ECLI:NL:PHR:2019:723
Nr. 17/02995 Zitting: 19 maart 2019 (bij vervroeging) Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 25 april 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van het in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/02140. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat vier deelklachten van verschillende aard. Alvorens deze klachten te bespreken geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, een deel van hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd en een bewijsoverweging weer.
Ten laste van de verdachte heeft het hof in het bestreden arrest bewezen verklaard dat: ‘hij op 24 april 2016 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander in het openbaar bij geschrift en bij afbeelding tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door op de Gerard Doustraat en in de Schilderswijk, (telkens) posters te plakken met daarop onder meer de volgende teksten:
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 april 2016 van de politie Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): als de op 25 april 2016 afgelegde verklaring van [getuige] :
Op zondag 24 april 2016 zag ik ter hoogte van de verkeerslichten bij de Hobbemastraat te ' s-Gravenhage twee mensen iets plakken op de paal van de verkeerslichten. Ik zag dat het een witte poster betrof met een zwarte tekst er op. De personen kan ik als volgt omschrijven:
Allebei zijn ongeveer 1.75 meter lang.
Man 2:
2.
Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 25 april 2016 van de politie Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Den Haag:
Op zondag 24 april 2016 reden wij, verbalisanten, over de van Mierisstraat in Den Haag en zagen toen wij ter hoogte van de Hendrick Goltziusstraat reden, een persoon lopen die voldeed aan het NN2 signalement. Ik zag in mijn rechter ooghoek een tweede persoon lopen. Ik zag dat deze persoon van achter een muurtje vandaan kwam en een aantal meters voor mij liep. Ik zag dat deze persoon voldeed aan het genoemde NN1 signalement, namelijk o.m. een donkere jas en een donkere rugzak. Ik keek in de richting waar deze persoon vandaan kwam. Ik zag dat er een geel tasje van het merk Jumbo op de grond lag. Ik zag dat er in dit tasje een fles zat van het merk Coca Cola. Ik zag dat deze verdachte de donkere rugzak droeg. Ik zag dat er op zijn donkere jas aan de voorzijde heel veel natte witte vlekken waren. Ik herkende deze vlekken als lijm. Ik rook een sterke lijmlucht. De verdachte bleek mij later te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .
Wij verbalisanten zagen dat er in de donkere rugtas een grote fles lag van het merk Coca Cola. Wij zagen dat er in deze fles een witte substantie zat. Wij herkenden deze substantie als lijm. Wij roken een sterke lijmlucht uit de rugtas komen. Wij keken in het Jumbo tasje, welke nog steeds op dezelfde plek lag. Wij zagen dat er in dit gele tasje ook een Coca Cola fles met dezelfde witte substantie zat. Wij roken een sterke lijmlucht afkomstig uit deze fles. Wij zagen dat er naast deze fles, nog een kwast lag. Wij herkenden deze kwast als lijmkwast. Wij zagen dat de lijm op deze kwast nog nat was.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , vroeg [verdachte] van wie het gele tasje met de Coca CoIa fles was. Ik hoorde hem zeggen dat het tasje van hem was. Ik vroeg wat hij met de lijm en de kwast aan het doen was. Ik hoorde hem zeggen dat hij op een vriend aan het wachten was.
Wij, verbalisanten hoorden via de portofoon dat er op meerdere locaties in de omgeving van onze locatie zojuist posters op muren waren aangebracht. Wij hoorden dat de lijm op deze posters nog nat was.
3.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016 van de politie Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): als relaas van. de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], brigadier van politie Eenheid Den Haag:
Op 24 april 2016 werd ik op de Gerard Doustraat aangesproken door de meldster welke mij vertelde gezien te hebben dat de beide mannen op diverse locaties pamfletten aan het plakken waren. Ik hoorde en zag dat de meldster mij wees op een pamflet welke was geplakt op een aldaar aanwezig elektriciteitshuisje. Ik zag dat op dit pamflet als kop stond: "weg met de politie en de staat, leve de opstand" (…).
In de zomer van 2015 is er in de Schilderswijk te 's-Gravenhage een periode geweest waarin er op meerdere data en locaties rellen zijn uitgebroken waarbij vernielingen, diefstallen, plunderingen en mishandelingen zijn gepleegd. Ik zag in de tekst van het pamflet dat er werd verwezen naar deze periode waarbij er werd opgeroepen dit niet te vergeten. Er werd in de tekst verwezen naar de moord op Mitch Henriquez welke de zoveelste racistische politiemoord werd genoemd. Er werd in de tekst opgeroepen: "laat het een hete zomer worden".
Tevens werd er op het pamflet een oproep gedaan om gezichtsbedekking te dragen tijdens de opstand. Er werd hierbij uitleg gegeven hoe de gezichtsbedekking gedragen kan worden als men op pad gaat om de politie en de staat aan te vallen. Ik zag dat er op meerdere plekken in de wijk, te weten de Gerard Doustraat, de Hobbemastraat en de van Mierisstraat, deze pamfletten waren geplakt.
4.
Een geschrift, zijnde een pamflet, als bijlage opgenomen bij het proces-verbaal van bevindingen zoals opgenomen onder bewijsmiddel 3. (…), inhoudende:
5.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2016 van de politie Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Den Haag :
Op 24 april 2016 bevond ik mij op de Hendrick Goltziusstraat te ' s-Gravenhage. Alhier hield ik de verdachte [verdachte] aan, die zich daarvoor schuil hield achter een muurtje. Ik hoorde van een collega dat in de directe omgeving van de Hendrick Goltziusstraat en de Jan van Goijenstraat recentelijk opgeplakte posters hingen. Ik hoorde van deze collega dat deze posters waren opgeplakt met behangerslijm en nog nat waren. Ik hoorde van de collega dat er opruiende teksten op de posters vermeld stonden. Ik hoorde dat de posters hingen in de omgeving van het Teniersplantsoen en de Jan van Goijenstraat. Deze locaties zijn in de nabije omgeving van de Hendrick Gotziusstraat te 's-Gravenhage. Ik zag dat op de kleding van verdachte [verdachte] natte behangerslijm vlekken zaten. Ik rook dat er een lijmlucht bij hem vandaan kwam. Ik zag dat er naast hem een tweetal tassen stonden met hierin behangerslijm attributen. Ik hoorde dat verdachte [verdachte] verklaarde dat dit zijn goederen waren.’ 7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2017 blijkt dat de raadsvrouw aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Deze houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: ‘Strafbare meningsuiting?
Maatschappelijk debat in de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM).
Voor het wegen van het belang van de uitlatingen in het maatschappelijk debat dient te worden gekeken naar de jurisprudentie van het Europese Hof over art. 10 van het EVRM, het recht op vrijheid van meningsuiting. Het EHRM lijkt vanaf 2008 weliswaar een nieuwe weg te zijn ingeslagen waarbij het belang van verdraagzaamheid in de samenleving een rechtvaardiging kan zijn om het publieke debat te beperken. Maar het Europese Hof benadrukt ook elke keer uitdrukkelijk het belang van een open en publiek debat waarin uitlatingen mogen beledigen, choqueren en verontrusten. Een belangrijk argument is dat strafrecht ultimum remedium dient te zijn. Het is beter dat groepen zich verweren via het publieke debat dan via het strafrecht. Zie ook voormalig minister van V & J Ivo Opstelten in de brief van 8 maart 2012 die als bijlage aan de pleitnota is gehecht.
Het is vaste jurisprudentie van het Europese Hof dat uitlatingen die bijdragen aan een publiek debat in beginsel niet verboden mogen zijn, vanwege de vrijheid van meningsuiting. Het is toegestaan dat uitlatingen in het publieke debat, naar de terminologie van het EVRM, offend shock or disturb (zie ondermeer EHRM 8 juli 1999, Baskaya, NJ2001/62, r.o. 61). Het recht op vrije meningsuiting mag uitsluitend worden beperkt indien die beperking noodzakelijk is in een democratisch samenleving. Dit komt er volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof op neer dat de beperking moet zijn ingegeven door een pressing social need, dat deze relevant and sufficient en proportionate to the ligitimate aims persued moet zijn. Het Europese Hof maakt bij de vaststelling of een uiting in het openbaar debat geoorloofd is onderscheid tussen de feitelijke oordelen en waardeoordelen (EHRM 22 oktober 2007, Lindon/Frankrijk, NJ2008/443, r.o. 46). Van waardeoordelen mag niet worden geëist dat ze worden bewezen (EHRM 8 juli 1986, Lingens/Oostenrijk, r.o. 46). Wel moet er een voldoende feitelijke basis zijn voor waardeoordelen. Een feitelijke basis mag niet ontbreken anders is het waardeoordeel excessief (EHRM 11 maart 2003, Lesnik/Slowakije, Reports 2003-IV).
De teksten op de in het dossier bedoelde poster en de in de tll neergelegde delen daaruit kunnen noch op zichzelf noch in hun context bezien worden gekwalificeerd als opruiing in de zin van art. 131 Sr.
Het recht op vrijheid van meningsuiting is een van de belangrijkste verworvenheden in onze samenleving het geeft iedereen in beginsel het recht om in vrijheid uiting te geven aan zijn of haar -al dan niet politieke opvattingen. Voorop staat dat het debat -ook in de Schilderswijk- op het scherpst van de snede gevoerd moet kunnen worden. Het brengt mee dat door de autoriteiten beperkingen daarop met de grootst mogelijke terughoudendheid moeten worden toegepast. (In jp bedreigende en opruiende bewoordingen tegen de persoon van de toenmalige minister-president Balkenende. Zie ook HR in “ [A] ” (HR 16 juni 2009 LJN BG 7750) Hof Den Haag Tamil Tijgers ECLI:NL:DHGHA:2015:1082 30-4-2015 geen sprake van opruiing).
Op grond van het voorgaande is van een strafbaar feit gepleegd door [verdachte] op 24 april 2016 geen sprake.
Conclusie 3: Verdachte is in eerste aanleg terecht vrijgesproken. Uw Hof wordt verzocht de uitspraak van de PR, evt. met aanvulling of wijziging van gronden, te bevestigen.’ 8. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw daar in dupliek nog het volgende aan toegevoegd: ‘Ik betwist dat de poster oproept tot herhaling van rellen in de Schilderswijk in de zomer van 2015. Die interpretatie doet geen recht aan waar de poster toe oproept. In de zomer van 2015 zijn er ook demonstraties geweest.’ 9. Het hof heeft het verweer in het bestreden arrest als volgt verwoord en verworpen (met weglating van een verwijzing): 'Opruiing De verdediging heeft betwist dat de ten laste gelegde teksten uit de posters opruiend zijn. De term 'aanvallen' is niet letterlijk bedoeld en betreft geen aansporing tot geweld. Het debat moet - ook in de Schilderswijk - op het scherp van de snede gevoerd kunnen worden.
Het hof stelt voorop dat de ten laste gelegde uitingen in onderling verband en samenhang alsmede tezamen met de inhoud van de gehele poster dienen te worden bezien. Ook de verdediging heeft daarop gewezen (…). De tekst van de geplakte posters refereert aan de rellen die in de zomer van 2015 in de Schilderswijk hebben plaatsgevonden na de dood van Mitch Henriquez . Hierbij zijn vernielingen en mishandelingen gepleegd. Volgens de poster was dit een opstand tegen de politie. Tegen deze achtergrond acht het hof de oproep om - samengevat weergegeven - deze zomer keihard in opstand te komen tegen de politie en om ('anoniem') op pad te gaan om de politie aan te vallen opruiend. Deze spoort immers aan tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag.
De stelling van de verdediging dat actievoerders de term 'aanvallen' in overdrachtelijke zin gebruiken - die met de verwijzing naar de rellen in de Schilderswijk in 2015 reeds vraagtekens oproept - doet niet ter zake nu voor een strafbare opruiing niet is vereist dat komt vast te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is te achten dat het strafbaar feit zal optreden. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld hiermee het opzet van verdachte te betwisten, overweegt het hof dat verdachte - wederom gelet op de hiervoor beschreven rellen in 2015 - met zijn oproep om de politie aan te vallen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlatingen derden - die ze letterlijk zouden kunnen nemen - zouden kunnen bewegen daartoe daadwerkelijk over te gaan.’ 10. Art. 131, eerste lid, Sr luidt: ‘Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.’ 11. De eerste deelklacht van het middel houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende term opruiing ‘tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag’. Blijkens de toelichting voert de steller van het middel, met een beroep op de wetsgeschiedenis en een verwijzing naar de noot van Keijzer onder HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658, daartoe aan dat de voornoemde bestanddelen enkel zien op het ‘op onrechtmatige wijze omver willen werpen van de Nederlandse regering’, terwijl uit de vaststellingen van het hof niet zou kunnen worden afgeleid dat de bewezen verklaarde teksten daarop gericht waren. Sterker, uit de bewezenverklaarde passage ‘het is belangrijk om tijdens acties (…) het de politie niet te makkelijk te maken’ zou blijken dat ‘de poster het gezag van de politie erkent’, aldus de steller van het middel. Een en ander zou leiden tot de slotsom dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
Wat hierbij allereerst de aandacht verdient, is, dat zelfs de voorbereiding van een bepaalden aanslag, ondernomen met het oogmerk om den grondwettigen regeeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, hier te lande in het algemeen niet strafbaar is gesteld. Dit is als een leemte in de Strafwet te beschouwen. De voorbereiding van een concreten voorgenomen aanslag, als hierboven bedoeld, is naar het oordeel van den ondergeteekende evenzeer als misdrijf aan te merken als de bij artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde samenspanning, welke niet anders is dan een bijzondere vorm van voorbereiding. (…) Wat nu verder de gevaren van het voorbereiden, niet van eene concrete voorgenomen omwenteling, doch van revolutie in het algemeen, van omwenteling, betreft, moge de ondergetekende beginnen met op te merken, dat in eene democratie als de onze, waarin alle sociale en politieke hervormingen, waarvoor in het volk eene meerderheid wordt gevonden, langs wettigen weg kunnen worden tot stand gebracht, die gevaren nog betrekkelijk het minst groot zullen zijn. Immers, hier betekent het streven naar revolutie niets anders dan een streven van de minderheid om aan de meerderheid haar wil op te leggen.
Mag uit dien hoofde worden verwacht, dat in eene democratie de sterkteverhouding tusschen revolutionnair streven en den daar door gewekten tegenstand niet noodzakelijk verontrustend behoeft te zijn, zoo moet daarbij toch een voorbehoud worden gemaakt voor het geval, dat de democratie niet aan zich zelf wordt overgelaten. Wanneer, gelijk thans hier te lande het geval is, buitenlandsche invloeden zich doen gelden, welke strekken om aan de revolutionnaire propaganda niet onbelangrijken steun te verleenen, dan wordt het tijd, dat de wetgever ingrijpe, niet om propaganda voor ideeën te verbieden, doch om al te groote verstoringen van de natuurlijke sterkteverhouding tusschen aan revolutie bevorderlijke en daaraan vijandige krachten in het eigen staatsorganisme tegen te gaan. (…) Mitsdien schijnen voldoende termen aanwezig om tot bestrijding van revolutionnaire woelingen nadere wettelijke voorzieningen te treffen, met name tot wering van de buitenlandsche invloeden, waarop hierboven werd gedoeld.
Met betrekking tot die bij artikel 4 van dit wetsontwerp nieuwvoorgestelde voorzieningen moge het volgende worden opgemerkt:
N.1 van het nieuw voorgestelde artikel 97a van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het in verstandhouding treden met een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam, met een der in dat nummer omschreven oogmerken. (…) Met betrekking tot de artikelen 5 en 6 van het wetsontwerp worde opgemerkt, dat zij strekken om in de artikelen 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht de wijzigingen aan te brengen, welke reeds door de voormalige Ministers van Justitie mrs. Cort van der Linden en Loeff, blijkens de onder hun ministerschap ingediende wetsontwerpen tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, noodig werden geoordeeld. De ervaring heeft geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Niet alleen de opruiing tot eenig strafbaar feit, maar ook die tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan, of tot gewelddadig optreden tegen de openbare orde, zijn als misdrijven tegen de openbare orde aan te merken en dienen als zoodanig te worden strafbaar gesteld.’ 15. In deze passage schetst minister Heemskerk vooral de context waarbinnen (onder meer) een nieuw artikel 97a Sr wordt voorgesteld ‘tot bestrijding van revolutionnaire woelingen’. Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 131 en 132 Sr verwijst hij naar eerdere wetsvoorstellen van zijn voorgangers Cort van der Linden en Loeff. Bij welhaast gelijkluidende voorstellen tot aanvulling van art. 131 Sr hadden deze beide ministers in overeenkomende memories van toelichting eerder op dit punt het volgende gesteld: ‘Het artikel handelt alleen over opruiing tot een strafbaar feit en de wetgever wilde zelfs niet verder gaan, want de Memorie van Toelichting tot dit artikel zegt: ‘(…) Er bestaat geen rechtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruiiing tot een daad, die zelve straffeloos is’.
Bij de toelichting van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië, dat in den hierbedoelden zin eene uitbreiding bevat van art. 131 van het Nederlandsche Strafwetboek, wordt dit laatste argument bestreden met de volgende opmerking: ‘Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achten we dan ook in de algemeenheid minder juist. Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de ‘openbare orde’ begaan, kan het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot een ernstige verstoring der openbare orde zal leiden’.
En dit laatste is niet alleen in de Indische maar ook in de Nederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft ook hier te lande geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Tegenover de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden machteloos. Op allerlei wijze kan de algemeene rechtsveiligheid worden bedreigd en in gevaar gebracht door eene opruiing in algemene termen, zonder dat deze onder art. 131 valt.
Hierin ligt een afdoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel. Tot welk gewelddadig verzet in het openbaar ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien maar niet een bepaald strafbaar feit daarbij wordt aangeduid.
De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opruiing strafbaar te stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een feit in strijd met een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde.
De redactie van het meer vermeld Indisch Strafwetboek is in hoofdzaak gevolgd doch met bijvoeging nog van de woorden: ‘of tot een gewelddadig optreden tegen de openbare orde’, omdat de openbare orde gewelddadig kan worden verstoord ook zonder dat een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift wordt overtreden.’ 17. De voorgestelde aanvulling van art. 131 Sr moet derhalve in samenhang worden bezien met de beschouwingen van de ministers Cort van der Linden en Loeff. Die hielden kort gezegd in dat opruiing tot ongehoorzaamheid strafbaar moest worden gesteld indien ‘gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden’; dat het gezag bij het bestaande art. 131 Sr machteloos was tegenover ‘de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde’ en dat ‘de algemeene rechtsveiligheid’ op allerlei wijze kan worden bedreigd en in gevaar gebracht. In die omstandigheden zou ‘een afdoende rechtsgrond (liggen) voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel’. De voorgestelde wijziging zou ten doel hebben ook opruiing die strekt tot het plegen van ‘daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde’ strafbaar te stellen. De toevoeging van specifiek de woorden ‘of tot een gewelddadig optreden tegen de openbare orde’ was ingegeven door de gedachte dat de openbare orde ook gewelddadig kan worden verstoord zonder daarbij een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift te overtreden.
En nu de quaestie of er moet staan openbare orde, openbaar gezag of wettig openbaar gezag. Ik heb er geen bezwaar tegen om in plaats van openbare orde te spreken van openbaar gezag. De taak van het openbaar gezag is de openbare orde te handhaven en nog meer te doen, zoodat ik niet geloof dat de beteekenis van het artikel er enger door zal worden. Nu meen ik wel, dat, indien men zegt wettig gezag, men daardoor niet uitdrukt, dat men alleen het openbaar gezag bedoelt en dus geloof ik wel, dat men met den heer Beumer moet spreken van openbaar gezag. Maar ik wil den heer Dresselhuys toegeven dat het openbaar gezag is het wettig openbaar gezag, zoodat het wettig openbaar gezag in zekeren zin een pleonasme is. Het openbaar gezag, waartegen niet mag worden opgetreden, is het openbaar gezag dat als wettig wordt aangemerkt, en dus wil het mij voorkomen dat men kan volstaan met de uitdrukking openbaar gezag. Ik ben bereid om een dergelijk amendement over te nemen.’ 20. Vervolgens is in de Eerste Kamer in de memorie van antwoord nog uitleg verschaft over de voorstellen. Gesteld wordt onder meer: ‘Als tot dusver, zal overigens ieder zijne denkbeelden door de pers of anderszins mogen verbreiden. Dat men daarbij zich moet onthouden van strafbare handelingen, voortaan dus met name ook van opruiing tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, spreekt vanzelf. (..) Als tot dusver zal men elke hervorming mogen nastreven. Men zal enkel in de keus der middelen, waarmede men die hervorming wil verwezenlijken, zich de door de aangevulde strafwet geboden beperking moeten opleggen en zich dus van omwenteling, bepaalde wijzen van voorbereiding of bevordering daarvan, zoomede van opruiing tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag moeten onthouden.’ 21. Keijzer, die door de steller van het middel ter onderbouwing van de eerste klacht wordt aangehaald, stelt in zijn noot onder NJ 2012/658: ‘Volgens de wetsgeschiedenis van de Wet houdende nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionnaire woelingen (1920) keerde de wetgever zich door opname van ‘openbaar gezag’ in art. 131 en 132 Sr tegen hen die veranderingen in de ‘grondwettige Regeeringsvorm’ (hier werd kennelijk op de Nederlandse Grondwet gedoeld) aan het volk willen opdringen en op onrechtmatige wijze het gezag omver willen werpen’. Naar het mij voorkomt dwingt de wetsgeschiedenis er niet toe, aan te nemen dat van het opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag alleen sprake is als dat opruien (tevens) gericht is op het omverwerpen van de Nederlandse regering. Dat het gaat om een voorstel dat aanvankelijk in andere context door de ministers Cort van der Linden en Loeff is gedaan en vervolgens in deze context is overgenomen, wijst in andere richting. Daarbij was aanvankelijk ook strafbaarstelling van opruiing die strekt ‘tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan’ voorgesteld. Dat bevestigt dat de voorgestelde uitbreiding van de strafbaarstelling niet enkel in het teken stond van opruiing strekkend tot het omverwerpen van de ‘grondwettige Regeeringsvorm’.
Het EHRM oordeelde dat de verbranding van ‘infidel cops’ moest worden gezien als een provocerende metafoor; ‘a symbol of ‘cleansing’ of the police of corrupt officers, rather than an actual call to violence’ (ov. 74). Daar kwam bij dat het EHRM er niet van overtuigd was ‘that the applicant’s comment was likely to encourage violence capable of putting the Russian police officers at risk’ (ov. 78); dat de rechters niet hadden uitgezocht of het blog veel gelezen werd en, meer in het algemeen ‘failed to take account of all facts and relevant factors’ (ov. 80, 82). Het EHRM oordeelde dat Rusland, door de verdachte voor diens uitlatingen te veroordelen, de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM had geschonden.
In de onderhavige zaak heeft het hof de uitlatingen nadrukkelijk bezien tegen een achtergrond van eerdere concrete rellen. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat van bewoordingen van symbolische aard geen sprake is. In relatie tot art. 10 EVRM is ook relevant dat de onder 4 tot het bewijs gebezigde muurkrant inhoudt dat er jarenlang is ‘gepraat en gevraagd om verandering, maar niemand wilde luisteren’ en om die reden ‘de enige optie (is) om keihard in opstand te komen’. Zo bezien wil de muurkrant niet een bijdrage aan een maatschappelijk debat leveren, maar stelt zij dat het voeren van een debat een gepasseerd station is. Al met al komt de bewezenverklaring en ’s hofs bewijsmotivering mij ook tegen de achtergrond van het Europeesrechtelijk kader (waarover meer bij de derde en vierde deelklacht) niet onbegrijpelijk voor.
Dat niet vereist is dat komt vast te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is dat een aanval zal volgen doet, zo begrijp ik het hof, er niet aan af dat een oproep tot een aanval opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag impliceert. Daarmee spoort ook de laatste zin van de geciteerde bewijsoverweging: de verdachte heeft ‘met zijn oproep om de politie aan te vallen willens en wetens de aanmerkelijke kans (…) aanvaard dat zijn uitlatingen derden – die ze letterlijk zouden kunnen nemen – zouden kunnen bewegen daartoe daadwerkelijk over te gaan.’ 31. Aldus gelezen is ’s hofs oordeel dat de bewezenverklaarde uitlatingen het opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opleveren niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet, anders dan de steller van het middel betoogt, niet af dat in de posters tevens ‘uitdrukkelijk kwesties van politiek en publiek debat’ worden aangesneden.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het artikel luidde destijds als volgt: ‘Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.’ Daarbij werd en wordt geen onderscheid gemaakt tussen misdrijven en of overtredingen. Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 279.
Zie daarover ook de conclusie voorafgaand aan HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132, waarin A-G Machielse beschrijft dat het wetsvoorstel ertoe strekte de overheid de middelen in handen te geven om een communistische revolutie de kop in te drukken.
Kamerstukken II 1919/1920, nr. 428, nr. 3, p. 2-3.
Zie Kamerstukken II 1900/1901, 100, nrs. 4 en 5, art. 131 Sr, p. 32 en 43. Cort van der Lindens voorstel tot aanvulling van art. 131 Sr maakte destijds onderdeel uit van een voorstel tot herziening van het eerste, het tweede en het derde boek van het Wetboek van Strafrecht.
Zie Kamerstukken II 1904/1905, 80, nrs. 2 en 3, art. 131 Sr, p. 5 en 28/29. Ook het voorstel van Loeff behelsde een meer omvattende wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht.
Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 15. Vgl. ook het Gewijzigd ontwerp (Kamerstukken II 1919/1920, nr. 6). Zie voor de voorafgaande kritiek Kamerstukken II 1919/1920, 426, nr. 4 (Voorloopig verslag), p. 10.
Voorgesteld waren amendementen die wilden spreken van ‘gewelddadig optreden tegen het wettig gezag’ respectievelijk ‘wettig openbaar gezag’ (Kamerstukken II 1919/1920, 428, nrs. 8 en 9). Daarop werd ‘de openbare orde’ veranderd in ‘het openbaar gezag’ (Kamerstukken I 1919/1920, 428, Aanwijzing van veranderingen, p. 675).
Handelingen II 16 juni 1920, p. 2741.
Handelingen II 16 juni 1920, p. 2742. Zie voor een weergave van de discussie ook de conclusie van A-G Machielse voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132.
Kamerstukken I 1919/1920, 428, Memorie van Antwoord, p. 754.
Vermelding verdient dat Fokkens (Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 3 bij artikel 131 Sr, actueel tot 20 september 2017) en A.L. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 281, ook niet van deze restrictieve interpretatie uit lijken te gaan. Fokkens noemt als voorbeeld van gewelddadig optreden het ‘zich meester maken van tot openbare dienst bestemde gebouwen’; Janssens en Nieuwenhuis halen dat met instemming aan.
Uit de Memorie van Toelichting op titel V blijkt dat het daar gaat om de strafbaarstelling van handelingen die ‘gevaar opleveren voor het maatschappelijk leven en de natuurlijke orde der maatschappij verstoren’ (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Strafrecht, tweede druk, Haarlem 1891, p. 65).
Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 1 bij artikel 131 Sr, actueel tot 20 september 2017. Vgl. ook A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 282 e.v..
A.w., p. 282.
EHRM 28 augustus 2018, Savva Terentyev v. Rusland, appl. nr. 10692/09.
Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 580.
Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1158 t.a.v. een beroep op de exceptie van art. 261, derde lid, Sr. In de context van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv is een specifieke verwerping ook niet vereist indien de uitspraak voldoende gegevens bevat waarin de vereiste nadere motivering besloten ligt (vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2).
Vgl. EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, Handyside tegen Verenigd Koninkrijk, NJ 1978/236, (ov. 49): ‘Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of such a [BFK: democratic] society, one of the basic conditions for its progress and for the development of every man’; en onder meer EHRM 3 november 2015, nr. 57675/10 (Bestry tegen Polen), ov. 55 alsook EHRM 25 juni 1992, nr. 13778/88, (Thorgeir Thorgeirson tegen IJsland), ov. 63.
Zie EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08, Perinçek tegen Zwitserland, (ov. 197); vgl. verder EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01 (Steel and Morris tegen Verenigd Koninkrijk, (ov. 88-89); EHRM 10 juli 2003, nr. 44179/98, (Murphy tegen Ierland), ov. 67; EHRM 8 juli 1999, nr. 23462/94, (Arslan tegen Turkije), ov. 46 en EHRM 8 juli 1999, nr. 26682/95, (Sürek tegen Turkije), ov. 61.
Zie o.m. EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09, (Savva Terentyev tegen Rusland), ov. 63, EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08, (Perinçek tegen Zwitserland); ov. 242; EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01 (Steel and Morris tegen Verenigd Koninkrijk), ov. 87.
Vgl. A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 18 e.v..
Zie bijvoorbeeld EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09, (Savva Terentyev tegen Rusland), ov. 65.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08, Perinçek tegen Zwitserland.
Vgl. ook het reeds besproken EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09, (Savva Terentyev tegen Rusland), ov. 66. Daar overwoog het EHRM samenvattend: ‘The Court will thus examine the case at hand in the light of those (BFK: Perinçek) principles, with a particular regard to the nature and wording of the impugned statements, the context in which they were published, their potential to lead to harmful consequences and the reasons adduced by the Russian courts to justify the interference in question.’ Ter nuancering van stellers betoog: Mitch Henriquez overleed op 28 juni 2015 en de rellen in de Schilderswijk ontstonden op 29 juni 2015. Het hof veroordeelde de verdachte voor opruiing gepleegd op 24 april 2016. Tussen de rellen in de zomer van 2015 en de bewezenverklaarde opruiing zat derhalve een periode van bijna 10 maanden. Zie voorts https://www.nrc.nl/nieuws/2015/06/30/rellen-in-den-haag-na-het-overlijden-van-de-arubaan-mitch-henriquez-a1464210 alsook https://www.ad.nl/den-haag/protest-in-den-haag-ontaardt-in-rellen-me-grijpt-in~a72b84bf/ voor de aard van de rellen.
Bewijsmiddel 1.
Bewijsmiddel 2 Bewijsmiddel 3.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.