ECLI:NL:PHR:2019:691
Nr. 17/06015 Zitting: 2 juli 2019 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 april 2017 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met overneming van gronden bevestigd. De verdachte is wegens 1. “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
Ik wist dat er een hennepkwekerij was.
2.1. het proces-verbaal van verhoor verdachte, nr. PL1500-2014324731-21, d.d. 16 december 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende (blz. 189):
Ik geloof dat er 1 of 2 oogsten zijn geweest.
2.2. een geschrift, te weten een bouwkundig rapport inzake Nationale Hypotheek Garantie van 28 augustus 2014 (blz. 100) voor zover inhoudende:
Ten tijde van de inspectie op donderdag 28 augustus 2014 hing op de zolder van de woning aan de [a-straat 2] te Delft een sterke ‘wietlucht’. Niet achterhaald kon worden waar deze lucht vandaan kwam.
2.3. het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nr. PL1500-2014324731-1, d.d. 17 februari 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, als relaas van de opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende:
Op blz. 5: (...) Controle GBA Op het adres [a-straat 1] , [postcode] Delft staat ingeschreven: [verdachte] (...) In voornoemde woning werd op maandag 15 december 2014 (...) binnengetreden.
Op blz. 6:
In kweekruimte 1 stonden in 240 hennepplanten. (p. 6) In kweekruimte 2 stonden 270 hennepplanten. (p. 6).
2.4. het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van de politie Den Haag Dienst Regionale Recherche Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing Narcotica, nr. PL 1500-2014324731-N, d.d. 18 februari 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende p. 95 A):
Op woensdag 18 februari 2015, hebben wij in het bureau forensische Opsporing (BFO) te Voorburg, een gedeelte van de op 15 december 2014, in perceel [a-straat 1] te Delft, in beslag genomen hennepplanten onderzocht.
Het betrof vrouwelijke hennepplanten van het geslacht Cannabis.
Het is ons verbalisant als narcotica experts uit jarenlange ervaring bekend dat de vrouwelijke hennepplanten ook wel nederwiet worden genoemd. Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.
De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.
2.5 het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , nr. PL 15 00-2014324731-22, d.d. 16 december 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende (blz. 154 en 158):
Voorts is in het door hof bevestigde vonnis van de rechtbank de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen: “De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde nu niet wettig en bewezen kan worden verklaard dat zij op enigerlei wijze medeplichtig is geweest aan het telen van hennep.
De rechtbank verwerpt dit verweer.Verdachte is samen met [medeverdachte] hoofdbewoner van het pand aan de [a-straat 1] te Delft. Als één van de hoofdbewoners en mede-eigenaar van de woning had zij de beschikking over dit pand. De rechtbank is van oordeel dat zij — als volwassen vrouw — de mogelijkheid heeft gehad om andere keuzes te maken. Zij heeft er evenwel voor gekozen twee ruimtes in de woning aan [medeverdachte] ter beschikking te stellen voor het kweken van hennep en heeft daarmee gelegenheid verschaft tot het plegen van het misdrijf.Verdachte heeft zich zodoende schuldig gemaakt aan medeplichtigheid. Zij wist immers dat er een hennepkwekerij in de woning werd aangelegd en zij heeft deze situatie vervolgens in stand gelaten. Het opzet van verdachte is aldus gericht geweest op het verschaffen van de gelegenheid tot het plegen van het misdrijf én op het misdrijf zelf, zodat is voldaan aan het vereiste van de dubbele opzet.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van medeplichtigheid aan hennepteelt gedurende de volledige in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode. De rechtbank zal de pleegperiode beperken tot de periode van 1 september 2014 tot en met 14 december 2014.”
1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;
2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.”
Dat de rechtsplicht bijzondere aandacht verdient, bleek uit de overweging dat ‘kennis omtrent het voornemen van een ander tot het plegen van een misdrijf niet zonder meer voldoende is voor het doen ontstaan van de rechtsplicht tot openbaarmaking van die kennis en het aldus beletten van dat misdrijf’.Ook bij medeplichtigheid bestaat een vloeiende overgang tussen doen en laten, en het kan eveneens om een combinatie daarvan gaan. Daarom kon aan iemand medeplichtigheid tot brandstichting door gelegenheid verschaffen worden verweten doordat hij zijn huis ‘heeft verlaten opdat er voor de mededaders gelegenheid was brand te stichten’. Dan komt de nadruk op het opzet te liggen, nu het op zichzelf een onschuldige, alledaagse handeling betreft.”
Aan deze feiten en omstandigheden heeft het hof (deels impliciet) de niet-onbegrijpelijke gevolgtrekking verbonden dat zij die situatie in stand heeft gelaten en niet heeft belet, terwijl het in haar macht lag om de opbouw en exploitatie van die hennepkwekerij te (doen) beëindigen en zij dit (ingevolge een rechtsplicht) had moeten doen. Het oordeel van het hof dat zij daarmee opzettelijk de gelegenheid heeft verschaft tot het telen van de hennep door de medeverdachte (haar man) in hun woning en dat haar opzet was gericht op dit misdrijf, is (mede bezien in licht van HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, NJ 2018/50) niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de woning ook aan de medeverdachte (haar man) als mede-eigenaar en medebewoner ter beschikking stond, en evenmin dat de verdachte meermalen tegenover hem haar ongenoegen over de hennepkwekerij zou hebben geuit.
Overigens merk ik op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zonder meer blijkt dat de verdachte er weet van had dat haar man vanaf september 2014 een hennepkwekerij in hun woning aan het aanleggen was. Zij heeft toen namelijk verklaard dat zij bij de aanschaf van de woning niet wist dat haar man een hennepkwekerij ging bouwen en dat hij dat achter gesloten deuren deed, dat zij hennep in huis rook en dat haar man in september was begonnen. Aan de steller van het middel kan dus weliswaar worden toegegeven dat in de bewijsoverweging niet expliciet wordt aangeduid op welk bewijsmiddel de redengevende omstandigheid dat de verdachte wist dat er een hennepkwekerij in de woning werd aangelegd berust, maar het belang bij deze deelklacht ontgaat mij gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het aanleggen geen onderdeel van de bewezenverklaring vormt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het aan haar onder 2 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 510 hennepplanten. Het hoger beroep dat namens de verdachte is ingesteld, richt zich niet tegen deze vrijspraak.
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341, m.nt. Schalken (rov. 2.2).
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341, m.nt. Schalken (rov. 2.2). Zie ook HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m. nt. Mevis (rov. 3.2.1) .
G. Knigge & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 259.
Dit is “een belangrijk uitgangspunt voor strafbare deelneming als algemeen leerstuk”, aldus J. de Hullu in Materieel strafrecht, Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 445.
Daarbij merk ik overigens op dat het gronddelict niet hoeft te zijn voltooid. Ook aan strafbare poging of aan strafbare voorbereiding kan worden deelgenomen in de zin van de wet; zie art. 78 Sr.
HR 8 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0142, NJ 1988/6, m.nt. Van Veen, HR 10 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0749, NJ 1997/585 en HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:ZD1001, NJ 1998/558.
Zie daarover nader Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 48, aant. 7 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 17 juli 2017) en De Hullu, a.w., p. 449-453.
HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:964 (in deze zaak kon niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte, iemand die zijn woning had onderverhuurd, opzettelijk gelegenheid had verschaft tot het opzettelijk telen van hennep) en eerder al: HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245 (rov. 3.4), HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961, NJ 2011/319 (rov. 2.3) en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:226, NJ 2017/107 (rov. 2.3).
A.w., art. 48, aant. 9.
De Hullu, a.w., p. 497-498.
Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers, herhaald in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5498.
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388.