Nr. 18/01289 Zitting: 21 mei 2019 Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [verdachte]
(1)bij het schadeformulier en hetgeen ik hieromtrent heb vooropgesteld, ook overigens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De door de steller van het middel zijdelings aangevoerde klacht dat de immateriële schade afgewezen had moeten worden vanwege ‘eigen schuld’ aan de zijde van het slachtoffer vindt zijn weerlegging in de bewijsvoering van het hof. Het hof heeft immers bewezen verklaard dat door de schuld van de verdachte lichamelijk letsel bij het slachtoffer is ontstaan. In dat oordeel ligt besloten dat het hof het niet aannemelijk heeft geacht dat, in weerwil van het hieromtrent gevoerde (bewijs)verweer, het slachtoffer daaraan zelf schuld heeft gehad. Dientengevolge hoefde het hof bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij niet (nogmaals) in te gaan op de stelling dat het slachtoffer ‘eigen schuld’ had aan de schade. Ook deze klacht faalt.
- Hetgeen door de steller van het verweerschrift naar voren is gebracht, laat ik derhalve onbesproken.
- Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
- Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Kennelijk abusievelijk refereert het hof in deze zin aan een verdachte van het vrouwelijke geslacht, bijgestaan door een raadsvrouw, terwijl de verdachte in werkelijkheid mannelijk is en in het proces werd bijgestaan door een raadsman. Zie hieromtrent bijvoorbeeld HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ
- Zie: het proces-verbaal van verhoor getuige van 6 maart 2016, p. 64-
- Zie: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 176-
- Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 maart 2018 gehechte pleitnotities, p. 2-
- Zie bijvoorbeeld HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493, NJ 2010/514 m.nt. Borgers. Zie ook HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:
- Zie Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3 (MvT), p.
- Ik laat het ‘ad informandum’ gevoegde feit hier onbesproken. Zie F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces (Studiepockets strafrecht, nr. 35), Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 111 en 129; R.S.B. Kool e.a., Civiel schadeverhaal via het strafproces. Een verkenning van de rechtspraktijk en regelgeving betreffende de voeging benadeelde partij, Den Haag: WODC 2016, p.
- Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:175, en vrij recent nog HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:
- Voor een overzicht van de jurisprudentie op dit punt verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee d.d. 18 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:998, voorafgaand aan HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2335, alsmede naar de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt d.d. 24 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:626, voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/
- Bleichrodt merkt in zijn conclusie op: “De nauwe samenhang met het bewezenverklaarde feit vormt de sleutel tot de voeging van de civiele vordering in het strafproces. Indien van een dergelijke nauwe samenhang sprake is, kan onder omstandigheden ook worden aangenomen dat rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, ook al moet daarvoor in zekere zin buiten de oevers van de formulering van de bewezenverklaring worden getreden.” Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335, rov. 3.
- Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p.
- Zie bijvoorbeeld I. Schild & A. Felix, ‘Stelplicht, bewijslastverdeling en de civiele vordering van de benadeelde partij in het strafproces’, NJB 2019/686, afl.
- Zie: HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762: “3.3 Voor zover het middel berust op de opvatting dat ten aanzien van de motivering van een op een vordering van een benadeelde partij te nemen beslissing ‘aansluiting dient te worden gezocht’ bij het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv faalt het. Die opvatting is niet juist.” De toelichting op de immateriële schade is overigens ook (gedeeltelijk) tot bewijsmiddel 6 gebezigd. Vlg. HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2108.