ECLI:NL:PHR:2019:985
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer18/00579 Zitting 8 oktober 2019 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte.
De Rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 19 juli 2017 de betrokkene (i) vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, (ii) aan hem de teruggave bevolen van een inbeslaggenomen geldbedrag en (iii) een onder hem inbeslaggenomen personenauto (Mercedes-Benz G 320; kenteken [kenteken]) onttrokken aan het verkeer.
Blijkens de akte rechtsmiddel is namens de betrokkene op 25 juli 2017 beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank voor zover het betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen Mercedes-Benz. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 17 januari 2018 – terecht – het ingestelde hoger beroep als een beroep in cassatie verstaan en de zaak doorgeleid naar de Hoge Raad.
Vrijspraak (personenauto/Mercedes) […] 4.2.2.
Beoordeling Op basis van de informatie in het dossier kan worden vastgesteld dat het voertuigidentifïcatienummer zoals door de fabrikant aangebracht op de Mercedes tegen de rechter chassisbalk achter de vooras (nummer eindigend op [001]) is vervangen door een ander nummer (eindigend op [002]). Het is een feit van algemene bekendheid dat voertuigen die zijn voorzien van een vals chassisnummer geheel of gedeeltelijk van diefstal of een soortgelijk misdrijf afkomstig plegen te zijn. Bij de politie heeft de verdachte aanvankelijk verklaard dat de Mercedes van zijn schoonzus is. Uit de verklaring van zijn zwager is echter gebleken dat de Mercedes alleen op naam van de schoonzus is gezet, omdat de verdachte dat had gevraagd, De verdachte heeft de Mercedes gekocht bij [A] en hier meer dan € 52.500 contant voor betaald.
Bovenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat de Mercedes uit enig misdrijf afkomstig is en van de verdachte mag dan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst daarvan.
5.3.
Beoordeling […] Personenauto’s die voorzien zijn van een vals voertuigidentificatienummer plegen geheel of gedeeltelijk van enig misdrijf afkomstig te zijn, zoals bijvoorbeeld het in artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf. Op die grond kan worden gezegd dat het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen, in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van dergelijke misdrijven. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen personenauto, die aan de verdachte toebehoort, dient te worden onttrokken aan het verkeer en daarvoor vatbaar is aangezien er een strafbaar feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en met het algemeen belang. De in beslag genomen personenauto zal worden onttrokken aan het verkeer.
De auto is voor onderzoek aangeboden aan het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (hierna: LIV). Bij dat onderzoek is een niet door de fabrikant aangebracht nummer aangetroffen. Bij het LIV heeft men een laklaag verwijderd, schuursporen aangetroffen en met een etsbehandeling het door de fabrikant aangebrachte en bij de auto behorende voertuigidentificatienummer vastgesteld. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen van het LIV en acht een nader onderzoek door een deskundige dan ook niet noodzakelijk.
Dat het een auto uit het buitenland betreft verandert niets aan deze bevindingen, voertuigidentificatienummers zijn immers niet landgebonden.
De rechtbank wijst het voorwaardelijke gedane verzoek tot het benoemen van een deskundige dan ook af.”
Ook deze afwijzing is niet onbegrijpelijk, waarbij ik mede in aanmerking neem dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 5 juli 2017 door de verdediging enkel is aangevoerd dat het om een auto uit het buitenland gaat, dat geen sprake is van omkatten en dat de auto legaal is gekocht. De klacht dat “de rechtbank niet een dusdanig zware maatregel [mocht] opleggen zonder een nader onderzoek door een deskundige als door de verdediging verzocht, waardoor de afwijzing van het verzoek tot de benoeming van een onafhankelijk onderzoeker, niet voldoet aan de daaraan te stellen (motiverings)eisen”, vindt geen steun in het recht.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Ingevolge art. 404 Sv is tegen een algehele vrijspraak geen hoger beroep voor de verdachte mogelijk. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9420, NJ 2011/19 beslist dat in een geval als het onderhavige de verdachte kan worden ontvangen in zijn beroep in cassatie tegen het vonnis van de rechtbank.
Zie over deze vorm van conversie: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk 2018, p. 43.