PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/04632 Zitting 3 november 2020 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1. Het gerechtshof ’s-Gravenhage, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, heeft de verdachte bij arrest van 23 april 2013 integraal vrijgesproken van het hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar en 11 maanden ter zake van – eenvoudig gezegd – 1. medeplegen van invoer van een grote hoeveelheid cocaïne, 2. de voortgezette handeling van medeplegen van voorbereiding van een cocaïnetransport en 3. medeplegen van het opzettelijk afleveren en vervoeren van cocaïne. 2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/04630. In die zaak zal ik vandaag een rolconclusie nemen. 3. Het beroep in cassatie is ingesteld door de advocaat-generaal bij het hof mr. J.W.M. Grimbergen. De advocaat-generaal bij het Ressortsparket mr. M.E. de Meijer heeft een schriftuur houdende een middel van cassatie ingezonden. Processuele voorvraag 4. Voordat ik toekom aan bespreking van het middel, verdient in de onderhavige zaak het volgende processuele element aandacht. Indien alleen door het openbaar ministerie cassatieberoep is ingesteld, moet dit beroep aan de verdachte in persoon worden aangezegd, tenzij zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is (art. 433, eerste lid, Sv). Het ligt in de geest van deze bepaling besloten dat het zaaksdossier pas aan de Hoge Raad wordt toegezonden wanneer het sein daarvoor op groen staat. Wordt, indien alleen door het openbaar ministerie cassatieberoep is ingesteld, het zaaksdossier ten onrechte toch aan de Hoge Raad verzonden, dan kan de Hoge Raad de zaak in beginsel niet in behandeling nemen en wordt het dossier teruggestuurd naar het openbaar ministerie teneinde de verdachte alsnog op de hoogte te doen brengen van het ingestelde cassatieberoep. Voor deze situatie is echter de zojuist genoemde uitzondering doorgetrokken naar art. 434, derde lid, Sv: tenzij de in art. 433, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging (alsnog) heeft plaatsgevonden dan wel zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het beroep in cassatie de verdachte bekend is. Dat laatste – dus dat anderszins blijkt dat de verdachte van het cassatieberoep op de hoogte is – doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een andere aanzegging, namelijk de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv aan de verdachte in persoon is betekend en deze aanzegging – wat in de regel het geval is – de zinsnede bevat: “tegen welke uitspraak het Openbaar Ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld”. In dat geval kan de zaak door de Hoge Raad worden behandeld. Ook een in de cassatieprocedure ontvangen stelbrief van de raadsman kan in beginsel worden aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is. 5. Wat de onderhavige zaak betreft, wijs ik er allereerst op dat het beroep in cassatie reeds op 2 mei 2013 is ingesteld en dat het zaaksdossier al eens eerder (in 2013) aan de Hoge Raad is toegezonden, nadat het openbaar ministerie, op 28 mei 2013, had gepoogd de in art. 433, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging aan de verdachte, van wie geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was (en is), uit te reiken. Op 28 maart 2014 is het zaaksdossier teruggezonden aan het hof en is aan de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. D. Moszkowicz, die de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bijstond, een brief gestuurd met de volgende inhoud: “Nu niet blijkt dat het Openbaar Ministerie het beroep aan uw cliënt in persoon heeft aangezegd en evenmin blijkt dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het beroep uw cliënt bekend is (art. 433, eerste lid, Sv), moet worden aangenomen dat de inzending van de zaak ten onrechte heeft plaatsgevonden. Het dossier wordt daarom retour gezonden naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen om alsnog zorg te dragen voor voormelde aanzegging.” Achteraf blijkt het terugzenden van het zaaksdossier aan het hof mijns inziens prematuur te zijn geweest. Ik heb namelijk in het zaaksdossier een stelbrief van mr. D. Moszkowicz van 27 maart 2014 aangetroffen, die aan de strafgriffie van de Hoge Raad is gericht en waarin het volgende valt te lezen: “Ik heb de eer u te berichten dat ik als toegevoegd raadsman optreed van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 wonende [a-straat 1] te [plaats] . Parketnummer: 20/000190-10 Ik moge u verzoeken mij zo spoedig mogelijk te doen toekomen afschriften van de huidige processtukken, en zulks telkens te doen met de stukken, waarmede het dossier nog zal worden aangevuld. Voorts verzoek ik u mij tijdig op de hoogte te stellen (eventueel per fax) van de data en tijdstippen van zittingen.” 7. Ik meen dat uit deze stelbrief kan, en had kunnen, worden afgeleid dat de verdachte destijds al bekend was met het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep. Een stelbrief van een raadsman is immers een schriftelijke kennisgeving zoals bedoeld in thans art. 38, vijfde lid, Sv (voorheen art. 39 Sv), die aangeeft dat door (of namens) de verdachte een raadsman is gekozen en wie dat is. Het mag dan wel zo zijn dat mr. D. Moszkowicz in zijn stelbrief de mededeling doet dat hij optreedt als toegevoegd raadsman van de verdachte, maar dan zal hij daarmee het oog hebben gehad op zijn optreden als raadsman in feitelijke aanleg, zo er geen sprake van een vergissing is; de wet voorziet namelijk niet in ambtshalve toevoeging in de cassatieprocedure. Hoe dan ook, het schrijven van mr. D. Moszkowicz impliceert dat de verdachte zich toen al in de cassatieprocedure tot hem had gewend, zodat zich daarmee een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met het cassatieberoep van het openbaar ministerie bekend was (en is). Noch het zaaksdossier, noch de stelbrief van mr. D. Moszkowicz bevat een indicatie die op het tegendeel wijst. 8. Het zaaksdossier is begin oktober 2019 opnieuw door het openbaar ministerie aan de Hoge Raad toegezonden en op 10 oktober 2019 door de strafgriffie van de Hoge Raad ontvangen. Uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden, blijkt ook thans niet dat het beroep als bedoeld in art. 433, eerste lid, Sv aan de verdachte in persoon is aangezegd. Wel blijkt uit de gedingstukken dat het openbaar ministerie dit andermaal heeft geprobeerd, maar tevergeefs omdat van de verdachte (nog altijd) geen adres in Nederland (noch in het buitenland) bekend is geworden. 9. Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking is op 20 maart 2020 getracht de aanzegging door de procureur-generaal – dus de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, in dit randnummer verder de aanzegging te noemen –, te doen uitreiken op het laatst bekende adres van de verdachte, dat wil zeggen [a-straat 1] te [plaats] . Omdat niemand op dat adres werd aangetroffen, is aldaar een brief van aankomst achtergelaten. De aanzegging is uiteindelijk op 8 april 2020 betekend aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Ook is op 4 maart 2020 respectievelijk op 8 april 2020 de aanzegging als gewone brief verstuurd naar het adres [a-straat 1] te [plaats] . In die aanzegging is onder meer de volgende zinsnede opgenomen: "[...] tegen welke uitspraak het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld." Voorts is vanuit de Hoge Raad een kopie van de processtukken verstuurd naar het kantoor van mr. D. Moszkowicz. Blijkens een faxbericht van mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, van 2 mei 2020, gericht aan de strafgriffie van de Hoge Raad, heeft hij de zaak van mr. D. Moszkowicz overgenomen. In dit faxbericht staat het volgende vermeld: “Ik heb de eer u te berichten dat ik in de zaak met opgemeld griffienummer, in opvolging van mr. D. Moszkowicz, voorheen advocaat te Maastricht, als raadsman optreed van: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , Ik moge u verzoeken mij zo spoedig mogelijk te doen toekomen afschriften van de huidige processtukken, en zulks telkens te doen met de stukken, waarmede het dossier nog zal worden aangevuld. De stukken op 5 en 18 maart verzonden naar mr. Moszkowicz zijn reeds aan mij overgedragen.” 10. Uit dit faxbericht van mr. Daamen kan worden afgeleid dat de verdachte zich gedurende de cassatieprocedure tot een andere raadsman, te weten mr. Daamen, heeft gewend en dat de door de Hoge Raad aan mr. D. Moszkowicz verzonden processtukken reeds aan mr. Daamen zijn overgedragen, en dat zich derhalve in deze zaak een – tweede – omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel aangenomen moet worden dat de verdachte met het cassatieberoep van het openbaar ministerie bekend is. 11. Dat betekent dat de zaak door de Hoge Raad in behandeling kan worden genomen, waarbij volledigheidshalve zij opgemerkt dat de raadsman van de verdachte geen incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld en de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. De zaak 12. Blijkens het arrest van het hof gaat het in deze zaak om het volgende. Op 12 september 2007 is met een schip genaamd ms. [A] vanuit Costa Rico een container Nederland binnengebracht. Volgens het laadmanifest zou deze container zijn geladen met 360 kartons koffie. Door middel van een zogenoemd fyco-formulier wordt door de afdeling pre arrival van de Douane te Rotterdam een verzoek gedaan om de container aan een fysieke controle te onderwerpen omdat de bestuurder van de onderneming die de koffie in Nederland importeert uit ter beschikking staande gegevens naar voren komt als hennepkweker en importeur van hasjiesj. De fysieke controle van de container wordt op 13 september 2007 uitgevoerd door twee speurhondengeleiders die tevens ambtenaren van de belastingdienst zijn. De narcoticaspeurhond ‘Rudi’ vertoont geen reactie. Vervolgens opent een van de speurhondenbegeleiders de container. Om de lading beter te kunnen bekijken beginnen beide speurhondenbegeleiders met het ‘afbouwen’ van de pallets. Bij controle van een doos op de een na onderste laag ziet een van de hondenbegeleiders een vreemd pakket onder de koffie liggen. In dit pakket wordt een gaatje gemaakt met een mes waarna wit poeder aan het mes blijft kleven. Een kleine hoeveelheid van het poeder wordt getest middels een ‘narcotest disposal testbuisje nummer 13’. Deze test reageert positief op de aanwezigheid van cocaïne. De speurhonden ‘Rudi’ en ‘Condor’ zoeken nogmaals in en om de container. Als ‘Rudi’ aan de achterkant een positieve melding geeft en ‘Condor’ een positieve melding aan de voorkant, wordt de container in beslag genomen. 13. Vervolgens wordt de container overgebracht naar een controleloods van de douane en worden alle in de container aanwezige 360 kartons handmatig gecontroleerd. Men treft in 94 kartons een groot vierkant pakket aan, waarin zich weer kleinere pakketten bevinden. Met de Narco-disposalkit wordt de inhoud van enkele pakketten getest. Deze test wijst uit dat de stof in de pakketten vermoedelijk cocaïne betreft. In alle (in totaal) 1504 kleine pakketten wordt een witte substantie aangetroffen. Ter vaststelling van het netto gewicht worden 5 kleine pakketten apart gehouden en wordt per groot pakket uit een willekeurig klein pakket een monster genomen. Deze monsters worden verdeeld over 188 gripzakjes. De overige inhoud van de container wordt ter vernietiging aangeboden. De 5 kleine pakketten en de 188 gripzakjes worden ter onderzoek aangeboden aan de Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland. De pakketten worden onderzocht en geanalyseerd waarbij ook 5 monsters worden achtergehouden voor eventuele contra-expertise. De 5 kleine pakketten en de in totaal 118 gripzakjes worden hierna vernietigd. Het onderzoeksteam zegt nimmer de beschikking te hebben gekregen over de 5 voor eventuele contra-expertise bedoelde monsters. Het verweer en de uitspraak in hoger beroep 14. Door de verdediging is in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging vanwege onherstelbare vormfouten in het opsporingsonderzoek, onder meer omdat, nu alle monsters van de in de container aangetroffen stof – naast de koffie – zijn vernietigd, contra-expertise niet meer mogelijk is en daarom met grove veronachtzaming tekort zou zijn gedaan aan de belangen van de verdachte en zijn recht op een eerlijk proces. 15. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen: 16. “Ten aanzien van de inbeslagname, het onderzoek en de vernietiging van het in de container aangetroffen materiaal, voor zover het geen koffie betreft A2.6 […] A2.7 Eén van de 5 apart gehouden kleine pakketten, inhoudende ongeveer 1 kilogram wit poeder is in opdracht van de officier van justitie terug geplaatst in de container. Deze zou gecontroleerd worden afgeleverd. (zie rubriek F1 pag. 26) De overige kartons in de container waaruit de pakketten met wit poeder waren gehaald, zijn ten behoeve van de gecontroleerde levering gevuld met hout en stenen. (zie rubriek B1 pag. 4) A2.8 Op 19 september 2007 is de container gelost bij de loods gelegen in Weert aan de [b-straat 1] . Diezelfde dag ’s avonds wordt de loods doorzocht en wordt de achtergebleven kilo wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. (zie rubriek B1 pag. 17 en rubriek E1 pag. 46) A2.9 Uit een proces-verbaal van verbalisant KL008261 van 24 september 2007 blijkt dat hij op 18 september 2007 van het Harc-Team genoemde 4 pakketten en 188 gripzakjes (genummerd 1.1A tot en met 8.10A en 1.1B tot en met 8.10B) met wit poeder heeft ontvangen en het vijfde pakket na doorzoeking van de loods te Weert (op 19 september 2007) door hem in beslag is genomen. De 188 gripzakjes en de 5 pakketten zijn op 21 september 2007 door deze verbalisant aangeboden aan [betrokkene 1] , een medewerker van het laboratorium van apotheker/laborant [betrokkene 2] , werkzaam bij de Forensische Opsporing van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, ter vaststelling van de identiteit van de in de container aangetroffen stof. (zie rubriek F1, pag. 32) A2.10 Uit het rapport van [betrokkene 2] d.d. 25 september 2007 blijkt dat genoemde 5 pakketten van ieder ongeveer 1 kilogram en 16 van de 94 gripzakjes (de A serie) zijn onderzocht en geanalyseerd. Van de A-serie zouden blijkens het rapport van [betrokkene 2] 5 monsters van 7,5 gram zijn achtergehouden. (zie rubriek F1 pag. 361). De rest van het materiaal (genoemde 5 pakketten en 188 gripzakjes) is door [betrokkene 2] overgedragen aan de Nationale Recherche. (zie rubriek F1 pag. 364) A2.11 Blijkens een proces-verbaal van vernietiging, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , werden op 30 januari 2008 de genoemde 5 pakketten (circa 5 kilogram wit poeder) en een hoeveelheid van 2 x 94 gripzakjes met monsters (verdeeld in een A-serie en een B-serie) welke nog lagen opgeslagen in de kluis van het onderzoeksteam, ter vernietiging overgebracht naar het afval bedrijf van de gemeente Amsterdam alwaar een en ander werd verbrand, (zie rubriek F1 pagina 363) A2.12 Op 3 april 2008 doet de raadsman van verdachte tijdens een regiezitting bij de rechtbank het verzoek om het in de container aangetroffen materiaal, de vermeende cocaïne, aan een tegenonderzoek te onderwerpen. De officier van justitie zegt toe aan dit verzoek mee te werken en hiertoe wordt door de officier van justitie contact opgenomen met het politielaboratorium van [betrokkene 2] en het onderzoeksteam van de Nationale Recherche. (zie proces-verbaal terechtzitting rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Roermond, d.d. 3 april 2008 en 17 april 2008); A2.13 Uit een naar aanleiding daarvan opgemaakt aanvullend proces-verbaal van de Nationale Recherche, verbalisant [verbalisant 1] , inspecteur van politie, d.d. 26 mei 2008 blijkt dat: - door de douane is aangegeven dat de verdeling van de monsters in een A-serie en een B-serie als doel heeft dat de A-serie onderzocht kan worden en dat de B-serie als contra-expertisemateriaal kan dienen. - door [betrokkene 2] , als politiedeskundige werkzaam bij het Forensisch Opsporingslaboratorium van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland geen gebruik werd gemaakt van de B-serie, gezien het feit dat [betrokkene 2] zelf monsters had veilig gesteld voor contra-expertise; - op 1 oktober 2007 de 188 gripzakjes (A-serie en B-serie) door [betrokkene 2] aan een rechercheur van het onderzoeksteam zijn teruggegeven en in afwachting van een beslissing van de officier van justitie zijn opgeslagen in een kluis van het onderzoeksteam; - op 28 januari 2008 op verzoek van [betrokkene 2] de vijf kleine pakketten (totaal ongeveer 5 kilogram) bij hem worden opgehaald om te worden vernietigd; - op 30 januari 2008 in opdracht van de officier van justitie deze vijf kleine pakketten en de 2 x 94 gripzakjes werden vernietigd; - onder het kopje “vermissing 5 monsters cocaïne ten behoeve van contra-expertise” is verwoord dat in verband met een verzoek om contra-expertise zijdens de verdediging op 13 mei 2008 telefonisch contact is opgenomen met [betrokkene 2] over de door hem (blijkens zijn rapport van 25 september 2007) 5 veilig gestelde monsters; - [betrokkene 2] vervolgens aangaf dat de 5 monsters niet in bezit van het laboratorium waren en aan het onderzoeksteam waren overgedragen; - het onderzoeksteam nimmer de beschikking heeft gekregen over de genoemde 5 monsters. A2.14 In een aanvullend rapport van [betrokkene 2] d.d. 28 mei 2008 geeft [betrokkene 2] aan dat de medewerkers van de Nationale Recherche al het materiaal dat hij voor onderzoek ter beschikking heeft gehad (inclusief de genoemde 5 monsters) hebben teruggekregen en dat er geen monsters worden bewaard op het politielaboratorium; A2.15 Tijdens een tweede regiezitting bij de rechtbank op 26 juni 2008 wordt door de rechtbank met zoveel woorden benoemd dat een contra-expertise niet meer gedaan kan worden. (zie proces-verbaal terechtzitting rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Roermond, d.d. 26 juni 2008); A2.16 Op 3 november 2008 heeft [betrokkene 2] ten overstaan van de rechter-commissaris een nadere verklaring afgelegd over de door hem uitgebrachte rapportage en de werkwijze van het laboratorium; A2.17 De rechter-commissaris heeft in december 2008 bij brief aan de raadsman medegedeeld dat, mede gelet op het feit dat het onmogelijk is om een contra-expertise uit te voeren, besloten is om de bemonstering en analyses van [betrokkene 2] voor te leggen aan een deskundige van het NFI om een oordeel te geven over de betrouwbaarheid van de gebruikte methode, de werkwijze van het laboratorium van de politie Amsterdam-Amstelland, de monsterneming en de door [betrokkene 2] getrokken conclusies. De raadsman is hieromtrent in de gelegenheid gesteld eventuele vragen voor te leggen aan de deskundige. A2.18 In een rapport van [betrokkene 3] van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 februari 2009 worden door [betrokkene 3] de genoemde nadere vragen over de bemonstering, analyses en conclusies in het onderzoek van [betrokkene 2] beantwoord; A2.19 Op 18 augustus 2009 heeft [betrokkene 1] , de tweede medewerker van het politielaboratorium van [betrokkene 2] , ten overstaan van de rechter-commissaris vragen beantwoord over de rapportage van [betrokkene 2] en de werkwijze van het laboratorium; A2.20 Ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 2 oktober 2009 hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als getuige-deskundige een verklaring afgelegd naar aanleiding van nadere vragen over de door hen uitgebrachte rapportages, de wijze van bemonstering, de (betrouwbaarheid van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.