PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer18/02197 Zitting 1 oktober 2019 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 april 2018 de verdachte wegens 1. “verkrachting”, 2. “een ander door bedreiging met smaadschrift dwingen iets te doen/te dulden” en 4. “poging tot het misdrijf een ander door bedreiging met smaadschrift dwingen iets te doen/te dulden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(
(5)bewijsmiddelen als genoemd in de aanvulling van 13 december 2018 op het arrest van 17 april 2018 van het hof en de bewijsoverwegingen zoals opgenomen in dat arrest. Voor zover relevant overweegt het hof het volgende (schuingedrukt in het origineel): “Overwegingen omtrent het bewijs voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde Onder 1 is verdachte ten laste gelegd dat hij aangeefster [slachtoffer] gedwongen heeft hem te pijpen door te dreigen dat hij, als zij dat zou weigeren, een filmpje van een eerder vrijwillig seksueel contact tussen hen beiden in de openbaarheid zou brengen. Deze bedreiging met smaad of smaadschrift en aangeefster aldus te dwingen seksuele handelingen te verrichten of te dulden (een en ander als bedoeld in artikel 284 onder 1, tweede lid) is onder 2 ten laste gelegd. Het gaat derhalve om met elkaar samenhangende feiten, door het hof aangemerkt als meerdaadse samenloop, gelet op het andersluidende beschermd belang van de beide wetsartikelen. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat er tussen verdachte en aangeefster, voorafgaande aan het ten laste gelegde incident op 24 december 2015, WhatsApp-berichten zijn uitgewisseld, waartoe verdachte op 23 december 2015 het initiatief heeft genomen. Er was op dat moment reeds enkele weken geen sprake meer van een relatie tussen verdachte en aangeefster. Uit die berichten valt af te leiden dat verdachte het hiervoor genoemde filmpje niet had verwijderd, zoals hij eerder had gezegd. Hij zou de beelden online zetten indien aangeefster niet bereid zou zijn naar zijn woning te komen om deel te nemen aan een trio en/of in elk geval aldaar een en ander uit te praten. Als aangeefster op zijn verzoek in zou gaan, zou hij het filmpje verwijderen van zijn telefoon. Verdachte gaat niet akkoord, zo blijkt uit de WhatsApp-conversatie, met aangeefsters wens die afspraak buiten, althans op neutraal terrein te maken. Aangeefster is niet alleen verbijsterd, maar ook hevig bezorgd over deze dreigende, ultieme schending van haar privacy. Zij licht een vriendin in, getuige [getuige] , belt de politie voor advies en fietst vervolgens overstuur naar verdachte. Volgens de aangifte doet verdachte open, slechts gekleed in een onderbroek. Aangeefster verzoekt hem het filmpje te verwijderen. Verdachte, die zich onderwijl staat af te trekken, reageert daarop met de opmerking: "Ik ben niet dom. Je gaat eerst dit doen". Verdachte wilde dat aangeefster hem pijpte. Als zij weigert, huilend en overstuur, zegt hij dat zij dan maar weg moet gaan, maar met de consequentie dat hij het filmpje dan online zal zetten. Verdachte zit aan haar borsten, probeert haar hand in de richting van zijn geslachtsdeel te brengen, duwt haar hoofd naar beneden en beveelt haar op haar knieën te gaan zitten. Hij doet haar shirt omhoog en maakt haar broeksknoop los. Uiteindelijk pijpt zij hem, huilend, waarbij hij haar in het gezicht slaat. Aldus de aangifte. Verdachte heeft erkend dat hij inderdaad verzocht heeft om hem thuis op te zoeken en daarbij het filmpje als inzet en zelfs als dreigement te hebben gebruikt. Hij verklaart echter dat deze wijze van communicatie gebruikelijk was in hun relatie, die gekenmerkt werd door – zo begrijpt het hof – ‘ruige seks' en een dominante opstelling van verdachte. Verdachte heeft verklaard te hebben verondersteld dat het gebeuren op 24 december 2015 tot dat 'spel' behoorde. Ter terechtzitting van het hof van 3 april 2018 maakt hij een vergelijking met het boek 'Fifty shades of grey'. Verdachte ontkent evenwel dat aangeefster hem bij die gelegenheid, al dan niet onder dwang, heeft gepijpt. Zij zouden slechts veel gepraat en 'geknuffeld' hebben. Het hof overweegt hierover het navolgende. Uit de stukken blijkt dat de relatie tussen aangeefster en verdachte op 24 december 2015 reeds een aantal weken voorbij was. Er zijn geen WhatsApp-contacten tussen 2 en 23 december
- Verdachte had in die periode een andere vriendin. Toen die relatie strandde, zocht hij opnieuw contact met aangeefster met de hiervoor aangegeven intentie: een hervatting van het seksuele contact met haar, met als dwangmiddel het eerder gemaakte filmpje. Wat er ook zij van de eerder al dan niet door aangeefster geapprecieerde 'ruige seks' in de maanden september en oktober 2015, op 24 december 2015 was dat niet langer relevant. Uit de berichtenstroom van 23 en 24 december 2015 blijkt dat aangeefster niet bereid was om de relatie te hervatten, dat verdachte aangeefster bij herhaling onder druk heeft gezet en dat aangeefster gaandeweg steeds meer door ongeloof werd bevangen en in paniek raakte over het feit dat verdachte het filmpje wilde gaan verspreiden. Verdachte vraagt haar op welke school zij zit en noemt haar 'kk hoer'. Desgevraagd bevestigt verdachte ter terechtzitting van het hof dat aangeefster bij aankomst in zijn woning en tijdens de verdere loop der gebeurtenissen overstuur was, terwijl dat bij eerdere contacten nimmer het geval was geweest. Dat er slechts sprake zou zijn geweest van 'knuffelen' blijkt in het geheel niet uit de andermaal door verdachte geïnitieerde berichtenwisseling van 24 december 2015 vanaf 19.56 uur. Zo appt aangeefster onder meer, als antwoord op verdachtes suggestie dat zij verdrietig was over de relatiebreuk: 'Ik moest janken omdat je me chanteerde je te pijpen, terwijl ik dat niet wilde'. En: 'Doe niet alsof er niks aan de hand is je hebt me gechanteerd en iets gedaan waarvan ik niks kan begrijpen hoe je dat iemand kan aandoen'. En: 'Ik heb het erover dat je me laat pijpen om dat filmpje'. Op 5 februari 2016 appt verdachte naar aangeefster: 'Ik heb spijt'. Aangeefster: 'Waarvan precies?' Verdachte: 'Alles wat er gebeurd is'. Aangeefster: 'Van 24 decembeook of wil je dat nog steeds ontkennen?' En: 'Hoe kun je nu spijt hebben als je t zo erg vind hoe kun je me dan onder dwang jankend en al je laten pijpen ik snap dat niet'. Verdachte ontkent de aantijgingen van aangeefster in zijn reacties niet. Dat hij zich daarbij op de vlakte houdt valt naar het oordeel van het hof aan te merken als een bewuste poging om zichzelf in te dekken tegen een mogelijke verdenking terzake van het hem ten laste gelegde. Het hof stelt vast dat de aangifte van [slachtoffer] ondersteund wordt door de inhoud van de WhatsApp-berichten en voorts door haar ook door verdachte erkende gemoedstoestand voorafgaand aan en tijdens het incident van 24 december
- Verdachte heeft voorts erkend dat hij eerder een filmpje met een expliciet seksueel geladen inhoud van aangeefster heeft gemaakt, dat hij dat filmpje van zijn telefoon had verwijderd, maar haar heeft doen geloven dat dat niet het geval was. Het hof heeft voorts gelet op de verklaring van [getuige] , door aangeefster voorafgaand aan haar bezoek aan verdachte huilend daarover ingeseind. Nadien treffen ze elkaar. [getuige] verklaart daarover: 'Toen ik haar zag, was ze helemaal overstuur. Ze vertelde mij dat ze [verdachte] had moeten pijpen, terwijl ze dat niet wilde. Terwijl hij ook het filmpje niet had. Maar dat wist ze pas erna. Dat vertelde hij daarna pas tegen haar'. Het hof merkt ten slotte nog op dat het iemand dwingen tot pijpen is aan te merken als seksueel binnendringen als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof dat een filmpje van seksuele gedragingen op zichzelf nog geen smaadschrift hoeft te zijn. Het door smaad(schrift) beschermde belang is onder meer de bescherming van de aanspraak die een ieder heeft op zijn eer en goede naam oftewel zijn reputatie. Het hof acht het evident dat, indien een dergelijk filmpje met de handelingen zoals door aangeefster omschreven op de school van aangeefster, haar familie- en vriendenkring of waar dan ook verspreid zou worden, de reputatie van aangeefster publiekelijk en in hoge mate zou worden geschaad. Dat verdachte haar hiermee als een hoer neer wilde zetten wordt naar het oordeel van het hof bevestigd in een van de hiervoor al aangehaalde WhatsApp-berichten. Daarmee is voldaan aan de bij artikel 261 lid 1 Sr vereiste tenlastelegging van een bepaald feit, aan welk wetsartikel het ten laste gelegde artikel 284 Sr qua begripsbepaling van de term ‘smaadschrift’ analoog is. Door de openbaarmaking van een filmpje, bevattende expliciete seksuele gedragingen, levert dat filmpje smaadschrift op. Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hof het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.”
- Over het derde middel kan ik ook kort zijn. Onder seksueel binnendringen als bedoeld in art. 242 Sr valt ‘ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking’. Strafbaar is het genitaal, oraal of anaal binnendringen. Dat kan – onder meer – met het geslachtsorgaan gebeuren. Onder seksueel binnendringen als bedoeld in art. 242 Sr valt derhalve ook “pijpen”. Het hof heeft die bewezenverklaarde handeling dan ook niet onbegrijpelijk gekwalificeerd als een handeling die (mede) bestaat uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
- Het derde middel faalt.
- In de kern klaagt het vierde middel dat het hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit niet begrijpelijk heeft geoordeeld dat sprake is geweest van dwang als bedoeld in art. 284 Sr. De bewijsmotivering laat het alternatieve scenario open dat slechts sprake was van een “ruige seksuele relatie” waarbij geen sprake was van dwang, maar van consensus tussen de aangeefster en de verdachte over hetgeen tussen hen op 24 december 2015 heeft plaatsgevonden. De aangeefster had zich immers ook kunnen onttrekken aan seksuele handeling door “gewoon” niet naar het huis van de verdachte te gaan, aldus het middel. Ik begrijp deze klacht zo dat het hof niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de lezing van de gebeurtenissen zoals is aangevoerd door de verdachte, terwijl de bewijsvoering van het hof die lezing niet uitsluit en het hof aan zijn beslissing hieromtrent geen bijzondere motivering heeft gewijd.
- Het hof heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, vastgesteld dat de verdachte bij herhaling heeft gedreigd dat hij het filmpje, waarop te zien was dat de aangeefster hem pijpte, openbaar zou maken. Hij heeft haar daartoe gevraagd op welke school ze zat en noemde haar “kk hoer”. De (seksueel expliciete) inhoud van dat filmpje wordt door de procespartijen niet betwist, aldus het hof. Uit de tot het bewijs gebezigde WhatsApp berichten blijkt voorts dat de aangeefster hiervan overstuur raakte, waarna zij op 24 december 2015 naar het huis van de verdachte is gegaan. Dat zij overstuur was, is volgens het hof ook door de verdachte bevestigd. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de aangeefster, toen zij bij hem thuis was, gedwongen heeft om hem te pijpen terwijl zij dat niet wilde. Als zij dit niet zou doen, dreigde de verdachte dat hij voornoemd filmpje zou gaan verspreiden. De verdachte heeft later verklaard dat hij het filmpje op 24 december 2015 al van zijn telefoon had verwijderd, maar dat hij de aangeefster op dat moment heeft laten geloven dat dit niet zo was. Daarbij heeft een getuige verklaard dat de aangeefster haar zeer kort na het incident heeft gezegd dat zij de verdachte tegen haar zin had moeten pijpen. Het hof acht het voorts evident dat indien voornoemd filmpje waarop de expliciete, seksuele gedragingen van de aangeefster te zien waren verspreid zou worden, haar reputatie publiekelijk en in hoge mate zou worden geschaad. Dat de verdachte de aangeefster zodoende als “hoer” wilde neerzetten, blijkt volgens het hof uit de tussen hen uitgewisselde WhatsApp berichten, waardoor ook is voldaan aan de eis dat de verdachte haar eer etc. heeft willen aanranden door tenlastelegging van een bepaald feit.
- Dat het hof deze bewezenverklaarde gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, heeft aangemerkt als – kort gezegd – “dwang” door middel van bedreiging met smaadschrift als bedoeld in art. 284, eerste lid, Sr, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Het hof hééft aandacht besteed aan het door de verdachte alternatieve scenario dat slechts sprake zou zijn van een “ruige seks” relatie, maar acht die lezing van de gebeurtenissen niet aannemelijk. Daartoe heeft het onder meer vastgesteld dat de relatie tussen de aangeefster en de verdachte op 24 december 2015 al voorbij was, de aangeefster niet bereid was om die relatie te hervatten en in paniek raakte toen bleek dat de verdachte voornoemd filmpje wilde gaan verspreiden. Om die reden is zij naar het huis van de verdachte gegaan en staat volgens het hof voorts vast dat de aangeefster de verdachte aldaar tegen haar zin heeft gepijpt. Aldus heeft het hof geoordeeld dat geen sprake was van consensus tussen hen beiden, het scenario van de “ruige seks” relatie, maar van door de verdachte uitgeoefende dwang om haar seksuele handelingen bij hem te laten verrichten door middel van een smaadschrift, te weten het filmpje. Dat oordeel acht ik, gezien de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover al sprake zou zijn van een alternatief scenario, heeft het hof die door de verdachte geschetste lezing van de gebeurtenissen niet onbegrijpelijk ter zijde geschoven.
- Ook het vierde middel faalt.
- Alle middelen falen en het tweede, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Zie voor deze en volgende algemene opmerkingen over (de procedure omtrent) het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie: R. Barents en L.J. Brinkhorst, Grondlijnen van Europees Recht, Kluwer: Deventer 2012, p. 326 e.v. Zie: M.I. Veldt-Foglia, Handboek Strafzaken §106.5.7 Prejudiciële vraag (online bijgewerkt tot 31 oktober 2009). Zie (onder andere): HR 22 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE
- Zie: M.I. Veldt-Foglia, Handboek Strafzaken §106.5.7 en 106.5.10 Prejudiciële vraag (online bijgewerkt tot 31 oktober 2009). Hoewel de EU nog niet is toegetreden tot het EVRM, laat het Hof van Justitie de bescherming van de in het EVRM neergelegde fundamentele rechten een plaats innemen in haar toetsing. Zie: Kamerstukken II 2014/15, 34157, 3, p. 76 (memorie van toelichting). Vóór de inwerkingtreding van deze wet besliste de Hoge Raad reeds dat de (aangehouden) verdachte per 1 maart 2016 recht had op bijstand van een raadsman tijdens zijn politieverhoor. Zie HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:
- Daarmee was Nederland het laatste EU-land dat verhoorbijstand voor de verdachte tijdens het politieverhoor invoerde. Zie Kamerstukken II 2014/15, 34157, 3, p.
- Zie Stb. 2017,
- Het Besluit inrichting en orde politieverhoor is alleen van toepassing op verhoren door opsporingsambtenaren. Er was volgens de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie geen reden om, in aanvulling op de algemene regeling van artikel 124 Sv, vergelijkbare regels te stellen voor verhoren door anderen dan opsporingsambtenaren, in het bijzonder verhoren door een rechter. Bij verhoren die plaatsvinden buiten het verband van het politieverhoor – denk aan verhoren door de rechter-commissaris of de raadkamer van de rechtbank in het voorbereidend onderzoek of aan verhoren door de rechter tijdens het onderzoek op de terechtzitting – bestaat al een recht van deelname daaraan door de raadsman, waarmee de praktijk vertrouwd is. Zie: Stb. 2017, 29, p. 5 (nota van toelichting). Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 april 2018, p.
- Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 april 2018, p.
- Vlg. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:
- Zie het arrest van het hof van 17 april 2018, p. 5 –
- Zie: HR 22 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC
- Zie: HR 22 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9873, r.o. 5.2: “Zoals de HR heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 februari 1994, NJ 1994, 379, omvat de in art. 242 Sr gebezigde term 'seksueel binnendringen van het lichaam' ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking. Nu door het Hof is bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer heeft gedwongen hem te pijpen door onder meer zijn geslachtsdeel in haar mond te drukken had het Hof het bewezenverklaarde moeten kwalificeren als 'verkrachting', strafbaar gesteld in art. 242 Sr.”