken en de zitting is gebleken dat een tuinpas enkel aan een patiënt kan worden toegekend na positief resultaat op de zorgplanbespreking van die betreffende patiënt. Hiervoor worden tien criteria toegepast. De tuinpas kan worden ingetrokken - onder meer - indien de patiënt niet voldoet aan een of meer van die tien criteria. Betrokkene heeft, ook na het intrekken van de tuinpas op 11 oktober 2018, hetzelfde recht op bewegingsvrijheid ten aanzien van de binnentuin behouden als de andere patiënten op de afdeling Volte lc hebben. De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas niet is aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis als bedoeld in artikel 40, derde lid van de Wet Bopz.” 2.2 Het onderdeel klaagt dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de artikelen 37, 38a, 38b en 38c Wet Bopz, de artikelen 3 en 4 Besluit rechtspositieregelen Bopz en art. 5 EVRM. Meer specifiek klaagt het onderdeel allereerst dat de rechtbank een beperking van de toegangen tot de binnentuin ten onrechte als huisregel heeft gekwalificeerd, als bedoeld in art. 37 Wet Bopz en dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dat huisregels aan patiënten mondeling kenbaar mogen worden gemaakt. Het onderdeel stelt dat de gedingstukken bovendien geen steun bieden aan het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de regel over de toegang tot de binnentuin aan betrokkene mondeling is kenbaar gemaakt bij het begin van zijn opname. Het onderdeel klaagt verder dat de rechtbank heeft miskend “dat het om een individuele beperking ging, die was opgenomen in het behandelplan van betrokkene en die een therapeutisch doel diende”. Deze beperking werd, aldus nog steeds het onderdeel, opgeheven door het verstrekken van een tuinpas aan betrokkene, waardoor hij (onbeperkte) toegang tot de binnentuin kreeg. Het onderdeel stelt dat deze pas vervolgens weer werd ingetrokken met een mededeling beperking rechten, als bedoeld in art. 40 Wet Bopz ter voorkoming van strafbare feiten en verstoring van de openbare orde, als bedoeld in het derde lid onder b. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze (hernieuwde) beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas niet is aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz en dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat betrokkene niet in zijn bewegingsvrijheid zou zijn beperkt, maar dat ‘slechts’ toepassing is gegeven aan de huisregels, waardoor hij nog steeds dezelfde bewegingsvrijheid heeft als andere patiënten. Het onderdeel klaagt dat het bestreden oordeel in elk geval onbegrijpelijk is. 2.3 Het onderdeel bevat in de punten 1.1 t/m 1.6 een toelichting op de hiervoor in 2.2 weergegeven klachten en in punt 1.7 wordt de klacht samengevat. Geklaagd wordt dat de rechtbank aan het slot van haar beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat de beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas niet is aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz. Voor zover de rechtbank zou hebben geoordeeld dat bepaalde huisregels, zoals hier de toegang tot de binnentuin, tevens voor therapeutische doeleinden kunnen worden ingezet, dan getuigt dat volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Betoogd wordt dat de rechtbank op zijn minst had moeten uitleggen hoe het algemene karakter van de betreffende huisregel, “die toen alleen beoogde de ordelijke gang van zaken te reguleren”, zich verdroeg met het therapeutisch karakter in het individuele geval. 2.4 Bij de beoordeling van de klachten neem ik het volgende tot uitgangspunt. 2.5 Art 37 lid 1 Wet Bopz bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuur van het ziekenhuis ervoor zorg draagt dat een patiënt op wie hoofdstuk II Wet Bopz toepassing heeft gevonden, zo spoedig mogelijk na zijn opneming in het bezit worden gesteld van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels alsmede van de op grond van deze wet aan de patiënt toekomende rechten. Het derde lid bepaalt dat de voor de behandeling verantwoordelijke persoon zorg draagt dat de patiënt een mondelinge toelichting terzake ontvangt. Art. 37 lid 4 Wet Bopz bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gegeven met betrekking tot het in lid 1 bepaalde en dat daartoe in elk geval eisen behoren waaraan (onder meer) de in dat lid bedoelde huisregels ten minste moeten voldoen. 2.6 De in art. 37 lid 4 bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit Rechtspositieregelen Bopz. Voor de onderhavige zaak is van belang het Besluit Rechtspositieregelen Bopz, zoals gepubliceerd in Stb. 1993/561. Art. 3 van dit Besluit bepaalt dat de huisregels, bedoeld in art. 37 lid 1 Wet Bopz, geen andere regelen bevatten dan die nodig zijn “voor een ordelijke gang van zaken in het psychiatrisch ziekenhuis”. Zij beperken de vrijheid van handelen van de patiënt niet verder dan voor een dergelijke gang van zaken nodig is. Het gaat in deze huisreglementen dikwijls om een veelheid aan huisregels zoals regels omtrent slaap- en rusttijden, pauzetijden, besteding van vrije tijd, verbod tot het aangaan van seksuele relaties, het gebruik van alcohol en drugs, agressief gedrag, en regels over de bezoekregeling en bezoektijden. In de Nota van Toelichting op het Besluit staat onder meer het volgende: “Informatieverschaffing en huisregels Artikel 37, vierde lid, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid, dat handelt over de aan de patiënt en degenen die hem nastaan bij opname schriftelijk te verstrekken informatie. Zo dienen deze personen in bezit gesteld te worden van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels en van de aan de patiënt op grond van de Bopz toekomende rechten. Het overzicht zal het adres voor de indiening van klachten moeten vermelden alsmede de mededeling dat de behandelingsgegevens van de patiënt in een patiëntendossier worden opgenomen. Het vierde lid bevat de uitdrukkelijke opdracht nadere regels te stellen over het eerste lid en de eisen waaraan ondermeer de huisregels moeten voldoen. Als uitwerking van het eerste lid wordt in artikel 4 geëist, dat bij de informatie die moet worden gegeven over de aan de patiënt toekomende rechten, wordt vermeld waar de patiënt deze geldend kan maken. Ten aanzien van de huisregels is gekozen voor een opzet waarin wordt volstaan met het aangeven van het kader waarbinnen de huisregels behoren te blijven. De beperkingen die het gedwongen verblijf in de inrichting voor de patiënten meebrengt zijn in de wet gegeven. Zij mogen niet door middel van de huisregels worden uitgebreid. In verband hiermee is bepaald dat de huisregels alleen die beperkingen kunnen aanbrengen in de vrijheid van handelen van de patiënt die nodig zijn om het psychiatrisch ziekenhuis een geordende samenleving te doen zijn. Van de patiënt kan in de huisregels worden geëist dat hij zich gedraagt naar wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Zo zullen b.v. de bezoektijden, de slaaptijden en de tijdstippen waarop mag worden getelefoneerd in de huisregels opgenomen kunnen worden. Ook maatregelen ter voorkoming van geluidsoverlast behoren tot de onderwerpen die in de huisregels geregeld kunnen worden. Artikel 3 impliceert dat huisregels evenmin mogen worden gebruikt voor het aanbrengen van beperkingen die samenhangen met de kwaal van de patiënt. Dergelijke regels horen in een behandelingsplan thuis. Dit geldt niet alleen voor zeer specifieke beperkingen, maar ook voor die, welke voor een groot deel van de patiënten nodig zijn. Zo zal niet in de huisregels geregeld kunnen worden dat in geval van hinderlijk gedrag beperking van de bewegingsvrijheid zal volgen. Dergelijke voorzieningen horen ineen behandelingsplan thuis. Huisregels laten immers onverlet dat in het behandelingsplan aan de patiënt andere beperkingen worden opgelegd dan die welke in deze regels zijn opgenomen. Deze beperkingen moeten hun legitimatie vinden in de stoornis van betrokkene en in de beoogde verbetering daarvan. Anderzijds is het ook mogelijk dat het behandelingsplan met hetzelfde oogmerk, in de huisregels opgenomen beperkingen ten opzichte van de desbetreffende patiënt opheft. Het spreekt vanzelf dat de huisregels geen inbreuk kunnen maken op de aan de patiënt in de wet toegekende patiëntenrechten. Ingevolge artikel 40 van de Bopz kan in individuele gevallen inbreuk worden gemaakt op de in de huisregels opgenomen mogelijkheden met betrekking tot het ontvangen van bezoek, de bewegingsvrijheid in en om het ziekenhuis, telefoonverkeer. Dit is alleen toegestaan in de in dat artikel beschreven gevallen. Wat het gevolg is van het niet naleven van de huisregels, is geen in het algemeen te regelen kwestie. Uiteraard mag ook van een gedwongen opgenomen patiënt worden geëist dat hij zich houdt aan de regels en kunnen aan verstoringen van de orde consequenties worden verbonden. Deze moeten er op zijn gericht aan de verstoring een eind te maken en zullen geen strafkarakter mogen hebben. Als van een patiënt, gezien zijn ziektebeeld, storend gedrag kan worden verwacht, zal daarop al in het behandelingsplan moeten worden ingespeeld. (…)” In de artikelsgewijze toelichting staat met betrekking tot art. 3 Besluit rechtspositieregelen Bopz dat dit artikel de inhoud van de huisregels beperkt “tot die zaken die nodig zijn om van een psychiatrisch ziekenhuis een geordende samenleving te maken.” 2.7 Recent is het Besluit Rechtspositieregelen Bopz gewijzigd. In artikel 3 is na de zinsnede “een ordelijke gang van zaken” ingevoegd “en de veiligheid, passend bij de doelgroep”. In de Nota van Toelichting wordt daarover het volgende opgemerkt: “(…) Een adequate borging van de veiligheid binnen het ziekenhuis is zowel voor de patiënt zelf, als voor medepatiënten, bezoekers en personeel noodzakelijk. Hiermee wordt tevens een beter behandelklimaat gecreëerd. Zo kunnen de huisregels bijvoorbeeld bepalen wat de patiënten niet op hun kamer mogen hebben. Ook moet geborgd zijn dat de kamers toegankelijk, snel controleerbaar en brandveilig zijn. Deze wijziging is ingegeven doordat met name bij de psychiatrische ziekenhuizen die zwaardere categorieën (forensische) patiënten behandelen de behoefte bestaat om de huisregels beter te kunnen toespitsen op de doelgroep die in het ziekenhuis verblijft. Daarbij dient de mate van beveiliging afgestemd te worden op de specifieke zorgbehoeften van de patiënten en het ernstig nadeel dat zij zichzelf of anderen kunnen berokkenen. Afhankelijk van de aard en het niveau van zorg en bescherming binnen de afdeling zullen de huisregels in meer of mindere mate beperkingen op kunnen leggen en ook andersoortig kunnen zijn. Vereist blijft dat de huisregels noodzakelijk en proportioneel dienen te zijn. Daarnaast geldt ook nog steeds dat huisregels van algemene aard moeten zijn. Ze zijn geen basis voor het toepassen van individuele dwang, zoals middelen en maatregelen. Zo wordt geborgd dat alle patiënten de behandeling krijgen die zij nodig hebben en dat sprake is van verantwoorde zorg. Nu deze problematiek voor de praktijk nijpend is, wordt voldoende aanleiding gezien deze uitbreiding van de grondslag voor het opstellen van huisregels reeds nu in het Besluit rechtspositieregelen Bopz door te voeren, vooruitlopend op de vervanging van de Wet Bopz door de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang voor psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd). Die wetten, die op 1 januari 2020 in werking zullen treden, bevatten een vergelijkbare grondslag voor het opstellen van huisregels voor onder meer de veiligheid (artikel 8:15, eerste lid, Wvggz en artikel 45, tweede lid, Wzd). (…)” 2.8 In een tamelijk recente beschikking heeft Uw Raad als volgt geoordeeld met betrekking tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.