Nr. 17/05517 Zitting: 14 mei 2019 Mr. J. Silvis Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 28 juli 2017 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1,
(1)bij deze pleitnotitie gevoegd. 3.8 Het was voor cliënt bijzonder moeilijk zijn leven weer op te pakken na het faillissement en na al deze negatieve publiciteit. Daarbij was extra zwaar dat de hele familie leed onder het faillissement. Het was immers sinds jaar en dag een familiebedrijf waarbij bijna iedereen binnen de familie […] persoonlijke betrokkenheid had of had gehad. Cliënt heeft uiteindelijk geprobeerd om in België opnieuw de logistieke dienstverlening in te gaan, maar dat liep stuk door het strafrechtelijk onderzoek. 3.9 Dat media een belangrijke factor kan zijn bij het bepalen van de strafmaat volgt bijvoorbeeld uit een zeer recente uitspraak van Rechtbank Den Haag van 27 juni 2017 (voetnoot 5: Rechtbank Den Haag 27 juni 2017, ECLI:NL::RBDHA:2017:6973) waarin een oud advocaat en AG terecht stond voor fraude. De Rechtbank overwoog: "Tot slot heeft de zaak aandacht in de media gehad. Hoewel dit, gezien van de aard van de zaak, niet onbegrijpelijk is, is het de rechtbank duidelijk geworden dat de verdachte dit als zeer belastend heeft ervaren. De verdachte is uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor deze verstrekkende gevolgen van zijn keuzes. Toch hecht de rechtbank bij de strafoplegging veel belang aan de hiervoor geschetste gevolgen die de verdachte als gevolg deze kwestie heeft ondervonden" 3.10 Deze omstandigheden resulteerden in een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf. 3.11 En in dat verband is er nog een andere zaak die qua media aandacht maar ook inhoudelijk grote overlap vertoont met de onderhavige zaak: de zaak die bekend werd als 'de Ahold zaak'. Een zaak die qua financieel belang de onderhavige zaak overigens vele malen oversteeg, er werd in die zaak gesproken over miljarden. Hof Amsterdam overwoog in die zaak met betrekking tot de straf: "Voor hem geldt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en onmiskenbaar al aanzienlijke reputatieschade en persoonlijk leed heeft ondervonden. Kort gezegd is zijn carrièrelijn na aanvang van de vervolging abrupt gebroken. De vele publiciteit rond de Aholdzaak brengt mee dat hij de rest van zijn arbeidzame bestaan is gebrandmerkt." (voetnoot 6: Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH1790) 3.12 En dat is cliënt ook. Gebrandmerkt. Niet allen in zijn arbeidzame bestaan, maar ook privé. De naam […] zal nooit meer alleen maar verwijzen naar 'die transportonderneming'. Op een baan in de logistieke dienstverlening - waarvoor cliënt is opgeleid - hoeft cliënt nooit meer te rekenen. 3.13 Hof Amsterdam kwam in de Ahold zaak omwille van die publiciteit en het feit dat de betreffende verdachte gebrandmerkt was tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. 3.14 De verdediging verzoekt uw Hof uitdrukkelijk de mate van negatieve publiciteit mee te wegen bij het bepalen van de strafmaat.
- De strafmotivering van het hof bevat geen bijzondere overweging omtrent de bedoelde media-aandacht.
- Bij de beoordeling van de klacht geldt het volgende. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste (dat wil zeggen meest passende) straf of maatregel is opgelegd en ook niet of de straf of maatregel beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft. In cassatie kan dus niet worden gewogen of de opgelegde straf of maatregel werkelijk gedragen wordt door de opgegeven factoren. Kort samengevat heeft de rechter een ruime straftoemetingsvrijheid, mits hij binnen de door de wet aan de straf gestelde grenzen blijft, de redenen opgeeft die hebben geleid tot de opgelegde straf of maatregel (art. 359 Sv) en de opgelegde straf geen verbazing wekt.
- Voorts geldt dat het het hof in beginsel vrij staat bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt. Het is echter niet zo dat een verdachte indien hij te lijden heeft gekregen van indringende media-aandacht omtrent zijn strafzaak, recht heeft op matiging van de hem op te leggen straf.
- Het hof heeft de straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en (heeft; JS) gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft met inachtneming van deze factoren de straf nader gemotiveerd. Het hof is tot een bewezenverklaring van meer feiten gekomen dan de rechtbank in haar vonnis, maar heeft een aanzienlijk lagere straf opgelegd dan de rechtbank en ook lager dan is gevorderd door de advocaat-generaal, zelfs wanneer de aftrek in verband met de overschrijding van de redelijke termijn niet wordt meegerekend. De motivering van de opgelegde straf is daarom niet onbegrijpelijk.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
- Het vierde middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
- Blijkens de akte rechtsmiddel is op 8 augustus 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 30 oktober 2018 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, derhalve ongeveer veertien maanden en drie weken na het instellen van het cassatieberoep. De inzendtermijn is met ongeveer zes maanden en drie weken overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afhandeling in cassatie. De Hoge Raad kan de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.
- Het middel is terecht voorgesteld.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden HR 12 mei 1998, NJ 1998,
- In het dossier bevindt zich een brief van de (oorspronkelijke) advocaten van 8 december 2015, gericht aan het hof, inhoudende dat zij de verdediging neerleggen. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014, 441, m.nt. Borgers. Zie in vergelijkbare zin voor een zogenoemde meegebrachte getuige HR 18 december 2012, NJ 2013,
- HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014, 441, m.nt. Borgers, r.o. 2.68 jo. 2.
- Vgl. de noot van T. Kooijmans bij HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1232, NJ 2017,
- HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, o.m. rov. 2.
- HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:
- Zie tevens de conclusie van AG Harteveld ECLI:NL:PHR:2019:421 bij HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:
- Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-
- Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3; HR 25 november 2003, NS 2004, 18, rov. 4.4; HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en Van Dorst 2018, p.
- Van Dorst 2018, p.
- HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016, 111.