PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/02290 Zitting 24 september 2019 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 1 mei 2018 wegens “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.L. Baar, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans met een ontoereikende motivering, het ten laste gelegde bewezen heeft verklaard. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat: “hij op 14 maart 2016 te Voorburg , gemeente Leidschendam-Voorburg , een goed te weten een motorscooter (merk Suzuki) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.” 5. Uit de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018 overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de scooter door diefstal was verkregen. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen: “Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat bij onderzoek aan de in de tenlastelegging bedoelde motorscooter uiterlijke kenmerken zijn vastgesteld die in het maatschappelijk verkeer worden beschouwd als signaal dat tot nader onderzoek naar de herkomst van het te koop aangeboden vervoermiddel noopt. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hem die kenmerken bij verwerving niet zijn opgevallen en dat hij geen reden had om aan de eerlijke herkomst van de motorscooter te twijfelen. Nu uit gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de motorscooter inderdaad ontvreemd was en derhalve afkomstig van misdrijf, is het derhalve verwijtbaar dat de verdachte deze motorscooter zonder het van hem bij verwerving te vergen onderzoek voorhanden heeft gehad. Derhalve acht het hof het tenlastegelegde bewezen en verwerpt het het daartegen gerichte verweer.” 6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 oktober 2015 met nr. PL1500-2015286468-1. Dit proces- verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 3-4): Als de op 30 september 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] : "Ik ben eigenaar van een grijs/groene motor Suzuki Burgman AN 400, voorzien van kenteken [kenteken 1] en van het chassisnummer [001] . Hierbij doe ik aangifte van diefstal van mijn motor. Op 29 september 2015 omstreeks 20.00 uur heb ik de motor voor het laatst gezien. Mijn motor stond geparkeerd aan de [a-straat 1] te Voorburg . Toen ik op 30 september 2015 omstreeks 05:15 uur de motor weer in gebruik wilde nemen, zag ik dat deze was weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit." 2. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 15 maart 2016 met nr. PL1500-2016073603-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10-11): Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 14 maart 2016 werd ik gestuurd naar de [a-straat] te Voorburg . De melder zou bij zijn in september 2015 gestolen motorscooter staan. Ter plaatse stond de motorscooter voor het portiek van de [a-straat 2] . Ik zag dat deze motorscooter een Suzuki An 400 betrof met de kleur groen. Ik zag dat de motorscooter was voorzien van kenteken [kenteken 2] . Bij navraag in het politiesysteem integraal bevraging bleek deze motorscooter op naam te staan van: [verdachte] ( [verdachte] ), geboren op [geboortedatum] -1994 te [geboorteplaats] . Mij is ambtshalve bekend dat [verdachte] zelf of familie van [verdachte] woonachtig is op de [a-straat 3] te Voorburg . Dit adres is gelegen in het portiek waar de motorscooter voor stond. [betrokkene 1] verklaarde mij desgevraagd het volgende : "Er is een ander kenteken opgezet. Ook zijn alle contactsloten vervangen. Mijn sleutel doet het niet.” Ik zag dat er rondom het contactslot schade op de kap zat. Het soort schade doet mij vermoeden dat er met een schroevendraaier gesleuteld is rondom het contactslot, mogelijk om het oude slot eruit te breken. 3. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 15 februari 2017 met nr. PL1500-2016073603-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12): Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 14 maart 2016 zou de melder op de [a-straat] te Voorburg bij zijn gestolen motorfiets staan. Uit onderzoek blijkt dat het kenteken [kenteken 2] , dat op de gestolen motorfiets was aangebracht, niet bij deze motorfiets behoorde. Het kenteken is sinds 5 mei 2015 op naam gesteld van [verdachte] . De aangetroffen motorfiets is onderzocht, het kenteken dat bij deze motorfiets hoort, is [kenteken 1] . De melder bleek de eigenaar te zijn van de motorfiets. 4. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 18 maart 2016 met nr. 4563/2016. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-17): Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 18 maart 2016 heb ik een onderzoek ingesteld naar de juiste identiteit van het volgende voertuig: Soort: motorfiets Merk: Suzuki Type: AN 400 Burgman Kleur: groen Op dat moment voorzien van het kenteken: [kenteken 2] . Het kenteken [kenteken 2] bleek per 22 maart 2000 afgegeven voor het volgende voertuig: Soort: motorfiets Merk: Suzuki Type: AN 400 Burgman Voertuigidentificatienummer: [002] Het kenteken is per 5 mei 2015 op naam gesteld van: [verdachte] . Bij dit type voertuig behoort het voertuigidentificatienummer (nader te noemen V.I.N.) zichtbaar te zijn aangebracht: rechts op de framebuis onder het zadel. Hier werd geen V.I.N. aangetroffen. Op de dwarsbuis onder het zadel werd een typeplaatje aangetroffen, waarop het nummer [002] als V.I.N. staat vermeld. Het typeplaatje had kennelijk de functie van het voertuigidentificatienummer. Met gebruikmaking van een lakverwijderingsmiddel zag ik, dat de lak ter plaatse waar de fabrikant het V.I.N. aanbrengt, eenvoudig te verwijderen was ten opzichte van de lak op andere plaatsen van het voertuig. Na verwijderen van de laklaag in en nabij het V.I.N. trof ik sporen van een slijpbewerking aan. Na verwijderen van de lak werd het gehele door de fabrikant aangebrachte V.I.N. zichtbaar. Het nummer luidt als volgt: [001] . Dit motorvoertuig voerde derhalve een valse identiteit. Bij navraag bij de RDW bleek dat voor een tweewielig motorvoertuig met het V.I.N. [001] op 23 juni 1999 het kenteken [kenteken 1] was afgegeven voor een motorfiets van het merk Suzuki, type AN 400. Het voertuig staat als ontvreemd geregistreerd. Het onderzochte voertuig was voorzien van een valselijk aangebracht typeplaatje, dat kennelijk als V.I.N diende. Het originele V.I.N. was gedeeltelijk uit het onderzochte voertuig verwijderd. 5. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 16 maart 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015286468-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 24 t/m 27): Als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van de verdachte : Die Suzuki Burgman. Die staat op mijn naam. Het kenteken begint met [...] . Ik heb hem gekocht voor €600 in Schiedam. De motor stond aan de [a-straat] . Ik kijk nu op de site van de RDW naar de voertuiggegevens. De motor is op 5 mei 2015 op mijn naam gezet. Nadere bewijsoverweging; Het hof bezigt de verklaring van de verdachte voor zover luidende "De motor is op 5 mei 2015 op mijn naam gezet.” uitsluitend in de zin zoals zij naar het oordeel van het hof moet worden opgevat, te weten dat de verdachte daarmee bedoelt dat hij ziet dat het voertuig identificatienummer [002] is gekoppeld aan een kenteken dat sinds mei 2015 op zijn naam staat.” 7. Ingevolge art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr maakt de verdachte zich schuldig aan schuldheling van een goed indien hij het goed voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed. Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard. Wat van de verdachte aan in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 8. Voorts geldt dat voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” onder meer het verwerven of het voorhanden krijgen van een goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. In zijn arrest van 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97 overwoog de Hoge Raad dat de rechter bij de bewijsvoering ter zake van het redelijkerwijs vermoeden van de herkomst uit misdrijf “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van een goed mag betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat het redelijkerwijs vermoeden van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. 9. Het hof heeft overwogen dat het verwijtbaar is dat de verdachte de motorscooter zonder het van hem bij verwerving te vergen onderzoek voorhanden heeft gehad. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte in ernstige mate is tekortgeschoten in zijn onder de door het hof geschetste omstandigheden geldende onderzoeksplicht naar de herkomst van motorscooter, hetgeen meebrengt dat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag rijst of dit oordeel begrijpelijk is. 10. Het hof heeft overwogen dat, nu uit gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de motorscooter ontvreemd is, het verwijtbaar is dat de verdachte de motorscooter zonder het van hem bij verwerving te vergen onderzoek voorhanden heeft gehad. Deze motivering schiet tekort. Daarmee wordt immers geen inzicht gegeven op grond waarvan de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof verwijst bovendien naar de verklaring van de verdachte, die ertoe strekt dat hem geen verdachte uiterlijke kenmerken van de motor zijn opgevallen en dat hij geen reden had aan de eerlijke herkomst van de motorscooter te twijfelen, terwijl het hof in de motivering van de verwerping van het verweer op deze aspecten niet specifiek ingaat. Ook overigens is de bewezenverklaring niet overvloedig gemotiveerd. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat de verdachte € 600,- voor de motorscooter heeft betaald (bewijsmiddel 5), maar heeft het hof geen bijzondere overwegingen gewijd aan de vraag hoe deze prijs zich verhoudt tot de marktwaarde van de desbetreffende motorscooter. Voor het overige blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake was van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.