Nr. 17/01633 A Zitting: 29 januari 2019 Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] Bij vonnis van 2 maart 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 31 augustus 2016 waarbij de verdachte is veroordeeld wegens feit 1 primair “poging tot doodslag” en feit 2 “mishandeling”, bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de vordering van de benadeelde partij. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld. De verdachte heeft cassatieberoep laten instellen. Namens de verdachte heeft mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, een schriftuur met twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de verwerping door het Hof van het verweer dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van de wijze waarop de getuigenverklaring van [betrokkene 1] is verkregen. Deze getuige heeft de verdachte op basis van een fotoconfrontatie herkend als degene die hem heeft geslagen en vervolgens [betrokkene 2] met een mes in diens onderbuik heeft gestoken. Het Hof heeft deze getuigenverklaring voor het bewijs gebruikt. De eerste klacht houdt in dat het Hof niet heeft voldaan aan “de responsieplicht ex 359 lid 2 Sv” doordat het onvoldoende, althans onbegrijpelijk, op een bewijsverweer heeft gerespondeerd. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans aan een motiveringsgebrek lijdt, vanwege de wijze waarop het Hof onvoldoende, althans onbegrijpelijk, op het verweer heeft gerespondeerd. De eerste klacht faalt wegens het ontbreken van feitelijke grondslag. Aan de klacht ligt klaarblijkelijk de opvatting ten grondslag dat artikel 359, tweede lid, Sv zoals dat geldt in het Europese deel van het Koninkrijk ook van toepassing is op Bonaire. Dat is niet het geval. Artikel 359, tweede lid, Sv BES heeft betrekking op onderzoek dat op verzoek van het Hof door een rechter-commissaris plaatsvindt en is voor de onderhavige zaak niet relevant. Een wetsvoorstel om in het Wetboek van Strafvordering BES een motiveringsplicht op te nemen die gelijkluidend is aan artikel 359, tweede lid, Sv is aanhangig. 5. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans aan een motiveringsgebrek lijdt vanwege de wijze waarop het Hof onvoldoende, althans onbegrijpelijk op het verweer heeft gerespondeerd. 6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “Feit 1 primair dat hij in de nacht van 27 mei 2016 op 28 mei 2016, op het eiland Bonaire, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 2] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes die [betrokkene 2] heeft gestoken in zijn (onder)buik (waarbij zijn dunne darm geperforeerd werd), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 2 dat hij in de nacht van 27 mei 2016 op 28 mei 2016, op het eiland Bonaire, opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [betrokkene 1] , met kracht heeft geslagen waardoor voornoemde [betrokkene 1] pijn heeft ondervonden”. 7. Voor het bewijs van het bewezenverklaarde is gebruik gemaakt van twee verklaringen van de getuige [betrokkene 1] . In het door het Hof bevestigde vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg zijn deze verklaringen als volgt weergegeven: “4. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 28 mei 2016, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] : Ik was vannacht op stap met [betrokkene 2] . Wij waren bij de uitgaansgelegenheid Havanna. [betrokkene 2] en ik waren van plan naar huis te gaan en liepen naar de pick-up. Toen wij bijna bij de pick-up waren aangekomen, voelde ik plotseling een hevige pijn in mijn rug. Ik voelde dat ik op mijn rug geslagen werd. Ik keek om en zag dat er een voor mij onbekende man achter ons stond. Ik zag dat de man een vlindermes open deed. De man heeft hierna meteen met dat mes in mijn richting gezwaaid. Ik deed een paar stappen naar achteren, om te voorkomen dat ik geraakt werd. De man ging daarna direct op [betrokkene 2] af en had hem één keer gestoken. Ik hoorde dat twee vrouwen in een auto tegen de man riepen: “ [verdachte] stop, [verdachte] stop, [verdachte] niet doen”. 5. Proces-verbaal van fotoconfrontatie contra de verdachte [verdachte] d.d. 31 mei 2016, voor zover inhoudende: - als verklaring van de verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie: op 30 mei 2016 heb ik een fotoconfrontatie gehouden met de getuige [betrokkene 1] . Op de aan de getuige getoonde fotokaart staan acht foto’s. Op de foto met nummer zeven staat afgebeeld de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ; - als verklaring van [betrokkene 1] : de man afgebeeld op de foto met nummer zeven is de man die mij heeft geslagen en die hierna [betrokkene 2] met een mes heeft gestoken.” 8. Met betrekking tot de getuigenverklaring van [betrokkene 1] , die het Hof onder 5 voor het bewijs heeft gebruikt, heeft de raadsvrouw van de verdachte uitvoerig uiteengezet dat en waarom de herkenning die het resultaat was van de fotoconfrontatie niet voor het bewijs mag worden gebruikt. De pleitnota houdt hierover onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): “7. Zoals U weet geldt as regel bij een confrontatie dat de getuige/ aangever nergens uit mag kunnen afleiden wie de verdachte is. Dit houdt onder meer in dat de politieman (of vrouw) die de getuige/aangever begeleidt niet mag weten wie de verdachte is omdat hij bewust of onbewust door uiterst subtiele clues kan verraden wie aangewezen zou moeten worden. In deze wist de verbalisant die de fotoconfrontatie heeft verricht niet enkel wie de verdachte was - dit blijkt immers uit het proces-verbaal welke is opgesteld naar aanleiding van de fotoconfrontatie — doch hij was zelf als verbalisant actief betrokken bij het onderzoek in deze zaak. De verbalisant die de foto-confrontatie verrichte was derhalve niet ‘blind’. Nu er geen video of geluidsopnames zijn gemaakt van de confrontatie, valt niet uit te sluiten dat hij de getuige stuurden in de richting van een bepaalde persoon. 8. Als algemene regel bij fotoconfrontatie wordt voorts in ieder geval gehanteerd dat de figuranten qua uiterlijk niet disproportioneel ver van elkaar mogen liggen. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met de leeftijd, huidskleur en etnische afkomst van de figuranten. Het aantal minimale personen bij een fotoconfrontatie wordt gesteld op 10. Dit is noodzakelijk om de betrouwbaarheid van de fotoconfrontatie te waarborgen. “Verder is van belang dat alle personen ongeveer dezelfde gelaatsuitdrukking hebben. Ze moeten allemaal een even schuldig of onschuldig uiterlijk hebben”. Het vorenstaande is neergelegd in het beginsel dat de figuranten qua uiterlijke kenmerken met elkaar vergelijkbaar moeten zijn. 9. Met voornoemde criteria in het achterhoofd dienen figuranten nummer 5 en 8 zonder meer van de fotoconfrontatie te worden uitgesloten daar deze figuranten duidelijk een lichtere huidskleur hebben dan de overige figuranten en derhalve in deze te veel afwijken van de gestelde norm bij fotoconfrontatie, zoals hierboven aangegeven. Verder springen figurant 7 (cliënt) en 5 eruit nu dit de enige figuranten zijn zonder snor. Waarbij figurant 5 overduidelijk geen dreadlock kapsel heeft. Cliënt springt er dan ook uit. 10. De gehanteerde fotoconfrontatie voldeed derhalve niet aan de hiervoor gestelde eisen en kan in deze niet tot het bewijs worden toegelaten. Dit impliceert thans dat de fotoconfrontatie genomen is met een te minimaal aantal personen, hetgeen in strijd is met de regels dienaangaande. De betrouwbaarheid van de fotoconfrontatie is onder deze omstandigheden aanzienlijk beperkt, hetgeen tevens impliceert dat de waarde van deze fotoconfrontatie nihil is terwijl voorts de foto-confrontatie is verricht door een verbalisant die te dicht bij het onderzoek stond nu hij kennis had van de persoon van de verdachte en ondanks deze kennis direct met en bij de foto-confrontatie betrokken was. 11. In een recent verschenen artikel in het NJB wordt door de schrijvers opgemerkt dat: ‘Als de ooggetuige de dader onder suboptimale omstandigheden heeft gezien, is de kans op een latere identificatiemisser groot, zodra zo’n ooggetuige toch wordt uitgenodigd om een confrontatieprocedure te ondergaan. Wat suboptimale waarnemingsomstandigheden zijn – in termen van lichtsterkte en afstand – weten we inmiddels vrij precies en in welke mate zij tot missers aanleiding geven, kunnen wij prima berekenen.’ 12. De verdediging is de mening toegedaan dat gezien het voorgaande de fotoconfrontatie gehouden met de getuige/aangever [betrokkene 1] thans evenmin als bewijsmiddel kan worden toegelaten, hetgeen nóg een reden vormt voor vrijspraak van cliënt wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Immers, de getuige [betrokkene 1] geeft bij de RC aan dat: - het die avond donker was; - de man van lichte huidskleur was (de kleur van de tolk [betrokkene 3] ); - de man had lange dread haren die misschien waren vastgebonden; - hij heeft het gezicht goed gezien en hem meteen herkend; - de man had een normaal/slank postuur. 13. Cliënt heeft inderdaad een dread kapsel, doch heeft geen lichte huidskleur. Verder heeft cliënt opvallende bolle ogen die in het geheel niet door de getuige worden genoemd. Indien het gezicht daadwerkelijk goed zou zijn herkend valt het te verwachten dat melding wordt gemaakt van dit opvallende gezichtskenmerk van cliënt. Daar komt bij dat uit de verklaring van de getuige [betrokkene 1] blijkt dat er kennelijk twee foto-confrontaties met de getuige hebben plaatsgevonden. In het dossier bevindt zich echter alleen maar één.” 9. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen: “De raadsman [lees: raadsvrouw, plv. AG] heeft als verweer aangevoerd dat de door de politie uitgevoerde fotoconfrontatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.