Zaaknr: 18/03945 mr. R.H. de Bock Zitting: 3 mei 2019 Conclusie inzake: [Werknemer] advocaat: mr. R.A.A. Duk tegen Achmea Interne Diensten N.V. advocaat: mr. S.F. Sagel In deze Wwz-zaak heeft het hof ex tunc beoordeeld of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van de werknemer mocht ontbinden op de d-grond (disfunctioneren). In cassatie klaagt de werknemer dat het hof daarbij heeft miskend dat in hoger beroep, indien dat in eerste aanleg is nagelaten, alsnog een beroep kan worden gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte en op de omstandigheid dat zijn ongeschiktheid het gevolg is van ziekte of gebreken in de zin van art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW. Verder klaagt de werknemer dat het hof ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op zijn verweer dat zijn ongeschiktheid het gevolg is van ziekte, althans dat het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. 1Feiten In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2018 onder 3.2 tot en met 3.
(2)dat het verband tussen ziekte of gebrek en de ongeschiktheid rechtstreeks en medisch objectiveerbaar moet zijn. Deze elementen zijn ook terug te vinden in de definitie van ‘ziekte’ in de arbeidsrechtelijke literatuur: “een lichamelijke of psychische toestand – daaronder begrepen een gebrek – die de werknemer verhindert zijn arbeid te verrichten”. Aangenomen wordt dat zowel de ziekte (of gebrek) als het verband met de ongeschiktheid medisch objectiveerbaar moet zijn. 4.7 Om te voldoen aan het ziekte-criterium uit het BW is niet vereist dat de werknemer in het geheel geen arbeid kan verrichten; het gaat erom of hij de contractueel overeengekomen arbeid kan verrichten. Hoewel art. 7:670 lid 1 BW spreekt over ‘zijn arbeid’ en niet, zoals art. 7:629 BW, over ‘de bedongen arbeid’, is aan te nemen dat ‘zijn arbeid’ in art. 7:670 lid 1 BW ook de betekenis heeft van ‘de bedongen arbeid’. Dit betekent dat zodra een werknemer ten gevolge van ziekte of gebrek een gedeelte van de eigen arbeid niet in de volle omvang kan verrichten (qua inhoud of tijd), sprake is van ziekte in de zin van het BW. Ziekmelding 4.8 Van de werknemer wordt in het algemeen verwacht dat hij zich ziek meldt, zodat de bedrijfsarts kan beoordelen of de ongeschiktheid het gevolg is van ziekte of gebrek. Omdat het gaat om ongeschiktheid voor de bedongen arbeid, is van belang dat de bedrijfsarts zicht heeft op de precieze inhoud van het werk van de werknemer. Als de werknemer het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts, kan hij een ‘second opinion’ aanvragen. Sinds 1 juli 2017 heeft de werknemer op grond van art. 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit (jo. art. 14, eerste lid, onderdeel b, of c, onder 1° of 3°, van de Arbeidsomstandighedenwet) recht op raadpleging van een andere bedrijfsarts, indien hij twijfelt aan de juistheid van het door de bedrijfsarts gegeven advies. 4.9 Ziekmelding is echter geen wettelijk vereiste voor toepassing van het opzegverbod (en ook niet voor het recht op loondoorbetaling). Dus ook als de werknemer zich niet ziek heeft gemeld, kan – in theorie – sprake zijn van ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid, die in de weg staat aan opzegging (of ontbinding, zie hierna onder 4.19) van de arbeidsovereenkomst. Ook het hof is daarvan uitgegaan in rov. 5.2 van de bestreden beschikking (“Weliswaar is een ziekmelding niet allesbepalend …”). Het achterwege laten van een ziekmelding zal de bewijspositie van de werknemer met betrekking tot het ziekzijn bemoeilijken, zo spreekt wel bijna vanzelf. Bovendien leidt het ontbreken van een ziekmelding ertoe dat niet gewerkt kan worden aan de re-integratie van de zieke werknemer. Ratio opzegverbod 4.10 Het opzegverbod tijdens ziekte heeft mede als doel de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een opzegging tijdens ziekte kan veroorzaken, zo overwoog de Hoge Raad in het arrest Melchers/De Haan. Duur opzegverbod 4.11 Uit art. 7:670 lid 1, aanhef en onder a, BW blijkt dat het opzegverbod in beginsel geldt gedurende de eerste twee jaren van ziekte. Na die periode geldt het opzegverbod niet meer en kan de werkgever de arbeidsovereenkomst met een zieke werknemer dus opzeggen. Op grond van art. 7:670 lid 11 BW is een verlenging van de termijn van twee jaren mogelijk. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het UWV de werkgever een loonsanctie oplegt wegens het niet of onvoldoende naleven van de re-integratieverplichtingen. Het opzegverbod tijdens ziekte is verkort van twee jaar tot zes weken, wanneer het gaat om een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, zo blijkt uit art. 7:670 lid 1, aanhef en onder a, BW. Hiermee is aangesloten bij de termijn van zes weken die in art. 7:629 lid 2 BW is neergelegd ten aanzien van de periode van loonbetaling bij ziekte. Art. 7:670 lid 1 BW bevat verder een regel voor de situatie dat de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt op een later moment dan dat waarop het ziekteverzuim ingaat. 4.12 In art. 7:670 lid 1 BW is uitgewerkt hoe de termijn van twee jaar moet worden berekend. Zo worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid met een tussenpoos van minder dan vier weken bij elkaar opgeteld, ongeacht of de ongeschiktheid voortvloeit uit dezelfde oorzaak. Antimisbruikbepaling 4.13 Om te voorkomen dat werknemers ‘vluchten in ziekte’ als een ontslag in de lucht hangt, bepaalt art. 7:670 lid 1, aanhef en onder b, BW dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is als de ziekte een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in art. 7:671a BW door het UWV of door de commissie als bedoeld in art. 7:671a lid 2 BW, is ontvangen. In de parlementaire geschiedenis van de Verzamelwet SZW 2015 is verduidelijkt dat op dit punt geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van het tot 1 juli 2015 geldende ontslagrecht. 4.14 Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid blijkt dat in geval van een ziekmelding op dezelfde dag als waarop het UWV het ontslagverzoek heeft ontvangen, de werknemer nog door het opzegverbod wordt beschermd. Volgens Houweling e.a. geldt deze regel ook onder het huidige recht. De uitzonderingen in art. 7:670a BW 4.15 In art. 7:670a BW is een aantal uitzonderingen opgenomen op onder meer het opzegverbod tijdens ziekte in art. 7:670 lid 1 BW. In de eerste plaats bepaalt art. 7:670a lid 1 BW dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is, indien de werknemer zonder deugdelijke grond weigert de re‑integratieverplichtingen als bedoeld in art. 7:660a BW na te komen. Deze uitzondering gold ook al onder het tot 1 juli 2015 geldende recht. Vereist is wel dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden, met inachtneming van het bepaalde in art. 7:629 lid 7 BW, de betaling van het loon heeft gestaakt, zo blijkt uit de wettekst. Ook deze laatste vereisten golden al onder het oude recht, maar zijn uit hoofde van kenbaarheid nu expliciet opgenomen in art. 7:670a lid 1 BW, zo is te lezen in de memorie van toelichting. 4.16 Daarnaast bepaalt art. 7:670a lid 2 BW dat de opzegverboden in art. 7:670 leden 1 tot en met 4 en lid 10 BW - waaronder dus het opzegverbod tijdens ziekte - en daarmee naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift, niet van toepassing zijn, indien: de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met de opzegging; het een opzegging gedurende de proeftijd betreft; de opzegging geschiedt op grond van art. 677 lid 1 BW (ontslag op staande voet); e opzegging geschiedt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, met dien verstande dat de opzegging niet kan betreffen de werkneemster die zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet als bedoeld in art 3:1 van de Wet arbeid en zorg; of de opzegging geschiedt op grond van art. 7:669 lid 4 BW, voor zover de opzegging geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben. Dit laatste betekent dat de arbeidsovereenkomst met een zieke AOW-gerechtigde werknemer dus niet zal kunnen worden opgezegd als de reden voor de opzegging verband houdt met zijn ziekte. ‘Tijdens’- en ‘wegens’-opzegverboden 4.17 Deze in art. 7:670a lid 2, onder a tot en met e, BW genoemde uitzonderingen zijn alleen van toepassing op de verboden om op te zeggen tijdens een periode dat een bepaalde omstandigheid zich voordoet; de zogeheten ‘tijdens’-opzegverboden of ‘absolute opzegverboden’. Kenmerkend voor deze opzegverboden is dat de arbeidsovereenkomst niet mag worden opgezegd gedurende de periode dat een bepaalde omstandigheid zich voordoet, óók niet als daarvoor wel een geldige reden is. Zo zal een zieke werknemer gedurende de periode dat het opzegverbod tijdens ziekte geldt (art. 7:670 lid 1 BW), in beginsel niet kunnen worden ontslagen, ook niet als daarvoor een redelijke grond als bedoeld in art. 7:669 BW aanwezig is, zoals disfunctioneren (de d-grond). In het geval van een ‘wegens’-opzegverbod ligt dat anders. In dat geval mag de arbeidsovereenkomst enkel wegens de specifiek in de wet genoemde omstandigheid of hoedanigheid niet worden opgezegd. Die omstandigheid of hoedanigheid kan dus geen geldige reden vormen voor opzegging, maar ondanks het bestaan daarvan kan de arbeidsovereenkomst wel om een geldige reden worden opgezegd. Zo mag een werknemer niet worden ontslagen wegens overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW, maar staat dit opzegverbod (art. 7:670 lid 8 BW) er niet aan in de weg dat een werknemer na een overgang van onderneming wordt ontslagen op grond van disfunctioneren. De ‘tijdens’-opzegverboden zijn onder andere te vinden in art. 7:670 leden 1 tot en met 4 en 10 BW en art. 104 van de Pensioenwet. Voorbeelden van ‘wegens’-opzegverboden zijn te vinden in art. 7:670 leden 5 tot en met 9 BW en in art. 7:646 BW. Sanctie op overtreding opzegverbod 4.18 De sanctie op overtreding van zowel de ‘tijdens’- als ‘wegens’-opzegverboden is te vinden in art. 7:681 lid 1, aanhef en onder b, BW. Uit deze bepaling blijkt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst kan vernietigen, of op zijn verzoek aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met art. 7:670 BW of een naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift. De ontslagen werknemer dient een dergelijk verzoek te doen binnen de vervaltermijn van twee maanden als bedoeld in art. 7:686a lid 4, aanhef en onder a, BW. Opzegverbod ook bij ontbinding 4.19 De opzegverboden in art. 7:670 BW, waaronder het opzegverbod tijdens ziekte, gelden niet alleen bij opzegging, maar ook bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:671b lid 2 BW bepaalt immers dat de kantonrechter een verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst te ontbinden slechts kan toewijzen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:669 BW is voldaan en “er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 670 of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden.” In art. 7:671b lid 6 BW worden hierop echter twee belangrijke uitzonderingen gemaakt: “Indien de werkgever de ontbinding verzoekt op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen b tot en met h, en een opzegverbod als bedoeld in artikel 670, leden 1 tot en met 4 en 10, of een met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift geldt, kan de kantonrechter, in afwijking van lid 2, het verzoek om ontbinding inwilligen, indien: a. het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben; of b. er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.” 4.20 De verwijzing naar de opzegverboden in art. 7:670 leden 1 tot en met 4 en 10 (of een met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift), maakt duidelijk dat de uitzonderingen in lid 6 alleen gelden voor de ‘tijdens’- opzegverboden, waaronder begrepen het opzegverbod tijdens ziekte (art. 7:670 lid 1 BW). Op grond van art. 7:671b lid 6 BW kan de kantonrechter – ondanks het bestaan van een ‘tijdens’-opzegverbod – de arbeidsovereenkomst dus toch ontbinden indien (
- a)het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of (
- b)als de arbeidsovereenkomst dient te eindigen in het belang van de werknemer. 4.21 De hiervoor onder (
- a)genoemde uitzondering komt overeen met de ‘vergewisplicht’ van art. 7:685 lid 1 (oud) BW: “de kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst”. Dit werd ook wel de reflexwerking van de opzegverboden genoemd. De kantonrechter zal ondanks het gelden van het opzegverbod tijdens ziekte, de arbeidsovereenkomst dus toch kunnen ontbinden indien het ontbindingsverzoek van de werkgever geen verband houdt met het feit dat de werknemer ziek is. De hiervoor onder (
- b)genoemde uitzondering kan zich voordoen als het ontbindingsverzoek wel verband houdt met het feit dat de werknemer ziek is, maar de gezondheidstoestand van de zieke werknemer alleen maar verslechtert door de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Het is aan de rechter om daarin een afweging te maken, zo is te lezen in de memorie van toelichting. 4.22 De uitzonderingen op de ‘tijdens’-opzegverboden in lid 6 gelden uitsluitend indien het ontbindingsverzoek van de werkgever is gebaseerd op art. 7:669 lid 3, aanhef en onder b tot en met h, BW. Als de werkgever zijn ontbindingsverzoek baseert op art. 7:669 lid 3, aanhef en onder a, BW (bedrijfseconomische omstandigheden) gelden de uitzonderingen in art. 7:671b lid 6 BW niet en is ontbinding van de arbeidsovereenkomst – in weerwil van een ‘tijdens’-opzegverbod – alleen mogelijk in de in art. 7:670a lid 2, aanhef en onder d (algehele bedrijfssluiting), en leden 3 en 4 BW bedoelde uitzonderingssituaties. Daarnaast is ontbinding uiteraard mogelijk in de uitzonderingssituatie als bedoeld in art. 7:670a lid 1 BW (niet naleven re-integratieverplichtingen door werknemer), in welk geval het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt. 4.23 Tot slot is op te merken dat art. 7:671b lid 7 BW – evenals art. 7:670 lid 1, aanhef en onder b, BW (zie hiervoor onder 4.13-4.14) – een antimisbruikbepaling bevat. Art. 7:671b lid 7 BW bepaalt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt, indien die ziekte een aanvang heeft genomen nadat het verzoek om ontbinding door de kantonrechter is ontvangen. 4.24 Volledigheidshalve vermeld ik de relevante passages uit de memorie van toelichting van de Wwz: “(…) Datzelfde geldt als er sprake is van een opzegverbod. In de wet wordt aangegeven in welke gevallen, bij een redelijke grond voor ontslag, ondanks het bestaan van een opzegverbod de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch kan ontbinden. Dat is het geval als het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de omstandigheid waar het opzegverbod op ziet. Indien er bijvoorbeeld sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer die lid is van de ondernemingsraad, kan de arbeidsovereenkomst toch worden ontbonden, mits die verstoorde arbeidsverhouding geen verband houdt met het feit dat die werknemer ondernemingsraadlid is. Dat spreekt ook voor zich. Als het verzoek daar wel mee verband houdt en de rechter de arbeidsovereenkomst desondanks zou kunnen ontbinden, dan wordt het opzegverbod in feite een loze bepaling. Daar wordt één uitzondering op gemaakt, namelijk als de rechter meent dat het in het belang (van bijvoorbeeld de gezondheid) van de werknemer is om de arbeidsovereenkomst toch te ontbinden. Het is aan de rechter om daarin een juiste afweging te maken. Alleen als er sprake is van een zogenoemd tijdens opzegverbod (zie artikel 7:670, eerste tot en met vierde lid en het tiende lid) en de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de rechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Indien er een opzegverbod van toepassing is wegens een bepaalde omstandigheid, als bedoeld in het aangepaste artikel 7:670 BW vijfde tot en met negende lid, ofwel indien er sprake is van een discriminatoir ontslag, bijvoorbeeld als bedoeld in de artikelen 7:646 tot en met 7:649 BW, kan de rechter de arbeidsovereenkomst uiteraard niet ontbinden. De rechter zal de arbeidsovereenkomst evenmin kunnen ontbinden als er sprake is van een opzegverbod en de achtergrond van het verzoek bedrijfseconomisch of bedrijfsorganisatorisch van aard is. De reden hiervoor is dat in de wet is aangegeven wanneer een arbeidsovereenkomst ondanks het bestaan van een opzegverbod ingeval van een ontslag om bedrijfseconomische of organisatorische redenen toch kan worden opgezegd, uiteraard na toestemming van UWV. Verwezen wordt in dit verband naar het voorgestelde artikel 7:670a BW en het hierop betrekking hebbende onderdeel van de artikelsgewijze toelichting.” En in de artikelsgewijze toelichting: “In het tweede lid [van art. 7:671b BW – toev. A-G] is geregeld dat voor de toewijzing van een ontbindingsverzoek nodig is dat aan de in artikel 7:669 BW bedoelde voorwaarden voor opzegging is voldaan en dat er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW gelden. Op die laatste eis wordt in het hierna te bespreken zesde lid een aantal uitzonderingen geformuleerd.” “In het zesde lid [van art. 7:671b BW – toev. A-G] wordt voorgesteld om te regelen dat, indien de werkgever de ontbinding verzoekt op grond van artikel 7:669, tweede lid, onderdelen b tot en met h, BW en een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, eerste tot en met vierde en tiende lid, BW (de zogenaamde absolute opzegverboden), of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden, een ontbinding in afwijking van het tweede lid toch kan worden uitgesproken, en wel in een tweetal uitzonderingssituaties. De eerste uitzonderingssituatie, genoemd in onderdeel a, is dat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben. Dat is de zogenaamde «vergewisplicht» zoals opgenomen in het huidige artikel 7:685, eerste lid, BW. De tweede uitzonderingssituatie, genoemd in onderdeel b, is dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een zieke werknemer wiens gezondheidstoestand alleen maar verslechtert door het in stand laten van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk uitzonderlijk geval kan de rechter dus toch overgaan tot ontbinding. Eén en ander maakt duidelijk dat, als de werkgever zich beroept op artikel 7:669, tweede lid, onderdeel a, BW een ontbinding alleen mogelijk is in de in artikel 7:670a, tweede lid, onderdeel d, derde en vierde lid, BW bedoelde uitzonderingssituaties, in welke situatie het opzegverbod immers in het geheel niet geldt. Eveneens is ontbinding vanzelfsprekend mogelijk in de in artikel 7:670a, eerste lid (nieuw), BW bedoelde uitzonderingssituatie waarbij het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt of bijvoorbeeld in de in artikel 6, tweede lid, van de Wsw bedoelde uitzonderingssituatie. In het voorgestelde zevende lid [van art. 7:671b BW – toev. A-G] wordt tot uitdrukking gebracht dat het opzegverbod bij ziekte – en dus ook de vergewisplicht – niet geldt indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het ontbindingsverzoek door (de griffie van) de kantonrechter is ontvangen.” Ongeschiktheid “anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken” 4.25 Zoals gezegd, is een van de vereisten voor een ontslag op de d-grond dat de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, niet het gevolg mag zijn van ziekte of gebreken. De criteria in art. 7:669 lid 3, onder d, BW zijn ontleend aan art. 5:1 lid 1, onder a tot en met d, van het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit. In art. 5:1 lid 1 van het Ontslagbesluit was het volgende bepaald: “Artikel 5:1 1. Indien de werkgever als grond voor de opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer in onvoldoende mate aan de gestelde functie-eisen voldoet en derhalve ongeschikt is voor zijn functie, kan de toestemming slechts worden verleend indien: a. de werkgever deze ongeschiktheid aannemelijk heeft gemaakt, en b. is vastgesteld dat deze ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer, en c. de werkgever voldoende contact met de werknemer heeft gehad teneinde te trachten verbetering teweeg te brengen in diens functioneren, en d. aannemelijk is dat het disfunctioneren van de werknemer niet toe te schrijven is aan onvoldoende zorg voor de arbeidsomstandigheden van de zijde van de werkgever.” 4.26 Bij de inwerkingtreding van de Wwz is het Ontslagbesluit vervallen. Ook de daarop berustende Beleidsregels ontslagtaak UWV (hierna: de Beleidsregels) hebben met de inwerkingtreding van de Wwz hun gelding verloren. In de Decor-beschikking besliste de Hoge Raad dat dit niet uitsluit dat de rechter bij zijn oordeelsvorming of sprake is van een van de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 BW, acht slaat op de in deze oude regelgeving vervatte gezichtspunten. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz valt immers af te leiden dat de in art. 7:669 lid 3 BW omschreven ontslaggronden zijn ontleend aan het Ontslagbesluit en het daarop gebaseerde Besluit ontslagtaak UWV 2012 en dat op dat punt geen wijzing is beoogd, zo overwoog de Hoge Raad. 4.27 Ook het vereiste in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW dat de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid niet het gevolg mag zijn van ziekte of gebreken van de werknemer, is ontleend aan art. 5:1 lid 1, aanhef en onder b, van het Ontslagbesluit. Deze bepaling hield in dat het UWV de toestemming voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren slechts kon verlenen, indien “is vastgesteld dat deze ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer.” De Beleidsregels bepaalden ten aanzien van dit vereiste dat twee situaties kunnen worden onderscheiden:
- i)de werknemer is een werknemer met een arbeidshandicap in de zin van art. 4:4 lid 2 van het Ontslagbesluit; of
- ii)de werknemer is geen werknemer met een arbeidshandicap in de zin van art. 4:4 lid 2 van het Ontslagbesluit. 4.28 De Beleidsregels vermeldden over deze situaties het volgende: “De werknemer is een werknemer met een arbeidshandicap in de zin van artikel 4:4 lid 2 van het Ontslagbesluit. Indien bij een ontslagaanvraag wegens disfunctioneren een werknemer met een arbeidshandicap is betrokken, zal UWV bij de divisie Sociaal Medische Zaken (SMZ) een intern deskundigenadvies inwinnen met betrekking tot de vraag of er sprake is van een verband tussen het disfunctioneren en de ziekte/gebreken. De reden hiervan is dat bij een werknemer met een arbeidshandicap, juist vanwege diens belemmeringen bij het verrichten van arbeid, de kans groter is dat het onvoldoende functioneren voortvloeit uit ziekte of gebreken. De vaststelling of het disfunctioneren al dan niet voortvloeit uit ziekte of gebreken dient hier dan ook extra zorgvuldig plaats te vinden en wel door een deskundige op dit gebied.” “2. De werknemer is geen werknemer met een arbeidshandicap in de zin van artikel 4:4 lid 2 Indien de werknemer in zijn verweer aanvoert dat zijn disfunctioneren voortvloeit uit ziekte of gebrek, terwijl hij geen werknemer met een arbeidshandicap in de zin van artikel 4:4 lid 2 is, mag van hem worden verlangd dit te onderbouwen met relevante informatie en documenten waaruit dit verband blijkt (bijvoorbeeld een verklaring van zijn arts over zijn ziekte of het gebrek). Daarna kan UWV het verweer voor een reactie voorleggen aan de werkgever met de vraag om hierop gemotiveerd te reageren. Het kan wenselijk zijn dat de werkgever in zijn reactie daarop een verklaring van de bedrijfsarts over legt die het standpunt van werkgever onderbouwt. In deze situatie zal UWV een intern deskundigenadvies inwinnen in die gevallen waarin de relatie tussen het disfunctioneren en ziekte of gebreken onduidelijk blijft (bijvoorbeeld in het geval werkgever en werknemer hierover van mening (blijven) verschillen) en deze onduidelijkheid niet door werkgever en/of werknemer kan worden weggenomen. Het ligt op de weg van UWV om in dat geval een deskundige te laten vaststellen of er al dan niet een relatie bestaat tussen de door werknemer aangevoerde ziekte of gebrek en het door werkgever aangevoerde disfunctioneren.” 4.29 In de Beleidsregels was verder opgenomen dat indien het UWV tot het oordeel kwam dat het disfunctioneren voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer, niet art. 5:1 lid 1 van het Ontslagbesluit van toepassing was, maar art. 5:2 (langdurige arbeidsongeschiktheid): “Indien UWV tot het oordeel komt dat het disfunctioneren voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer, dan is niet artikel 5:1 lid 1 van het Ontslagbesluit van toepassing maar artikel 5:2. In de praktijk zal de ontslagaanvraag, die is ingediend op grond van disfunctioneren, moeten worden geweigerd als het disfunctioneren samenhangt met een ziekte of gebrek (zie artikel 5:1 lid 1 sub b Ontslagbesluit). Werkgever en werknemer ontvangen beiden een afschrift van het integrale advies van de deskundige. Als UWV voornemens is om toestemming voor ontslag te weigeren, wordt het deskundigenadvies aan werkgever en werknemer gezonden. Vanuit UWV wordt echter geen contact gelegd met de werkgever om hem in de gelegenheid te stellen de ontslagaanvraag alsnog in te trekken. Werkgever kan overigens altijd op eigen initiatief de ontslagaanvraag alsnog intrekken. Werkgever kan eventueel een nieuwe ontslagaanvraag indienen met als ontslaggrond arbeidsongeschiktheid (artikel 5:2 Ontslagbesluit). Het kan echter zijn dat voor de werkgever in dat geval nog wel een opzegverbod geldt. Een voorbeeld ter illustratie. Een werknemer heeft een psychische aandoening. Aanvankelijk kan de aandoening met medicijnen worden onderdrukt waardoor hij normaal functioneert. Hij is eigenlijk arbeidsongeschikt, maar toch goed inzetbaar. Echter, zijn toestand verslechtert heel langzaam waardoor hij uiteindelijk zelfs een gevaar oplevert voor zijn collega’s. De werknemer wordt af en toe zonder dat hij er iets aan kan doen zeer agressief en valt dan mensen aan. De werknemer is feitelijk ongeschikt voor de uitoefening van zijn functie. Het disfunctioneren vloeit echter voort uit een ziekte.” 4.30 Indien het UWV tot het oordeel kwam dat het disfunctioneren niet voortvloeit uit ziekte of gebreken, dan kon het de ontslagaanvraag wel overeenkomstig art. 5:1 lid 1 van het Ontslagbesluit behandelen: “Indien blijkt dat het disfunctioneren niet voortvloeit uit ziekte of gebreken (voor een werknemer met een arbeidshandicap in de zin van artikel 4:4 lid 2 van het Ontslagbesluit blijkt dit uit het deskundigenadvies), dan kan de ontslagaanvraag overeenkomstig artikel 5:1 lid 1 van het Ontslagbesluit worden behandeld. Een toestemming kan worden gegeven indien aan alle voorwaarden is voldaan.” 4.31 In de Beleidsregels is niet opgenomen wat moet worden verstaan onder ‘ziekte’ in de zin van art. 5:1 lid 1 van het Ontslagbesluit. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz verschaft hierover geen duidelijkheid. In de arbeidsrechtelijke literatuur wordt aangenomen dat voor de invulling van het begrip ‘ziekte’ in de zin van art. 7:669 lid 3, onder d, BW eveneens moet worden aangesloten bij de Ziektewet en dat daaronder dus moet worden verstaan een lichamelijke of psychische toestand die de werknemer verhindert zijn werk (goed) uit te voeren, waarbij geldt dat het verband tussen de ziekte en ongeschiktheid medisch objectiveerbaar moet zijn (zie ook hiervoor onder 4.5-4.7). Even en Poutsma noemen als voorbeeld een werknemer die een periode minder functioneert omdat hij een chemotherapie ondergaat ter bestrijding van kanker. 4.32 Aansluiting bij het begrip ‘ziekte’ in de Ziektewet ligt, gelet op de wetssystematiek, ook voor de hand. Zoals in de Beleidsregels is te lezen, moest het UWV een ontslagaanvraag op grond van art. 5:1 Ontslagbesluit (disfunctioneren) weigeren, indien was vastgesteld dat de ongeschiktheid voor de functie voortvloeide uit ziekte of gebreken. Volgens de Beleidsregels kon de werkgever in dat geval echter wel een nieuwe ontslagaanvraag indienen op grond van art. 5:2 Ontslagbesluit (langdurige arbeidsongeschiktheid), mits het opzegverbod tijdens ziekte niet meer gold. Ook in de Wwz is deze systematiek nog terug te vinden. Indien de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid het gevolg is van ziekte of gebreken van de werknemer, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet kunnen ontbinden op de d-grond. Dit laat echter onverlet dat de werkgever in dat geval het UWV om toestemming kan vragen om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op de b-grond (langdurige arbeidsongeschiktheid) (art. 7:671a lid 1 BW), mits het opzegverbod tijdens ziekte niet meer geldt (art. 7:669 lid 3, onder b, BW). Indien het UWV de toestemming als bedoeld in art. 7:671a lid 1 BW weigert, kan de werkgever de kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de b-grond (zie art. 7:671b lid 1, aanhef en onder b, BW). Vanwege de samenhang tussen deze bepalingen ligt het in de rede om voor de toepassing van de artikelen 7:629 BW (loondoorbetaling bij ziekte), art. 7:670 lid 1 BW (opzegverbod tijdens ziekte), art 7:669 lid 3, aanhef en onder b, BW (langdurige arbeidsongeschiktheid) en art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW (disfunctioneren) uit te gaan van eenzelfde ziektebegrip. 4.33 De vraag of sprake is van disfunctioneren van de werknemer als gevolg van ziekte of gebreken is niet dezelfde als de vraag of de werknemer ongeschikt is wegens ziekte om de bedongen arbeid te verrichten (en dus sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte). Er zijn tal van situaties denkbaar waarin de werknemer wel gewoon zijn werk verricht – en er dus geen sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte om de bedongen arbeid te verrichten in de zin van art. 7:670 lid 1 BW –, maar toch disfunctioneert (of: suboptimaal functioneert) als gevolg van ziekte of gebreken. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de werknemer aan een ziekte lijdt waardoor hij in periodes (kort of lang) belemmerd wordt in zijn functioneren, bijvoorbeeld clusterhoofdlijn of de ziekte van Crohn. Als de klachten afwezig zijn, functioneert de werknemer echter prima. Ook kan een werknemer een bepaalde ziekte hebben gehad waarvan hij weliswaar genezen is, maar waar hij nog wel de naweeën ervaart, bijvoorbeeld vermoeidheid als gevolg van bestraling. In dergelijke situaties hoeft geen sprake te zijn van ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid wegens ziekte in de zin van art. 7:670 lid 1 BW, maar kan wel degelijk sprake zijn van klachten als gevolg van ziekte of gebreken waardoor de werknemer, in meer of mindere mate, niet goed functioneert. Dit zijn onmiskenbaar situaties die vallen onder de werking van de uitzondering van art. 7:699 lid 3, sub d, BW: disfunctioneren ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer. 4.34 Dit betekent dat ook er als geen opzegverbod tijdens ziekte geldt, toch sprake kan zijn van disfunctioneren van de werknemer als gevolg van ziekte of gebreken. Dit sluit ook aan bij de voorheen geldende Beleidsregels van het UWV (zie onder 4.29). Hoger beroep van beschikkingen in ontbindingszaken 4.35 De Wwz heeft het hoger beroep in arbeidszaken op verschillende punten gewijzigd. Eén van die wijzigingen is de mogelijkheid om hoger beroep en beroep in cassatie in te stellen tegen ontbindingsbeschikkingen. Het tot 1 juli 2015 geldende rechtsmiddelenverbod van art. 7:685 lid 11 (oud) BW) is met de inwerkingtreding van de Wwz dus komen te vervallen. Mede vanwege deze wijziging ten opzichte van het oude ontslagrecht, is in art. 7:683 BW voor het hoger beroep en beroep in cassatie een aantal bijzondere regels opgenomen. Deze regels wijken af van de algemene uitgangspunten in het civiele (appel)procesrecht. Ik licht dit hierna toe, waarbij ik mij beperk tot de afwijkende regels voor het hoger beroep van beschikkingen in ontbindingszaken. 4.36 Een eerste bijzondere regel is te vinden in art. 7:683 lid 1 BW. Hierin is bepaald dat indien tegen een beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in de art. 7:671b en 7:671c BW hoger beroep wordt ingesteld, dit de tenuitvoerlegging van de beschikking niet schorst. Dit vormt een afwijking van art. 360 lid 1 Rv, dat bepaalt dat hoger beroep de werking van een beschikking schorst, tenzij deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Als argument voor de afwijkende regel in art. 7:683 lid 1 BW is in de memorie van toelichting genoemd het bevorderen van de rechtszekerheid voor zowel werkgever als werknemer. 4.37 Een andere bijzondere regel voor het hoger beroep van beschikkingen in ontbindingszaken is de in art. 7:683 BW opgenomen regeling voor het geval de rechter in hoger beroep tot een ander oordeel komt over het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dan de kantonrechter. Art. 7:683 lid 3 BW bepaalt dat indien de rechter in hoger beroep oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen, hij de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Indien de appelrechter een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt (of de arbeidsovereenkomst zelf herstelt) is art. 7:682 lid 6 BW van overeenkomstige toepassing, zo blijkt uit art. 7:683 lid 4 BW. Dit betekent dat de appelrechter voorzieningen kan treffen voor de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. Art. 7:683 lid 5 BW bevat een regel voor de aan lid 3 spiegelbeeldige situatie en houdt in dat indien de appelrechter oordeelt dat het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen, de rechter dan bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Ex tunc of ex nunc toetsing door appelrechter 4.38 De vraag is of ook met betrekking tot het toetsingsmoment in het hoger beroep van beschikkingen in ontbindingszaken sprake is van een afwijking van het normale appelprocesrecht. Volgens de hoofdregel geldt dat de appelrechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd, de vordering van oorspronkelijk eiser en het daarover tussen partijen gevoerde debat opnieuw dient te behandelen en dient te beslissen naar de toestand ten tijde van zijn beslissing Dit is een zogeheten toetsing ex nunc. De Hoge Raad verwoordde dit als volgt: “(…) het hoger beroep strekt (…) niet uitsluitend tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing, maar, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel, tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing (vgl. HR 6 april 1967, NJ 1967, 243 en HR 19 okt. 1979, NJ 1980, 125). Mede in aanmerking genomen dat het hoger beroep ook ertoe dient in eerste aanleg begane verzuimen te herstellen, zou hiermee niet stroken dat het aan partijen niet zou vrijstaan andere argumenten, feiten of gezichtspunten naar voren te brengen dan in eerste aanleg zijn aangevoerd.” 4.39 Een ex nunc toetsing in ontbindingszaken kan er echter toe leiden dat het hof, na een op zichzelf terecht uitgesproken ontbinding door de kantonrechter, op grond van latere feiten en omstandigheden in hoger beroep alsnog tot het oordeel komt dat de arbeidsovereenkomst in stand moet blijven. Zo zou een werknemer na een toegewezen ontbinding op de a-grond, in hoger beroep met succes kunnen aanvoeren dat de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag is verdwenen, vanwege een grote order die het bedrijf na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter heeft binnengehaald. De ontbinding zou dan alsnog moeten worden afgewezen. In de arbeidsrechtelijke literatuur wordt dit als onwenselijk beschouwd. Laagland en Lintsen schrijven dat dit in strijd is met de rechtszekerheid en dat de werkgever dan voortdurend in onzekerheid verkeert over het al dan niet bestaan van de arbeidsovereenkomst. Ook Bij de Vaate, Van Slooten en Wetzels en Vestering bepleiten een ex tunc toetsing door de appelrechter, na een toegewezen ontbindingsverzoek. 4.40 Over de vraag of ditzelfde geldt voor een door de kantonrechter afgewezen ontbindingsverzoek, zijn de meningen verdeeld. Laagland en Lintsen vinden dat ook in dit geval een ex tunc toetsing moet plaatsvinden. Een toetsing ex nunc zou het mogelijk maken dat de werkgever de redelijke grond – die de kantonrechter te licht heeft bevonden – in hoger beroep alsnog ‘voldragen’ kan maken. De werkgever zou daarmee volgens de auteurs ten onrechte een proceseconomisch voordeel toekomen. Zo’n voordeel is ook niet nodig, omdat de werkgever altijd een nieuw ontbindingsverzoek kan indienen. Een ex nunc toetsing zou er bovendien toe leiden dat op verschillende momenten – eerst bij de kantonrechter en daarna bij het hof – een afwijkende herplaatsingstermijn geldt, met allerlei complicaties van dien. Bij de Vaate is echter van mening dat voor deze situatie een toetsing ex nunc kan worden gehanteerd. 4.41 In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz is dit punt niet aan de orde gekomen. Het lijkt erop dat de wetgever deze kwestie niet onder ogen heeft gezien. 4.42 In de onderhavige zaak heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de ontbinding ex tunc moet worden getoetst. In cassatie is dit uitgangspunt niet ter discussie gesteld; beide partijen onderschrijven de ex tunc toetsing. Nu bovendien in een andere, recent bij de Hoge Raad binnengekomen zaak deze kwestie wél aan de orde wordt gesteld, zal ik in deze conclusie niet in extenso ingaan op deze discussie. 4.43 In de onderhavige zaak is in cassatie wel aan de orde of een ex tunc-beoordeling ook impliceert dat in hoger beroep door de werknemer geen nieuwe verweren mogen worden gevoerd (namelijk: alsnog een beroep doen op het opzegverbod tijdens ziekte), dan wel dat de werknemer in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden mag aanvoeren, dan wel dat de werknemer in hoger beroep zich niet op nieuwe stukken mag beroepen. 4.44 Waar het bij een beoordeling ex nunc gaat om een beoordeling naar de toestand ten tijde van de beslissing in hoger beroep, houdt een beoordeling ex tunc in dat het hof de feiten en omstandigheden die zich ná de uitspraak in eerste aanleg hebben voorgedaan buiten beschouwing dient te laten. Dit laat echter onverlet dat partijen in appel een beroep kunnen doen op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing in eerste aanleg, maar die zij, om welke reden dan ook, niet eerder in de procedure naar voren hebben gebracht. Ook ontneemt een ex tunc toetsing partijen niet de mogelijkheid om in hoger beroep (alsnog) bewijsmiddelen aan te dragen die betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing in eerste aanleg. Een beoordeling ex tunc ontneemt aan partijen dus niet de herkansingsmogelijkheid van het hoger beroep. 4.45 Een parallel is te trekken met het bestuursrecht. Hoofdregel is dat de rechter een besluit toetst naar het moment dat het besluit op bezwaar is genomen, dus een toetsing ex tunc. Dat besluit op bezwaar berust overigens zelf in beginsel op een beoordeling ex nunc, want het bestuursorgaan moet beslissen met inachtneming van de actuele feiten en omstandigheden. Ook bij een rechterlijke toetsing ex tunc kan echter een beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden die bestonden op het peilmoment of in het tijdvak, maar toen niet zijn aangevoerd zijn gebracht. Dat betekent dat – als hoofdregel, er zijn afwijkende regels voor bepaalde soorten besluiten – ook bewijsstukken kunnen worden ingebracht die betrekking hebben op feiten en omstandigheden ten tijde van het peilmoment of het tijdvak. Dit geldt ook als de bewijsstukken ná het besluit op bezwaar zijn opgesteld. 5Bespreking van de klachten Onderdeel 1 - miskenning inhoud ex tunc toetsing en herkansingsfunctie hoger beroep? 5.1 Onderdeel 1 stelt dat het hof (in rov. 5.2) (voor de Werknemer) fatale betekenis heeft toegekend aan het feit dat hij zich in de procedure bij de kantonrechter niet heeft beroepen op ‘het opzegverbod’ (laat staan aangetoond heeft dat hij ziek was), en heeft herhaald “dat het de juistheid van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding ex tunc beoordeelt”. Deels om die reden heeft het hof het standpunt van Werknemer verworpen “(…) dat de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek als second opinion kan gelden”, aldus het onderdeel. 5.2 Geklaagd wordt dat het hof door aldus te oordelen heeft miskend dat in hoger beroep, ook als dat in eerste aanleg is nagelaten, alsnog een beroep kan worden gedaan op het feit dat de werknemer ten tijde van het ontbindingsverzoek (ziek was en aldus) ongeschikt “als gevolg van ziekte of gebreken” in de zin van art. 7:669 lid 3 onder d BW. Het hof miskent dat het hoger beroep er (mede) op gericht kan en mag zijn een misslag uit de eerste aanleg te herstellen. Zo de appelrechter in een geval als dit al slechts ex tunc mag toetsen, dan nog betekent dat niet dat hij geen rekening behoeft te houden met omstandigheden die eerst in hoger beroep zijn aangevoerd, maar die ook in eerste aanleg hadden kunnen worden aangevoerd. Toetsing ex tunc, in die zin, sluit slechts uit dat een beroep wordt gedaan op ontwikkelingen van na de procedure in eerste aanleg, aldus het onderdeel. 5.3 Enigszins verwarrend is dat het onderdeel verwijst naar rov. 5.2, maar vervolgens ook zinsneden uit rov. 5.3 van de bestreden beschikking citeert. Het onderscheid tussen rov. 5.2 en 5.3 is van belang, omdat het hof heeft overwogen dat grief II in twee onderdelen uiteenvalt (zie rov. 5.2, eerste volzin): Het eerste deel stelt volgens het hof aan de orde dat de kantonrechter in strijd met art. 7:671b lid 7 BW de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden, terwijl er een opzegverbod tijdens ziekte gold (zie rov. 5.2, tweede volzin). Het hof heeft dit deel van de grief beoordeeld in rov. 5.2. Het tweede deel van grief II en grief III heeft het hof opgevat als een betoog van Werknemer dat het door Achmea gestelde disfunctioneren wordt veroorzaakt door zijn ziekte of gebrek als bedoeld in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW (zie rov. 5.3, eerste volzin). Het hof heeft dit betoog vervolgens beoordeeld in rov. 5.3. 5.4 Voor zover onderdeel 1 zo moet worden begrepen dat dit uitsluitend is gericht tegen rov. 5.2, mist het deels feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.2 immers niet geoordeeld over de vraag of door Werknemer in hoger beroep alsnog een beroep kan worden gedaan op het feit dat hij ten tijde van het ontbindingsverzoek (ziek was en aldus) ongeschikt “als gevolg van ziekte of gebreken” in de zin van art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW. In rov. 5.2 is slechts geoordeeld over de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte (art. 7:670 lid 1 BW) aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. 5.5 Uit de zin “Het Hof kent (in rov. 5.2) (voor [Werknemer] fatale betekenis toe aan het feit dat [Werknemer] zich in de procedure bij de kantonrechter niet heeft beroepen op “het opzegverbod” (…)” kan echter worden afgeleid dat onderdeel 1 ook klachten bevat tegen het oordeel in rov. 5.2, dat de kantonrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. Als het onderdeel zo wordt begrepen, geldt het volgende. 5.6 Het uitgangspunt van het hof, dat de juistheid van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding ex tunc moet worden getoetst, wordt in cassatie niet ter discussie gesteld. Daarmee moet ook ex tunc worden beoordeeld of voor 17 juli 2017 (datum ontvangst ontbindingsverzoek) sprake was van een opzegverbod tijdens ziekte. 5.7 De ex tunc toetsing doet echter niet af aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep (zie onder 4.44). Dat betekent dat de Werknemer in hoger beroep zich alsnog kan beroepen op een opzegverbod tijdens ziekte, ook al heeft hij dat bij de kantonrechter achterwege gelaten. Dat de Werknemer de kantonrechter “niet in staat heeft gesteld zich van mogelijke toepasselijkheid van dit opzegverbod te vergewissen” (rov. 5.2), is dan ook geen relevant gezichtspunt. Het hof diende zélf te beoordelen of voor 17 juli 2017 sprake was van een opzegverbod tijdens ziekte. 5.8 Ook onjuist is de overweging van het hof, dat beoordeeld moet worden of de kantonrechter “gelet op de ten tijde van zijn beslissing beschikbare informatie en stukken” rekening diende te houden met een voor 17 juli 2017 bestaand opzegverbod tijdens ziekte. Zoals gezegd (zie onder 4.44), betekent een ex tunc toetsing niet dat de appelrechter alleen acht mag slaan op de destijds (ten tijde van de beslissing van de kantonrechter) beschikbare informatie en stukken. Gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep, kan een partij – ook bij een ex tunc toetsing – in hoger beroep alsnog een beroep doen op (medische) stukken, die betrekking hebben op de situatie ten tijde of voorafgaand aan de ontbindingsbeschikking. Dat geldt ook als de (medische) stukken op een later moment zijn opgesteld. Het hof diende derhalve ook acht te slaan op de brief van 25 oktober 2017, de ziekmelding van 22 november 2017 en het rapport van het neuropsychologisch onderzoek uit 2017.In zoverre slaagt de klacht uit onderdeel 1. 5.9 In dit verband kan ook worden gewezen op een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag. In die zaak betoogde de werkgever - onder expliciete verwijzing naar de in deze zaak bestreden beschikking - dat het voor rekening en risico van werkneemster moest komen dat zij ervoor had gekozen om pas na afloop van het onderzoek in de ontbindingsprocedure door de kantonrechter een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV. Het gerechtshof Den Haag ging niet mee in dit betoog en overwoog daartoe als volgt: “Het hof is van oordeel dat als een werknemer in hoger beroep alsnog een deskundigenoordeel in het geding brengt, dat betrekking heeft op de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte van kracht was ten tijde van de procedure in eerste aanleg, in de regel rekening moet worden gehouden met een dergelijk deskundigenoordeel. Dat is immers een verklaring die betrekking heeft op de situatie zoals die aan de orde was ten tijde van de procedure in eerste aanleg. Dat is naar het oordeel van het hof het toetsingsmoment voor de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte van kracht is bij de beoordeling van een ontbindingsverzoek op de g-grond (en in het verlengde daarvan de vraag of het verzoek verband houdt met ziekte). Het hof toetst deze vraag dus ex tunc, maar houdt daarbij in de regel wel rekening met nieuwe stukken die in hoger beroep in het geding worden gebracht, voor zover deze betrekking hebben op de situatie ten tijde van de procedure in eerste aanleg, zoals het onderhavige deskundigenoordeel. In eerste aanleg heeft [verzoekster] ook al een beroep gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte. Het deskundigenoordeel dat zij in hoger beroep in het geding heeft gebracht, vormt een nadere onderbouwing van hetgeen zij in eerste aanleg als verweer heeft aangevoerd maar onvoldoende heeft onderbouwd. Indien een dergelijk deskundigenoordeel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten omdat dit pas op een datum gelegen na de mondelinge behandeling in eerste aanleg is aangevraagd, wordt geen recht gedaan aan het karakter van het hoger beroep, dat immers onder meer een herstelfunctie heeft van wat in eerste aanleg niet goed is verlopen.” 5.10 Het slagen van de klacht uit onderdeel 1 kan echter niet tot cassatie leiden. Het hof heeft namelijk aan het slot van rov. 5.2 óók een inhoudelijk oordeel gegeven over het beroep van de Werknemer op het opzegverbod tijdens ziekte. In dat kader heeft het hof overwogen dat uit het rapport van het neuropsychologisch onderzoek, dat diende ter onderbouwing van het beroep op het opzegverbod tijdens ziekte in de brief van 25 oktober 2017, niet blijkt dat de Werknemer al voor 17 juli 2017 ziek was “in de zin van de hiervoor vermelde definitie”. Het hof doelt daarmee kennelijk op zijn eerdere overweging, dat onder ‘ziekte’ moet worden verstaan: “het op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, niet kunnen of mogen verrichten van de bedongen arbeid.” (zie rov. 5.2, vierde volzin). In dit oordeel ligt besloten dat er voor 17 juli 2017 dus ook geen opzegverbod tijdens ziekte gold (art. 7:670 lid 1 BW). Aan een oordeel over de vraag of het ontbindingsverzoek van Achmea verband houdt met ziekte als bedoeld in art. 7:671b lid 6, onder a, BW is het hof daarom niet meer toegekomen. 5.11 Voor zover de klachten in onderdeel 1 moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen rov. 5.3, waar het hof beoordeelt of sprake is van ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken in de zin van art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW, zal ik deze hierna bespreken bij onderdeel 2. Onderdeel 2 – ongeschiktheid anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken? 5.12 Onderdeel 2 – zie het verzoekschrift tot cassatie p. 4 (voorlaatste alinea, eerste alinea) – gaat ervan uit dat de rov. 5.2 en 5.3 van de bestreden beschikking zo moeten worden begrepen, dat het hof aan een inhoudelijke bespreking van het beroep van ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken als bedoeld in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW niet is toegekomen. Die lezing deel ik niet. Het hof is in rov. 5.3 immers wel inhoudelijk op dat betoog van de Werknemer ingegaan en heeft dat in die rechtsoverweging verworpen. 5.13 Daarbij heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de stelplicht en bewijslast van het ontbreken van het verband tussen de ongeschiktheid en ziekte of gebrek op Achmea rust, maar dat zij bij haar ontbindingsverzoek mocht volstaan met de mededeling dat zij geen reden had om aan te nemen dat sprake was van ongeschiktheid door ziekte of gebrek, nu de ziekmeldingen van de Werknemer door de bedrijfsartsen niet terecht zijn bevonden en Werknemer geen second opinion heeft aangevraagd. Het hof vervolgt dan met de overweging dat het op de weg van de Werknemer lag om gemotiveerd te stellen dat wel sprake was van ziekte of gebrek en causaal verband met het disfunctioneren. Volgens het hof zal in de regel immers de werknemer zelf, eerder dan de werkgever, beschikken over informatie waaruit blijkt dat daarvan sprake is, omdat dit in zijn privédomein ligt en hij dit desgewenst moet ontsluiten. Deze vooropstelling over de stelplicht en bewijslast wordt in cassatie door Werknemer niet bestreden en is ook juist. 5.14 Het hof heeft de stellingen van de Werknemer in hoger beroep vervolgens in dit kader beoordeeld en verworpen. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat: De Werknemer niet is opgekomen tegen zijn hersteldverklaring in 2011 en dat hij tot 2014 goed heeft gefunctioneerd; in 2013/2104 de mogelijkheid van herkeuring met de Werknemer is besproken (zie rov. 3.5) en begin 2015 de inschakeling van een arbeidsdeskundige als mogelijkheid is aangeduid (zie rov. 3.7), maar dat traject niet is ingeslagen; de Werknemer ter zitting bij het hof heeft gezegd dat hij niet het ziektetraject in wilde en dat de bedrijfsarts daar kennelijk ook geen reden voor heeft gezien; de Werknemer zich na kritiek op zijn functioneren over het jaar 2014 heeft neergelegd bij oordelen van verschillende bedrijfsartsen dat hij niet arbeidsongeschikt was door ziekte; de Werknemer in ieder geval vanaf medio 2016 werd bijgestaan door een jurist, die van het oordeel van de bedrijfsartsen in 2016 op de hoogte was, maar er kennelijk aan de kant van de Werknemer geen reden is gezien voor het aanvragen van een second opinion; de Werknemer ook niet heeft aangegeven waarom Achmea het oordeel van de bedrijfsarts dan wel in twijfel had moeten trekken; hier nog bij komt dat Achmea zowel tijdens de mondelinge behandeling van het eerste ontbindingsverzoek als onder punt 19 van haar verweerschrift in hoger beroep heeft opgemerkt dat bedrijfsartsen vergeefs aan de Werknemer hebben gevraagd een machtiging te geven voor het opvragen van zijn medische dossier bij de behandelend neuroloog, als hij meer beperkingen zou ervaren dan de bedrijfsarts kon duiden, waar de Werknemer nimmer op is ingegaan. De Werknemer tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft verklaard dat hij zich een dergelijk verzoek van bedrijfsarts [betrokkene 9] kon herinneren, maar niet kon uitleggen waarom hij daar niet op was ingegaan. 5.15 De conclusie die het hof hieruit trekt, dat de Werknemer onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat wel sprake was van disfunctioneren als gevolg van ziekte of gebrek, lijkt hiermee op het eerste gezicht toereikend gemotiveerd. Het probleem zit echter in de overweging aan het slot van rov. 5.3, dat “het hof herhaalt dat het de juistheid van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding ex tunc beoordeelt” en dat “reeds om die reden […] het hof het standpunt van mr. Van Voorthuizen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof [verwerpt], inhoudend dat de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek (zie onder rov. 3.32) als second opinion kan gelden.” 5.16 Voor zover het onderdeel – in samenhang met de klacht uit onderdeel 1 – zo moet worden gelezen dat ook geklaagd wordt over deze overweging aan het slot van rov. 5.3, slaagt de klacht om dezelfde redenen als vermeld onder 5.8. Gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep, kon het hof het neuropsychologische rapport niet buiten beschouwing laten vanwege het enkele feit dat dit dateert van ná de ontbindingsbeschikking en de kantonrechter dit rapport daarom niet in zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Ook kon het hof niet reeds daarom oordelen dat de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek niet als second opinion kan gelden. 5.17 De vraag is vervolgens of het slagen van deze klacht wél tot cassatie leidt, of dat ook hier zou moeten worden geoordeeld dat de Werknemer geen belang heeft bij zijn klacht, omdat het hof aan het slot van rov. 5.2 wel inhoudelijk is ingegaan op het neuropsychologische rapport. Het hof overwoog daar immers: “Overigens blijkt uit het rapport van het neuropsychologisch onderzoek, dat diende ter onderbouwing van de ziekte die aanleiding was voor het beroep op het opzegverbod in de brief van 25 oktober 2017, ook niet dat [Werknemer] al voor 17 juli 2017 ziek was in de zin van de hiervoor vermelde definitie.” 5.18 Met het oog hierop, zo begrijp ik, wordt bij onderdeel 2 ook geklaagd dat voor zover dit oordeel zou moeten worden beschouwd als een weerlegging van het betoog van de Werknemer dat hij als gevolg van ziekte of gebreken als bedoeld in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW ongeschikt zou zijn voor het verrichten van de bedongen arbeid, dit rechtens onjuist is. In dat geval heeft het hof namelijk miskend dat van ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken in de zin van die bepaling, niet slechts sprake is als de werknemer ten tijde van zijn ontbindingsverzoek ziek is in de zin van art. 7:628 BW (bedoeld is kennelijk art. 7:629 BW – A-G), maar dat ook bij ziekte of gebreken die niet leiden tot ongeschiktheid voor de bedongen arbeid, de bedoelde uitzondering in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW toepassing kan vinden. 5.19 Naar mijn mening is het weinig aannemelijk dat de beschikking moet worden gelezen als uiteengezet bij onderdeel 2. De in het onderdeel bestreden overweging aan het slot van rov. 5.2 is gedaan in het kader van de bespreking van de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte in art. 7:670 lid 1 BW aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. In rov. 5.3 bespreekt het hof het beroep op ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken in art. 7:669 lid 3, aanhef en onder d, BW. Uit de beschikking blijkt niet duidelijk dat het hof bij het terzijde leggen van het neuropsychologisch rapport, ook voor ogen heeft gestaan dat dit rapport de Werknemer inhoudelijk niet kan baten ter ondersteuning van zijn stelling dat sprake is van ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken, omdat daaruit niet blijkt “dat [Werknemer] al voor 17 juli 2017 ziek was in de zin van de hiervoor vermelde definitie”. 5.20 Maar zo dit anders zou zijn, dan slaagt ook deze klacht. Hiervoor is besproken dat het niet ongeschiktheid zijn door ziekte om de bedongen arbeid te verrichten, onverlet laat dat sprake kan zijn van disfunctioneren als gevolg van ziekte of gebreken (zie onder 4.33-4.34). Dat betekent dat ook als uit het neuropsychologische rapport niet blijkt dat de Werknemer al voor 17 juli 2017 ziek was, dit de mogelijkheid openlaat dat het rapport wel steun biedt voor de opvatting dat de Werknemer disfunctioneert als gevolg van ziekte of gebreken. Ik merk op dat in het rapport van de neurochirurg van 2017 onder meer het volgende is vermeld (p. 3): “In huidig testonderzoek komt het volgende naar voren. Inprenting van verbale informatie is op niveau, de hieraan gerelateerde retentie is enigszins verlaagd. Scores voor visuele retentie zijn gelijk gebleven en thans ruim benedengemiddeld. Kortom er zijn thans geen aanwijzingen voor een geheugenstoornis. Het basale tempo van informatieverwerken is toegenomen en thans erg vlot, maar op het gebied van complexe informatieverwerking worden verlaagde scores t.o.v. de scores in 2011 gevonden. Hierbij is er thans sprake van een evidente vertraging in de prestatie in complexe taken waarbij pt. de aandacht moet richten dan wel verdelen, of cognitieve bewerkingen moet uitvoeren. Woordvinding is onveranderd intact. Net als in 2011 vinden we dat planning, overzicht en taakregulatie (executieve functies) niet op niveau zijn, er is overigens geen sprake van mentale inflexibiliteit. Er zijn geen aanwijzingen voor angst- of stemmingsproblematiek. Wel is er sprake van zowel fysieke als mentale vermoeidheid, waarvan de gevolgen en de impact op pt. hoog zijn en hij moeite heeft hiermee om te gaan. Hierbij is de copingstijl van pt. overwegend inefficiënt. Samenvattend is er geen duidelijke achteruitgang t.o.v. 2011, echter is er thans sprake van een evidente vertraging in informatieverwerking in complexe taken, hetgeen zich in het dagelijks leven kan manifesteren als verminderde belastbaarheid. E.e.a. past ons inziens goed bij de doorgemaakt SAB [subarachnoïdale bloeding – A-G] en kan de door pt. ervaren vermoeidheid verklaren.” Dat hij niet goed functioneert vanwege zijn vermoeidheidsklachten als gevolg van het in 2010 doorgemaakte hersenaneurysma, is door de Werknemer in hoger beroep ook aangevoerd. 5.21 Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking van het hof niet in stand kan blijven. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden beoordeeld of sprake is van disfunctioneren als gevolg van ziekte of gebrek, waarbij óók acht wordt geslagen op het rapport van de neuropsycholoog. 6Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 25 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5829, JAR 2018/181, AR-Updates.nl 2018-0745. Het hof is uitgegaan van de feiten die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, onder 2.1 tot en met 2.55 van zijn beschikking van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4019, AR-Updates.nl 2017-1282, heeft vastgesteld. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met grief 1, waarin Werknemer stelt dat de weergave van de kantonrechter niet volledig genoeg is. Verder heeft het hof de door de kantonrechter vastgestelde feiten aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan. Dit stuk bevindt zich niet in het A-dossier, maar wel in het B-dossier. Dit stuk bevindt zich niet in het A-dossier, maar wel in het B-dossier. In de bestreden beschikking van het hof staat in rov. 4.3 abusievelijk vermeld “met veroordeling van Achmea in de proceskosten”. Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, 11 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4019; AR-Updates.nl 2017-1282. Dit stuk bevindt zich niet in het A-dossier, maar wel in het B-dossier. Dit stuk bevindt zich niet in het A-dossier, maar wel in het B-dossier. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 25 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5829, JAR 2018/181, AR-Updates.nl 2018-0745. Zie over ontbinding op de d-grond ook mijn conclusie van 15 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:341 (Ecofys). In die zaak ging het met name om het vierde vereiste, het in voldoende mate in de gelegenheid zijn gesteld het functioneren te verbeteren. Zie over de criteria 1 t/m 6 nader: J.M.E. Schunselaar, Anderhalf jaar WWZ: de obstakels van de d-grond. In: Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2017/68 en J.H. Even en E.M. Poutsma, De WWZ en disfunctioneren. In: Tijdschrift voor Arbeid & Onderneming 2016-2, p. 60-72. Kamerstukken 24 439, 1995-1996, nr. 3 (MvT), p. 58. Zie Van der Grinten (bew. door W.H.A.C.M. Bouwens en R.A.A. Duk), Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015 (25e druk), p. 111. Zie ook: J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel ontslagrecht 3, 2016, p. 195. Zie bijv. CRvB 10 augustus 1994, RSV 1995/2. Zie ook Van der Grinten (bew. door Bouwens en Duk), Arbeidsovereenkomstenrecht, 2015, p. 111. P.S. Fluit, ‘Ziek zijn’ en ‘zo zijn’. Commentaar op het arrest Beckeringh/I-control. In: Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2011-3, p. 107; J.M. van Slooten, T&C Burgerlijk Wetboek, 7:629, aant. 2d; J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel ontslagrecht 3, 2016, p. 195-197. Zie o.a. J.H. van Even en E.M. Poutsma, De WWZ en disfunctioneren. In: Tijdschrift voor Arbeid & Onderneming 2016-2, p. 64; J.M. Van Slooten, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:629, aant. 2d; E. Verhulp, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:670, aant. 3a en J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel ontslagrecht 3, 2016, p. 195-196. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 427. J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel ontslagrecht 3, 2016, p. 197-198. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 429. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 430. HR 24 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9536, NJ 1987/292 m.nt. P.A. Stein (Melchers/de Haan), rov. 3. Zie ook A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 71. Zie hierover nader: A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 72. Kamerstukken II 2014-2015, 34 073, nr. 3, p. 22 (MvT). Zie hierover nader: F.M. Dekker, Commentaar & Context Wwz, 2017, p. 134. Zie ook A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 72. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 101 (MvT). Kamerstukken II 2013-2014, 33 988, nr. 3, p. 11 (MvT). Kamerstukken I 1997-1998, 25 263, nr. 132d, p. 14 (nadere MvA). A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 71, onder verwijzing naar C.J. Frikkee, Opzegverbod ziekte; alles of niets bij bedrijfseconomische redenen, ArbeidsRecht 2018/4, p. 18 e.v. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 101-102 (MvT). A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 73. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 101. Zie ook: A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 70 en E. Verhulp, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:670a, aant. 3. Vgl. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 70. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 101. Zie ook: A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 70 en E. Verhulp, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:670a, aant. 3. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 70 en 75. In art. 104 van de Pensioenwet is onder meer opgenomen het verbod om de arbeidsovereenkomst op te zeggen tijdens de periode dat de werknemer lid is van het bestuur van een pensioenfonds. A.R. Houweling (red.) e.a., Loonstra & Zondag. Arbeidsrechtelijke themata II, 2018, p. 73. Zie nader over de ‘vergewisplicht’ onder het oude ontslagrecht en de te onderscheiden ‘stromingen’: o.a. A.A. Stekelenburg en M. Bouiga, De beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de zieke werknemer en de daarbijbehorende risico’s. In: Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2014/358 (onder ‘ontbinding’) en M.W.A.M. van Kempen en K. Beijerman, De reflexwerking van opzegverboden in de ontbindingsprocedure. In: Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2010/7. M.W.A.M. van Kempen en K. Beijerman, De reflexwerking van opzegverboden in de ontbindingsprocedure. In: Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2010/7. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 32. Zie ook E. Verhulp, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:671b, aant. 9. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 31-32. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 107-108. Besluit van 7 december 1998, Stcrt. 1998, 238. Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 2012, Stcrt. 2012, 16614. HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182; NJ 2018/394 m.nt. E. Verhulp; JAR 2018/72 m.nt. M.W. Koole; AR-Updates.nl 2018-0214 m.nt. F.G. Laagland; Ondernemingsrecht 2018/50 m.nt. J.M. van Slooten; TRA 2018/49 m.nt. C.J. Frikkee (Decor), rov. 3.4.7. Zie onder meer Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 98 (MvT). Beleidsregels Ontslagtaak UWV – versie september 2012, hoofdstuk 25, p.