Nr. 17/02995 Zitting: 19 maart 2019 (bij vervroeging) Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 25 april 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van het in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Er bestaat samenhang met de zaak 17/
(1920)keerde de wetgever zich door opname van ‘openbaar gezag’ in art. 131 en 132 Sr tegen hen die veranderingen in de ‘grondwettige Regeeringsvorm’ (hier werd kennelijk op de Nederlandse Grondwet gedoeld) aan het volk willen opdringen en op onrechtmatige wijze het gezag omver willen werpen’. Naar het mij voorkomt dwingt de wetsgeschiedenis er niet toe, aan te nemen dat van het opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag alleen sprake is als dat opruien (tevens) gericht is op het omverwerpen van de Nederlandse regering. Dat het gaat om een voorstel dat aanvankelijk in andere context door de ministers Cort van der Linden en Loeff is gedaan en vervolgens in deze context is overgenomen, wijst in andere richting. Daarbij was aanvankelijk ook strafbaarstelling van opruiing die strekt ‘tot ongehoorzaamheid, hetzij aan een wettelijk voorschrift, hetzij aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan’ voorgesteld. Dat bevestigt dat de voorgestelde uitbreiding van de strafbaarstelling niet enkel in het teken stond van opruiing strekkend tot het omverwerpen van de ‘grondwettige Regeeringsvorm’. 22. Ook de discussie die ertoe geleid heeft dat het begrip ‘openbare orde’ vervangen is door ‘openbaar gezag’ wijst in andere richting. Uit die discussie blijkt niet van een impliciete beperking tot opruiing gericht op een omwenteling, terwijl de koppeling met de openbare orde die de minister blijft leggen, en de ‘geregelde werking der Staatsorganen’ waar het kamerlid Dresselhuys over spreekt in andere richting wijzen. Dat in de parlementaire behandeling van de betreffende wet als geheel –vanzelfsprekend – veel over op omwentelingen gerichte strafbare feiten wordt gesproken en deze strafbaarstelling daar ook wel mee in verband wordt gebracht, is geen reden om een beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling aan te nemen die met de wettekst op gespannen voet zou staan. Ik wijs er daarbij ook nog op dat opruiing strafbaar is gesteld als misdrijf tegen de openbare orde (en niet als misdrijf tegen de veiligheid van de staat). 23. Ik keer terug naar de eerste deelklacht. Geklaagd wordt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans dat zijn oordeel (dat sprake is van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag) onjuist, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Aan de klacht ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat van deze vorm van opruien slechts sprake kan zijn als zij is gericht ‘op het op onrechtmatige wijze omver willen werpen van de Nederlandse regering en dus op een omwenteling’. Uit het voorgaande volgt dat deze opvatting niet juist is. Het hof heeft in de bewijsoverweging aangegeven dat het ‘de oproep om (…) deze zomer keihard in opstand te komen tegen de politie en om (`anoniem’) op pad te gaan om de politie aan te vallen’ als het opruien ‘tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag’ ziet. Die bewijsoverweging geeft naar het mij voorkomt geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en bevat een toereikende onderbouwing van ‘s hofs oordeel dat sprake is van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. 24. De eerste deelklacht faalt. 25. De tweede deelklacht ziet eveneens op de motivering van de bewezenverklaring. ’s Hofs oordeel dat de oproep om – samengevat weergegeven – ‘deze zomer keihard in opstand te komen tegen de politie en om (anoniem) op pad te gaan om de politie aan te vallen’ aanspoort tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag in de zin van art. 131 Sr zou onbegrijpelijk, althans ontoereikend zijn gemotiveerd. Daartoe voert de steller aan dat ‘(n)ergens in de bewezen verklaarde teksten of in de context daarvan wordt opgeroepen tot het gebruik van geweld’. 26. De ten laste gelegde en door het hof bewezen verklaarde uitlatingen die opruiing tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag betreffen, zijn: - ‘weg met de politie en de staat’, ‘leve de opstand’ - ‘Dan is de enige optie om keihard in opstand te komen.’ - ‘In de zomer van 2015 woedde er een opstand in de Schilderswijk.’ - ‘Laat deze zomer een hete zomer worden!’ - ‘Het is belangrijk om tijdens acties anoniem te blijven om het de politie niet te makkelijk te maken.’ - ’Doe er je voordeel bij de volgende opstand of als je op pad gaat om de politie en de staat aan te vallen!’ 27. De bewezenverklaring betreft daarbij opruiing ‘bij geschrift en bij afbeelding’. Onder de bewijsmiddelen is het pamflet opgenomen. Op de in het pamflet weergegeven (en tot het bewijs gebezigde) afbeeldingen wordt stapsgewijs uitgelegd hoe je van een T-shirt een bivakmuts kunt maken. In de begeleidende tekst wordt vervolgens beschreven hoe je daar je voordeel mee kunt doen ‘als je op pad gaat om de politie en de staat aan te vallen’. 28. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat pas van opruiing sprake is als de verdachte expliciet heeft opgeroepen tot het gebruik van geweld, gaat hij naar het mij voorkomt uit van een te beperkte en derhalve verkeerde rechtsopvatting. Fokkens spreekt bij tot iets opruien van ‘iemand tot iets (ongeoorloofds) trachten te brengen’; ‘het opwekken van de gedachte aan enig feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het verlangen op te wekken om dat feit te bewerkstelligen’. Hij wil de strekking van de uiting doorslaggevend achten en wijst onder meer op HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237, NJ 2010/22. Daarin had de verdachte een tekst opgesteld en op een website geplaatst die begon met ‘Liquidatie Balkenende dreigt’ en die verder de volgende zin bevatte: ‘Hoewel eigenrichting afgekeurd moet worden, is de standrechtelijke executie van Jan Peter Balkenende misschien wel de verstandigste beslissing’. Naar het mij voorkomt is ’s hofs oordeel dat de in casu vastgestelde uitlatingen en afbeeldingen het opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opleveren niet onbegrijpelijk. 29. Janssens en Nieuwenhuis wijzen er terecht op dat bij de vaststelling van opruiing ook rekening moet worden gehouden met Europese rechtspraak. Dat niet elke uitlating die naar de letter genomen als een oproep tot gewelddadig optreden tegen de politie kan worden opgevat een veroordeling wegens opruiing kan dragen, kan worden afgeleid uit de zaak Savva Terentyev tegen Rusland. Daarin was de verdachte door de nationale rechter veroordeeld voor een door hem op internet onder een blog geplaatst commentaar naar aanleiding van een onaangekondigde ‘inspectie’ van de politie op het kantoor van een lokale krant in Syktyvkar (Rusland). In dat commentaar liet Savva Terenyev zich laatdunkend uit over ‘cops’ en beschreef hij dat het een goed idee zou zijn als op ieder stadsplein in Rusland een oven zou staan, net zoals in Auschwitz, waar iedere dag ceremonieel ‘infidel cops’ zouden worden verbrand; e.e.a. zou de eerste stap zijn om de maatschappij van die ‘cop-hoodlum filth’ te ontdoen. Het EHRM oordeelde dat de verbranding van ‘infidel cops’ moest worden gezien als een provocerende metafoor; ‘a symbol of ‘cleansing’ of the police of corrupt officers, rather than an actual call to violence’ (ov. 74). Daar kwam bij dat het EHRM er niet van overtuigd was ‘that the applicant’s comment was likely to encourage violence capable of putting the Russian police officers at risk’ (ov. 78); dat de rechters niet hadden uitgezocht of het blog veel gelezen werd en, meer in het algemeen ‘failed to take account of all facts and relevant factors’ (ov. 80, 82). Het EHRM oordeelde dat Rusland, door de verdachte voor diens uitlatingen te veroordelen, de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM had geschonden. In de onderhavige zaak heeft het hof de uitlatingen nadrukkelijk bezien tegen een achtergrond van eerdere concrete rellen. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat van bewoordingen van symbolische aard geen sprake is. In relatie tot art. 10 EVRM is ook relevant dat de onder 4 tot het bewijs gebezigde muurkrant inhoudt dat er jarenlang is ‘gepraat en gevraagd om verandering, maar niemand wilde luisteren’ en om die reden ‘de enige optie (
- is)om keihard in opstand te komen’. Zo bezien wil de muurkrant niet een bijdrage aan een maatschappelijk debat leveren, maar stelt zij dat het voeren van een debat een gepasseerd station is. Al met al komt de bewezenverklaring en ’s hofs bewijsmotivering mij ook tegen de achtergrond van het Europeesrechtelijk kader (waarover meer bij de derde en vierde deelklacht) niet onbegrijpelijk voor. 30. De steller van middel keert zich in het bijzonder tegen ’s hofs oordeel dat ‘het niet ter zake doet of de term aanvallen – zoals door de verdediging is gesteld – in overdrachtelijke zin is gebruikt’. Op dit punt gaat de steller naar het mij voorkomt uit van een verkeerde lezing van ’s hofs overweging. Het hof heeft overwogen dat ‘(d)e stelling van de verdediging dat actievoerders de term ‘aanvallen’ in overdrachtelijke zin gebruiken (…) niet ter zake (doet)’. Het hof refereert met deze overweging naar het mij voorkomt aan de meer algemene stelling van de verdediging dat actievoerders de term dikwijls in overdrachtelijke zin gebruiken. In de voorafgaande vaststelling van het hof dat de oproep om keihard in opstand te komen tegen de politie en om de politie aan te vallen opruit tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, ligt besloten dat het hof heeft vastgesteld dat het begrip aanvallen in casu niet in overdrachtelijke zin is gebruikt. Dat niet vereist is dat komt vast te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is dat een aanval zal volgen doet, zo begrijp ik het hof, er niet aan af dat een oproep tot een aanval opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag impliceert. Daarmee spoort ook de laatste zin van de geciteerde bewijsoverweging: de verdachte heeft ‘met zijn oproep om de politie aan te vallen willens en wetens de aanmerkelijke kans (…) aanvaard dat zijn uitlatingen derden – die ze letterlijk zouden kunnen nemen – zouden kunnen bewegen daartoe daadwerkelijk over te gaan.’ 31. Aldus gelezen is ’s hofs oordeel dat de bewezenverklaarde uitlatingen het opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opleveren niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet, anders dan de steller van het middel betoogt, niet af dat in de posters tevens ‘uitdrukkelijk kwesties van politiek en publiek debat’ worden aangesneden. 32. Ook de tweede deelklacht faalt. 33. Vervolgens klaagt het middel dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dan wel kwalificatieverweer, inhoudend dat art. 10 EVRM in de weg staat aan een veroordeling (derde deelklacht) en over ‘s hofs impliciete oordeel dat ‘bestraffing van de uitingen op de poster necessary in a democratic society zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM is te noemen’ (vierde deelklacht). Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 34. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting — kort gezegd — onder verwijzing naar diverse uitspraken van het EHRM bepleit (zie ov. 7) dat de tekst van de poster valt onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) nu de uitlatingen daarin het maatschappelijk debat dienen en de daarin gebezigde termen bovendien overdrachtelijk zijn bedoeld. Om die reden zou er, zo begrijp ik, geen ‘pressing social need’ zijn om de vrijheid van meningsuiting te beperken. Een en ander zou moeten leiden tot vrijspraak van de verdachte. 35. Het is de vraag of de raadsvrouw aan haar betoog terecht de conclusie verbindt dat het tot vrijspraak dient te leiden. Naar het mij voorkomt kan haar betoog gelet op de inhoud bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een (impliciet) kwalificatieverweer waar de rechter ingevolge artikel 358, derde lid, en artikel 359, tweede lid, eerste volzin, Sv een met redenen omklede beslissing op diende te nemen. Het hof is in het bestreden arrest niet expliciet ingegaan op het verweer. Tot cassatie behoeft dat naar het mij voorkomt evenwel niet te leiden, nu in de bewijsoverweging besloten ligt dat en waarom het hof het betoog over schending van art. 10 EVRM niet heeft gevolgd. Alvorens ik dat toelicht ga ik eerst kort in op de rechtspraak van het EHRM betreffende dit artikel. 36. Art. 10 EVRM luidt als volgt: ‘1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include freedom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. This Article shall not prevent States from requiring the licensing of broadcasting, television or cinema enterprises. 2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and responsibilities, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or penalties as are prescribed by law and are necessary in a democratic society, in the interests of national security, territorial integrity or public safety, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, for the protection of the reputation or rights of others, for preventing the disclosure of information received in confidence, or for maintaining the authority and impartiality of the judiciary.’ 37. Het EHRM heeft in diverse arresten de vrijheid van meningsuiting aangeduid als een van de steunpilaren waarop een effectief functionerende democratie rust. Zo bezien verbaast het niet dat het Hof betrekkelijk weinig ruimte laat ‘for restrictions on political expression or on debate on questions of public interest’. Beperkingen zijn op basis van artikel 10, tweede lid, EVRM, weliswaar toegestaan, maar alleen wanneer zij zijn prescribed by law, een legitimate aim dienen en wanneer de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving (necessary in a democratic society). Die laatste voorwaarde veronderstelt het bestaan van a pressing social need. Bij het beoordelen van beperkingen van de vrijheid van meningsuiting speelt de context van de uitlating steeds een belangrijke rol. Wanneer de uitlatingen aanzetten tot geweld (‘incite violence’) tegen een individu, een ambtenaar of bevolkingsgroep, hebben de verdragsstaten, ook in geval van uitlatingen in het publieke debat, veel ruimte om de vrijheid van meningsuiting te beperken. 38. In Perinçek tegen Zwitserland formuleerde de Grote Kamer van het EHRM het volgende kader voor de beoordeling van ‘calls to violence and ‘hate speech’’ (met weglating van verwijzingen): ‘204. The Court has been called upon to consider the application of Article 10 of the Convention in a number of cases concerning statements, verbal or non-verbal, alleged to stir up or justify violence, hatred or intolerance. In assessing whether the interference with the exercise of the right to freedom of expression of the authors, or sometimes publishers, of such statements was “necessary in a democratic society” in the light of the general principles formulated in its case-law (…), the Court has had regard to several factors. 205. One of them has been whether the statements were made against a tense political or social background; the presence of such a background has generally led the Court to accept that some form of interference with such statements was justified. Examples include the tense climate surrounding the armed clashes between the PKK (..) and the Turkish security forces in south-east Turkey in the 1980s and 1990s (..); the atmosphere engendered by deadly prison riots in Turkey in December 2000 (..); problems relating to the integration of non-European and especially Muslim immigrants in France (..); and the relations with national minorities in Lithuania shortly after the re-establishment of its independence in 1990 (..). 206. Another factor has been whether the statements, fairly construed and seen in their immediate or wider context, could be seen as a direct or indirect call for violence or as a justification of violence, hatred or intolerance (..). In assessing that point, the Court has been particularly sensitive towards sweeping statements attacking or casting in a negative light entire ethnic, religious or other groups (..). 207. The Court has also paid attention to the manner in which the statements were made, and their capacity - direct or indirect — to lead to harmful consequences. Examples include Karataş v. Turkey (..), where the fact that the statements had been made through poetry rather than in the mass media led to the conclusion that the interference could not be justified by the special security context otherwise existing in the case; Féret (..), where the statements had been made on electoral leaflets, which had enhanced the effect of the discriminatory and hateful message that they were conveying; Gündüz (..), where the statements had been made in the course of a deliberately pluralistic televised debate, which had reduced their negative effect; Fáber (..), where the statement had consisted in the mere peaceful holding of a flag next to a rally, which had had a very limited, if any, effect on the course of that rally; Vona (..), where the statement had consisted in military-style marches in villages with large Roma populations, which, given the historical context in Hungary, had carried sinister connotations; and Vejdeland and Others (..), where the statements had been made on leaflets left in the lockers of secondary-school students. 208. In all of the above cases, it was the interplay between the various factors rather than any one of them taken in isolation that determined the outcome of the case. The Court’s approach to that type of case can thus be described as highly context-specific.’ 39. Hoewel uitlatingen steeds ‘context-specific’ moeten worden beoordeeld, laat zich uit het voorgaande afleiden dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting (ook in het publieke debat) naar het oordeel van het EHRM gerechtvaardigd kan zijn wanneer (I) de uitlatingen zijn gedaan tegen de achtergrond van politieke en of sociale onrust; (II) de gebruikte bewoordingen kunnen worden gezien als directe of indirecte oproep tot het plegen van geweld; (III) de uitlatingen tot ‘schadelijke gevolgen’ kunnen leiden. 40. In de onderhavige zaak heeft het hof in de eerder aangehaalde bewijsoverweging nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht dat de tekst op de poster refereert aan de rellen in de Schilderswijk in de zomer van 2015 na de dood van Mitch Henriquez , waarbij vernielingen en mishandelingen zijn gepleegd. Daarnaast heeft het hof verwezen naar de omstandigheid dat die gang van zaken in de muurkrant werd aangeduid als een opstand tegen de politie. Tegen die achtergrond heeft het hof geoordeeld dat de oproep om — kort gezegd — deze zomer keihard in opstand te komen tegen de politie en om de politie aan te vallen een aansporing tot gewelddadig optreden betreft tegen het openbaar gezag. Aldus heeft het hof de in Perinçek tegen Zwitserland, rov. 205 en 206, geformuleerde factoren expliciet meegewogen. 41. Voor zover de steller van het middel de wijze waarop het hof de gebeurtenissen uit 2015 in zijn oordeel heeft betrokken onbegrijpelijk acht, in het licht van de onvergelijkbaarheid van de rellen in de Schilderswijk met ‘de jarenlang durende, grote politieke en sociale spanning tussen de Koerden in Oost-Turkije en de Turkse overheid’, wijs ik erop dat in de rechtspraak van het EHRM meer (uitlatingen
- in)gespannen politieke situaties aan de orde zijn gekomen. Er is daarbij geen reden om de gebeurtenissen in de zomer van 2015 in de Schilderswijk te bagatelliseren. Het ging om hevige rellen, waarbij honderden mensen op de been waren, politieambtenaren werden bekogeld en er vuurwerk naar hen werd gegooid. Dat de anarchistische muurkrant zo expliciet aan de ‘opstand in de Schilderswijk’ van 2015 refereert, maakt ook duidelijk dat het hof niet alleen stond in zijn inschatting dat de daaraan ten grondslag liggende onrust tien maanden later nog effect zou kunnen hebben. Door te overwegen dat ‘verdachte – wederom gelet op de hiervoor beschreven rellen in 2015 – met zijn oproep om de politie aan te vallen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlatingen derden (..) zouden kunnen bewegen daartoe daadwerkelijk over te gaan’ heeft het hof ten slotte de in Perinçek tegen Zwitserland, rov. 207 geformuleerde factor ook expliciet meegewogen. 42. De steller van het middel betoogt desalniettemin dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het vermogen van de uitlatingen om tot harmful consequences te leiden. Daartoe voert de steller aan dat ‘niet zonder meer voorstelbaar (
- is)dat verspreiding van een ‘anarchistische muurkrant’, waarvan het overgrote deel van de tekst vanaf 50 centimeter afstand niet leesbaar is en waarin onder meer op kwajongensachtige wijze wordt uitgelegd hoe een T-shirt tot bivakmuts kan worden gevouwen, bij de lezer meer teweeg brengt dan een meewarig schouderophalen.’ 43. Voor zover gesteld wordt dat het overgrote deel van de tekst vanaf 50 cm afstand niet leesbaar zou zijn, geldt dat het hof dat niet heeft vastgesteld. Los daarvan behoeft de omstandigheid dat de tekst vanaf een bepaalde afstand niet goed leesbaar is, geen afbreuk te doen aan haar ‘capacity — direct or indirect — to lead to harmful consequences’. Een van veraf onleesbare muurkrant kan nieuwsgierig maken. Wat het vermogen tot het teweegbrengen van schadelijke gevolgen betreft kan nog worden aangestipt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de muurkranten werden aangebracht op de paal van de verkeerslichten, op verschillende muren alsmede op een elektriciteitshuisje. Zo bezien volgt uit de bewijsvoering dat de muurkrant op verschillende plekken in de openbare ruimte hing. En als al juist zou zijn dat ‘op kwajongensachtige wijze’ uitleg wordt verschaft, behoeft dat gelet op het publiek dat de muurkrant kennelijk wil bereiken aan haar effectiviteit geen afbreuk te doen. De muurkrant heeft bij het hof, zo blijkt uit de bewijsmotivering, niet tot ‘meewarig schouderophalen’ geleid, en dat komt mij niet onbegrijpelijk voor. 44. Samenvattend kan worden vastgesteld dat het hof, zonder art. 10 EVRM expliciet te noemen, nadrukkelijk aansluiting heeft gezocht bij de uitgangspunten die het EHRM heeft geformuleerd in verband met het oordeel of een beperking van de vrijheid van meningsuiting ‘necessary in a democratic society’ is. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de uitlatingen, als al geuit ten behoeve van het publieke debat, van dien aard waren dat een veroordeling terzake geen schending van art. 10 EVRM oplevert. Daarmee ligt in de bewijsoverweging de verwerping van het ter terechtzitting gevoerde verweer besloten, zodat aan de verdachte de ingevolge artikel 358, derde lid, in verbinding met art. 359, tweede lid, Sv verschuldigde uitleg is verschaft. 45. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 46. Ambtshalve wijs ik er op dat het cassatieberoep is ingesteld op 2 mei 2017. Nu het gerechtshof een taakstraf van vijftig uren heeft opgelegd, behoeft geen vermindering van de straf te worden toegepast in het geval Uw Raad meer dan twee jaar na deze datum uitspraak doet. In dat geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 47. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het artikel luidde destijds als volgt: ‘Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.’ Daarbij werd en wordt geen onderscheid gemaakt tussen misdrijven en of overtredingen. Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 279. Zie daarover ook de conclusie voorafgaand aan HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132, waarin A-G Machielse beschrijft dat het wetsvoorstel ertoe strekte de overheid de middelen in handen te geven om een communistische revolutie de kop in te drukken. Kamerstukken II 1919/1920, nr. 428, nr. 3, p. 2-3. Zie Kamerstukken II 1900/1901, 100, nrs. 4 en 5, art. 131 Sr, p. 32 en 43. Cort van der Lindens voorstel tot aanvulling van art. 131 Sr maakte destijds onderdeel uit van een voorstel tot herziening van het eerste, het tweede en het derde boek van het Wetboek van Strafrecht. Zie Kamerstukken II 1904/1905, 80, nrs. 2 en 3, art. 131 Sr, p. 5 en 28/29. Ook het voorstel van Loeff behelsde een meer omvattende wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht. Kamerstukken II 1919/1920, nr. 5 (Memorie van Antwoord), p. 15. Vgl. ook het Gewijzigd ontwerp (Kamerstukken II 1919/1920, nr. 6). Zie voor de voorafgaande kritiek Kamerstukken II 1919/1920, 426, nr. 4 (Voorloopig verslag), p. 10. Voorgesteld waren amendementen die wilden spreken van ‘gewelddadig optreden tegen het wettig gezag’ respectievelijk ‘wettig openbaar gezag’ (Kamerstukken II 1919/1920, 428, nrs. 8 en 9). Daarop werd ‘de openbare orde’ veranderd in ‘het openbaar gezag’ (Kamerstukken I 1919/1920, 428, Aanwijzing van veranderingen, p. 675). Handelingen II 16 juni 1920, p. 2741. Handelingen II 16 juni 1920, p. 2742. Zie voor een weergave van de discussie ook de conclusie van A-G Machielse voor HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132. Kamerstukken I 1919/1920, 428, Memorie van Antwoord, p. 754. Vermelding verdient dat Fokkens (Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 3 bij artikel 131 Sr, actueel tot 20 september 2017) en A.L. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 281, ook niet van deze restrictieve interpretatie uit lijken te gaan. Fokkens noemt als voorbeeld van gewelddadig optreden het ‘zich meester maken van tot openbare dienst bestemde gebouwen’; Janssens en Nieuwenhuis halen dat met instemming aan. Uit de Memorie van Toelichting op titel V blijkt dat het daar gaat om de strafbaarstelling van handelingen die ‘gevaar opleveren voor het maatschappelijk leven en de natuurlijke orde der maatschappij verstoren’ (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Strafrecht, tweede druk, Haarlem 1891, p. 65). Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 1 bij artikel 131 Sr, actueel tot 20 september 2017. Vgl. ook A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 282 e.v.. A.w., p. 282. EHRM 28 augustus 2018, Savva Terentyev v. Rusland, appl. nr. 10692/09. Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 580. Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1158 t.a.v. een beroep op de exceptie van art. 261, derde lid, Sr. In de context van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv is een specifieke verwerping ook niet vereist indien de uitspraak voldoende gegevens bevat waarin de vereiste nadere motivering besloten ligt (vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2). Vgl. EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, Handyside tegen Verenigd Koninkrijk, NJ 1978/236, (ov. 49): ‘Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of such a [BFK: democratic] society, one of the basic conditions for its progress and for the development of every man’; en onder meer EHRM 3 november 2015, nr. 57675/10 (Bestry tegen Polen), ov. 55 alsook EHRM 25 juni 1992, nr. 13778/88, (Thorgeir Thorgeirson tegen IJsland), ov. 63. Zie EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08, Perinçek tegen Zwitserland, (ov. 197); vgl. verder EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01 (Steel and Morris tegen Verenigd Koninkrijk, (ov. 88-89); EHRM 10 juli 2003, nr. 44179/98, (Murphy tegen Ierland), ov. 67; EHRM 8 juli 1999, nr. 23462/94, (Arslan tegen Turkije), ov. 46 en EHRM 8 juli 1999, nr. 26682/95, (Sürek tegen Turkije), ov. 61. Zie o.m. EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09, (Savva Terentyev tegen Rusland), ov. 63, EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08, (Perinçek tegen Zwitserland); ov. 242; EHRM 15 februari 2005, nr. 68416/01 (Steel and Morris tegen Verenigd Koninkrijk), ov. 87. Vgl. A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, derde druk, p. 18 e.v.. Zie bijvoorbeeld EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09, (Savva Terentyev tegen Rusland), ov. 65. EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08, Perinçek tegen Zwitserland. Vgl. ook het reeds besproken EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09, (Savva Terentyev tegen Rusland), ov. 66. Daar overwoog het EHRM samenvattend: ‘The Court will thus examine the case at hand in the light of those (BFK: Perinçek) principles, with a particular regard to the nature and wording of the impugned statements, the context in which they were published, their potential to lead to harmful consequences and the reasons adduced by the Russian courts to justify the interference in question.’ Ter nuancering van stellers betoog: Mitch Henriquez overleed op 28 juni 2015 en de rellen in de Schilderswijk ontstonden op 29 juni 2015. Het hof veroordeelde de verdachte voor opruiing gepleegd op 24 april 2016. Tussen de rellen in de zomer van 2015 en de bewezenverklaarde opruiing zat derhalve een periode van bijna 10 maanden. Zie voorts https://www.nrc.nl/nieuws/2015/06/30/rellen-in-den-haag-na-het-overlijden-van-de-arubaan-mitch-henriquez-a1464210 alsook https://www.ad.nl/den-haag/protest-in-den-haag-ontaardt-in-rellen-me-grijpt-in~a72b84bf/ voor de aard van de rellen. Bewijsmiddel 1. Bewijsmiddel 2 Bewijsmiddel 3. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.