Zaaknr: 18/01039 mr. F.F. Langemeijer Zitting: 18 januari 2019 Conclusie inzake: [de huurder] tegen [de verhuurder] Het cassatiemiddel in deze huurzaak gaat over de wijze waarop het hof de grieven van de huurder heeft opgevat. Daarnaast heeft het betrekking op de door de verhuurder opgegeven grond voor beëindiging van de huurovereenkomst. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten: 1.1.1 Verweerder in cassatie (hierna: de verhuurder) is eigenaar van een woning te Geertruidenberg. 1.1.2 De verhuurder heeft de woning met ingang van 5 december 2008 verhuurd aan verzoeker tot cassatie (hierna: de huurder) voor een prijs van € 575,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. 1.1.3 De verhuurder heeft de huurovereenkomst bij brief van 30 december 2014 opgezegd met ingang van 1 juli 2015 op de grond dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De huurder heeft de aangetekend verzonden brief niet in ontvangst genomen. 1.1.4 Bij aangetekende brief van 2 februari 2015 heeft de gemachtigde van de verhuurder de huurder gewezen op de opzegging bij brief van 30 december 2014 en de huurder een termijn gesteld om op de opzegging te reageren. 1.1.5 De huurder heeft niet ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst. 1.2 Op 16 maart 2015 heeft de verhuurder de huurder doen dagvaarden voor de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. Zijn vordering strekte tot het vaststellen van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en tot het bepalen van het tijdstip van ontruiming van de woning op de dag waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. De verhuurder heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Daartoe heeft hij samengevat aangevoerd dat zijn relatie is verbroken, dat zijn ex-partner in de gezamenlijke woning bleef, dat die woning inmiddels is verkocht, dat hij nu geen eigen woonruimte heeft en tijdelijk bij een kennis verblijft. Verder heeft hij gesteld dat hij geen nieuwe woning kan verwerven omdat hij freelancer is en al twee hypothecaire leningen te zijnen laste heeft. 1.3 De huurder heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 oktober 2015 het volgende overwogen. De verhuurder heeft bij de opzegging de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 7:272 lid 2 BW in acht genomen (rov. 3.5 Ktr). Overeenkomstig artikel 7:271 BW bevat de opzeggingsbrief een van de wettelijke opzeggingsgronden, te weten dringend eigen gebruik van de woning. Het is niet vereist dat de afweging van de belangen van huurder en verhuurder reeds is opgenomen in de opzeggingsbrief (rov. 3.6 Ktr). In dit geding heeft de verhuurder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik (rov. 3.7 - 3.10 Ktr). Ook is voldoende aannemelijk dat voor de huurder voldoende passende woonruimte in de regio beschikbaar is (rov. 3.11 - 3.12 Ktr). De afweging van de belangen van partijen bij voortzetting respectievelijk beëindiging van de huur valt uit in het voordeel van de verhuurder (rov. 3.13 - 3.14 Ktr). De kantonrechter achtte de vordering daarom vatbaar voor toewijzing. 1.4 De kantonrechter heeft de einddatum van de huurovereenkomst en de datum van ontruiming bepaald op 1 februari 2016 (rov. 3.15 Ktr). De kantonrechter heeft bepaald dat de verhuurder op grond van artikel 7:275 BW aan de huurder een tegemoetkoming in zijn verhuis- en inrichtingskosten dient te betalen van € 7.500,-. Als de verhuurder dit bedrag te hoog vindt kan hij, desgewenst, de huuropzegging intrekken tot uiterlijk 28 oktober 2015 (rov. 3.16 Ktr). Na bespreking van de nevenvorderingen heeft de kantonrechter in het dictum dienovereenkomstig beslist. De kantonrechter heeft zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard met uitzondering van de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming. 1.5 De huurder heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De verhuurder heeft incidenteel hoger beroep ingesteld met betrekking tot de hoogte van de verhuiskostenvergoeding. 1.6 In het principaal hoger beroep van de huurder heeft het hof bij arrest van 12 december 2017 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het incidenteel hoger beroep van de verhuurder heeft het hof dat vonnis vernietigd ten aanzien van de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Het hof heeft deze tegemoetkoming nader bepaald op € 5.910,-. 1.7 Voor de beoordeling in cassatie is van belang dat het hof in rov. 6.4 – 6.5.3 zich heeft uitgesproken over de gronden waarop het (principaal) hoger beroep van de huurder berustte. Volgens het hof heeft de huurder bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep zijn eis vermeerderd met betrekking tot door hem gemaakte of nog te maken kosten voor de veiligheid van of het herstel van gebreken aan de woning (zie rov. 6.5.1). Deze vermeerdering van eis heeft het hof niet toelaatbaar geacht. Dat gedeelte van de vordering blijft hierna onbesproken. 1.8 Daarnaast constateerde het hof dat de huurder bij pleidooi in hoger beroep in feite een nieuwe grief heeft willen aanvoeren, wat betreft de betwisting van de door de verhuurder gestelde dringende noodzaak van eigen gebruik (zie rov. 6.5.2). Het hof achtte deze uitbreiding van de grieven in dit stadium van het geding in strijd met de ‘twee conclusie-regel’ en bovendien in strijd met de eisen van een goede procesorde. Om die reden kwam het hof niet toe aan inhoudelijke beoordeling van deze nieuwe grief (rov. 6.5.3). Om dezelfde reden ging het hof voorbij aan een bewijsaanbod dat betrekking had op deze, voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep ingenomen stellingen. Vervolgens heeft het hof grief I behandeld in rov. 6.6.2, grief II in rov. 6.7.2 en grief III in rov. 6.8. 1.9 De huurder heeft − tijdig − beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 12 december 2017. De verhuurder is in cassatie niet verschenen. 2Bespreking van het cassatiemiddel Inleiding 2.1 De artikelen 7:271 – 7:282 BW regelen het eindigen van de huur van woonruimte. Artikel 7:271 houdt in, voor zover van belang voor deze zaak, dat een verhuurder de huur kan opzeggen bij exploot of bij aangetekende brief. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de opzegging door de verhuurder, op straffe van nietigheid, de gronden moet vermelden die tot de opzegging hebben geleid. Een opzegging door de verhuurder op andere dan de in artikel 7:274 lid 1 BW genoemde gronden is nietig. Bij de opzegging moet aan de huurder worden gevraagd, binnen zes weken aan de verhuurder mede te delen of hij al dan niet toestemt in beëindiging van de huurovereenkomst. De overige leden van dit artikel regelen de opzegtermijn. Artikel 7:272 BW bepaalt dat een opgezegde huurovereenkomst (behoudens een in de wet genoemde uitzondering) van rechtswege haar kracht behoudt na de dag waartegen de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd, totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op de vordering van de verhuurder dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Artikel 7:273 lid 1 BW schrijft voor dat de rechter bij zijn beslissing op zo’n vordering van de verhuurder uitsluitend de in de opzegging vermelde gronden in aanmerking neemt. 2.2 Artikel 7:274 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter de in artikel 7:272 lid 2 BW bedoelde vordering van de verhuurder slechts kan toewijzen in de gevallen welke in dit artikellid zijn genoemd onder a tot en met f. Daartoe behoort het geval onder c: “indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder (…) andere passende woonruimte kan verkrijgen. Inhoud en uitleg van de grieven 2.3 Onderdeel 2.1 is gericht tegen de uitleg die het hof aan de grieven heeft gegeven (rov. 6.4 – 6.5.3). De algemene klacht is uitgewerkt in drie subonderdelen. 2.4 De voor dit middelonderdeel relevante overwegingen luiden als volgt: “6.5.2. Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten alle principale grieven in beginsel in de memorie van grieven aan de orde worden gesteld (de zgn. twee-conclusie-regel). Het hof is van oordeel dat de inhoudelijke betwisting door [de huurder] van het dringend eigen gebruik bij pleidooi te kwalificeren is als een nieuwe grief die voor het eerst bij pleidooi wordt aangevoerd, zodat sprake is van strijd met de hiervoor genoemde twee-conclusie-regel. Van het bij pleidooi voortbouwen op een reeds bij memorie van grieven aangevoerde grief of grondslag is geen sprake. De grieven van [de huurder], zoals aangevoerd bij memorie van grieven, betreffen alle drie formeelrechtelijke onderwerpen, waarbij niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik. De verhuurder heeft deze grieven ook zo begrepen, gezien de memorie van antwoord in principaal appel en zijn reactie bij pleidooi. (…) 6.5.3. Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusie-regel gezien de aard van het geschil of vanwege nieuw voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden, terwijl evenmin is gebleken dat sprake is van het ondubbelzinnig instemmen van [de verhuurder] met de nieuwe grief en de eisvermeerdering. Integendeel, [de verhuurder] heeft tijdens het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de nieuwe stellingen van [de huurder] in verband met de betwisting van het dringend eigen gebruik en tegen de eisvermeerdering en is hierop niet inhoudelijk ingegaan. Het hof acht de inhoudelijke betwisting door [de huurder] van het dringend eigen gebruik voor het eerst bij pleidooi daarnaast in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof kan dus niet toekomen aan de beoordeling van de nieuwe grief/nieuwe stellingen en de eisvermeerdering. Om die reden gaat het hof ook voorbij, aan het door [de huurder] bij pleidooi gedane bewijsaanbod tot het horen van de hospita van [de verhuurder], nu dit betrekking heeft op door de hem bij pleidooi ingenomen nieuwe stellingen. Gelet op het voorgaande dient voor de beoordeling door het hof tot uitgangspunt dat De verhuurder de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik.” 2.5 De subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2 klagen dat het hof miskent dat hetgeen de huurder op blz. 2 van de memorie van grieven (onder de punten 5 en 6) had aangevoerd ook deel uitmaakt van de grieven, in die zin dat de huurder aldaar het oordeel van de kantonrechter over het dringend nodig hebben van de woning voor eigen gebruik door de verhuurder en ook de belangenafweging door de kantonrechter heeft bestreden. 2.6 Naar vaste rechtspraak moeten als ‘grieven’ worden aangemerkt: alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de in hoger beroep bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Daarbij geldt wel de eis dat die gronden behoorlijk naar voren zijn gebracht in de procedure, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij. De wederpartij moet kunnen weten waartegen zij zich (in de procedure in hoger beroep) heeft te verweren. De voor vernietiging aangevoerde gronden behoeven door de appellant niet uitdrukkelijk te worden aangeduid als (al dan niet genummerde) ‘grief’. Het is vervolgens aan de appelrechter om, door middel van uitleg van de gedingstukken, vast te stellen welke grieven door de appellant zijn aangevoerd. De uitleg van gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Daarom kan in cassatie de uitleg die de appelrechter aan een gedingstuk heeft gegeven niet op juistheid worden getoetst, maar hoogstens op de begrijpelijkheid van dat oordeel. De omstandigheid dat de appelrechter de grieven hetzelfde heeft uitgelegd als de wijze waarop de geïntimeerde deze had begrepen, geldt in het algemeen als een sterk argument om die uitleg in cassatie niet onbegrijpelijk te achten. 2.7 Een blik in de gedingstukken leert het volgende. De memorie van grieven in deze zaak opent, onder het kopje “Samenvatting”, met een samenvatting van het geschil. De punten 5 en 6 van die samenvatting, voor zover hier van belang, luidden als volgt: “5. (…) [De verhuurder] is een slecht verhuurder. [De verhuurder] wendt vóór, dat hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft. Dat dringend eigen gebruik wordt betwist. De noodzakelijke belangenafweging tussen [de huurder] en [de verhuurder] heeft niet kunnen plaatsvinden door het onvoldoende aanleveren van gegevens door [de verhuurder]. Anderzijds heeft [de huurder] aangeboden te bewijzen, dat de daadwerkelijke opzet en strategie van [de verhuurder] is: dat de te ontruimen huurwoning zo snel mogelijk kan worden verkocht tegen leegwaarde in een steeds beter aantrekkende woningmarkt. 6. [De verhuurder] heeft al van alles uitgehaald om te komen tot verwijdering van [de huurder]. [De verhuurder] heeft schijnbaar alle schepen achter zich verbrand. En vervolgens wendt hij zich met dat verhaal tot de beslissende rechter, terwijl hij aantoonbaar op die schijnbare noodsituatie van dringend eigen gebruik heeft aangestuurd. Dat vervolgens [de verhuurder] die woning niét voor dringend nodig heeft wordt ook aantoonbaar. Daarnaast is er géén passende woonruimte voor [de huurder] beschikbaar. Uit de belangenafweging moet volgen, dat [de verhuurder] beter af is met het zoeken naar een ander alternatief voor woonruimte.” In het vervolg van zijn memorie van grieven (onder 7 t/m 20) heeft de huurder de bezwaren geformuleerd die hij tegen het vonnis van de kantonrechter had. Het gaat daarbij om drie genummerde en door hem uitdrukkelijk als ‘grieven’ aangeduide bezwaren, telkens voorafgegaan door een inleiding. Deze drie ‘grieven’ zijn dezelfde die het hof in rov. 6.4 heeft genoemd. De verhuurder heeft in zijn memorie van antwoord onder 3 verweer gevoerd tegen elk van deze drie grieven. 2.8 Tegen de achtergrond van de in voetnoot 7 aangehaalde jurisprudentie geeft het oordeel van het hof, dat de huurder in de memorie van grieven “niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik” op zich niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar heeft de huurder in de memorie van grieven onder 5 gesteld dat hij de door de verhuurder gestelde grond voor opzegging (dringend nodig voor eigen gebruik) heeft betwist, maar daarmee had de huurder op die plaats in de gedingstukken nog niet aangegeven op grond van welke bezwaren hij van mening was dat het hof het vonnis van de kantonrechter behoorde te vernietigen. Afgezien van hetgeen hieronder aan de orde zal komen ten aanzien van het bewijsaanbod van de huurder, is niet onbegrijpelijk dat – en waarom − het hof in de zo-even aangehaalde, door de huurder niet verder uitgewerkte, stellingen onder 5 en 6 in de memorie van grieven niet een afzonderlijke grief heeft gelezen. Ik merk in dit verband nog op dat de huurder in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord zelf is begonnen met het maken van een uitdrukkelijk onderscheid tussen: een eerste, tweede en derde “formeel bezwaar” van de huurder tegen de beëindiging van de huurovereenkomst, stellingen over slecht verhuurderschap, stellingen over de vermeende ‘strategie’ van de verhuurder en een betwisting van de door de verhuurder gestelde dringende noodzaak. Klaarblijkelijk hebben de verhuurder (als geïntimeerde in het principaal appel) en het hof de memorie van grieven zo opgevat, dat de huurder alleen zijn drie formele bezwaren aan de appelrechter heeft willen voorleggen. 2.9 Subonderdeel 2.1.3 vervolgt met de klacht dat het hof in ieder geval heeft miskend dat de derde grief niet anders kan worden begrepen dan dat de huurder in hoger beroep (impliciet) ook het oordeel van de kantonrechter over de gestelde dringende noodzaak voor eigen gebruik bestreed, zeker indien deze grief wordt gelezen in samenhang met punt 5 in de memorie van grieven. Volgens de klacht had de derde grief van de huurder geen andere strekking dan dat de verhuurder ten onrechte een beroep heeft gedaan op de opzeggingsgrond ‘dringend eigen gebruik’ omdat hij (de verhuurder) in werkelijkheid bezig was met plannen voor de verkoop van deze woning vrij van huur. Dat ook de wederpartij de derde grief van de huurder in deze (impliciete) betekenis heeft opgevat volgt volgens het middelonderdeel uit het gestelde in de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, onder 34 - 37. 2.10 Naar de letter had het bewijsaanbod betrekking op het horen van een getuige (de makelaar van de verhuurder) tot “verstrekking van belangrijke informatie over de toedracht in de communicatie met [de verhuurder]”. Dat is tamelijk vaag, maar de klacht krijgt kleur na kennisneming van het vonnis van de kantonrechter onder 3.9. Daar overwoog de kantonrechter dat de huurder (in eerste aanleg) had gesteld dat de verhuurder de woning niet zelf wil gaan bewonen, maar vrij van huur wil verkopen teneinde een hogere verkoopprijs te kunnen realiseren. Hoewel de kantonrechter de argwaan van de huurder ‘invoelbaar’ achtte, was de kantonrechter van oordeel dat die stelling onvoldoende met feiten en omstandigheden was onderbouwd. De kantonrechter heeft hieraan toegevoegd dat niet gesteld of gebleken is dat de woning te koop staat. Ook overigens was in eerste aanleg niet gebleken van een concrete aanwijzing dat de verhuurder de woning eigenlijk zou willen verkopen. De kantonrechter passeerde daarom het aanbod van de huurder om de makelaar als getuige te horen. Ten tijde van het beweerde telefoongesprek met het makelaarskantoor, in september 2013, was volgens de verklaring van beide partijen tijdens de comparitie nog geen sprake van een situatie waarin de verhuurder, naar eigen stelling, de woning voor dringend eigen gebruik nodig had: die situatie is pas aan de orde sinds maart 2014. Daarom achtte de kantonrechter het te bewijzen aangeboden telefoongesprek niet van belang. 2.11 Dat het hof ervan uitgaat dat de derde grief uitsluitend dit bewijsaanbod betrof, is op zich niet onbegrijpelijk in het licht van de memorie van grieven van de huurder en van de reactie van de verhuurder daarop. 2.12 Het punt waar het in cassatie om draait, is de vraag of het hof in deze grief over het passeren van een bewijsaanbod impliciet een bezwaar van de huurder had moeten lezen tegen het oordeel van de kantonrechter over de (door de verhuurder gestelde) dringende noodzaak tot eigen gebruik. De huurder heeft het zijn wederpartij en de appelrechter bepaald niet gemakkelijk gemaakt: noch in de punten 18 en 19 (onder het opschrift “Inleiding 3e grief”), noch in punt 20 (onder het opschrift “Grief 3”) van de memorie van grieven heeft de huurder teruggegrepen op hetgeen hij onder 5 en 6 in de memorie van grieven had betoogd. 2.13 Aan de steller van het middel kan worden toegeven dat, ook zonder een uitdrukkelijke verwijzing naar de punten 5 en 6 in de memorie van grieven, logisch een verband bestaat tussen het in de derde grief bedoelde bewijsaanbod en de betwisting door de huurder (in eerste aanleg) van de stelling van de verhuurder dat hij de verhuurde woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, niet zijnde de vervreemding daarvan. De huurder heeft deze betwisting in hoger beroep in elk geval niet prijsgegeven. De stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast ten aanzien van het dringend nodig hebben van het verhuurde voor eigen gebruik, niet zijnde de vervreemding daarvan, ligt in beginsel bij de verhuurder. In dit geval heeft de verhuurder gesteld dat hij zelf niet meer de beschikking heeft over vaste woonruimte; zie alinea 1.2 hiervoor. De rechter kan dus stuiten op het probleem dat een huurder die de vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst wil bestrijden door aan te voeren dat de verhuurder in werkelijkheid de vervreemding (vrij van huur) van de verhuurde woning nastreeft, over onvoldoende informatie beschikt om concrete feiten te kunnen aanvoeren waaruit de intentie van de verhuurder kan blijken. Zo ook in dit geval: de kantonrechter heeft geen concrete feiten aangetroffen die, eenmaal vastgesteld, de gevolgtrekking kunnen dragen dat de verhuurder in werkelijkheid de vordering heeft ingesteld teneinde de woning vrij van huur te kunnen vervreemden. 2.14 De huurder is op zoek naar mogelijkheden om meer informatie te verkrijgen over de intenties van de verhuurder. Kennelijk in de hoop alsnog een concrete aanwijzing voor dat oogmerk van vervreemding op het spoor te komen, heeft de huurder aangeboden de makelaar van de verhuurder als getuige te doen horen en inzage in het makelaarsdossier verzocht. In punt 20 van de memorie van grieven heeft de huurder gesteld dat de makelaar niet slechts in 2013 (zoals de kantonrechter overwoog), maar ook eind 2014 met hem contact heeft opgenomen met de vraag of hij bereid was de woning te verlaten. De huurder klaagde aldaar over onoprechtheid van de verhuurder, die zich in rechte anders zou hebben opgesteld dan bij de makelaar van de verhuurder. 2.15 Deze stellingen en het bewijsaanbod m.b.t. het horen van de makelaar zouden volkomen zinloos zijn, als deze niet in verband worden gebracht met de betwisting van het (door de verhuurder gestelde) dringend nodig hebben van de woning voor eigen gebruik, niet zijnde vervreemding daarvan. Dat de huurder in de memorie van grieven in (zijn toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.