PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/02695 Zitting 28 juni 2019 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak [eiseres] B.V. tegen 1. Apotheek Eemnes B.V. 2. [verweerster 2] B.V. 3. [verweerder 3] Eiseres in cassatie wordt hierna verkort aangeduid als [eiseres] , verweerster in cassatie sub 1 als Apotheek Eemnes en verweerders in cassatie sub 2 en 3 gezamenlijk als [verweerders 2 en 3] en afzonderlijk als [verweerster 2] en [verweerder 3] . 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak betreft een geschil tussen twee aandeelhouders van een BV en aan hen gelieerde personen. Centraal staat de uitleg van de in de statuten opgenomen aanbiedingsregeling. Daarnaast wordt een beroep gedaan op redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW). 1.2 De zaak geeft mij aanleiding tot principiële beschouwingen over de toepasselijke uitlegmaatstaf (hierna onder 3.2 e.v.). Kort gezegd verdedig ik dat statuten objectief moeten worden uitgelegd, maar dat niet moet worden vergeten dat voor de toewijsbaarheid van vorderingen tussen de aandeelhouders onderling ook de inhoud van een tussen hen bestaande aandeelhoudersovereenkomst van belang is. Voor die overeenkomst geldt de gewone Haviltexmaatstaf. Daarnaast spelen redelijkheid en billijkheid een complementaire rol in de afstemming van de rechtsgevolgen van de objectief uit te leggen statuten op de redelijke verwachtingen van de aandeelhouders. 1.3 Mijns inziens treffen de klachten van het middel geen doel. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (
(2)dat en waarom de wanverhouding in de visie van het hof niet ter zake doet. (Subonderdelen 2.2.4 slot en 2.2.6, de tweede met dat nummer) vii. Rechtens onjuist althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.7 dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] de door de Stak uitgegeven certificaten feitelijk steeds in eigen hand heeft gehouden en steeds enig bestuurder van de Stak is geweest, niet tot een ander oordeel kan leiden. Bij de gedragsmaatstaf van art. 2:8 lid 1 BW, respectievelijk art. 2:8 lid 2 BW, past de uitkomst waartoe het hof is gekomen niet. Daarbij paste veeleer wel dat – indien [verweerders 2 en 3] tegen de constructie met de Stak bezwaar hadden – zij aan [eiseres] een termijn hadden gegund om de certificering ongedaan te maken. (Subonderdelen 2.2.6, de eerste met dat nummer, en 2.2.6, de tweede met dat nummer) viii. Rechtens [onjuist] en onbegrijpelijk is wat het hof in rechtsoverweging 3.8 met betrekking tot de decertificering van de aandelen overweegt. Het hof diende ex nunc te toetsen, alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang te beschouwen en een belangenafweging te maken. Daarbij diende het hof in te gaan op de door [eiseres] aangevoerde wanverhouding tussen de draconische gevolgen voor [eiseres] en de omstandigheid dat [verweerders 2 en 3] er in het geheel geen last van hebben gehad. Ook diende het hof te motiveren waarom een ongelukkig advies van een notaris achteraf zó verstrekkende gevolgen moet hebben. Wat het hof wél overweegt, namelijk met betrekking tot de bedoeling alles bij het oude te laten, is volstrekt onbegrijpelijk en komt volledig uit de lucht vallen. (Subonderdelen 2.2.7-I, 2.2.7-II, 2.2.7-III en 2.2.7-IV). 3.47 Ik bespreek de klachten weer volgens de door mij aangebrachte ordening. 3.48 De klachten als hiervoor onder i weergegeven, kunnen niet slagen. Op zichzelf is juist dat als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Wezenlijk is echter niet het aantal grieven waarvan het hof is uitgegaan. Zou al juist zijn dat het hof tot negen had moeten tellen in plaats van tot acht, dan heeft [eiseres] bij een klacht daarover op zichzelf nog geen belang. Waar het om gaat is of het hof voldoende op alle grieven heeft gerespondeerd. Of het hof dit heeft gedaan met betrekking tot wat de steller van het middel aanduidt als ‘de negende grief’, is met de klachten onder ii e.v. aan de orde. 3.49 Met betrekking tot klachten als hiervoor onder ii weergegeven, geldt het volgende. 3.50 Voor zover de klachten de gedaante van een rechtsklacht dragen, voldoen zij weer niet aan de aan een zodanige klacht te stellen eisen. Wat de steller van het middel bedoelt met ‘dit alles’ is mij niet duidelijk geworden. 3.51 Ik kom vervolgens bij de motiveringsklachten. Mijns inziens is niet vol te houden dat het hof in rechtsoverweging 3.8 het beroep van [eiseres] op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid niet inhoudelijk heeft besproken. De steller van het middel zal bedoelen dat de inhoud van die bespreking hem niet overtuigt, maar onder ii lees ik daarover geen voldoende specifieke klacht. 3.52 Wel juist lijkt mij dat het hof geen overwegingen wijdt aan een beroep van [eiseres] op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid. Toch slagen ook in zoverre de klachten niet. De steller van het middel licht ten onrechte niet toe in welke zin door [eiseres] een beroep zou zijn gedaan op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid. Veronderstelling van de klachten is dat [verweerders 2 en 3] geen beroep kunnen doen op artikel 15 van de statuten (zie subonderdeel 2.2.1). Dat wijst mijns inziens op een beroep op de beperkende werking. Niet wordt uiteengezet dat en waarom sprake is van een leemte in de statutaire regeling, die door de redelijkheid en billijkheid behoort te worden aangevuld. Uiteraard is niet voldoende dat in feitelijke instanties in algemene zin is verwezen naar art. 2:8 BW en niet naar art. 2:8 lid 2 BW. Een beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid veronderstelt meer dan de verwijzing naar de wettelijke bepaling die die werking erkent. Het voorgaande wordt niet werkelijk anders indien ik ook de inleiding van het cassatiemiddel onder 1.7 en 1.8 in de beoordeling betrek. Daar wordt verwezen naar de memorie van grieven onder
- Op zichzelf is juist dat daar de woorden ‘aanvullende werking’ worden gebruikt, maar opnieuw zonder dat blijkt dat daarmee iets anders wordt bedoeld dan dat dat [verweerders 2 en 3] geen beroep kunnen doen op artikel 15 van de statuten en zonder aanduiding van enigerlei leemte in de statutaire regeling. De klachten met betrekking tot de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid missen dus feitelijke grondslag. 3.53 Dat de klachten geen doel treffen, kan uiteraard nog op andere wijze worden gezegd: de kennelijke uitleg van de gedingstukken door het hof volgens welke [eiseres] uitsluitend een beroep heeft gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, is niet onbegrijpelijk. Of nog anders: [eiseres] heeft bij de klachten geen belang omdat haar beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid bij gebreke van een behoorlijke inhoudelijke onderbouwing niet kan slagen. 3.54 Met betrekking tot de klachten als hiervoor onder iii weergegeven, geldt het volgende. 3.55 Het wordt enigszins eentonig, maar opnieuw moet het worden gezegd: voor zover de klachten de gedaante van een rechtsklacht dragen, voldoen zij niet aan de aan een zodanige klacht te stellen eisen. 3.56 Wat betreft de motiveringsklachten geldt dat het mij niet duidelijk is geworden wat de steller van het middel met de samenhang tussen grief 3 en de memorie van grieven onder 5 wil. Als hij bedoelt dat het hof op beide (grief 3 én de memorie van grieven onder 5) naar behoren diende te responderen, is dat uiteraard juist. Waarom het hof dit niet zou hebben gedaan, zetten de klachten onder iii echter niet begrijpelijk uiteen. 3.57 De motiveringsklacht als hiervoor onder iv weergegeven slaagt niet. In dit verband is van belang dat voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid een maatstaf geldt die de rechter tot terughoudendheid noopt. Gelet op die terughoudendheid volstaat voor een beslissing waarbij een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, veelal dat de rechter die over de feiten oordeelt duidelijk maakt welke feiten en omstandigheden hij in zijn afweging heeft betrokken. Aan die motivering kunnen veelal niet al te hoge eisen worden gesteld, anders dan in geval van een beslissing waarbij niettegenstaande de bedoelde terughoudendheid een beroep op de beperkende werking wordt aanvaard. Ik vermag niet in te zien waarom dat hier anders zou zijn. 3.58 De klacht spreekt van ‘de gestelde volledige wanverhouding’ en (tussen haakjes) van ‘de draconische gevolgen’ van toepassing van artikel 15 van de statuten. Die kwalificaties zijn uiteraard geen objectieve gegevens, maar een waardering vanuit het partijstandpunt van [eiseres] . Het stelsel van artikel 15 van de statuten gaat ervan uit dat een handelen in strijd met de blokkeringsregeling en aanbiedingsplicht van artikel 14 wordt gesanctioneerd met de bijzondere aanbiedingsplicht van artikel 15 en andere rechtsgevolgen (verlies van stemrecht en ontslag als statutair bestuurder) die erop neerkomen dat de samenwerking tussen de aandeelhouders gedwongen wordt beëindigd. Dat zijn stevige sancties, maar aan de aandeelhouder die het treft wordt niet ook de vermogenswaarde van zijn aandeelhoudersbelang ontnomen. Volgens lid 4 heeft hij immers aanspraak op betaling van de koopprijs voor de aandelen, na aftrek van kosten. Dat schending van een statutaire verplichting door een aandeelhouder erin bestaande dat hij zich niet aan de blokkeringsregeling heeft gehouden, ertoe leidt dat de samenwerking met de medeaandeelhouder door deze gedwongen kan worden beëindigd, is naar mijn smaak niet zeer bijzonder. Men vergelijke het geval van een samenwerking in contractuele vorm: schending van een contractuele verplichting geeft de wederpartij in beginsel recht op ontbinding (art. 6:265 BW). Een samenwerkingsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, is zelfs zonder tekortkoming in beginsel vatbaar voor opzegging door de wederpartij. De door [eiseres] gebezigde kwalificaties ‘volledige wanverhouding’ en ‘draconische gevolgen’ brengen mijns inziens niet mee dat hogere eisen behoren te worden gesteld aan de motivering van de verwerping van het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door het hof, nog daargelaten dat in de processtukken van de feitelijke instanties door [eiseres] niet geheel dezelfde kwalificaties zijn gebruikt. 3.59 Met betrekking tot de klachten als hiervoor onder v weergegeven geldt het volgende. 3.60 Ik zie geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat het hof het karakter van redelijkheid en billijkheid als gedragsregel heeft miskend. Waarom dit zo zou zijn, wordt door de steller van het middel ook niet begrijpelijk uiteengezet. Onjuist dunkt mij dat de inhoud van die gedragsregel zou zijn dat partijen zich moeten laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van elkaar. Generositeit is geen norm van burgerlijk recht. Het burgerlijk recht eist niet meer dan dat partijen – behalve met hun eigen belangen – hun gedrag mede laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Zou de steller van het middel dit laatste bedoelen, dan geldt weer dat hij niet begrijpelijk uiteen zet waaruit volgt dat het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan. 3.61 Het hof heeft het beroep op de gedragsnorm van art. 2:8 BW, althans op de beperkende werking van die bepaling, in rechtsoverweging 3.8 wel degelijk besproken. Ook in zoverre slagen de klachten niet. 3.62 De klachten hiervoor onder vi zijn in feite varianten op die onder iv en v en delen in het lot van die klachten: er is geen aanleiding voor de lezing dat het hof niet heeft onderkend dat art. 2:8 BW een gedragsmaatstaf behelst, en een nadere motivering door het hof van zijn beslissing dat het beroep van [eiseres] op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid geen doel treft, was niet vereist. 3.63 De klachten hiervoor onder vii bevatten ten opzichte van de voorgaande klachten maar beperkt iets nieuws. Aangevoerd wordt dat bij de gedragsmaatstaf van de redelijkheid en billijkheid zou passen dat aan [eiseres] een termijn was gegund om de certificering ongedaan te maken, maar een vindplaats in de stukken van de feitelijke instanties wordt niet gegeven. Ten overvloede: [eiseres] had ook zonder termijnstelling de certificering naar aanleiding van de bezwaren van [verweerders 2 en 3] eerder ongedaan kunnen maken dan zij feitelijk heeft gedaan (namelijk na het eindvonnis van de rechtbank). 3.64 De klachten hiervoor onder viii zien op wat het hof heeft overwogen over het argument van [eiseres] dat inmiddels decertificering heeft plaatsgevonden en dat de aandelenoverdracht is teruggedraaid. 3.65 Voor zover deze klachten zich mede richten tegen de eerste twee zinnen van rechtsoverweging 3.8, geldt dat die zien op de kwestie of door [eiseres] in strijd met de statuten is gehandeld, en niet op het beroep van [eiseres] op (de beperkende werking van) redelijkheid en billijkheid. Wat betreft de kwestie of door [eiseres] in strijd met de statuten is gehandeld, heeft het hof mijns inziens niet onjuist overwogen dat decertificering en (terug)overdracht niet met terugwerkende kracht ertoe leiden dat artikel 15 van de statuten toepassing mist. 3.66 Voor het overige geldt mijns inziens ook in dit verband dat de motivering door het hof, mede in het licht van de tot terughoudendheid nopende maatstaf zoals die voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid geldt, niet onder de maat is. 3.67 Ik merk ten overvloede nog op dat indien [eiseres] prompt nadat aan haar duidelijk was geworden dat zij door de notaris mogelijk onjuist was geadviseerd en dat [verweerders 2 en 3] de kwestie hoog opnamen, tot decertificering en retro-overdracht zou zijn overgegaan, ik voor een andere beslissing dan die van het hof bepaald zou hebben kunnen voelen. In plaats daarvan heeft [eiseres] zich tot het eindvonnis van de rechtbank ertoe beperkt haar handelwijze te verdedigen. Eveneens ten overvloede: wie het proces-verbaal van de comparitie van partijen ten overstaan van het hof tot zich neemt, moet concluderen dat de verhouding tussen partijen diepgaand is verstoord en dat herstel van de samenwerking niet meer tot de mogelijkheden behoort. 3.68 Uit het voorgaande volgt dat ik meen dat ook het tweede onderdeel geen doel treft. 3.69 Het derde onderdeel bevat uitsluitend voortbouwklachten, die geen afzonderlijke bespreking behoeven. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vergelijk het arrest van het hof van 20 maart 2018 onder 2.1 e.v. Gepubliceerd als ECLI:NL:GHARL:2018:2640, JOR 2018/175 m.nt. R.A. Hagens. Apotheek Eemnes was in de feitelijke instanties niet verschenen, maar is in cassatie wel verschenen. En eventueel door bevoegd vastgestelde reglementen van de rechtspersoon. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/175; Asser/Rensen 2-III* 2012/
- Enkele voorbeelden uit vele: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/181; B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013 par. 8, p. 174-175; P.J. Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/149; J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 8.6; J.R. Hurenkamp, Statuten, een kwestie van uitleg op maat?, MvV 2016, p. 160; C.H.C. Overes, GS Rechtspersonen, art. 2:26 BW, aant. 10; S. Rijpma, Uitleg van statuten, een objectieve Haviltex?, TOP 2014/240, p. 21; P. van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 156; B.C.M. Waaijer, Statuten en statutenwijziging, diss. Nijmegen, Deventer: Kluwer 1993, p. 14; D.F.M.M. Zaman & S.A. Kruisinga, in: J.W.A. Biemans e.a., Uitleg van notariële akten (Ars Notarius 160), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 87-
- Vergelijk ook A-G Mok (ECLI:NL:PHR:2006:AX3225) vóór HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3225, RvdW 2006, 736 (KEP) onder 4.7 en A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2014:1679) vóór HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1679, NJ 2014/372 (Clay Hill c.s./Unilever) onder 2.
- Uitvoeriger over het verband tussen uitlegmaatstaf en consensualisme respectievelijk vormvereisten mijn bijdrage in: H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Preadviezen VBR 2016, p. 24-
- Vergelijk W.L. Valk, Verder denken over uitleg van rechtshandelingen, NJB 2018/1360, p. 1953,
- Met betrekking tot de uitleg van CAO’s vaste rechtspraak sinds HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376, NJ 2003, 110 (Ziekenhuis De Heel). Vergelijk W.L. Valk, Verder denken over uitleg van rechtshandelingen, NJB 2018/1360, p. 1954-1955, mede naar aanleiding van het mijns inziens weinig gelukkige HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678, RvdW 2018/591 (FNV/uitzendorganisatie bouw). Onder meer: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/182; J.R. Hurenkamp, Statuten, een kwestie van uitleg op maat?, MvV 2016, p. 163 e.v.; S. Rijpma, Uitleg van statuten, een objectieve Haviltex?, TOP 2014/240, p. 21; J.M. Smits, Over de uitleg van statuten ener rechtspersoon; een deels rechtsvergelijkende bijdrage, S&V 1999, p. 123 e.v.; D.F.M.M. Zaman & S.A. Kruisinga, in: J.W.A. Biemans e.a., Uitleg van notariële akten (Ars Notarius 160), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 90 e.v. W.L. Valk, Uitleg en het onderscheid tussen autonome en heteronome normen, in: A.G. Castermans e.a. (red.), Ex Libris Hans Nieuwenhuis, Deventer: Kluwer 2009, p. 391 e.v. Niet alleen aanhangers van de zogenaamde normatieve uitleg van rechtshandelingen zoals J.M. van Dunné, zie zijn recente ‘Normatieve uitleg’ algemeen aanvaard, maar ook in ruime zin, inclusief derogerende werking en aanvulling van leemte?, WPNR 2018/7184 en 7185, maar ook bijvoorbeeld: Asser/Sieburgh 6-III 2018/364 en 402 en M.W. Hesselink, De redelijkheid en billijkheid in het Europese privaatrecht (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer 1999, p. 58 e.v. en p. 399 e.v., die de wilsvertrouwensleer en de daaruit voortvloeiende Haviltexmaatstaf voor uitleg zien als een toepassing van de redelijkheid en billijkheid, naast de aanvullende en beperkende werking. Onder meer HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493, m.nt. C.E. du Perron (DSM/Fox) en HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9430, NJ 2001/
- Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/182; S. Rijpma, Uitleg van statuten, een objectieve Haviltex?, TOP 2014/240, p. 21 e.v.; P. van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 158; J.M. Smits, Over de uitleg van statuten ener rechtspersoon; een deels rechtsvergelijkende bijdrage, S&V 1999, p. 123 e.v.; D.F.M.M. Zaman & S.A. Kruisinga, in: J.W.A. Biemans e.a., Uitleg van notariële akten (Ars Notarius 160), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 87-
- HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493, m.nt. C.E. du Perron (DSM/Fox). HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111, m.nt. F.M.J. Verstijlen ( [.../...] ). HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, NJ 2013/490, m.nt. S. Perrick (Texelse woonboerderij). Uitvoeriger over het arrest [.../...] ben ik in: H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Preadviezen VBR 2016, p. 62-64 (differentiëren en combineren) en p. 90-91 (tegenbewijs wat betreft de inhoud van de obligatoire overeenkomst). Uitvoeriger over het arrest Texelse woonboerderij ben ik in: H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Preadviezen VBR 2016, p. 65-
- HR 18 juni 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO7004, NJ 2004/
- Laatstelijk HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085, NJ 2011/5, m.nt. L.C.A Verstappen. In de literatuur is objectivering bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden bepleit. Zie onder meer: T.H. Tanja-van den Broek, Uitleg van overeenkomsten in het familierecht, WPNR 2005/6642, p. 862; W.G. Huijgen, B.E. Reinhartz & C.G. Breedveld-de Voogd, Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2012/IV.19; J.W.A. Biemans, DSM/Fox en uitleg van notariële akten – (nog) geen ‘vloeiende overgang’ van overeenkomst naar notariële akte, MvV 2015, p. 159 e.v.; M. Strutz & E.M.J.M.C. Verhagen, Uitleg van huwelijkse voorwaarden; een verkenning, WPNR 2013/6980, p. 492 e.v.; T.M. Subelack, De uitleg van familierechtelijke contracten, EB 2016/
- In het licht van de vloeiende overgang van DSM/Fox, biedt de Haviltex-maatstaf voor zulke objectivering op zichzelf reeds de ruimte. Uitvoeriger over uitleg van huwelijkse voorwaarden ben ik in: H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Preadviezen VBR 2016, p. 69-
- Vergelijk opnieuw T.H. Tanja-van den Broek, Uitleg van overeenkomsten in het familierecht, WPNR 2005/6642, p.
- HR 27 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7541, NJ 2003/
- Vergelijk Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/
- Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/177 en de daar vermelde rechtspraak en literatuur. Onder meer Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/
- Vergelijk HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun). Behalve als een vorm van schadevergoeding in natura zal men dit soms ook kunnen zien als nakoming (art. 3:296 BW). Ik kan mij voorstellen dat naar aanleiding van het huidige art. 2:192 lid 2 BW, dat sinds 1 oktober 2012 mogelijk maakt dat verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard tussen de aandeelhouders onderling in de statuten worden vastgelegd, het accent nog iets verder wordt verlegd. Voor zover statutaire bepalingen inderdaad verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard tussen uitsluitend de aandeelhouders onderling vastleggen, lijkt mij te verdedigen dat voor die bepalingen ook als zodanig ‘subjectieve Haviltex’ geldt. Het zal duidelijk zijn dat aldus de resultaten van de door mij verdedigde opvatting niet behoeven te verschillen van de opvatting van de onder 3.7 bedoelde auteurs, die statutaire bepalingen min of meer ‘subjectief’ willen uitleggen in geschillen tussen de oprichters/aandeelhouders. Ik meen echter dat het zuiverder is te onderscheiden tussen de statuten als objectieve regeling van het rechtsregime van de rechtspersoon en de overige inhoud van de rechtsverhouding tussen de oprichters/aandeelhouders. Dat is vooral van belang voor die statutaire bepalingen die zowel de verhouding tussen de aandeelhouders onderling als die ten opzichte van derden raken. De procesinleiding verwijst naar de memorie van grieven onder
- HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111, m.nt. F.M.J. Verstijlen ( [.../...] ), rechtsoverweging 4.2.3, tweede alinea. Vergelijk wat de advocaat van [verweerders 2 en 3] in de feitelijke instanties en [verweerder 3] ter comparitie van het hof verklaren over hun gebrek aan inzicht in wat er vóór november 2015 binnen de Stak is gebeurd (proces-verbaal, blad 5). De lezer die hierna een subonderdeel 2.2.5 mist, kan ik geruststellen: dat subonderdeel is er niet. De steller van het middel springt van 2.2.4 naar 2.2.6, waarbij intussen geldt dat er twee subonderdelen met het nummer 2.2.6 zijn. Vaste rechtspraak, onder meer: HR 24 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4182, NJ 1981/495 m.nt. W.H. Heemskerk; HR 14-10-2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6830, NJ 2006/
- Vergelijk H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 16 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/
- In de procesinleiding in cassatie onder 1.8 maakt de steller van het middel van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid nog dat de aanbiedingsclausule van artikel 15 niet zo kan worden uitgelegd dat ze mede ziet op certificering van aandelen en aandelenoverdracht aan een Stak, maar het zal duidelijk zijn dat dit niet werkelijk de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid betreft, maar de aan die eventuele werking voorafgaande uitleg van de statuten. Artikel 15 lid 4 luidt: ‘De vennootschap zal, ingeval van overdracht van aandelen met toepassing van het in het vorige lid bepaalde, de opbrengst na aftrek van alle terzake vallende kosten uitkeren aan hem of hen, namens wie de aanbieding is geschied.’ Vaste rechtspraak sinds HR 28-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Ronde Venen/Stedin) De memorie van grieven onder 5 spreekt van ‘buitengewoon ernstige gevolgen’ die ‘in geen enkele verhouding staan tot de oorzaak’. Het komt er dus op neer dat de steller van het middel er een schepje bovenop doet. HR 15 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2023, NJ 1958/67 m.nt. L.E.H. Rutten (Baris/Riezenkamp). Vergelijk ook de producties bij de conclusie van antwoord, waaruit van dezelfde duurzaam verstoorde verhoudingen blijkt, ook wat betreft de periode van vóór de certificering.