PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00237 Zitting 30 oktober 2020 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak [de notaris] tegen Bureau Financieel Toezicht In deze tuchtprocedure i
Article 6
of the European Convention on Human Rights, Right to a Fair Trial (civil limb), bijgewerkt tot 30 april 2020, IV, A, par. 5;
Article 6
, Right to a Fair Trial (criminal limb), bijgewerkt tot 31 augustus 2020, V, A, par.
- Beide gidsen zijn te raadplegen via echr.coe.int/case law guides. Zie de correspondentie, aangehaald in de tussenbeslissing van de Kamer voor het notariaat van 13 maart 2018, onder 1.
- Rov. 38 van EHRM 24 april 2003 (Yvon/Frankrijk, appl.no. 44962/98), EHRC 2003/49 m.nt. A.W. Heringa. Zie grief 1 – 1.c (memorie van grieven van de notaris, blz. 9 – 24) en de reactie daarop van het BFT (verweerschrift in appel, in het bijzonder blz. 3 en 4). Volgens de notaris was er een (door hem betwiste) vordering van de Belastingdienst die verband hield met de gevolgen van een of meer van de genoemde rechtshandelingen voor de inkomstenbelasting van de notaris, waarover tussen de Belastingdienst en de notaris een aanzienlijk verschil in opvatting bestond. Zie onder meer: J.C.H. Melis, De Notariswet, bew. B.C.M. Waaijer, 2019, blz. 506 – 508; MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33 569, nr. 3, blz. 2, 5 en 6; nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2012/13, 33 569, nr. 6, blz.
- Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 1.3.1, met verdere vindplaatsen in de gedingstukken. Wet van 3 april 1999, Stb. 1999, 190 (Kamerstukken 23 706). Bijlage bij brief minister van 28 september 2005, Kamerstukken II 2005/06, 23 706 nr. 62, blz. 54 –
- Kamerstukken II 2009/10, 32 250, nr. 4, blz.
- Gepubliceerd als bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 29 279, nr. 48; zie blz.
- Vgl. art. 43 Gerechtsdeurwaarderswet. Besluit van 12 juli 2012, Stb. 2012,
- MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 250, nr. 3, blz.
- Voor zover hier van belang luidend: “Op de zaken tegen notarissen en kandidaat-notarissen die op het moment van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel VV, aanhangig zijn bij de kamers van toezicht of het gerechtshof Amsterdam, blijft artikel 103 van de Wet op het notarisambt van toepassing zoals dat luidde voor de inwerkintreding van dat onderdeel. (…)” Zie het verweerschrift onder 2.
- Zie HR 1 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0676, NJ 1997/442, t.a.v. de combinatie van geldboete en een taakstraf; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3164, NJ 2002/482 m.nt. G. Knigge. Naar aanleiding van het arrest Scoppola/Italië (EHRM 17 september 2009, appl.no. 10249/03, AB 2010/102 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik) heeft de strafkamer in HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78 m.nt. N. Keijzer, zijn jurisprudentie bijgesteld ten aanzien van verandering van wetgeving als lex mitior (wijziging in het voordeel van de verdachte met betrekking tot de sanctiebedreiging). Zie bijv. CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754; CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:901; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, 16e dr., Deventer 2014, blz. 478 –
- Zo is in de belastingkamer de verhouding tot art. 7 EVRM aan de orde gekomen in het kader van bestuurlijke (vergrijp-)boetes en een wijziging van de ‘inkeerregeling’: zie HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2041, na conclusie van A-G IJzerman. Zie verder: F.J.P.M. Haas, Bestuurlijke boeten in het belastingrecht, 2018, blz. 121 – 130.
Article 7
of the European Convention on Human Rights, Case Law Guides (te raadplegen via echr.coe.int), bijgewerkt tot 31 augustus 2020, par. II.b.; Tekst & Commentaar Strafvordering, EVRM art. 7, aant. 2 (De Vocht); SDU Commentaar EVRM, art. 7, aant. 2 (H.F. Morre). Zie in deze zin ook: E. Bleichrodt, “No punishment without law (Article 7)’, in: P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Cambridge e.a.: Intersentia, 2018, blz.
- EHRM 2 september 1998 (Lauko/Slowakije, appl.no. 26138/95), overweging 56: “The Court recalls at the outset that in order to determine whether an offence qualifies as “criminal” for the purposes of the Convention, the first matter to be ascertained is whether or not the text defining the offence belongs, in the legal system of the respondent State, to the criminal law; next, the nature of the offence and, finally, the nature and degree of severity of the penalty that the person concerned risked incurring must be examined, having regard to the object and purpose of Article 6, to the ordinary meaning of the terms of that Article and to the laws of the Contracting States (…).” EHRM 23 juli 2002, (Västberga Taxi AB en Vulic/Zweden, appl.no. 36 985/97), BNB 2003/2, par. 76; herhaald in 3 juli 2012 (Lewandowski/Polen, appl.no. 66484/09), par.
- Besproken in F.J.P.M. Haas, Bestuurlijke boeten in het belastingrecht, 2018, blz. 121 – 130, reeds aangehaald. EHRM 23 november 2006 (Jussina/Zweden, appl.no. 73053/01), AB 2007/51, EHRC 2007/
- EHRM 9 oktober 2003 (Ezeh and Connors/Verenigd Koninkrijk, appl.nos. 3966/98 en 40086/98), EHRC 2003/90 m.nt. K. Albers. Een general comment op art. 15 IVBPR heb ik niet gevonden (ohchr.org). Zie voor een vergelijking tussen art. 1 Sr, art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR onder meer: SDU Commentaar Wetboek van Strafrecht, aantekeningen bij art. 1.