Nr. 17/03727 Zitting: 29 januari 2019 Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juli 2017 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 oktober 2015, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens het onder 1, 2, 4, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 23 en 24 bewezenverklaarde, opleverende “telkens: oplichting”, bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het draait in deze zaak volgens het hof, in navolging van de rechtbank, om het volgende. De verdachte heeft gedurende een aantal jaren zijn diensten als dakbedekker aangeboden bij een groot aantal aangevers en hen forse aanbetalingen laten verrichten, telkens met de toezegging dat hij de afgesproken werkzaamheden zou verrichten en hiervoor materialen zou aanschaffen. Bij de meeste aangevers kwam de verdachte korte tijd nadien weer langs met de mededeling dat hij nieuwe of andere gebreken had geconstateerd, waarbij extra aanbetaald moest worden. De afgesproken werkzaamheden zijn vervolgens niet of hooguit voor een beperkt deel uitgevoerd. Ook zijn er werkzaamheden uitgevoerd in gevallen waarin er geen gebreken waren en de verdachte over deze gebreken heeft gelogen. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft afgewezen. 4.1. De appelschriftuur van de raadsvrouw van de verdachte van 19 november 2015 houdt – voor zover van belang – het volgende in: “3. De verdediging wenst de navolgende personen als getuigen te horen: - [betrokkene 1] , [a-straat] , [postcode] te Utrecht - [betrokkene 2] , [b-straat] te Utrecht (..) - [betrokkene 3] , [c-straat] te Tienhoven De verdediging wenst deze getuigen te horen aangezien deze personen werkzaamheden hebben verricht namens cliënt op de adressen zoals genoemd in de tenlastelegging.” 4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 27 juni 2016, houdt, voor zover van belang, het volgende in: “De raadsvrouw voert het woord - zakelijk weergegeven -: (..) Ten aanzien van het derde verzoek: de verdediging wil deze personen als getuigen horen omdat zij namens cliënt werkzaamheden hebben verricht op de in de tenlastelegging genoemde adressen. (..)” 4.3. Ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek heeft het hof bij tussenarrest van 11 juli 2016 het volgende overwogen: “Verzoeken De zitting van het hof van 27 juni 2016 betrof een regiezitting. De appelschriftuur van de raadsvrouw dateert van 19 november 2015. Daarin heeft zij een aantal verzoeken gedaan. Ter zitting van het hof heeft de raadsvrouw haar onderzoek wensen zoals vermeld in haar appelschriftuur nader toegelicht. Uiteindelijk is de raadsvrouw, kort samengevat, tot de volgende verzoeken gekomen (..). 2. Daarnaast wenst de raadsvrouw de volgende personen als getuigen te horen: - [betrokkene 1] - [betrokkene 2] - [betrokkene 3] De raadsvrouw wenst deze getuigen te laten horen omdat deze getuigen op de in de tenlastelegging genoemde adressen werkzaamheden hebben verricht. De verdediging wil hen ook horen over gemaakte afspraken. (..) Oordeel hof Het hof is van oordeel dat bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van de getuigen het verdedigingscriterium van toepassing is nu uit een e-mailbericht van de raadsvrouw blijkt dat zij op 19 november 2015, binnen twee weken na het instellen van het hoger beroep op 6 november 2015, de appelschriftuur heeft ingediend. (….) Het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wordt afgewezen nu dit verzoek onvoldoende onderbouwd is. Niet is aangegeven over welke specifieke, in het kader van het aan verdachte gemaakte verwijt, relevante werkzaamheden en - door opdrachtgevers met verdachte gemaakte - afspraken de getuigen zouden kunnen verklaren. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van het verhoor van deze getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.” 4.4. De verdediging heeft bij (tijdig ingediende) appelschriftuur in de zin van art. 410, derde lid, Sv opgave gedaan van getuigen die de verdediging ter terechtzitting wilde laten oproepen. Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is geen gevolg gegeven aan het verzoek van de verdediging deze getuigen te laten oproepen. Ter terechtzitting van 27 juni 2016 heeft de raadsvrouw het verzoek nader toegelicht. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] is het door het hof bij tussenarrest afgewezen. 4.5. Het voorgaande brengt mee dat het hof het verzoek van de verdediging op grond van art. 288, eerste lid, aanhef en onder c Sv in verbinding met art. 418 Sv slechts kon afwijzen indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad (het verdedigingsbelang). Nu het hof het verzoek met toepassing van de maatstaf van het verdedigingsbelang heeft afgewezen, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarover klaagt het middel dan ook terecht niet. 4.6. In het overzichtsarrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het verdedigingsbelang als volgt: “Verdedigingsbelang (..) 2.5. In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. 2.6. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.” 4.7. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt derhalve dat een verzoek tot het horen van getuigen toereikend gemotiveerd moet worden: aangegeven moet worden waarom het horen van de specifieke getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. 4.8. Het verzoek – en ook de toelichting daarop tijdens de terechtzitting van 27 juni 2016 – houdt met betrekking tot het verzoek tot het horen van deze getuigen niet meer in dan dat de verdediging de getuigen wil horen omdat zij op de in de tenlastelegging genoemde adressen werkzaamheden zouden hebben verricht en dat zij de getuigen ook wil horen over gemaakte afspraken. Waarover deze getuigen concreet moeten worden gehoord, wordt niet toegelicht. Het verzoek tot het horen van de getuigen is daarmee slechts zeer summier en algemeen geformuleerd. Het lag mijns inziens op de weg van de verdediging uitdrukkelijk aan te geven in welke zin de getuigen zouden kunnen verklaren over de uitgevoerde werkzaamheden, in aanmerking genomen dat het hof – met bevestiging van het vonnis van de rechtbank – ook onder ogen heeft gezien dat in een aantal gevallen inderdaad werkzaamheden zijn verricht. 4.9. In het licht van het uitblijven van een nadere toelichting van de relevantie van de aan de verzochte getuigen te stellen vragen en hetgeen het hof in het tussenarrest heeft overwogen – inhoudende dat niet is aangegeven over welke specifieke relevante werkzaamheden en afspraken de getuigen zouden kunnen verklaren – acht ik de afwijzing van het verzoek de drie getuigen op te roepen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 4.10. Het eerste middel faalt. 5. Het tweede middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in strijd met art. 326, eerste lid jo art. 415, eerste lid, Sv geen melding maakt van de strafeis van de advocaat-generaal. 5.1. Artikel 326 Sv luidt aldus: “1. De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. 2. Het behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de officier van justitie vordert of de verdachte verzoekt dat eenige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zoover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van den voorzitter zooveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan. Acht de officier van justitie of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist de rechtbank. 3. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van eenige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening zal worden gedaan. 4. Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een der rechters het verlangt, of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of de benadeelde partij.” 5.2. Voorts luidt artikel 311, eerst lid, Sv aldus: “Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan.” 5.3. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2017 blijkt dat de advocaat-generaal de vordering heeft voorgelezen en overgelegd. Daarmee is voldaan aan de vereiste vormen van artikel 311 Sv. Het middel berust op de opvatting dat op grond van artikel 326, eerst lid Sv jo artikel 415, eerste lid, Sv de strafeis van de advocaat-generaal dient te worden opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht. Daarmee faalt het middel. 5.4. Het tweede middel faalt. 6. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat er sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid. 6.1. Omwille van de hoeveelheid bewezenverklaarde feiten en de hoeveelheid gebezigde bewijsmiddelen, verwijs ik hiervoor naar hetgeen is opgenomen in het grotendeels door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 oktober 2015. Het vonnis van de rechtbank houdt ten aanzien van het bewijs het volgende in: “Strafbare oplichting Dat een bouwbedrijf een overeenkomst niet nakomt, is op zichzelf geen oplichting. Van een strafbare oplichting kan alleen worden gesproken als men door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, danwel door listige kunstgrepen, danwel door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van geld. Dat iemand zich in strijd met de waarheid als bonafide ondernemer voordoet, betekent nog niet dat hij een valse hoedanigheid aanneemt en oplichting pleegt. Voor het aannemen van een valse hoedanigheid moet er méér zijn dan die enkele leugen. Heeft daarnaast nog een leugen plaatsgevonden, dan kan (onder omstandigheden) worden bewezen dat een valse hoedanigheid is aangenomen. Bij de beoordeling of een valse hoedanigheid is aangenomen kan ook in aanmerking worden genomen of er misbruik wordt gemaakt van een in het maatschappelijke verkeer geldend patroon. Van belang is dus ook het verwachtingspatroon dat wordt gevormd door de algemeen aanvaarde gebruiken in de betreffende branche of sector in het maatschappelijk verkeer. Is er op een bedrieglijke wijze gebruik gemaakt van dit verwachtingspatroon, dan is er sprake van het aannemen van een valse hoedanigheid. Is het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk dat men op basis van goed vertrouwen handelt, dan levert het op bedrieglijke wijze handelen in strijd met dat verwachtingspatroon wel het aannemen van een valse hoedanigheid op. Bewijs van de valse hoedanigheid Bij het beoordelen van de vraag of verdachte een valse hoedanigheid heeft gebruikt door zich voor te doen als bonafide dakdekker, heeft de rechtbank gelet op de volgende omstandigheden. Verdachte heeft zich aangeboden voor dakbedekkingswerkzaamheden. Voor de vraag of deze werkzaamheden nodig zijn, is expertise nodig. Personen die worden geconfronteerd met de mededeling van de dakdekker dat er gebreken zijn aan hun dak of gevel, missen deze expertise meestal en zullen vertrouwen op de expertise van de dakdekker. Daarbij komt dat gebreken aan een dak meestal letterlijk uit het zicht zijn van de opdrachtgever. Wordt iemand door een dakdekker verteld dat zijn dak bepaalde mankementen vertoond op een wijze die betrouwbaar overkomt, dan zal het verwachtingspatroon zijn dat er een gebrek is en ook dat dit gebrek snel hersteld moet worden, vanwege het gevaar dat schade aan de woning ontstaat. In een aantal zaken is de rechtbank tot de vaststelling gekomen dat verdachte de aangever(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.