PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05704 Zitting 13 november 2020 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak 1. [eiseres 1] V.O.F. 2. [eiser 2] 3. [eiser 3] (hierna: ‘ [eisers] ’) tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ‘Interpolis’) [eisers] exploiteren een varkensbedrijf. Op 23 juni 2016 zijn zij getroffen door een zogenoemde supercel: een fikse storm die met grote hagelstenen gepaard is gegaan. Een aantal van hun bedrijfsgebouwen is hierdoor beschadigd geraakt. In dit verband hebben zij een beroep gedaan op hun bij Interpolis lopende verzekering. Interpolis heeft uitkering geweigerd, omdat sprake zou zijn van hagelschade en [eisers] bij het afsluiten van de verzekering niet voor de module ‘hagel’ heeft gekozen. Volgens [eisers] moet de schade worden aangemerkt als stormschade, waarvoor de verzekering wel dekking biedt. Bovendien zou, zelfs als sprake is van hagelschade, de storm als de rechtens relevante oorzaak (de ‘dominant cause’) van de schade moeten worden aangemerkt. Zonder de storm zouden de hagelstenen immers niet zo groot zijn geworden en niet zo hard hebben ingeslagen. De rechtbank en het hof hebben de vorderingen van [eisers] afgewezen. Volgens het hof omvat het begrip ‘stormschade’ niet mede de schade als gevolg van hagelstenen (ongeacht hun grootte) die met een flinke storm (de supercel) naar beneden komen. Toepassing van de dominant cause-leer heeft het hof tot het oordeel gebracht dat de geconstateerde schade als het gevolg van de hagel moet worden aangemerkt (en dus niet (mede) als gevolg van de storm). In cassatie betogen [eisers] onder meer dat – hoewel ze dat zelf in hoger beroep hebben bepleit – het hof ten onrechte de dominant cause-leer heeft toegepast: een uit het Engelse verzekeringsrecht overgewaaide causaliteitsleer, waarbij het gezond verstand (common sense) leidend is en die inhoudt dat, indien de schade meer dan één oorzaak heeft, gezocht moet worden naar de dominante oorzaak. 1Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 [eisers] hebben een varkensfokkerij in [vestigingsplaats] en hebben via hun assurantietussenpersoon Rabobank [plaats], in 2014 een verzekering genaamd ‘Bedrijven Compact Polis Agrarisch’ afgesloten bij Interpolis (als vervolg op een al langer lopende verzekering). Deze verzekering wordt ook wel een ‘named perils’ (gedekte gevaren) polis genoemd, hetgeen inhoudt dat de verzekerde per object en per evenement kan kiezen voor een bepaalde dekking. 1.3 Bij de in 2014 afgesloten polis horen de verzekeringsvoorwaarden versie 5.3 van januari 2014. In de onderhavige zaak gaat het specifiek om hoofdstuk 1 van de verzekeringsvoorwaarden, dekking van gebouwen. De polis is in 2015 en in 2016 geprolongeerd met de daarbij behorende verzekeringsvoorwaarden versie 5.4 en versie 5.5. 1.4 [eisers] hebben voor hun (bedrijfs)gebouwen dekking gekozen voor brand en storm (par. 1 van hoofdstuk 1 van de verzekeringsvoorwaarden waaronder ook de schade wordt gedekt door blikseminslag, ontploffing en implosie, en luchtvaartuigen). In de polisvoorwaarden van 2014, versie 5.3, is de omvang van de verzekering als volgt omschreven: “De verzekering dekt schade aan gebouwen die volgens het verzekeringsbewijs verzekerd zijn op deze voorwaarden, als de schade is ontstaan door: (...) storm, tenzij de schade is ontstaan aan gebouwen die aan drie of meer zijden open zijn. (...)” 1.5 In de polisvoorwaarden van 2015 en 2016, versies 5.4 en 5.5, is het begrip storm als volgt omschreven: “storm, tenzij de schade is ontstaan aan gebouwen die aan drie of meer zijden open zijn. (...) Onder schade door storm verstaan wij niet de schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” 1.6 In de polisvoorwaarden van 2014, 2015 en 2016, versies 5.3, 5.4 en 5.5, is in paragraaf 6 de module ‘Hagel’ opgenomen. De omvang van deze dekking is als volgt omschreven: “De verzekering dekt schade aan bedrijfsgebouwen die volgens het verzekeringsbewijs verzekerd zijn op deze voorwaarden, als de schade is ontstaan door hagel.” 1.7 [eisers] hebben niet voor de module ‘hagel’ gekozen voor de bedrijfsgebouwen. [eisers] hebben alleen later, in november 2015, voor ‘loods 118’ gekozen voor de hagelmodule, omdat zij zonnepanelen op het dak van loods 118 hadden laten plaatsen. 1.8 In de begrippenlijst die deel uitmaakt van de verzekeringsvoorwaarden zijn de volgende definities/omschrijvingen te vinden: “Hagel Onder hagel wordt neerslag in de vorm van ijskorrels verstaan. (…) Storm Een windsnelheid van ten minste 14 meter per seconde.” 1.9 Op 23 juni 2016 is de regio [vestigingsplaats] en omstreken geteisterd door zware hagel- en onweersbuien, ook wel bekend geworden onder de benaming ‘supercel’. Een supercel is, volgens MeteoGroup “een bijzonder zware onweersbui, welke veelal gepaard gaat met zware neerslag, zware windstoten, grootschalige onweersactiviteit en grote hagelstenen”. Volgens een persbericht van het KNMI vielen op een aantal plaatsen hagelstenen met een doorsnede van 4-6 centimeter en lokaal zelfs stenen van 7-10 cm. 1.10 [eisers] hebben als gevolg van deze supercel schade geleden aan hun gebouwen. Zij hebben deze schade onder de polis geclaimd bij Interpolis. Interpolis heeft die claim afgewezen, omdat (hagel)dekking hiervoor ontbrak op de polis. Interpolis heeft onderzoek door schade-experts laten uitvoeren. Volgens Interpolis is de schade aan de gebouwen van [eisers] (gaten in de golfplaten en deuken in de stalen dak- en gevelplaten) het gevolg van de hagel (en niet van een storm). 2Procesverloop Eerste aanleg 2.1 [eisers] hebben Interpolis bij dagvaarding van 3 januari 2017 in rechte betrokken voor de rechtbank Gelderland en, kort gezegd, gevorderd Interpolis te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de polis en de schade van [eisers] van € 180.437,49 (excl. btw) te vergoeden. 2.2 In eerste aanleg hebben [eisers] primair aangevoerd dat de verzekering dekking biedt voor schade door hagel en dat derhalve sprake is van een onder de polisvoorwaarden gedekt evenement. Zij hebben zich beroepen op de in de verzekeringsvoorwaarden versie 5.3 (januari 2014) opgenomen dekkingsomschrijving: “storm, tenzij de schade is ontstaan aan gebouwen die aan drie of meer zijden open zijn. (…)” Interpolis heeft als verweer gevoerd dat de door [eisers] geclaimde hagelschade niet is gedekt onder de verzekering. Zij heeft daartoe verwezen naar de in de versie 5.4 en 5.5 opgenomen dekkingsomschrijving van storm, waarin de volgende toevoeging is opgenomen: “Onder schade door storm verstaan wij niet de schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” 2.3 De rechtbank heeft de primaire stelling van [eisers] verworpen (rov. 4.2. tot en met 4.4. van het vonnis). De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [eisers] er weloverwogen voor hebben gekozen hun gebouwen wel voor brand en storm te verzekeren, maar niet voor hagelschade, met uitzondering van hun zonnepanelen. De rechtbank heeft de stelling van [eisers] , dat Interpolis geen beroep toekomt op de zin “Onder schade door storm verstaan wij niet de schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” in versies 5.4 en 5.4 van de verzekeringsvoorwaarden (randnummer 2.2 hiervoor), omdat deze zin in versie 5.3 niet voorkwam en Interpolis [eisers] niet over deze ‘wijziging’ heeft geïnformeerd, verworpen. Volgens de rechtbank is slechts sprake geweest van een verduidelijking. [eisers] hadden dit naar het oordeel van de rechtbank kunnen begrijpen. 2.4 [eisers] hebben subsidiair gesteld (rov. 4.5. van het vonnis) dat op 23 juni 2016 geen sprake is geweest van een normale hagelbui met neerslag in de vorm van ijskorrels, maar van ijsbollen die in staat waren dakpannen te doorboren. De ijsbollen zijn volgens [eisers] niet te scharen onder de definitie van neerslag in de vorm van ijskorrels, de definitie die Interpolis in haar verzekeringsvoorwaarden heeft opgenomen, zodat Interpolis geen beroep toekomt op deze definitie. 2.5 De rechtbank heeft ook dit betoog van [eisers] verworpen (rov. 4.5. tot en met 4.17. van het vonnis). In rov. 4.17. heeft de rechtbank uiteindelijk geoordeeld dat de rechtens relevante schadeoorzaak is gelegen in de op 23 juni 2016 gevallen hagel. Dat de hagel is ontstaan in de supercel, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Volgens de rechtbank hebben [eisers] onvoldoende gesteld dat zij schade hebben geleden als gevolg van een onder de polisvoorwaarden gedekt evenement. 2.6 De rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] afgewezen. Hoger beroep 2.7 [eisers] zijn met zeven grieven tegen het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank opgekomen. 2.8 Het hof is in rov. 2.5 ingegaan op de uitleg en aanpassing/wijziging van de verzekeringsvoorwaarden en heeft in dat kader eerst de standpunten van [eisers] en Interpolis weergegeven. Het hof is daarbij begonnen met een weergave van het standpunt van [eisers] : “2.5 [eisers] voert aan dat met ingang van 2015 de verzekeringsvoorwaarden (versie 5.4) zijn gewijzigd gezien de toevoeging die is gedaan (ten opzichte van versie 5.3) dat onder storm niet wordt verstaan ‘schade die tijdens de storm door inslag van hagel is ontstaan’. [eisers] is op deze wijziging niet gewezen door Interpolis (door tussenkomst van de Rabobank), hetgeen wel had gemoeten. In hoofdstuk 8, waarin de algemene bepalingen zijn opgenomen, is in paragraaf 1 bepaald dat de verzekering per de einddatum steeds stilzwijgend wordt verlengd met de termijn van 1 jaar. In paragraaf 5 is opgenomen dat ieder jaar de premie en de verzekeringsvoorwaarden door Interpolis worden beoordeeld en dat de verzekeringnemer daarover wordt bericht: ‘U ontvangt dan een brief met een nieuw verzekeringsbewijs en een overzicht van de eventuele wijzigingen.’ [eisers] stelt dat hij zo’n brief nooit heeft ontvangen; hij kreeg de (nieuwe) verzekeringsvoorwaarden per CD-rom toegestuurd (…).” 2.9 [eisers] hebben dus aangevoerd dat Interpolis met ingang van 2015, met de introductie van versie 5.4 van de verzekeringsvoorwaarden, de verzekeringsvoorwaarden (ten opzichte van versie 5.3) heeft gewijzigd, door de zin “Onder schade door storm verstaan wij niet de schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan” toe te voegen aan de dekkingsomschrijving van schade veroorzaakt door storm. [eisers] achten zich niet gebonden aan deze wijziging, althans zij zijn van mening dat Interpolis daarop geen beroep toekomt. 2.10 Interpolis heeft hiertegen ingebracht dat geen sprake is geweest van een wijziging van de polisvoorwaarde(n), maar slechts van een verduidelijking: “2.5 (…) Daarom hoefde Interpolis [eisers] hierop ook niet expliciet te wijzen. In (het format van) de prolongatiebrief voor 2015 (versie 5.4) die ook aan [eisers] is gestuurd staat inderdaad niets over de toegevoegde zinsnede, omdat deze zinsnede een verduidelijking was en geen wijziging. Verzekerden worden slechts direct geïnformeerd over wijzigingen die relevant zijn voor de vermindering of vermeerdering van de dekking, aldus nog steeds Interpolis. Ter zitting in hoger beroep heeft Interpolis op een vraag van het hof toegelicht dat de jaarlijkse brief aan verzekerden beknopte informatie bevat over de wijzigingen en dat ervoor gekozen is om de verduidelijkingen niet apart te communiceren in verband met de lengte van de brief. De nieuwe verzekeringsvoorwaarden worden volgens de prolongatiebrief verzonden met een CD-rom, die [eisers] wel heeft ontvangen. In dit kader heeft Interpolis ook aangevoerd dat [eisers] op de hoogte was van het verschil in dekking voor storm en hagel nu [eisers] in 2015 voor de zonnepanelen, naast dekking voor stormschade, ook gekozen heeft voor dekking voor schade veroorzaakt door hagel.” 2.11 Voordat het hof inhoudelijk is ingegaan op de vraag of sprake is geweest van een wijziging of van een verduidelijking, heeft het hof vastgesteld dat Interpolis reeds in 1998 haar polisvoorwaarden heeft gewijzigd in die zin dat onder stormschade geen hagelschade meer werd vergoed en dat voor dekking van hagelschade een aparte/extra module moest worden gekozen: “2.6 In het kader van een voorlopig getuigenverhoor van [eisers] tegen de Rabobank (in maart en april 2019) zijn enkele medewerkers van de Rabobank als getuige gehoord (deze stukken zijn door [eisers] in de onderhavige procedure ingebracht als bijlagen 6 en 7 ten behoeve van de comparitie van partijen op 15 juli 2019). Zo verklaart [betrokkene 1] (risicospecialist verzekeringen) over de toegevoegde zinsnede in de begripsomschrijving ‘storm’: “Ik weet dat dit een verduidelijking is die Interpolis heeft aangebracht in de versies vanaf 2015. Het is niet zo dat deze schade onder de eerdere verzekeringen wel werd gedekt. Het stond alleen niet zo expliciet genoemd. Waarom dit er zo ingekomen is moet u aan Interpolis vragen maar ik denk dat het erin is gekomen omdat het er nu duidelijker in staat.” [betrokkene 2] (assurantieadviseur/risicospecialist) verklaart hierover: “Dit is een verduidelijking van Interpolis. Er waren nog steeds verzekerden die wezen op de situatie van voor 1998 waarbij hagelschade onder stormschade werd gevat. Ik denk dat Interpolis daarom deze verduidelijking heeft aangebracht, om deze discussie te voorkomen.” En tot slot verklaart [betrokkene 3] (manager verzekeringen) hierover: “Ik weet dat het beleid van dekking bij hagelschades bij Interpolis gewijzigd is. Ik weet niet meer op welke datum dat gebeurd is. (...) Wat ik weet is dat er een specifieke module moest komen omtrent hagel op de polis.” Uit deze getuigenverklaringen leidt het hof af dat Interpolis in 1998 haar polisvoorwaarden heeft gewijzigd in die zin dat onder stormschade geen hagelschade meer werd vergoed en dat voor dekking van hagelschade een aparte/extra module moest worden gekozen.” 2.12 In het kader van de vraag of sprake is geweest van een wijziging of van een verduidelijking heeft het hof in rov. 2.7 overwogen dat hier om een uitlegvraag gaat en daarbij ook aangegeven van welke maatstaf met worden uitgegaan: “2.7 Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging dan wel verduidelijking van de polisvoorwaarde wat betreft de dekking tegen stormschade is van belang hoe de polisvoorwaarde in versie 5.3 uitgelegd moet worden, uiteraard in samenhang met de andere polisvoorwaarden en in het bijzonder die betreffende de hageldekking. Niet ter discussie staat dat over de door Interpolis gehanteerde verzekeringsvoorwaarden niet is onderhandeld tussen partijen. Voor de uitleg hiervan heeft de Hoge Raad in het arrest van 16 mei 2008 ( […] / […] ; ECLI:NL:HR:BC2793; zie ook conclusie A-G bij HR 9 juni 2017 onder nummer 3 e.v. ECLI:NL:PHR:2017:185) geoordeeld dat het bij de uitleg van zodanige polisvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.” 2.13 Het hof heeft overwogen dat het in casu om een maatwerkpolis gaat: “2.8 Het gaat hier om een Bedrijven Compact Polis Agrarisch waarbij de mogelijkheid bestaat voor de verzekerde om per object en per evenement voor een bepaalde dekking te kiezen; in zoverre kan ook gesproken worden van een maatwerkpolis en heeft de verzekerde het in eigen hand om voor de te verzekeren gebouwen, bedrijfsmiddelen, bedrijfsstagnatie, verkeer, milieu en rechtsbijstand te kiezen voor een bepaalde dekking.” 2.14 In rov. 2.9 heeft het hof geoordeeld dat de op 23 juni 2016 neergekomen hagelstenen niet onder het polisbegrip ‘storm’ vallen. Het hof is in een aantal stappen tot dit oordeel gekomen. Eerst heeft het hof aandacht besteed aan (de onderverdeling
- in)versie 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden: “2.9 De verzekeringsvoorwaarden versie 5.3 zijn wat betreft de gebouwen (hoofdstuk 1 genoemd) onderverdeeld in zeven benoemde paragrafen (1: brand, storm alle gebouwen; 2: inbraak, diefstal, water c.a. bedrijfsgebouwen; 3: inbraak, diefstal, water c.a. woningen; 4: opsporing breuk en defect waterschade woningen; 5: ruitbreuk woningen; 6: hagel bedrijfsgebouwen; 7: machine en elektronica bedrijfsgebouwen), waarvan de paragrafen 2, 6 en 7 dus enkel gelden voor bedrijfsgebouwen. Uit de verzekeringsvoorwaarden versie 5.3 van Interpolis in samenhang gelezen met de polis van [eisers] blijkt genoegzaam dat de gebouwen verzekerd zijn tegen onder meer stormschade en dat storm wordt omschreven als een windsnelheid van tenminste 14 meter per seconde. (…)” 2.15 Vervolgens heeft het hof aandacht besteed aan de volgende stellingen van [eisers] : “2.9 (…) [eisers] stelt (inleidende dagvaarding sub 7.10) dat het hem bij het aangaan van de verzekering niet duidelijk was dat schade ontstaan door een storm een zodanige beperkte reikwijdte had dat daaronder niet was begrepen de inslag van extreem grote hagelstenen zoals zich heeft voorgedaan op 23 juni 2016. Het was hem wel duidelijk dat hij niet separaat verzekerd was voor hagelschade (zonder dat sprake was van storm) en dat hij daarom in november 2015 uitdrukkelijk heeft besloten om deze dekking wel te kiezen voor zijn zonnepanelen (memorie van grieven sub 46). Hagelschade is in de polis omschreven als neerslag in de vorm van ijskorrels. [eisers] stelt dat van een hagelbui in de zin van de polisvoorwaarden zoals die zich op de schadedatum voordeed (de supercel) geen sprake is en dat hij, door de beperkte reikwijdte van de definitie van hagel in de polisvoorwaarden in de veronderstelling verkeerde dat hij verzekerd was voor schade als gevolg van “door storm inslaande extreem grote ijsballen”. (…).” 2.16 In het kader van zijn beoordeling van deze stellingen van [eisers] heeft het hof, net als de rechtbank, acht geslagen op de definitie van hagel op de website van het KNMI, op de rapporten van MeteoGroup van 27 september 2016 en 27 oktober 2016 en op het persbericht van het KNMI over het weer op 23 juni 2016: “2.9 (…) Zo staat op de website van de [lees: het] KNMI te lezen dat hagelstenen harde klompjes ijs zijn, die ontstaan in buienwolken met sterke opgaande en neergaande luchtstromen. De ‘echte hagel’ is een harde, massieve en enigszins doorzichtige ijsklomp (dit wordt ook wel harde hagel of zomerhagel genoemd) en ontstaat in stevige zomerse buien, meestal bij warm weer en in combinatie met onweer. De hagelstenen kunnen bij bijzonder zware buien meer dan vijf centimeter groot zijn en kunnen grote schade veroorzaken, aldus nog steeds het KNMI. De rapporten van de MeteoGroup beschrijven de supercel als “een bijzonder zware onweersbui, welke veelal gepaard gaat met zware neerslag, zeer zware windstoten (...), grootschalige onweersactiviteit en grote hagelstenen.” Door de opgaande en neergaande luchtbewegingen kan de aangroei van hagel lang doorgaan en dat is ook de reden dat “de hagelstenen uit een supercel in de regel groter zijn dan uit een reguliere (hagel)bui.” En tot slot in antwoord op de vraag welke benaming wordt gegeven aan “de objecten” die uit de lucht vielen (op 23 juni 2016): “Deze objecten hebben de benaming hagel, ongeacht de vorm, de afmeting of het gewicht van deze objecten.” In het persbericht van de [lees: het] KNMI over het weer op 23 juni 2016 (dat ook bedoeld is voor de gemiddelde krantenlezer, zo verstaat het hof) wordt beschreven dat de supercel die over het zuidoosten van Brabant trok zeer grote schade veroorzaakte, met name door hagelstenen. (…)” 2.17 Dit heeft het hof tot de conclusie gebracht dat de hagelstenen niet onder het polisbegrip ‘storm’ vallen: “2.9 (…) Het hof concludeert uit deze voornoemde stukken dat naar algemeen spraakgebruik onder hagel wordt verstaan iedere vorm van neerslag in de vorm van ijsklompen/ijskorrels ongeacht de grootte daarvan, niet alleen binnen de meteorologische wereld maar ook in de berichtgeving voor de gemiddelde krantenlezer. Dat de hagelstenen uit een supercel ook gepaard gaan met (hevig) onweer en harde wind, maakt niet dat daarom deze hagelstenen onder het polisbegrip ‘storm’ vallen. Daarbij telt ook mee dat in de Bedrijven Compact Polis Agrarisch een aparte mogelijkheid/module is voor het verzekeren van schade door hagel. Zo’n aparte module zou zinledig zijn als forse hagel uit een supercel onder het begrip ‘storm’ zou vallen en alle andere hagel(schade) niet; zo’n onderscheid bevordert bepaald niet de duidelijkheid van een polis.” 2.18 Na aldus tot het oordeel te zijn gekomen dat de op 23 juni 2016 neergekomen hagelstenen niet onder het polisbegrip ‘storm’ vallen, heeft het hof, onder het kopje ‘Contra proferentem regel’, het beroep van [eisers] op uitleg in hun voordeel als volgt beoordeeld: “2.10 De uitleg contra proferentem heeft betrekking op het geval dat door de verzekeraar eenzijdig opgestelde polisvoorwaarden voor verschillende uitleg vatbaar zijn en deze uitleg houdt in dat een onduidelijkheid in de polisvoorwaarden ten nadele van de opsteller van de voorwaarden (doorgaans: de verzekeraar) wordt uitgelegd en ten voordele van de consument. Wanneer de verzekeringnemer geen consument is, gaat het om een gezichtspunt dat de feitenrechter in het kader van de uitleg van de bepaling mag meewegen (reflexwerking ten voordele van de ‘kleine ondernemer’). [eisers] voert aan dat hij een ‘kleine ondernemer’ is en dat de beide vennoten slechts een middelbare agrarische opleiding hebben genoten en geen kennis hebben van verzekeringen. [eisers] stelt voorts, in het kader van een beroep op de contra proferentem regel en het aan hem toerekenen van de veronderstelde deskundigheid van de assurantietussenpersoon, dat de Rabobank geen onafhankelijke tussenpersoon is maar een verlengstuk van Interpolis. Interpolis was een (zelfstandige) dochter van de Rabobank, die in 2005 is gefuseerd met Achmea; na de fusie is de Rabobank de grootste aandeelhouder in Achmea. [eisers] voert aan (sub 94 memorie van grieven) dat de (veronderstelde) kennis van de Rabobank juist dient te worden toegerekend aan Interpolis/Achmea. De door [eisers] aangevoerde feiten dat de Rabobank niet onafhankelijk is en dus ook niet onafhankelijk adviseert over de agrarische verzekeringsproducten doet in de onderhavige zaak niet ter zake – de onder 2.6 gehoorde getuigen verklaren hierover ook iets anders en genuanceerder; in dit geding staat echter niet de positie van de Rabobank als (onafhankelijk) assurantietussenpersoon ter discussie – nu het hof de kennis van de Rabobank niet heeft meegewogen en dus ook niet heeft toegerekend aan [eisers] Voorts heeft het hof bij zijn uitleg van de polisvoorwaarden (en de daarin gehanteerde begrippen) alle feiten en omstandigheden van deze zaak betrokken en geen aanknopingspunten gevonden voor een uitleg ten nadele van Interpolis.” 2.19 Concluderend heeft het hof geoordeeld: “2.11 (…) dat het begrip stormschade onder de verzekeringsvoorwaarden 5.3 niet mede omvat(
- te)de schade als gevolg van hagelstenen (ongeacht de grootte van die hagelstenen) die met een flinke storm (de supercel) naar beneden komen. Dat betekent aldus ook dat de toevoeging in de verzekeringsvoorwaarden 5.4 (en 5.5) dat onder storm niet de schade wordt verstaan door inslag van hagel geen wijziging is, doch een verduidelijking (en aldus ook niet in de begeleidende brief bij de CD-rom benoemd behoefde te worden). De bewijsaanbiedingen van [eisers] (memorie van grieven sub 143) missen verdere relevantie nu deze niet ter zake dienend zijn in het kader van de uitleg van de polisvoorwaarden. (…)” 2.20 Vervolgens heeft het hof in rov. 2.12 tot en met 2.14 onder het kopje ‘De rechtens relevante schadeoorzaak – dominant cause leer’ geoordeeld over rov. 4.17. van het vonnis van de rechtbank (hiervoor randnummer 2.5) waarvan de tekst als volgt luidt: “In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtens relevante schadeoorzaak is gelegen in de op 23 juni 2016 gevallen hagel. Dat de hagel is ontstaan in de supercel doet daar niet aan af. [eisers] heeft onvoldoende gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van een onder de polisvoorwaarden gedekt evenement.” 2.21 [eisers] betogen dat zij schade hebben geleden als gevolg van een storm en daarmee als gevolg van een onder de verzekering gedekt evenement. Het hof heeft de stellingen van [eisers] in dit verband, en de onderbouwing daarvan, als volgt samengevat: “2.12 In de lijn van het voorgaande betoog van [eisers] stelt hij onder grief IV dat hij schade heeft geleden als gevolg van een storm (een gedekt evenement). Hij heeft ter onderbouwing van zijn stelling een onderzoeksrapport overgelegd van [A] B.V. (dat overigens is opgesteld ten behoeve van een andere procedure tussen de familie […] en ASR, waarbij de tekening en foto’s van de gebouwen dus ook niet overeenkomen met de gebouwen van [eisers] ). In dit rapport wordt uitvoerig beschreven dat de hagelschade van de supercel alleen maar dan wel voornamelijk is veroorzaakt door de wind(snelheden): “Op 23 juni 2016 was er tijdens de hagelbui sprake van windsnelheden in dezelfde orde [van] grootte als de maximale valsnelheid van de hagel. Als gevolg van deze situatie nam de kinetische energie van de beschouwde hagel met 89% toe (verdubbelde bijna) en was de impact op verticale vlakken nagenoeg gelijk aan die op horizontale vlakken. Ook op schuine vlakken was de impact van de hagel door deze windinvloeden veel groter. Hieronder konden hagelstenen, die ander[s] niet genoeg kinetische energie hadden bezeten om schade te kunnen veroorzaken, alsnog het geconstateerde verwoestende effect hebben. (...) Hagelstenen van een dergelijke omvang [diameter van 5 cm, toev. hof] blijken deuken in stalen sandwichelementen te kunnen veroorzaken bij windsnelheden vanaf 11 m/s. Deze snelheden zijn tijdens de betreffende hagelbui veelvuldig gehaald en ook ruim overstegen. (...) Bij gevels en steile daken (in het geval van stalen sandwichpanelen boven de 70°) kan de gegeven hagelbui alleen schade veroorzaakt hebben onder invloed van wind.” Volgens [A] is de mate en plaats van de schade (deuken) bij de metalen geveldelen (van het gebouw van de familie […] , toev. hof) eenduidig en alleen te herleiden naar de wind (-snelheden en -richtingen). [eisers] concludeert dan ook dat de rechtens relevante oorzaak van de schade daarmee de storm is en dat sprake is van een gedekt evenement. Interpolis betwist dit.” 2.22 Het hof heeft vervolgens in rov. 2.13 aangegeven bij het beantwoorden van de vraag of de schade, zoals [eisers] hebben aangevoerd, door ‘storm’ is veroorzaakt, te zullen uitgaan van de dominant cause-leer: “2.13 Uit de (al onder 2.9 genoemde) rapporten van MeteoGroup volgt genoegzaam dat het onstuimige weer op 23 juni 2016 als supercel is gedefinieerd en is omschreven als “een bijzonder zware onweersbui, welke veelal gepaard gaat met zware neerslag, zeer zware windstoten (...), grootschalige onweersactiviteit en grote hagelstenen.” Het gaat hier aldus om een combinatie van storm, wind en hagel die ieder voor zich de schade kan veroorzaken. In de polisvoorwaarden zijn storm en hagel (apart) gedefinieerd; het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat onder hagel wordt verstaan iedere vorm van neerslag in de vorm van ijsklompen/ijskorrels ongeacht de grootte daarvan. Van stormschade wordt in de polisvoorwaarde uitgesloten de schade die door hagelinslag is ontstaan. [eisers] heeft alleen dekking voor stormschade. Of er sprake is van dekking van de schade van [eisers] hangt af van het antwoord op de vraag of de storm de rechtens relevante oorzaak is (geweest) van de schade (de ‘dominant cause’). In verzekeringsrechtelijke zaken als de onderhavige kan de zogeheten ‘dominant cause leer’ als volgt worden omschreven: een oorzaak kwalificeert pas ais rechtens relevant als die geldt als de meest effectieve of meest dominerende factor voor het ontstaan van de schade, “althans dat de daaropvolgende gebeurtenissen geen zelfstandige betekenis hebben en terug te voeren zijn op die ene gebeurtenis” (J.S. Overes in AV&S 2018/26). De ‘dominant cause’ wordt mede vastgesteld met inachtneming van de regels van gezond verstand.” 2.23 In rov. 2.14 heeft het hof geoordeeld dat de schade van [eisers] is veroorzaakt door hagel en niet door storm: “2.14 Uit het expertiserapport van Achmea (Interpolis Agro) van 16 februari 2017 is de schade aan de gebouwen van [eisers] als volgt beschreven: "Op donderdagavond 23 juni 2016 zijn er in de regio [vestigingsplaats] en omstreken zware hagelbuien geweest met hagelstenen ter grootte van tennisballen en groter. (...) De golfplaten daken zijn op zeer veel plaatsen geperforeerd met gaten van enkele centimeters tot een doorsnede van 10 tot wel 20 cm. (...) De stalen dakplaten op gebouw 105, 107, en gebouw 116 zijn zichtbaar geraakt en licht gedeukt. (...) De zonnepanelen zijn niet zichtbaar beschadigd. De stalen gevelplaten vertonen deuken.” Een en ander wordt verduidelijkt met foto’s. De conclusie in het rapport luidt: “Op basis van ons onderzoek van het schadebeeld in het algemeen en de gaten in detail, concludeerden wij dat de beschadigingen in de vorm van gaten in de golfplaten en deuken in de stalen dak- en gevelplaten het gevolg zijn van de hagel.” En verderop over het schadebedrag: “Door de grote hoeveelheid golfplaten welke door de hagel zijn geperforeerd, moeten de golfplaten daken als verloren worden beschouwd en in het geheel vervangen.’’ Uit dit expertiserapport – dat niet is bestreden – leidt het hof af dat de schade aan de gebouwen (daken) van [eisers] is veroorzaakt door de (inslag van
- de)hagelstenen. Ook een gemiddeld persoon met gezond verstand zal deze geconstateerde schade niet beschouwen als het gevolg van de storm maar van de hagel. Het onderzoeksrapport van [A] dat in hoge mate op exacte (natuurkundige) basis en berekeningen (over hellingshoeken, wind en de extra kinetische energie die aan de hagelstenen door de wind is gegeven) tracht aannemelijk te maken dat de schade “eenduidig en alleen(!)” is te herleiden tot de windsnelheid en -richting) doet geen afbreuk aan de rechtens relevante oorzaak van de geconstateerde schade die is veroorzaakt door de (grote) hagel(stenen). Opvallend is overigens dat de zonnepanelen geen deuken/gaten hebben opgelopen door de hagel, maar dit terzijde. De bewijsaanbiedingen van [eisers] (memorie van grieven sub 143) missen verdere relevantie nu deze niet ter zake dienend zijn voor de beslissing van het hof dat hier sprake is van hagelschade waarvoor geen dekking onder stormschade is. De conclusie is dat grief IV ook faalt.” 2.24 Net zo min als de rechtbank (rov. 4.18. van haar vonnis) heeft het hof van belang geacht dat andere verzekeraars de schades (als gevolg van de supercel) wel hebben vergoed op basis van stormdekking: “2.15 (…) Hierover kan het hof kort zijn: het beleid van andere verzekeraars tegenover andere verzekerden is voor het oordeel in de onderhavige zaak met de daarbij behorende feiten en omstandigheden niet van belang; het bewijsaanbod van [eisers] is aldus niet ter zake dienend. (…)” 2.25 Omdat geen van de grieven doel treft, heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Cassatie 2.26 [eisers] hebben bij procesinleiding van 17 december 2019, derhalve tijdig, beroep in cassatie ingesteld tegen het bestreden arrest. Interpolis heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd en haar standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens hebben [eisers] gerepliceerd. 3Het cassatiemiddel 3.1 De procesinleiding van [eisers] vangt aan met een inleiding (randnummers 1.1 tot en met 1.4). In randnummer 1.2 geven [eisers] een samenvatting van het oordeel van het hof. Deze samenvatting houdt in, verkort weergegeven, dat het hof heeft geoordeeld dat de verzekering van [eisers] dekking biedt voor schade door storm, maar niet voor schade door (enkel) hagel en dat het hof heeft geoordeeld dat: (
- i)de ijsbollen die tijdens de supercel zijn ontstaan, ‘hagel’ vormen, omdat naar algemeen spraakgebruik onder ‘hagel’ zou moeten worden verstaan iedere vorm van neerslag in de vorm van ijsklompen/ijskorrels ongeacht de grootte (rov. 2.9); en (
- ii)de ijsbollen ook als de rechtens relevante oorzaak van de schade van [eisers] zijn aan te merken, omdat in een door Interpolis overgelegd rapport op basis van het schadebeeld is geconstateerd dat de gaten en deuken het gevolg zijn van hagel en een gemiddeld persoon met gezond verstand op grond van deze geconstateerde schade tot dezelfde conclusie zou komen (rov. 2.14). 3.2 [eisers] bestrijden deze oordelen van het hof. Volgens [eisers] heeft het hof zijn uitleg van het begrip ‘hagel’ ten onrechte gebaseerd op wat het algemeen spraakgebruik zou inhouden in plaats van op de definitie in de verzekeringsvoorwaarden (“neerslag in de vorm van ijskorrels”). In dit verband merken [eisers] op dat zij hebben betoogd dat ijsbollen tot 10 cm doorsnee niet als ‘korrels’ kunnen worden aangemerkt. Daarnaast heeft het hof volgens [eisers] miskend dat het schadebeeld niet bepalend is voor de rechtens relevante oorzaak van de schade, althans is het zonder afdoende motivering voorbijgegaan aan het standpunt van [eisers] dat hier de storm de dominante oorzaak is van (in ieder geval een belangrijk deel van) de schade. Zonder de supercel waren de ijsbollen van deze omvang immers niet ontstaan en waren zij ook niet ingeslagen op de wijze waarop dat op 23 juni 2016 is gebeurd. 3.3 Vervolgens merken [eisers] op dat ook andere verzekerden rechtszaken hebben gevoerd over de schade door de supercel en dat rechters tot uiteenlopende uitspraken zijn gekomen, in het bijzonder met betrekking tot de rechtens relevante oorzaak van de schade. [eisers] wijzen er in dit verband op dat Uw Raad vooralsnog geen uitspraak heeft gedaan over ‘de leer van de rechtens relevante oorzaak’ of ‘de dominant cause-leer’. De onderhavige zaak zou Uw Raad de kans bieden om hierover uitsluitsel te geven. 3.4 [eisers] zetten er ook in cassatie op in dat hun schade is veroorzaakt door storm en daarmee door een op de verzekering gedekt evenement. In dit verband hebben zij twee pijlen op hun boog. In de eerste plaats zou het hof een onjuiste uitleg aan het begrip hagel hebben gegeven (onderdeel 2). In de tweede plaats heeft het hof volgens [eisers] ten onrechte geoordeeld dat de hagel als rechtens relevante oorzaak van de schade moet worden aangemerkt (onderdeel 3). Deze conclusie is gebaseerd op het oordeel van het hof dat de dominant cause-leer moet worden toegepast in de onderhavige zaak (rov. 2.13) en dat een gemiddeld persoon met gezond verstand de geconstateerde schade niet zal beschouwen als het gevolg van de storm maar van de hagel (rov. 2.14). 3.5 Het belang van de onderhavige zaak is vooral gelegen in onderdeel 3 dat het oordeel van het hof dat in deze zaak de dominant cause-leer moet worden toegepast (rov. 2.13), aan de kaak stelt. Omdat causaliteitskwesties zoals die in de onderhavige zaak aan de orde zijn, vaker rijzen en het beeld in feitenrechtspraak en literatuur niet eenduidig is, ga ik hierna in paragraaf 4 eerst uitgebreid in op causaliteit in het verzekeringsrecht. 3.6 Deze paragraaf begint met een inleiding (randnummers 4.1 tot en met 4.6). Daarop volgt een bespreking van het […] /Unigarant-arrest, waaruit, kort samengevat, volgt dat in causaliteitskwesties als de onderhavige de (inhoud van
- de)verzekeringsovereenkomst vooropstaat (randnummers 4.7 tot en met 4.13). Vervolgens worden verschillende causaliteitsleren besproken die in het verzekeringsrecht een rol spelen (of hebben gespeeld) en die inspiratie kunnen geven in het kader van uitleg van de overeenkomst of een rol kunnen spelen langs de weg van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (randnummers 4.15 e.v.), waaronder de causa remota-leer (randnummers 4.21 tot en met 4.25), de leer van de toerekening naar redelijkheid (randnummers 4.26 tot en met 4.49) en de causa proxima-leer, waaruit de dominant cause-leer is voortgekomen (randnummers 4.54 tot en met 4.72). Hierna besteed ik aandacht aan oplossingen die in de literatuur naar voren zijn gebracht voor het probleem van samenwerkende oorzaken (randnummers 4.73 tot en met 4.83). Het gaat daarbij in het bijzonder om het geval waarin bijvoorbeeld twee oorzaken tot schade hebben geleid en één van de oorzaken wel onder de verzekeringsdekking valt, maar de andere niet. Ik sluit af met een eindbalans (randnummers 4.88 tot en met 4.93). 3.7 De lezer die geen tijd heeft om alles te lezen of zich in het algemeen reeds voldoende geïnformeerd acht, kan zich richten op de randnummers 4.14, randnummers 4.50-53, 4.72 en randnummers 4.84-4.93). Dan wordt hem of haar ook duidelijk waar ik sta. 4Causaliteit in het verzekeringsrecht Inhoudsopgave (
- i)Inleiding (
- ii)Het […] /Unigarant-arrest (iii) Tussenconclusie: inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst staan voorop (
- iv)Causaliteitsleren in het verzekeringsrecht a. De causa remota-leer b. De leer van de toerekening naar redelijkheid c. Tussenconclusie: verdeeldheid over rol en betekenis van toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht d. Causa proxima en dominant cause (
- v)Samenwerkende oorzaken (
- vi)Tussenconclusie: verdeeldheid over eventuele proportionele oplossing (vii) Eindbalans (
- i)Inleiding 4.1 Heeft degene die schade heeft geleden een verzekering waarop hij een beroep kan doen, bijvoorbeeld een opstalverzekering, dan kan zich in de verhouding verzekerde-verzekeraar de vraag aandienen of de oorzaak van de schade onder de dekking van die verzekering valt. Als verzekerde en verzekeraar het eens zijn over de oorzaak van de schade en deze oorzaak onder de dekking valt, is er geen probleem: de verzekeraar is dan tot uitkering gehouden, op voorwaarde dat aan alle overige (wettelijke en contractuele) vereisten voor het bestaan van het recht op uitkering is voldaan. 4.2 Het kan echter ook zijn dat de verzekeraar betoogt dat het in de polis vereiste causaal verband tussen de schade en een gedekte oorzaak ontbreekt. Daarbij kunnen zich verschillende casusposities voordoen. De verzekeraar kan bijvoorbeeld van mening zijn dat de schade een andere oorzaak heeft, die niet onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst valt (of die zelfs expliciet van de dekking is uitgesloten). Een ongevallenverzekeraar kan bijvoorbeeld van opvatting zijn dat de verzekerde niet zozeer is overleden door het hem overkomen ongeval, maar door een nadien in het ziekenhuis gemaakte fout. Soms kan de verzekeraar betogen dat niet voldaan is aan een bepaald causaliteitsvereiste waaraan op grond van de verzekeringsovereenkomst voldaan moet zijn voor het bestaan van dekking voor de door de verzekerde gestelde oorzaak. En het kan ook zijn, dat meer dan één oorzaak in het spel is en niet elke oorzaak onder de dekking valt, aan welk gegeven de verzekeraar de conclusie verbindt dat hij niet tot dekking gehouden is. De onderhavige zaak geeft hiervan een voorbeeld: volgens [eisers] is de schade ontstaan door storm, althans door de combinatie van storm en hagel (waarbij volgens [eisers] de storm als dominante oorzaak moet worden aangewezen), terwijl volgens Interpolis de schade is ontstaan door hagel (althans de hagel als dominante oorzaak moet worden aangewezen). 4.3 Onder de noemer van het onderwerp causaliteit wordt aan casusposities als deze aandacht besteed in de verzekeringsrechtelijke literatuur. Het thema behoort tot de lastiger onderwerpen van het verzekeringsrecht. Vele auteurs, onder wie ook grote namen in het verzekeringsrecht als Offerhaus, Dorhout Mees en Mijnssen, hebben zich met dit onderwerp beziggehouden en daarbij uiteenlopende accenten gelegd. Daarbij komt dat ook van een ontwikkeling in de tijd sprake is: net als in het aansprakelijkheidsrecht geldt dat een causaliteitsleer die in een bepaalde periode rechtspraak en literatuur heeft beheerst in een latere periode wordt bijgesteld of zelfs door een andere leer wordt verdrongen. Uit de literatuur en uit de feitenrechtspraak blijkt dat de huidige stand van zaken niet duidelijk is en dat verschillende opvattingen als geldend recht worden gepresenteerd. In deze paragraaf probeer ik niet alleen een adequate stand van zaken te geven, maar zal ik waar nodig ook kleur bekennen. 4.4 De inhoudelijke beschouwing vangt hierna aan met een bespreking van het […] /Unigarant-arrest van Uw Raad. Uit dit arrest volgt – een meer uitvoerige bespreking komt straks – dat primair de verzekeringsovereenkomst bepalend is. In elke verzekeringsovereenkomst wordt, zij het niet steeds in dezelfde woorden (en ook niet steeds op dezelfde manier), een causaal verband verlangd tussen de door verzekerde geleden schade en een gedekte oorzaak. De verzekeringsovereenkomst brengt steeds een bepaalde causaliteitseis mee – en mogelijk zelfs een keuze voor een causaliteitsleer (bijvoorbeeld de leer van de toerekening naar redelijkheid), al lijkt dit eerder theorie dan praktijk – die dan tussen verzekerde en verzekeraar geldt. De verzekeringsovereenkomst kan bijvoorbeeld bepalen dat de verzekerde alleen dan dekking heeft voor een bepaald risico, als de verwezenlijking van dit risico rechtstreeks, dus zonder tussenkomende medeoorzaken, tot de schade heeft geleid. Welk causaliteitsvereiste uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeit, is, een kwestie van uitleg van de verzekeringsvoorwaarden in het licht van inhoud en strekking van de verzekering. 4.5 In het kader van uitleg van de verzekeringsovereenkomst maar ook als men er met uitleg van de verzekeringsovereenkomst niet uitkomt en het nodig is om terug te vallen op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW), bieden verschillende ‘causaliteitsleren’ zich aan, waaronder de dominant cause-leer die het hof blijkens rov. 2.13 van het bestreden arrest van toepassing heeft geacht in de onderhavige zaak. Deze causaliteitsleren komen na de bespreking van het […] /Unigarant-arrest aan bod. Dat geldt ook voor de vraag of aan één van deze leren algemene gelding toekomt. 4.6 Na de bespreking van de causaliteitsleren wordt, aan het slot van deze paragraaf, specifieke aandacht besteed aan (in de literatuur voorgestelde oplossingen voor) het geval van samenwerkende oorzaken. De hierna te bespreken causaliteitsleren beogen in het bijzonder een oplossing te bieden voor het probleem dat zich voordoet als door verzekerde en verzekeraar meerdere (mogelijke) oorzaken in beeld zijn gebracht en voor de ene wel dekking op de verzekeringsovereenkomst bestaat, maar voor de andere niet. Van samenwerkende oorzaken is sprake wanneer de schade (mogelijk) door meer dan één oorzaak is ontstaan. Het gaat om een vorm van meervoudige causaliteit. (
- ii)Het […] /Unigarant-arrest 4.7 In elke verzekeringsovereenkomst wordt, als gezegd, een causaal verband verlangd tussen de door verzekerde geleden schade en een gedekte oorzaak. De daarbij gekozen woorden kunnen een nadere causaliteitseis inhouden. Een dergelijk vereiste kan bijvoorbeeld besloten liggen in de definitie van het verzekerde evenement. Zo kan men bij ongevallenverzekering in de verzekeringsvoorwaarden de volgende definitie van het begrip ongeval tegenkomen: “Ongeval Een plotseling van buitenaf komend, onvrijwillig op het lichaam van verzekerde inwerkend geweld, dat rechtstreeks en uitsluitend objectief geneeskundig vast te stellen lichamelijk letsel veroorzaakt, met het overlijden of blijvende invaliditeit als gevolg.” Het begrip ‘rechtstreeks’ brengt tot uitdrukking dat een nauw causaal verband tussen het plotseling van buitenaf gekomen geweld en het letsel van de verzekerde vereist is; een tussenliggende oorzaak is dus problematisch. 4.8 Het vereiste causaal verband tussen schade en gedekte oorzaak blijkt in eerste instantie uit de van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden. Wat dit vervolgens inhoudt, is een kwestie van uitleg van de verzekeringsvoorwaarden in het licht van inhoud en strekking van de verzekering, zoals Uw Raad in het […] /Unigarant-arrest in de kern heeft geoordeeld. 4.9 Het ging in deze zaak om het volgende: […] overkwam in augustus 1975 een ongeluk toen hij in België aan het kamperen was. Kint reed met haar auto tegen zijn tent aan, waarin hij lag te slapen. […] eiste van Unigarant, bij wie hij een reis- en ongevallenverzekering had gesloten, een uitkering van ƒ 100.000,--. Deze verzekering bood dekking voor onder meer blijvende invaliditeit, in de verzekeringsvoorwaarden gedefinieerd als “elke in de toekomst niet voor verbetering vatbare beschadiging van het lichaam (zowel naar bouw als naar verrichtingen) en/of de geest, als rechtstreeks gevolg van het ongeval”. […] stelde dat hij door het ongeval lichamelijk letsel had opgelopen aan zijn rechterschouder, waardoor hij blijvend invalide zou zijn geworden. Unigarant was het daar niet mee eens. Volgens Unigarant leed […] aan een psychische stoornis: conversie-hysterie. […] toestand moest volgens Unigarant niet aan het hem overkomen ongeval, maar aan zijn psychische stoornis worden verweten. 4.10 De rechtbank concludeerde, kort samengevat, op basis van medische rapporten dat de conversie-hysterie de gebruiksstoornis van […] rechterarm veroorzaakte. Voorts concludeerde de rechtbank, eveneens op basis van een medisch rapport, dat “een kans van mogelijk 10% bestaat dat het ongeval als medeoorzaak van het naar buiten treden van de conversie-hysterie kan worden aangemerkt”. De rechtbank wees vervolgens een bedrag van 10% van ƒ 75.000,-- (de maximale uitkering van 75% van het verzekerde bedrag bij geheel verlies van de functie van de rechterarm), dus van ƒ 7.500,-- toe. 4.11 In hoger beroep voerde […] onder meer aan dat de gestelde persoonlijke predispositie voor hysterie niet afdeed aan het feit dat de functiestoornis aan de rechterschouder, -arm en -hand in redelijkheid aan de veroorzaker ervan (Kint) moest worden toegerekend. Hij deed dus een beroep op de leer van de toerekening naar redelijkheid die (ook op dat moment) in het aansprakelijkheidsrecht de toon aangaf. Het hof overwoog op dit punt het volgende: “5.5 (…) […] heeft nog wel doen opmerken dat de gestelde persoonlijke gepredisponeerdheid voor hysterie niet afdoet aan het feit dat de functiestoornis aan de rechterschouder, -arm en -hand in redelijkheid aan de veroorzaker ervan moet worden toegerekend, maar daarbij ziet […] eraan voorbij dat bedoeld causaliteitscriterium op een geval als dit, dat niet op wettelijke maar op contractuele aansprakelijkheid betrekking heeft, niet voor toepassing in aanmerking komt. De onderhavige polisbepalingen bieden ook geen ruimte voor een ander oordeel (…).” Het hof liet het oordeel van de rechtbank in stand en nam dus net als de rechtbank aan dat weliswaar van conversie-hysterie sprake was, maar dat het ongeval wel voor 10% aan (het naar buiten komen van) deze psychische stoornis had bijgedragen, zodat deze stoornis in zoverre als gevolg van het ongeval moest worden aangemerkt. 4.12 In cassatie betoogde […] dat het hof een verkeerd causaliteitscriterium had toegepast. Volgens […] had het hof moeten beoordelen of de gestelde invaliditeit in redelijkheid aan (de veroorzaker van) het ongeval moest worden toegerekend. Uw Raad overwoog het volgende: “3.2 (…) Het onderdeel verwijt het hof dat het, aldus oordelend, een onjuist causaliteitscriterium heeft aangelegd door niet te beoordelen of de gestelde invaliditeit in redelijkheid aan (de veroorzaker van) het ongeval moet worden toegerekend. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. In de hiervoor weergegeven overweging heeft het hof tot uiting gebracht dat hier niet aan de orde is de vraag of, in het kader van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, een bepaalde schade als gevolg van de gebeurtenis waarop aansprakelijkheid berust, aan de aansprakelijke kan worden toegerekend, doch de vraag of een causaal verband aanwezig is, dat in een overeenkomst voor een bepaald overeengekomen rechtsgevolg wordt geëist tussen twee gebeurtenissen van andere aard, hier het voormelde ongeval en de hiervoor bedoelde functiestoornis. Bij de beoordeling of een dergelijk in een overeenkomst geëist causaal verband aanwezig is, komt het in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst. Blijkens het voorgaande heeft het hof dit dan ook tot uitgangspunt genomen. Het is derhalve uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.” 4.13 Dit is in lijn met het betoog van A-G Asser op dit punt: “2.13 Maar wat hiervan ook zij [van de vraag of het criterium van de redelijke toerekening ook toepassing behoort te vinden ten aanzien van de aansprakelijkheid van de verzekeraar op grond van de verzekeringsovereenkomst, A-G], in de eerste plaats zal voor de toepassing van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige, de vraag of een zeker gezondheidsgebrek in zodanig verband staat met het onder de polis vallende ongeval dat de verzekeraar tot het doen van de door de polis op grond van zo'n gebrek in het vooruitzicht gestelde uitkering is gehouden, afhangen van de uitleg van de desbetreffende verzekeringsovereenkomst. De aan te leggen causaliteitsmaatstaf is ingebed in de contractuele verhouding en men zou dus eigenlijk moeten zeggen dat te dezen beslissend is wat partijen zijn overeengekomen, welke zin zij redelijkerwijze aan de desbetreffende polisbepalingen mochten toekennen en wat zij van elkaar op dit punt mochten verwachten, en voorts wat [zij], bij gebreke van voorzieningen in de overeenkomst, wet, gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid, op dit punt vorderen: art. 6:248 BW. Ik zou het liever op deze manier willen zien en met name willen vermijden om te spreken van toerekening van ongevalsgevolgen aan de verzekeraar.” (iii) Tussenconclusie: inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst staan voorop 4.14 Het […] /Unigarant-arrest leert dat bij de beoordeling of een in een verzekering vereist causaal verband aanwezig is, de voor (wettelijke) aansprakelijkheid geldende leer van de toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW) niet aan de orde is. Het gaat om het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband. Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het, zoals Uw Raad het heeft verwoord, “in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst.” (
- iv)Causaliteitsleren in het verzekeringsrecht 4.15 In veel gevallen zal men uit de voeten kunnen met de door Uw Raad in het […] /Unigarant-arrest gegeven maatstaf. Tegelijkertijd is dit ook geen panacee en blijft in een aantal gevallen een duidelijk antwoord uit. De wet biedt op dit punt geen hulp: in de aan de overeenkomst van verzekering gewijde titel 7.17 BW wordt, anders dan in het schadevergoedingsrecht (art. 6:98 BW; toerekening naar redelijkheid), geen causaliteitsmaatstaf voorgeschreven of aangereikt. 4.16 Toch ziet men dat rechtspraak en literatuur in zulke ‘lastige’ gevallen wel hun toevlucht zoeken tot een uit een ‘normatieve causaliteitstheorie’ voortvloeiende causaliteitsmaatstaf. Deze doet dan zijn intrede in de contractuele verhouding via het uitleg-leerstuk of op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). 4.17 De belangrijkste causaliteitstheorieën in dit verband zijn: - de causa remota-leer, die als een toepassing van de leer van de adequate veroorzaking wordt gezien; - de leer van de toerekening naar redelijkheid; en - de causa proxima-leer, die in feite de leer van de dominant cause is geworden. 4.18 In dit kader wordt in de literatuur ook vaak de condicio sine qua non-leer genoemd. Volgens deze leer heeft elke gebeurtenis of omstandigheid zonder welke de schade niet zou zijn ontstaan, als oorzaak van de schade te gelden. Toepassing van de condicio sine qua non-leer houdt dus in dat men zich in een ‘wegdenkoefening’ afvraagt door welke oorzaken de schade is ontstaan. Men beperkt zich daarbij overigens tot oorzaken die juridisch relevant zijn, in het licht van de verzekeringsvoorwaarden en het debat dat verzekerde en verzekeraar met elkaar voeren. In de onderhavige zaak bijvoorbeeld twisten [eisers] en Interpolis over de vraag of de schade is veroorzaakt door storm (standpunt [eisers] ) of door hagel (standpunt Interpolis). 4.19 De condicio sine qua non-leer is van belang, omdat deze leer een soort minimumvereiste stelt: een gebeurtenis die niet in een condicio sine qua non-verband staat tot de schade, kan niet als oorzaak van de schade worden aangewezen en kan dus verder worden genegeerd. De condicio sine qua non-leer biedt echter geen uitkomst in gevallen waarin de schade door meerdere gebeurtenissen is veroorzaakt. De leer wijst dan meerdere oorzaken aan en biedt daarin geen keuze. Juist daarom komen andere causaliteitsleren in beeld. Dat is in het verzekeringsrecht niet anders dan in het aansprakelijkheidsrecht. En net als het aansprakelijkheidsrecht heeft ook het verzekeringsrecht hier een ontwikkeling doorgemaakt: in verschillende periodes hebben ook verschillende leren de boventoon gevoerd. 4.20 Hierna wordt deze ontwikkeling in beeld gebracht. Aanvankelijk gold de causa remota-leer (randnummers 4.21 e.v.): als ‘de’ oorzaak moet worden aangewezen de oorzaak die in de tijd het meest ver van het gevolg verwijderd is en waarvan redelijkerwijs te verwachten was dat die het gevolg teweeg zou brengen. Vervolgens werd de discussie in de literatuur beheerst door de vraag of, net als in het aansprakelijkheidsrecht, de leer van de toerekening naar redelijkheid (randnummers 4.26 e.v.) bepalend zou moeten worden geacht. De laatste jaren is de uit Engeland afkomstige dominant cause-leer in opkomst (randnummers 4.54 e.v.). Deze leer betreft een uitwerking van de causa proxima-leer, volgens welke uitgegaan moet worden van de oorzaak die in de tijd het dichtst bij het ontstaan van de schade ligt. a. De causa remota-leer 4.21 Naar Nederlands verzekeringsrecht heeft lange tijd de opvatting gegolden dat de causa remota (de meest verwijderde oorzaak) bepalend is. Dat zien we duidelijk terug in de oudere literatuur. Zo hebben Star Busmann en Zevenbergen bijvoorbeeld het volgende gesteld: “Als oorzaak van de schade moet worden beschouwd de meest verwijderde gebeurtenis, op welke naar den gewonen loop van zaken (naar menschelijke berekening) schade als de ontstane pleegt te volgen.” 4.22 Van Wulfften Palthe heeft het aldus geformuleerd: “M.i. moet men dan ook niet de naaste, maar juist de meest verwijderde gebeurtenis als oorzaak eener schade beschouwen. Men moet vanaf de schade zelve langs de causaliteitsketen, die haar met het verleden verbindt, zóó ver opklimmen als voor menschelijke waarneming vatbaar is en die laatste gebeurtenis de oorzaak der schade noemen. Men moet zich bij die opklimming er echter voor hoeden, dat men niet op zijwegen afdwaalt, maar onder de gebeurtenissen, die een gevolg hebben teweeggebracht, alleen die gebeurtenis de oorzaak van dat gevolg noemen, die blijkens de algemeen menschelijke ervaring dat gevolg als regel teweegbrengt.” 4.23 Ook Dorhout Mees heeft in zijn standaardwerk over schadeverzekering opgemerkt dat het Nederlands recht als oorzaak van een bepaald gevolgd beschouwt: “de meest verwijderde gebeurtenis, die bij normale gang van zaken (of: naar redelijkerwijs was te verwachten) dat gevolg te weeg moest brengen”. Hij heeft daarbij vermeld dat deze leer in het strafrecht de leer der adequate veroorzaking wordt genoemd en dat alle auteurs het erover eens zijn dat deze leer ook voor het verzekeringsrecht moet worden aanvaard. 4.24 Blom heeft juist de link gelegd met de ‘adequatietheorie’ in het aansprakelijkheidsrecht die inhoudt dat alleen dan sprake is van causaal verband wanneer de schade het redelijkerwijs te verwachten gevolg, ofwel het voorzienbaar gevolg, is van de daad. Deze theorie zou, zij het in de causa remota-variant, ook in het verzekeringsrecht gelden. 4.25 Ook Mendel gaat van dit laatste uit. Deze adequatieleer, die Uw Raad naar gangbare inzichten van 1927 tot 1970 in het kader van het aansprakelijkheidsrecht heeft gehuldigd, is volgens hem in literatuur en feitenrechtspraak voor het verzekeringsrecht aldus uitgewerkt dat de oorzaak van de schade in juridische zin is “het verst verwijderde feit van waaraf de schade het naar ervaringsregelen redelijkerwijs te verwachten gevolg was” (‘causa remota’). b. De leer van de toerekening naar redelijkheid 4.26 Rond 1970 werd in het aansprakelijkheidsrecht de leer van de adequate veroorzaking van haar troon verdrongen door de, inmiddels in art. 6:98 BW neergelegde, regel dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Deze regel wordt aangeduid als de leer der redelijke toerekening. Men spreekt ook wel van de leer van de toerekening naar redelijkheid of, kortweg, van toerekening naar redelijkheid. 4.27 Ook in de verzekeringsrechtelijke literatuur kwam de toerekening naar redelijkheid in beeld. Niet elke auteur blijkt daarbij enthousiast. Uiteindelijk kunnen we hier een drietal stromingen aanwijzen: er zijn auteurs die een voorkeur hebben (uitgesproken) voor toepassing van deze leer (in een verzekeringsrechtelijke variant), anderen gaan minder ver maar zien wel ruimte voor toepassing (afhankelijk van de aard van de verzekering ook in de schadevergoedingsrechtelijke variant) en ten slotte zijn er ook duidelijke tegenstanders van toepassing van de toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht. Elk van deze stromingen komt hierna voorbij. Opmerking verdient overigens dat het […] /Unigarant-arrest uit 1993 de discussie over rol en betekenis van de toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht sterk heeft beïnvloed. 4.28 Mijnssen heeft zich in 1978 voor het eerst voorstander getoond van toepassing van deze leer in het verzekeringsrecht: “De vraag of de verzekeraar voor schade als door een bepaalde gebeurtenis veroorzaakt aansprakelijk is, moet eveneens worden beantwoord met toepassing van de leer van toerekening naar redelijkheid. Het antwoord op de vraag of de schade naar redelijkheid aan de verzekeraar die aansprakelijkheid draagt voor de gevolgen van een bepaalde gebeurtenis, kan worden toegerekend, is in belangrijke mate afhankelijk van uitlegging van de verzekeringsovereenkomst.” 4.29 Volgens Mijnssen zou het ongewenst zou zijn wanneer binnen het civiele recht ten aanzien van het toerekenen van de schade een ander systeem zou moeten worden gevolgd al naar gelang de vraag of het om aansprakelijkheid bij onrechtmatige daad of wanprestatie dan wel om verzekering zou gaan. Bovendien zou een argumentatie op grond van uitlegging van de verzekeringsovereenkomst goed passen bij de leer van de toerekening naar redelijkheid: “Beantwoording van de vraag of de schade aan de verzekeraar moet worden toegerekend is vanzelfsprekend in belangrijke mate afhankelijk van hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan.” 4.30 Mijnssen stond niet alleen in zijn keuze voor de leer van de toerekening naar redelijkheid. Ook Dorhout Mees, aanvankelijk een voorstander van de toepassing van de leer van de adequate veroorzaking, heeft betoogd dat de leer van de toerekening naar redelijkheid ook bij verzekering moet gelden: “Mijn conclusie is dat de vraag, aan welke oorzaak een bepaalde schade moet worden toegerekend, in geval van contractuele aansprakelijkheid in de eerste plaats moet worden getoetst aan de overeenkomst en de bedoeling van partijen, al kan in gevallen van twijfel de redelijkheid soms het verlossende woord spreken. Bij verzekering heeft men in het bijzonder te maken met de van het risico uitgesloten oorzaken, bij vervoer met de contractuele beperkingen van aansprakelijkheid.” 4.31 Ook Dommering-van Rongen heeft zich in 1993 bij de opvatting van Mijnssen aangesloten: “Mijnssen nam aanvankelijk het standpunt in dat, indien met betrekking tot de vraag of een schade het gevolg is van een oorzaak waartegen de verzekering dekking verleent, geen uitsluitsel in de verzekeringsvoorwaarden is te vinden, het antwoord zal moeten worden gevonden aan de hand van het beginsel van de redelijke toerekening. Later nuanceerde hij dat door de verzekeringsovereenkomst en de redelijke toerekening niet als alternatieven [te] beschouwen, maar als elkaar onderling beïnvloedende factoren. Het causaal verband moet aan de hand van de redelijke toerekening worden vastgesteld met de leer van toerekening naar redelijkheid. Het antwoord op de vraag of de schade naar redelijkheid aan de verzekeraar kan worden toegerekend, is in belangrijke mate afhankelijk van uitlegging van de verzekeringsovereenkomst. Dit lijkt mij de juiste benadering. De toerekeningsleer is niet meer dan een systeem waarin subregels kunnen worden ontwikkeld. Binnen dat systeem heeft het verzekeringsrecht zijn eigen plaats. Subregels die voor andere vormen van aansprakelijkheid zijn ontwikkeld, zijn niet steeds geschikt voor de verzekeringsovereenkomst.” 4.32 In de vijfde druk van Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, verschenen in 1998 en dus na het arrest […] /Unigarant, heeft Mijnssen betoogd, dat niet gezegd kan worden dat een van deze ‘regels’ (de causaliteitsleren) met uitsluiting van de andere moet worden toegepast bij beantwoording van de vraag of een gebeurtenis als oorzaak moet worden beschouwd. Voor beantwoording van die vraag komt het in eerste instantie aan op inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst. In dit verband heeft Mijnssen het […] /Unigarant-arrest besproken. Uit zijn betoog blijkt dat Mijnssen bij inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst een belangrijke rol weggelegd ziet voor de ‘aard’ van de verzekering. De aard van de verzekering zal dikwijls meebrengen dat de schade door de verzekeraar vergoed dient te worden, ongeacht of de gebeurtenis die de directe oorzaak van de schade is, zelf een andere, verder verwijderde oorzaak heeft. Dit laatste is volgens Mijnssen slechts anders indien de verzekeraar niet aansprakelijk is voor de gevolgen van zo’n verwijderde oorzaak: “Men denke bijvoorbeeld aan brandverzekering. De verzekeraar vergoedt schade die het gevolg is van brand ongeacht de oorzaak van de brand. Dat is slechts anders indien de brand is veroorzaakt door merkelijke schuld van de verzekerde (art. 294 WvK) of indien zij het gevolg is van een eigen gebrek of eigen bederf (art. 249 WvK). (…). Ook in andere gevallen dan brandverzekering zal, behoudens contractuele of wettelijke uitsluiting, de verzekeraar de schade moeten vergoeden, ongeacht de verwijderde oorzaken van de gebeurtenis die de schade tot gevolg heeft. Men denke aan verzekering tegen diefstal of tegen ziektekosten.” 4.33 Inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst zijn volgens Mijnssen ook beslissend voor de vraag of de verzekeraar tot uitkering is gehouden wanneer zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die in beginsel tot door de verzekeraar te vergoeden schade heeft geleid, maar zich daarna een andere, niet gedekte gebeurtenis voordoet die de schade mede tot gevolg heeft. 4.34 Ook in het verzekeringsrecht heeft de opkomst van de toerekening naar redelijkheid de gemoederen dus bezig gehouden. Verschillende auteurs (Mijnssen, Dorhout Mees en Dommering-van Rongen) hebben een voorkeur uitgesproken voor toepassing in het verzekeringsrecht, waarbij zij overigens niet denken aan (overeenkomstige) toepassing van de toerekening naar redelijkheid zoals die in het aansprakelijkheidsrecht geldt. Die laatste knoopt aan bij factoren als voorzienbaarheid van de schade, aard van de aansprakelijkheid (verkeers- of veiligheidsnorm vs. andere zorgvuldigheidsnormen) en aard van de schade en is in het bijzonder in rechtspraak van Uw Raad ontwikkeld. Toerekening naar redelijkheid volgens voorstanders van toepassing in het verzekeringsrecht is hier een redelijke toerekening in het licht van de verzekeringsovereenkomst waarbij zij een hoofdrol weggelegd zien voor uitleg van de overeenkomst (en de bedoelingen van partijen). Met het arrest […] /Unigarant uit 1993 heeft Uw Raad de betekenis van inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst (en, zo daarover verschil van opvatting bestaat, uitleg) nog eens onderstreept. Toerekening naar redelijkheid komt dan pas (al dan niet via de aanvullende werking van art. 6:248 lid 1 BW) in beeld als deze eerste stap geen oplossing geeft: voor de een als algemeen richtsnoer (Dommering-van Rongen), voor de ander als één van de mogelijke richtsnoeren (Mijnssen in de druk uit 1998). 4.35 In tijdschriftpublicaties en boeken over het verzekeringsrecht wordt het arrest […] /Unigarant tegenwoordig – niet verrassend – steeds als uitgangspunt genomen. Verschillende auteurs, wier opvattingen hierna aan de orde komen, zien daarbij ruimte, de een meer dan de ander, voor toepassing van de toerekening naar redelijkheid (al dan niet in de schadevergoedingsrechtelijke variant (art. 6:98 BW)), terwijl anderen daarvan juist afstand nemen en in plaats daarvan toepassing van de leer van de dominant cause bepleiten. 4.36 Ook de kleinzoon van de eerdergenoemde Dorhout Mees, zelf ook een bekende advocaat én auteur op verzekeringsrechtelijk terrein, heeft zich uitgesproken over de (mogelijkheid van) toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht. In zijn preadvies voor de Vereniging voor Verzekeringswetenschap heeft Dorhout Mees de vraag opgeworpen of de opvatting van zijn grootvader en Mijnssen, dat in het verzekeringsrecht de leer van de toerekening naar redelijkheid dient te worden gehanteerd, ‘thans’ (hij schrijft dat in 1998) geldend recht is en zo niet, of zij geldend recht zou moeten worden. Hij beantwoordt beide vragen ontkennend. In het verzekeringsrecht wordt niet ‘standaard’ de leer van de toerekening naar redelijkheid gehanteerd. Welk causaliteitscriterium geldt, is overgelaten aan partijen. Bij gebreke van een (duidelijke) afspraak daarover in de polis, zal het daarbij aankomen op uitleg van de verzekeringsovereenkomst. Bij die uitleg zal met name de aard van de verzekeringsovereenkomst een belangrijke rol spelen. Volgens Dorhout Mees kan in zijn algemeenheid gezegd worden dat de leer van de adequate veroorzaking goed past bij het verzekeringsrecht, omdat het in het verzekeringsrecht om allocatie van voorzienbare risico’s gaat: “Daarom is de verzekeraar ook in staat zijn risico’s te bepalen en daarmee bepaalde risico’s wel en andere niet te verzekeren. Ook de verzekerde zal in het algemeen afwegen welke risico’s hij wel en welke hij niet wenst te verzekeren. Daarbij speelt in zijn algemeenheid niet de redelijkheid, maar de voorzienbaarheid een rol. Daarom is begrijpelijk, dat van oudsher de leer van de adequate veroorzaking voor het verzekeringsrecht werd toegepast.” 4.37 Dorhout Mees sluit zich aan bij de keuze van Van Schellen, die volgens hem inhoudt: “(…) dat bij de vraag of er tussen een voorval en de schade causaal verband bestaat, aan de hand van gegevens die achteraf bekend zijn geworden dient te worden vastgesteld, of de kans op het intreden van de schade in zodanige mate is verhoogd, dat naar ervaringsregels de schade het van dat voorval te verwachten gevolg is.” 4.38 Dat neemt volgens Dorhout Mees echter niet weg dat in bepaalde gevallen en bij bepaalde categorieën verzekeringen voor een ander causaliteitscriterium moet worden gekozen. Bij de CAR-verzekering bijvoorbeeld zou wat hem betreft als causaliteitscriterium met betrekking tot de primaire dekkingsvraag ‘Is schade veroorzaakt door beschadiging?’ de leer van de causa proxima moeten worden gehanteerd. Met name bij aansprakelijkheidsverzekering zou toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke variant) echter voor de hand liggen. 4.39 Dat zo niet steeds op voorhand duidelijk is welke causaliteitsmaatstaf in een concrete situatie dient te worden toegepast, acht Dorhout Mees op zichzelf genomen bezwaarlijk, maar het alternatief, dat de wetgever een voor alle verzekeringsovereenkomsten toepasselijke causaliteitsmaatstaf vastlegt, lijkt hem nog bezwaarlijker. De praktijk kent immers vele soorten verzekeringen en iedere verzekering vraagt om een eigen benadering en een specifiek op de relevante risico’s toegesneden polis. Een algemeen toepasselijke maatstaf zou volgens Dorhout Mees de mogelijkheid om een toegesneden polis overeen te komen bemoeilijken. 4.40 Dat de rol van de leer van toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht ook na […] /Unigarant niet is uitgespeeld, blijkt bijvoorbeeld ook uit een bijdrage van Franken uit 2000. Nadat hij het […] /Unigarant-arrest heeft vooropgesteld, betoogt Franken dat, juist omdat verzekeren inhoudt dat men bewust risico’s verdeelt, bij het beantwoorden van de vraag of de schade in verband staat met een verzekerde gebeurtenis, de voorzienbaarheid uitgangspunt is, zulks “uit hoofde van partijbedoeling respectievelijk -verwachting”. De aard (‘inhoud en strekking’) van de overeenkomst kan echter anders meebrengen. Franken geeft in dit verband aan dat naast de tekst van de overeenkomst dan met name gedacht moet worden aan de aard van het verzekerde belang en de aard van de bepaling. Wat Franken betreft brengt de aard van de aansprakelijkheidsverzekering bijvoorbeeld mee dat voor deze verzekering de leer van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke variant) geldt. Bij objectverzekering brengt de aard van het verzekerde belang veelal juist mee dat een nauwer causaal verband wordt aangenomen: de causa proxima of meest dominante oorzaak is maatgevend; dat lijkt dus een referte aan dominant cause. Bij persoonsverzekeringen zal volgens Franken de aard van het verzekerde belang veelal een ruime toerekening billijken, waarmee hij, als ik het goed begrijp, ook op toepassing van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke variant) doelt. 4.41 In dit verband wijs ik ook op de opvatting van Blom, die van oordeel is dat het […] /Unigarant-arrest niet aan toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid in de weg hoeft te staan. Volgens Blom heeft Uw Raad geoordeeld dat de toerekeningsmaatstaf in de eerste plaats wordt bepaald door polisuitleg. Volgens Blom sluit dit niet uit dat daarbij de leer van de toerekening naar redelijkheid wordt gehanteerd. 4.42 Blom maakt echter geen keuze voor de leer van de toerekening naar redelijkheid: “Uitgangspunt dient naar mijn mening te zijn dat het vaststellen van de rechtens relevante oorzaak aan de hand van polisuitleg dient plaats te vinden. Daarbij zal mede een rol kunnen spelen dat aan de in de polisvoorwaarden opgenomen causaliteitsbewoordingen een logische invulling zal moeten worden gegeven. In dit kader kunnen de leer van de CSQN [condicio sine qua non, A-G], de AQT [de leer van de adequate veroorzaking, A-G] en de TNR [toerekening naar redelijkheid, A-G] een nuttige functie vervullen.” 4.43 Ook Mendel ziet ruimte voor toepassing van de leer van toerekening naar redelijkheid. 4.44 Op het spoor van de redelijke toerekening zit ook Engel, die betoogt dat een redelijk resultaat nagestreefd moet worden en dat wat een redelijk resultaat is vooral afhankelijk is van de redelijke verwachtingen van beide partijen met betrekking tot de dekking en van de aard van de verzekering. 4.45 In dit verband wijs ik ook op de opvatting van Van Dijk. Volgens hem kan afd. 6.1.10 BW en dan in het bijzonder de art. 6:98 BW (toerekening) en art. 6:101 BW (eigen schuld) ook al zijn zij niet rechtstreeks van toepassing bij de uitleg van een verzekering, wel als gezichtspunten kunnen dienen voor de rechter. Uiteindelijk gaat het volgens Van Dijk, in die gevallen dat ook een expliciete polisuitleg geen uitkomst biedt, bij het causaal verband in het verzekeringsrecht om een soortgelijke afweging als in het aansprakelijkheidsrecht. Dan ligt het voor de hand om daarvoor niet de ogen te sluiten: “Ook bij art. 6:98 en 6:101 BW gaat het eerst om een csqn-toets en vervolgens om een normatieve vraag. Zo worden in art. 6:98 BW de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade als gezichtspunten voor al dan niet toerekening van schade genoemd. Toegepast op een dekkingsgeschil kan bijvoorbeeld de aard van de verzekeringsovereenkomst een rol spelen bij de vraag of de schade bij samenwerkende oorzaken onder de dekking wordt gebracht of niet. Het lijkt mij niet te gewaagd om te veronderstellen dat een rechter dit bij een aansprakelijkheidsverzekering en bij letsel eerder zal doen dan bij een opstalverzekering en materiële schade.” Een dergelijke “rechtsvergelijking” geeft volgens Van Dijk meer handvatten dan het gezond verstand van de dominant cause-theorie en biedt bovendien meer mogelijkheden voor een proportionele oplossing (daarover hierna randnummers 4.78 e.v.). 4.46 Andere auteurs zien geen of weinig ruimte voor toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht. Dit is de hiervoor (randnummer 4.27) al genoemde derde stroming in de literatuur. 4.47 Brouwer gaat ervan uit dat de leer van de toerekening naar redelijkheid geen toepassing kan vinden in het verzekeringsrecht. Uit het […] /Unigarant-arrest leidt zij – op zich terecht – af dat art. 6:98 BW niet van toepassing is in het verzekeringsrecht. Volgens haar leent de leer van de toerekening naar redelijkheid zich ook niet goed voor toepassing in het verzekeringsrecht: “Bij deze leer staat immers meer centraal de vraag of er een zodanig verband bestaat tussen oorzaak en gevolg dat een bepaalde schade in redelijkheid als gevolg van die oorzaak aan een bepaald persoon kan worden toegerekend. Daarmee ontstaat meer flexibiliteit rond het bepalen wat aan een specifiek persoon redelijkerwijs is toe te rekenen. Dit lijkt mij niet wenselijk voor het verzekeringsrecht. Dat wordt per slot van rekening beheerst door de verzekeringsovereenkomst in tegenstelling tot het aansprakelijkheidsrecht waar niet de overeenkomst de aansprakelijkheid bepaalt maar de wet. Met name in het transportverzekeringsrecht zou toepassing van de leer van de redelijke toerekening het handelsverkeer onnodig belemmeren en aan de rechtszekerheid in de weg staan.” Op grond van het […] /Unigarant-arrest moet, zo stelt ook Brouwer, eerst gezocht worden naar een causaliteitsmaatstaf in de polis, bijvoorbeeld een verwijzing naar de causa proxima-theorie, maar in veel gevallen ontbreekt zo’n (verwijzing naar een) maatstaf. Men zal dan moeten kiezen voor een bepaalde causaliteitsleer met behulp van uitleg van de verzekeringsovereenkomst. Brouwer maakt in dit verband een duidelijke keuze voor de dominant cause-leer. 4.48 Brouwer vindt Wansink en Van Tiggele-van der Velde in hun Asser-bewerking aan haar zijde. Ook zij zien weinig ruimte voor de leer van de toerekening naar redelijkheid: “[507] (…) Voor toepassing van deze leer [de toerekening naar redelijkheid, A-G] binnen het verzekeringsrecht lijkt het […] /Unigarant-arrest, zoals onder nr. [505] besproken, zo goed als geen [weinig] ruimte te bieden. Zie in die zin ook BROUWER, in: Hendrikse, Van Huizen & Rinkes, Verzekeringsrecht (R&P nr. VR2) 2015/14.4.2. Anders WERY/MENDEL, Hoofdzaken verzekeringsrecht 2017, par. 2.7. volgens wie – zo uitleg niets oplevert – dan toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid ook in het verzekeringsrecht op zichzelf mogelijk is. In die zin ook BLOM, diss. 2006, p. 2 e.v., en p. 265. BROUWER, t.a.p., nr. 14.4.2, kiest in dat geval voor de leer van de ‘dominant cause’. (…)” 4.49 Daarbij merken de Asser-bewerkers op dat wel uit de polisvoorwaarden kan voortvloeien dat de leer van de toerekening naar redelijkheid de bepalende causaliteitsmaatstaf vormt: “[507] (…) Denk aan de zgn. schadeverzekering voor inzittenden waarop in geval van overlijden of blijvende invaliditeit van de verzekerde ten gevolge van een ongeval als inzittende de schade met inachtneming van een bepaald maximum en onder enkele nadere voorwaarden wordt vergoed ongeacht de vraag of de bestuurder daarvoor aansprakelijk is. Voor de vaststelling van de door de verzekeraar te vergoeden schade wordt verwezen naar (
- de)bepalingen in afdeling 6.1.10 BW met betrekking tot de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, waaronder art. 6:98 BW. (…).” c. Tussenconclusie: verdeeldheid over rol en betekenis van toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht 4.50 Aanvankelijk gold in het Nederlandse verzekeringsrecht de causa remota-leer. Deze leer hield in dat als ‘de’ oorzaak moet worden aangewezen de oorzaak die in de tijd het meest ver van het gevolg is verwijderd en waarvan redelijkerwijs was te verwachten dat die het gevolg teweeg zou brengen. In de literatuur werd opgemerkt dat deze theorie niet meer is dan een variant op de leer van de adequate veroorzaking. 4.51 Nadat rond 1970 in het aansprakelijkheidsrecht de leer van de adequate veroorzaking werd vervangen door de toerekening naar redelijkheid, ontstond in de verzekeringsrechtelijke literatuur discussie over de toepassing van deze nieuwe leer in het verzekeringsrecht. Mijnssen, Dorhout Mees (de grootvader) en Dommering-van Rongen toonden zich hier voorstanders van. Hierbij past wel een belangrijke kanttekening: ook bij hen stonden de (inhoud en strekking van
- de)verzekeringsovereenkomst en de bedoeling van partijen voorop (toerekening in het licht van de verzekeringsovereenkomst). In latere verzekeringsrechtelijke literatuur doelt men met toerekening naar redelijkheid op (analogische) toepassing van de in het schadevergoedingsrecht leidende toerekening naar redelijkheid die in de rechtspraak van Uw Raad tot ontwikkeling is gebracht en sterk in het teken staat van meer of minder ruime toerekening (wel of geen toerekening van gevolgen die buiten de lijn der verwachtingen liggen). 4.52 Sinds het […] /Unigarant-arrest wordt in de literatuur algemeen aangenomen – terecht – dat het bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, in de eerste plaats aankomt op, zoals Uw Raad het heeft verwoord, “inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst.” Men blijft echter in de literatuur een mogelijkheid zien voor toepassing van de leer van toerekening naar redelijkheid, juist in het kader van de door […] /Unigarant verlangde uitleg en anders via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). In het oog springt dat daarbij nadrukkelijk wordt gedacht aan differentiatie al gelang naar de aard van de verzekering. Bij aansprakelijkheidsverzekering en de schadeverzekering voor inzittenden wordt daarbij bijvoorbeeld gedacht aan toerekening naar redelijkheid in de zin van art. 6:98 BW, terwijl bij andere verzekeringen, objectverzekeringen bijvoorbeeld wordt gedacht aan de leer van de adequate veroorzaking en de hierna nog te bespreken dominant cause-leer. Hierna zal ik nog uitwerken dat ik wel heil zie in een verzekeringsrechtelijke variant van de toerekening naar redelijkheid, waarin dan plaats is voor de zojuist genoemde differentiatie (randnummer 4.89). 4.53 Duidelijk is dat niet iedereen van toepassing van de leer van toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht gecharmeerd is. Brouwer en Wansink en Van Tiggele-van der Velde zien daar eigenlijk hooguit beperkte ruimte voor. Dit heeft volgens mij mede te maken met hun voorkeur voor de dominant cause-leer, die nu besproken zal worden. De oorsprong van deze leer ligt in de causa proxima-leer. d. Causa proxima en dominant cause 4.54 De opvatting dat niet de meest verwijderde oorzaak (causa remota) beslissend is, maar juist de oorzaak die in de tijd het dichtst bij het ontstaan van de schade ligt (causa proxima), heeft haar oorsprong in Engeland. Deze leer werd ingegeven door vrees voor een nimmer eindigend onderzoek naar oorzaken in het verleden, waartoe de causa remota-leer aanleiding zou kunnen geven. Zoals zo vaak heeft het zeeverzekeringsrecht hier de weg gewezen. 4.55 Sinds het standaardarrest Leyland v. Norwich Union uit 1918 wordt de causa proxima-leer niet meer gehanteerd in het Engelse verzekeringsrecht. Het ging in deze zaak om een door een Duitse onderzeeboot getorpedeerd schip dat naar Le Havre werd gesleept. Het leegpompen van het schip werd belemmerd door een storm. De havenautoriteiten vreesden dat het schip vóór de kade zou zinken. Daarom werd het schip weggesleept, waarna het elders aan de grond raakte en zonk. De verzekeraar weigerde de schade te vergoeden, omdat ‘molest’ (het torpederen van het schip was een oorlogsdaad) van dekking was uitgesloten. De verzekeraar kreeg gelijk: de House of Lords verwierp eenparig het beroep tegen de uitspraak dat het torpederen als de oorzaak van de schade moest worden aangemerkt. De House of Lords zagen het torpederen als de dominante oorzaak. De causa proxima (het wegslepen van het schip op last van de havenautoriteiten) legde het daartegen af. 4.56 Uit recente Engelse literatuur blijkt dat de oude causa proxima-leer tegenwoordig niet meer wordt gehanteerd. Men gaat niet meer standaard uit van de oorzaak die in de tijd het dichtst bij het ontstaan van de schade ligt (de causa proxima), maar men zoekt in de plaats daarvan naar de dominant cause. Birds omschrijft de dominant cause-leer als volgt: “As has been noted several times in the course of this chapter, it is not sufficient, in order that an insured should recover for a loss, that the loss falls within the cover provided as a matter of construction or definition. He must also show that the loss was proximately caused by an insured peril. The proximate cause does not, however, mean the last cause, but the effective, dominant or real cause.” (cursivering van mij, A-G) 4.57 Het bepalen van de proximate cause (te begrijpen als: the effective, dominant, real cause) is volgens Birds in elke situatie “strictly a question of fact”. Eerder in de rechtspraak beslechte zaken kunnen daarom slechts als voorbeeld dienen. De daarin gegeven beslissingen zijn niet bindend. Birds merkt voorts op dat de dominant cause-leer van toepassing kan worden uitgesloten in de verzekeringsvoorwaarden. 4.58 In dit verband word wel gezegd dat het bepalen van de proximate cause een toepassing van het gezond verstand (common sense) vergt. Birds geeft aan dat dit inderdaad blijkt uit veel van de eerder in de rechtspraak beslechte zaken. 4.59 Ook in het handboek Arnould, Law of Marine Insurance and Average wordt aandacht besteed aan de dominant cause-leer. Gesproken wordt van ‘the modern doctrine of proximate cause’. Over de zojuist besproken zaak Leyland v. Norwich Union, een landmark decision, wordt het volgende vermeld: “In Lewland v Norwich Union, the vessel was torpedoed by a German submarine, then brought into harbor, and sank about two days later. The question was whether this was covered as a loss by perils of the seas or excluded as a consequence of hostilities under the f.c & s. [free of capture and seizure, A-G] clause. The House of Lords concluded unanimously that torpedoing was the proximate cause. Lord Dunedin used the adjective “dominant” to describe the test to be applied: “the moment that the two clauses have to be construed together it becomes vital to determine under which expression it falls. The solution will always lie in settling as a question of fact which of the two causes was … the dominant cause of the two”. Lord Shaw stated that: “Where various factors or causes are concurrent, and one has to be selected, the matter is determined as one of fact, and the choice falls upon the one which may be variously ascribed the qualities of reality, predominance, efficiency”.” 4.60 In het handboek wordt voorts opgemerkt dat het aanwijzen van de ‘proximate cause’ moeilijker is geworden sinds het verlaten van de oude causa proxima-leer: “The authorities since Leyland v Norwich Union show that the choice of the dominant cause is to be made according to “a broad common sense view of the whole position”, but this criterion is not always easy to apply; common sense is notoriously a matter on which opinions may differ.” 4.61 In de Nederlandse literatuur is toepassing van de dominant cause-leer bepleit door Van Huizen, Hendrikse, Brouwer en ook, zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, door Wansink en Van Tiggele-van der Velde in de Asser-serie. In hun publicaties duikt ook het ‘gezond verstand’-aspect steeds op. De leer lijkt zijn populariteit onder Nederlandse auteurs (mede) hieraan te danken. 4.62 Van Huizen zoekt in 1988 aansluiting bij de dominant cause-leer voor het Nederlandse verzekeringsrecht. Het lijkt hem namelijk, “onverschillig welke leer wordt gehanteerd”, in overeenstemming met “de huidige Engelse opvatting over de causa proxima” dat gezocht dient te worden naar de meest dominante, inwerkende oorzaak. Volgens Van Huizen past de regel dat gezocht moet worden naar de meest dominante oorzaak zowel binnen de leer van de causa remota als binnen de leer van de toerekening naar redelijkheid. We zien hier ook al iets terug van het al genoemde ‘common sense’-aspect; volgens Van Huizen gaat het namelijk om een vraag van gezond verstand. 4.63 Ook Hendrikse heeft zich een voorstander van de dominant cause-leer getoond: “Het genoemde criterium van de Hoge Raad [het door Uw Raad in het […] /Unigarant-arrest gegeven criterium, A-G] komt erop neer dat men allereerst kijkt of in de verzekeringsvoorwaarden voor een causaliteitscriterium is gekozen, bijvoorbeeld door het gebruik van een woord als ‘rechtstreeks’ hetgeen duidt op een toepassing van de ‘causa proxima’-leer, en voor zover dit niet het geval is, kiest men voor toepassing van een causaliteitscriterium dat het meest recht doet aan de inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst. In het laatste geval is de uit het Engelse verzekeringsrecht afkomstige ‘dominant cause’-theorie, welke leer inhoudt dat men op zoek moet gaan naar de rechtens relevante oorzaak of de rechtens relevante oorzaken, over het algemeen het meest passend. Deze theorie ziet het causaliteitsprobleem immers als een vraag van gezond verstand: (…).” 4.64 Net als Brouwer: “In de literatuur is de leer van de dominant cause wel omschreven als het principe dat een gebeurtenis als een oorzaak van de schade kan worden aangemerkt wanneer de daaropvolgende gebeurtenissen geen zelfstandige betekenis hebben en deze zijn terug te voeren op die ene gebeurtenis [Brouwer verwijst hier in voetnoot naar de opvatting van Van Huizen, A-G]. De leer van de dominant cause is mijns inziens echter veel ruimer: bij toepassing van de dominant cause kan men een gebeurtenis of meer gebeurtenissen als oorza(a)k(
- en)van de schade aanwijzen wanneer zij effectief de schade rechtens relevant heeft (hebben) veroorzaakt. De dominant cause wordt vastgesteld met behulp van het gezond verstand. Naar mijn mening kunnen zich situaties voordoen waar meer dan één oorzaak als rechtens relevant valt aan te duiden.” 4.65 Zij vindt dan ook dat deze leer moet worden toegepast in het Nederlandse verzekeringsrecht: “Maar welke maatstaf moet worden toegepast indien in de verzekeringsovereenkomst niet voor een bepaalde causaliteitsmaatstaf is gekozen? In dat geval zal men moeten kiezen voor de causaliteitsmaatstaf die het meest recht doet aan de inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst. Mijns inziens dient dat in beginsel de dominant-cause-theorie te zijn omdat deze naar mijn mening steeds leidt tot het meest billijke resultaat. Het gezond verstand speelt immers een belangrijke rol in de vaststelling van de rechtens relevante oorzaak bij de toepassing van de onderhavige causaliteitsmaatstaf. Het gebruikmaken van het gezond verstand bij het hanteren van deze theorie is overigens afkomstig uit de Engelse rechtspraak waar sprake is van ‘common sense of a business or seafaring man’.” 4.66 In dit verband merkt Brouwer op dat het vaststellen van het causaal verband, welke theorie daarbij ook wordt gebruikt, altijd (letterlijk) arbitrair is, omdat het uiteindelijk toch steeds afhankelijk van de rechter(
- s)is welke oorzaak hij (zij) aanwijst (aanwijzen). 4.67 Wansink en Van Tiggele van der Velde steunen Brouwer in haar voorkeur voor de dominant cause-leer: “[510] (…) Vanuit de eerste aanzet door de Hoge Raad in het Che Guevara-arrest heeft de leer van de dominant cause in brede zin steun en toepassing gekregen: een gebeurtenis kan als oorzaak van de schade worden aangemerkt wanneer de daaropvolgende gebeurtenissen geen zelfstandige betekenis hebben en deze zijn terug te voeren op die ene gebeurtenis. Zie onder meer VAN HUIZEN, Transportverzekering 1986, p. 152. BROUWER, NTHR 2014/1, p. 1 e.v., bepleit een ruimere invulling: een gebeurtenis kan als oorza(a)k(
- en)van de schade worden aangewezen wanneer zij effectief de schade rechtens relevant heeft (hebben) veroorzaakt. Steun verdient zij ook waar zij stelt dat indien de verzekeringsovereenkomst niet geacht kan worden voor een bepaald causaliteitscriterium te hebben gekozen, de leer van de dominant cause het meest recht doet aan de inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst; dit omdat deze steeds leidt tot het meest billijke resultaat. Illustratief daarvoor zijn onder meer de casus in het arrest van 23 april 1982, NJ 1982/620 [lees: 520, A-G] (Che Guevara); Rb. Rotterdam 21 januari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH1979, RAV 2009/51, en de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 25 april 2013, nr. 2013-125. (…).” 4.68 Brouwer en Wansink en Van Tiggele-van der Velde menen steun voor hun opvatting te kunnen vinden in het Che Guavara-arrest van Uw Raad. Het ging in deze zaak om de Noordzeekotter 'Che Guavara', die op 9 juni 1976 zonk bij Bants Balje in de Waddenzee, tijdens een (onder de dekking van de verzekering vallende) reis van Enschede naar Norddeich (Duitsland). De eigenaar van de kotter, Raimond, die zich had weten te redden, deed een beroep op de verzekering die hij bij Kröller had afgesloten. Het ging om een ‘Nederlandse beurs-cascopolis voor de binnenvaart 1966’. Schipbreuk viel onder de dekking, evenals ‘alle andere van buiten aankomende onheilen', echter met uitzondering van particuliere averij, ontstaan door brand, explosie en storm. De rechtbank oordeelde dat van een van buiten komend onheil geen sprake was geweest en evenmin van een ander in de polis genoemd evenement. Daarom behoefde volgens de rechtbank de stelling van Kröller dat het schip door een eigen gebrek, te weten lekkage, was gezonken, geen behandeling. In hoger beroep oordeelde het hof anders. Volgens het hof was sprake van schipbreuk, hetgeen het hof afleidde uit het door Raimond na het zinken van zijn kotter bij Kröller ingediende reisverslag. Uit dit reisverslag leidde het hof echter ook af dat de Che Guavara ten tijde van de ramp ernstig lekte en dus een eigen gebrek had. Het hof oordeelde dat Kröller zich terecht op het standpunt had gesteld dat de Che Guavara door een eigen gebrek verloren was gegaan en dat zij gelet op art. 249 Wetboek van Koophandel niet gehouden was het verlies van het schip te vergoeden. In cassatie werd door Raimond onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte de causa proxima-leer had toegepast, een leer die volgens hem onder het Nederlandse verzekeringsrecht niet van toepassing was. 4.69 Uw Raad heeft het door Raimond ingestelde cassatieberoep verworpen. Uit de door Uw Raad gegeven overwegingen kan mijns inziens niet worden afgeleid dat Uw Raad daarmee, impliciet, heeft gekozen voor (de toepassing van) de dominant cause-leer in het verzekeringsrecht. Uit het in stand laten door Uw Raad van het oordeel van het hof dat de schade is veroorzaakt door het feit dat het schip ernstig lekte en dus een eigen gebrek had, kan dat niet worden afgeleid. In het hof-arrest werd niet gesproken van een ‘naaste’, ‘efficiënte’ of ‘dominante’ oorzaak, hetgeen op toepassing van de causa proxima-leer of dominant cause-leer zou duiden. Ik heb ook niet de indruk dat het hof zich heeft laten leiden door een causaliteitsleer. Het hof heeft volgens mij slechts een feitelijk oordeel gegeven en Uw Raad heeft dit oordeel in stand heeft willen laten. 4.70 Anderen hebben al eerder hun twijfel geuit over hetgeen Brouwer en Wansink en Van Tiggele-van der Velde uit het Che Guavara-arrest afleiden. Zo hebben Engel en Mendel uitdrukkelijk aangegeven geen verwijzing naar de dominant cause-leer (of aanwijzing voor de toepassing ervan) te hebben kunnen vinden in dit arrest. 4.71 Dat neemt echter niet weg dat de dominant cause-leer aan populariteit lijkt te winnen, niet alleen, zoals is gebleken, in de literatuur maar ook in de feitenrechtspraak. Inmiddels hebben enkele rechtbanken en hoven, waaronder het hof Arnhem-Leeuwarden in de onderhavige procedure tussen [eisers] en Interpolis (rov. 2.13), de dominant cause-leer aanvaard althans de mogelijkheid van toepassing van die leer niet verworpen. Ook de Geschillencommissie van het Kifid heeft gekozen voor de dominant cause-leer. Volgens Overes lijkt de dominant cause-leer de verzekeringsrechtelijke rechtspraak te gaan ‘domineren’. 4.72 Ik ben zelf geen aanhanger van de dominant cause-leer. Het in dit verband centraal gestelde common sense-criterium geeft te weinig richting. Wat met de dominant cause-leer wordt bereikt, het aanwijzen van een ‘rechtens relevante oorzaak’ in het geval meerdere oorzaken zich aandienen, kan bovendien net zo goed binnen een op verzekering toegespitste toerekening naar redelijkheid. Ik wijs in dit verband ook op de wankele basis van de leer waar het om het Nederlandse recht gaat: een richtinggevende uitspraak van Uw Raad is er niet. Op dit punt zit ik dus op eenzelfde spoor als Mendel en Engel (randnummer 4.70 hiervoor). Het is vooral een aantal schrijvers dat zich sterk maakt voor de dominant cause-leer en dat, het moet gezegd, met enig succes, want in verschillende rechterlijke uitspraken wordt de leer als bepalend aangemerkt. In de eindbalans kom ik hierop nog terug. (
- v)Samenwerkende oorzaken 4.73 Hiervoor kwamen de opvattingen van een flink aantal auteurs voorbij. Een aantal van hen heeft ook aandacht besteed, de een wat meer dan de ander, aan de mogelijkheid dat de schade (mogelijk) door meer dan een oorzaak is ontstaan, waarbij één van de twee (of meer) oorzaken wel onder de verzekeringsdekking valt, maar de andere oorzaak of oorzaken niet. 4.74 Schade kan meer dan één oorzaak hebben. Men spreekt in dit verband van meervoudige causaliteit. In de literatuur plegen vier vormen van meervoudige causaliteit te worden onderscheiden: (
- i)samenlopende of samenwerkende oorzaken: het schadevoorval heeft twee (of meer) oorzaken die alleen in combinatie het schadevoorval hebben kunnen veroorzaken; (
- ii)afzonderlijke oorzaken: voor elke oorzaak geldt dat als die afzonderlijk wordt weggedacht, het schadevoorval zich toch zou hebben voorgedaan (door de andere oorzaak of, als er meer dan één andere oorzaak is, door een van de andere oorzaken); (iii) alternatieve causaliteit: de schade kan een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen en het staat vast dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, maar men kan niet bewijzen welke van deze gebeurtenissen als ‘de’ oorzaak van de schade moet worden aangewezen (hierop heeft art. 6:99 BW betrekking); (
- iv)hypothetische causaliteit: er is een bepaalde oorzaak aan te wijzen maar de voor deze oorzaak aansprakelijke persoon weet een andere oorzaak aan te wijzen die zich had kunnen voordoen en waardoor de schade ook zou zijn ontstaan. 4.75 In de verzekeringsrechtelijke literatuur gaat de aandacht uit naar de categorie van de samenwerkende oorzaken en, als gezegd, in het bijzonder naar de situatie waarin één van de twee (of meer) oorzaken wel onder de verzekeringsdekking valt, maar de andere oorzaak of oorzaken niet. Daarbij heeft men echter niet altijd precies hetzelfde voor ogen. Volgens Brouwer bijvoorbeeld is van samenwerkende oorzaken sprake als men de oorzaken niet ‘uit elkaar kan trekken’ en het derhalve niet mogelijk is te bepalen voor welk percentage welke oorzaak heeft bijgedragen aan de schade. Zij maakt in dit verband een onderscheid met ‘meervoudige causaliteit in het algemeen’, waarbij wel bepaald kan worden voor welk percentage iedere oorzaak heeft bijdragen aan de schade. Op het zelfde spoor zit, als ik het goed zie, Blom, die van opvatting is dat de verzekeraar in de situatie waarbij ieder van twee oorzaken duidelijk een deel van de schade teweegbrengt, is gehouden dat deel van de schade te betalen dat door de gedekte oorzaak is veroorzaakt. Deze situatie moet volgens Blom worden onderscheiden van het probleem van samenwerkende oorzaken. Dorhout Mees (de kleinzoon) spreekt van ‘meervoudige causaliteit in verband met samenwerkende oorzaken’, waaronder hij de situatie verstaat waarin twee abnormale gebeurtenissen eenzelfde gevolg teweegbrengen dat door beide gebeurtenissen afzonderlijk niet ingetreden zou zijn. Hij lijkt daarbij geen onderscheid te maken tussen de situatie waarin duidelijk is in hoeverre (voor welk percentage) welke oorzaak aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen en de situatie waarin dat onduidelijk is. 4.76 Van Huizen lijkt ook weer een iets andere definitie te geven. Van ‘samenwerkende oorzaken’ is volgens hem sprake wanneer er meerdere gebeurtenissen zijn aan te wijzen, die tezamen de schade hebben veroorzaakt. Volgens hem is kenmerkend voor samenwerkende oorzaken dat aan beide gebeurtenissen qua causaliteit evenveel gewicht toekomt. 4.77 In de verzekeringsrechtelijke literatuur bepleit men verschillende oplossingen voor het probleem van samenwerkende oorzaken. Een vroege opvatting vindt men bij Offerhaus, een voorstander van de leer der adequate veroorzaking. Hij prees de volgende oplossing aan voor het geval waarin een schade is veroorzaakt door twee oorzaken die ieder voor zich de schade niet ten gevolge zouden hebben gehad: “Ik acht verdeeling juist, en wel naar de mate, waarin elk der oorzaken tot de schade heeft bijgedragen. Voor iedere oorzaak op zichzelve komt dit resultaat overeen met de leer der adaequatie.” 4.78 Volgens Mijnssen en Dorhout Mees (de grootvader), beiden voorstander van de toerekening naar redelijkheid (zij het in de hiervoor in randnummers 4.32 en 4.34 aangeduide zin), is er in de praktijk altijd één oorzaak aan te wijzen. In dit verband wijs ik ook op de opvatting van Dorhout Mees (de kleinzoon), die van opvatting is dat in het geval van samenwerkende oorzaken gekeken moet worden naar de dominerende oorzaak (de dominant cause dus). Verder lijkt ook Blom weinig tot geen ruimte te zien voor een toerekening/verdeling van de schade aan/over meerdere oorzaken. 4.79 Opvallend is dat de auteurs die zich als aanhangers van de dominant cause-leer hebben geprofileerd (Van Huizen, Hendrikse en Brouwer), juist wel – en nadrukkelijk – een toerekening van de schade aan meerdere oorzaken, zij het in specifieke gevallen, voor mogelijk houden. Dit zou men bij een (door de auteurs voorgestane) zoektocht naar de dominante oorzaak niet direct verwachten. Van Huizen heeft voorgesteld bij de problematiek van de samenwerkende oorzaken geen toevlucht te zoeken in een alles-of-niets-oplossing, waarin men kiest voor dekking of geen dekking, maar in plaats daarvan een middenweg te bewandelen. Hij stelt voor dat verzekeraar en verzekerde in het geval van samenwerkende oorzaken elk een deel van de schade voor hun rekening moeten nemen. In beginsel moeten dat gelijke delen zijn. Een andere verhouding is volgens Van Huizen uitgesloten, omdat dit direct zou impliceren dat er sprake is van een overheersende (dominante) oorzaak, die een verdeling juist overbodig maakt. 4.80 Hendrikse en Brouwer lijken nog een stap verder te gaan dan Van Huizen. Volgens Hendrikse behoort een proportionele verdeling wel degelijk tot de mogelijkheden: “(…). Het is juist dat er in geval van meerdere oorzaken twee mogelijkheden zijn. Allereerst is daar de mogelijkheid – zoals ook Blom aangeeft – dat er meerdere oorzaken zijn en dat exact kan worden aangegeven voor welk percentage een oorzaak heeft bijgedragen aan de schade. In dat geval zal de schade volgens de toerekeningspercentages worden verdeeld en zal worden vastgesteld wat de verzekeraar dient uit te keren.” 4.81 In dit verband merkt Hendrikse op dat dit in de […] /Unigarant-zaak gebeurde: […] kreeg 10% van zijn schade vergoed (omdat 10% van de blijvende invaliidteit van de begunstigde werd toegeschreven aan het ongeval (gedekte oorzaak) en 90% aan de conversie-hysterie (niet onder de polis gedekte oorzaak). Vervolgens betoogt Hendrikse dat als een exacte verdeling niet mogelijk is, gekozen moet worden voor een gelijke verdeling over de oorzaken: “Verder is er de mogelijkheid dat het onduidelijk is voor welk percentage de oorzaken hebben bijgedragen aan de schade maar vaststaat dat de oorzaken tezamen de schade hebben veroorzaakt. Deze situatie wordt door Blom het probleem van de samenwerkende oorzaken genoemd. In een dergelijk geval ligt het naar mijn mening voor de hand om aan elke oorzaak een gelijk schadepercentage toe te rekenen.” 4.82 Brouwer zit op hetzelfde spoor als Hendrikse. Als gezegd maakt zij in dit verband een onderscheid tussen samenwerkende oorzaken, waarbij vaststaat dat zonder de oorzaken de schade niet zou zijn ontstaan maar waarbij men de oorzaken ‘niet uit elkaar kan halen’, en ‘meervoudige causaliteit in het algemeen’, waarbij men dit laatste wel kan (randnummer 4.75 hiervoor). Zij stelt bij samenwerkende oorzaken een gelijke verdeling voor, in navolging van Van Huizen (en eigenlijk ook Hendrikse). Bij meervoudige causaliteit in het algemeen stelt zij een meer precieze proportionele verdeling voor, zodat dan naar rato een uitkeringsverplichting zou ontstaan respectievelijk sprake zou zijn van uitsluiting van dekking. 4.83 Recentelijk heeft Brouwer een (tussen)vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2020, ook naar aanleiding van de supercel van 23 juni 2016, besproken. De rechtbank heeft de dominant cause-leer in deze zaak toegepast, omdat partijen het daarover eens waren (rov. 4.6). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de storm wel condicio sine qua non voor het ontstaan van de schade is geweest, maar niet geacht kan worden een zodanige overheersende invloed te hebben gehad dat deze als dominant cause van de schade is aan te merken (rov. 4.7.2). Brouwer betreurt dat de rechtbank de mogelijkheid van het aanwijzen van twee dominante oorzaken (en daarmee de mogelijkheid van een gedeeltelijke uitkering) niet in ogenschouw heeft genomen: “Bij deze supercelschade-zaak is echter sprake van een oorzaak die op grond van de voorwaarden is gedekt en een oorzaak die op grond van de voorwaarden is uitgesloten van dekking waarbij voor beide oorzaken geldt dat ze niet in een primaire dekkingsbepaling zijn opgenomen. Met andere woorden: de twee mogelijke dominant causes zijn op gelijkwaardige wijze in de voorwaarden opgenomen. Juist dit leent zich uitermate goed voor het aanwijzen van meer dan één dominant cause anders dan hier is gebeurd hoewel de aanloop van de uitleg sterk doet vermoeden dat de rechtbank die richting op gaat. De storm is immers niet alleen een CSQN voor het ontstaan van de schade maar kan ook niet worden weggedacht zonder dat daarmee ook (een deel van) de schade wegvalt. De storm zou dus wel degelijk beschouwd kunnen worden als ook een dominant cause van de schade. Of het praktisch haalbaar zou zijn om te bepalen welk gedeelte van de schade is veroorzaakt door de storm, weet ik niet. Zo ja, dan zou de uitkering aan dat percentage gekoppeld moeten worden. Zo nee, dan zou een gedeeltelijke uitkering van de schade voor de hand liggen waarbij dan de verdeling in gelijke delen geldt.” (
- vi)Tussenconclusie: verdeeldheid over een eventuele proportionele oplossing 4.84 Het is niet eenvoudig een adequate stand van zaken op dit punt te geven. In de eerste plaats is lastig dat verschillende schrijvers het probleem van samenwerkende oorzaken in het verzekeringsrecht op uiteenlopende wijze aanduiden en derhalve ook verschillende gevallen op het oog hebben. Hierdoor is onzeker in hoeverre de bedoelde schrijvers het eens/oneens zijn met elkaar. 4.85 Daarbij komt dat de in dit verband voorgestelde oplossingen uiteenlopen. Opvallend is dat voorstanders van de dominant cause-leer (Van Huizen, Hendrikse en Brouwer), nadrukkelijk een proportionele oplossing voor mogelijk houden. Dit is opmerkelijk, omdat de dominant cause-leer in beginsel leidt tot een zoektocht naar de dominant cause waaraan de schade vervolgens geheel wordt toegerekend. Daarbij past een proportionele oplossing alleen als men aanvaardt dat de uitkomst van een zoektocht naar de dominant cause kan zijn dat de schade is veroorzaakt door meerdere dominant causes. Men komt dan echter in de knel met de kern van de leer: als meerdere oorzaken in gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, is geen daarvan werkelijk ‘dominant’. 4.86 Verder springt in het oog dat verschillende auteurs (Dorhout Mees, zowel de grootvader als de kleinzoon, maar ook Mijnssen en Blom), die toepassing van de leer van toerekening naar redelijkheid voorstaan of deze, rekening houdend met de aard van de verzekering, op zijn minst voor mogelijk houden, eigenlijk geen ruimte zien voor een proportionele oplossing, omdat er in de praktijk altijd één oorzaak zou zijn aan te wijzen. Juist de leer van de redelijke toerekening zou echter ruimte bieden voor een proportionele oplossing; dat is in ieder geval ook het geval bij toerekening naar redelijkheid in het schadevergoedingsrecht. 4.87 Categorisch afwijzen van de mogelijkheid van een proportionele oplossing ligt, aangenomen dat de verzekeringsovereenkomst zich daartegen niet duidelijk verzet, wat mij betreft niet voor de hand in een tijd waarin op de maat van het geval gesneden tussenoplossingen wind in de zeilen hebben, niet alleen in het schadevergoedingsrecht, maar ook in het contractenrecht. Ik kom hierop zo dadelijk terug. (vii) Eindbalans 4.88 Als we de balans nu opmaken, is duidelijk dat het […] /Unigarant-arrest vooropstaat, ook in het geval van samenwerkende oorzaken. Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het, zoals Uw Raad het heeft verwoord, “in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst.” In lastige gevallen, waarin men er met dit richtsnoer niet uitkomt, zal men, juist in het kader van de door het […] /Unigarant-arrest gevraagde uitleg of langs de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, kunnen terugvallen op een causaliteitstheorie, waarvan er meerdere zijn: de causa remota-leer (een adequatietheorie), de leer van de toerekening naar redelijkheid, de causa proxima-leer en de daaruit voortgekomen leer van de dominant cause. Niet gezegd kan worden dat onder het huidige recht één van deze theorieën, met uitsluiting van de andere, toegepast moet worden. 4.89 Niettemin zou de leer van de toerekening naar redelijkheid kunnen worden aangemerkt als ‘de’ leer die, in lastige gevallen, moet worden toegepast. Ik stel me hierbij dan een verzekeringsrechtelijke variant van deze leer voor, waarbij schade wordt toegerekend aan een of meerdere oorzaken in het licht van de (bepalingen van
- de)verzekeringsovereenkomst, dus in het licht van de (al dan niet geobjectiveerde) bedoelingen en verwachtingen van de verzekeraar en de verzekeringnemer. De aard van de verzekering kan hierbij een rol spelen. Dit zou goed passen bij de centrale overweging van Uw Raad in het […] /Unigarant-arrest. Zo’n theorie biedt ook ruimte voor differentiatie: bij de aansprakelijkheidsverzekering en de schadeverzekering voor inzittenden kan men bijvoorbeeld het accent leggen op de toerekening naar redelijkheid zoals art. 6:98 BW die meebrengt, terwijl men bij andere verzekeringen, bijvoorbeeld bij de CAR-verzekering, het accent kan leggen op de causa proxima. Voor een dergelijke differentiatie, die nu reeds aanhangers heeft, is het aanvaarden van de door mij genoemde overkoepelende variant van de toerekening naar redelijkheid niet nodig. Zelf zie ik er vanuit een ordeningsperspectief wel voordelen aan verbonden. 4.90 Ik constateer echter dat de toerekening naar redelijkheid bij een aantal auteurs weerstand, ontmoet. Dat komt volgens mij doordat zij, anders dan Dorhout Mees en Mijnssen, bij toerekening naar redelijkheid niet denken aan redelijke toerekening in het licht van de verzekeringsovereenkomst, maar aan de (rechtspraak in het kader van) de toerekening naar redelijkheid ex art. 6:98 BW. Tegen deze achtergrond verbaast het niet dat de dominant cause-leer aan populariteit lijkt te winnen, zoals eerder al door Overes en Brouwer is geconstateerd. Bij deze ontwikkeling kan wel een enkele kanttekening worden geplaatst. Bij deze leer speelt bijvoorbeeld het gezond verstand een belangrijke rol – hetgeen, als gezegd, haar toenemende populariteit lijkt te verklaren (het lijkt als waarborg voor het bereiken van billijke resultaten te worden gezien) –, maar zoals in de literatuur al is opgemerkt, wordt het gezond verstand bij toepassing van andere causaliteitsleren, zoals de leer van de toerekening naar redelijkheid, uiteraard niet uitgeschakeld. Daarbij komt dat men in de Engelse literatuur heeft geconstateerd dat het common sense-criterium weinig richting geeft (Arnould, randnummer 4.60 hiervoor). Dit is van belang: een verwijzing naar het gezond verstand biedt niet noodzakelijk een goed, onderscheidend criterium. Het is dan nog steeds mogelijk dat men van mening verschilt over wat het gezond verstand meebrengt. Het common sense-criterium is voor mij daarom geen overtuigend argument om voor de dominant cause-leer te kiezen. 4.91 Een tweede kanttekening betreft de basis voor toepassing van de dominant cause-leer in het Nederlandse recht. Anders dan in de literatuur naar voren is gebracht (door Brouwer en door Wansink en Van Tiggele-van der Velde), heeft Uw Raad in het Che Guavara-arrest niet voor deze leer gekozen, ook niet impliciet. Het Che Guavara-arrest kan dus niet dienen als basis voor de (toepassing van
- de)dominant cause-leer in het Nederlandse recht. Niet ontkend kan worden dat in de feitenrechtspraak inmiddels toepassing aan deze leer wordt gegeven, maar in de betreffende uitspraken wordt uitdrukkelijk of impliciet dan weer steun gezocht in de verzekeringsrechtelijke literatuur, die weliswaar ook aanhangers van de dominant cause-leer kent, maar zeker niet alleen van deze leer. 4.92 Ten slotte verdient opmerking dat ook voorstanders van de dominant cause-leer wel degelijk ruimte zien voor een rol van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke zin), namelijk bij aansprakelijkheidsverzekering en schadeverzekering voor inzittenden (randnummers 4.38 en 4.49 hiervoor). 4.93 Ook bij de afwikkeling van schade die meer dan één oorzaak heeft, terwijl niet elke oorzaak gedekt is, is de inzet eerst en vooral, aan de hand van (inhoud en strekking van) de verzekeringsovereenkomst en zo nodig met behulp van een normatieve causaliteitsleer, te bepalen of het geval moet worden gezien als ‘gedekte oorzaak’ of als niet onder de dekking vallend evenement. Het debat heeft daarmee een zeker alles-of-niets-karakter. Toch hebben we geconstateerd dat een gedeeltelijke uitkering in verschillende periodes en onder verschillende leren als een mogelijke uitkomst werd gezien. Dat lijkt mij terecht, juist ook in de huidige tijd die gekenmerkt wordt door een sterkere belangstelling voor op de maat van het geval gesneden tussenoplossingen ten koste van alles-of-niets-benaderingen dan ooit. Wat mij betreft is er ruimte om de schade in de gevallen waar we het hier over hebben aan meer dan één van de betrokken oorzaken toe te rekenen, zodat, als één van die oorzaken buiten de dekking valt, een gedeeltelijke uitkering mogelijk is. Dat dit eerder uitzondering dan regel is, omdat het meestal in het licht van de verzekeringsovereenkomst wel mogelijk zal zijn om de schade redelijkerwijs aan één van de oorzaken toe te rekenen (zodat er geen recht op uitkering bestaat of juist wel als de desbetreffende oorzaak binnen de dekking valt), doet hieraan niet af. Of daadwerkelijk ruimte bestaat voor een gedeeltelijke uitkering, zal uiteindelijk vooral afhangen van de (bepalingen van
- de)verzekeringsovereenkomst en daarmee van de (al dan niet geobjectiveerde) bedoelingen en verwachtingen van verzekeraar en verzekeringnemer (die mede door de aard van de verzekering zullen worden bepaald). 5Beoordeling van het cassatiemiddel 5.1 Ik kom nu toe aan de beoordeling van het door [eisers] aangevoerde middel. Als gezegd (randnummer 3.4 hiervoor) hebben [eisers] twee pijlen op hun boog. Het middel valt dan ook uiteen in twee (inhoudelijke) onderdelen: onderdeel 2 en onderdeel 3, die beide meerdere klachten inhouden. 5.2 Onderdeel 1 van het middel betreft een inleiding, zie randnummer 3.1 hiervoor. 5.3 Onderdeel 2 is in de procesinleiding onderverdeeld in randnummers 2.1 tot en met 2.11. Ik zal hierna voor (de tekst bij) elk randnummer de aanduiding ‘subonderdeel’ hanteren. Ik ga er dus vanuit dat onderdeel 2 elf subonderdelen telt. Voor onderdeel 3 doe ik hetzelfde. Dit onderdeel telt dan zeven subonderdelen. Onderdeel 2 5.4 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de vraag hoe de verzekeringsvoorwaarden moeten worden uitgelegd. Het onderdeel houdt meerdere klachten in, verdeeld over de verschillende subonderdelen, maar niet elk subonderdeel bevat een klacht. In subonderdelen 2.2 en 2.3 worden geen klachten aangevoerd. Subonderdeel 2.1 (de vaststelling van het hof in rov. 2.6 dat Interpolis haar polisvoorwaarden in 1998 heeft gewijzigd) 5.5 Dit subonderdeel houdt een rechtsklacht in, gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.6 dat Interpolis in 1998 haar polisvoorwaarden zo heeft gewijzigd dat onder stormschade geen hagelschade meer werd vergoed en dat voor dekking van hagelschade een aparte/extra module moest worden gekozen, welk oordeel het hof heeft gebaseerd op getuigenverklaringen. [eisers] klagen dat het hof in het kader van zijn uitleg van de verzekeringsvoorwaarden ten onrechte de bedoeling van Interpolis (mede) van belang heeft geacht. Niet gebleken is immers dat [eisers] met deze bedoeling bekend waren. In dit verband wijst het subonderdeel op rov. 2.7, waarin het hof overweegt dat het bij de uitleg van zodanige polisvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren. 5.6 Deze klacht faalt. In rov. 2.6 heeft het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, geen uitleg gegeven aan een of meer verzekeringsvoorwaarden. Het hof bereikt in rov. 2.6 slechts de conclusie dat Interpolis vanaf 1998 het beleid voerde dat onder stormschade geen hagelschade meer werd vergoed en dat vanaf dat jaar voor dekking van hagelschade een aparte module moest worden gekozen. Hiermee stelt het hof een relevant feit vast: verzekeringnemers die zich tegen hagelschade wensen te verzekeringen, hebben daarvoor, sinds 1998, een aparte module nodig. In rov. 2.7 gaat het hof vervolgens pas over tot het uitleggen van de betreffende polisvoorwaarde in versie 5.3 op basis van objectieve factoren. De bedoeling van Interpolis sinds 1998, waaraan het hof in rov. 2.6 aandacht heeft besteed, speelt in die door het hof gegeven uitleg geen rol. In rov. 2.8 en 2.9 wordt niet aan deze bedoeling gerefereerd. Subonderdelen 2.2 en 2.3 ( [eisers] geven aan hoe zij rov. 2.9 begrijpen) 5.7 De subonderdelen 2.2 en 2.3 houden, zoals hiervoor aangegeven, geen klacht in. In subonderdeel 2.2 wordt een deel van de tekst van rov. 2.9 geciteerd (randnummers 2.14 tot en met 2.17 hiervoor). In subonderdeel 2.3 maken [eisers] duidelijk hoe zij deze overweging van het hof, gelezen in samenhang met andere overwegingen van het hof, opvatten. Volgens hen heeft het hof hiermee hun verweer, dat van een hagelbui in de zin van de polisvoorwaarden geen sprake is geweest op 23 juni 2016 en dat zij door de definitie van hagel in die polisvoorwaarden ervan uitgingen dat zij verzekerd waren voor schade als gevolg van ‘door storm inslaande extreem grote ijsballen’, verworpen. Volgens [eisers] heeft het hof dit verweer verworpen, omdat volgens het hof ook de ijsklompen die op 23 juni 2016 naar beneden kwamen zijn aan te merken als hagel in de zin van de polisvoorwaarden en de hierdoor veroorzaakte schade mede daarom niet valt onder het begrip ‘(schade door) storm’. Subonderdeel 2.4 (de definitie van ‘hagel’ in de verzekeringsvoorwaarden) 5.8 Subonderdeel 2.4 houdt een rechtsklacht in. Volgens [eisers] heeft het hof miskend dat de uitleg van de begrippen ‘storm’ en ‘hagel’ dient plaats te vinden aan de hand van de definities van deze begrippen in de polisvoorwaarden. Volgens [eisers] heeft het hof zijn oordeel over wat onder ‘hagel’ moet worden verstaan ten onrechte gebaseerd op het algemeen spraakgebruik. 5.9 Deze klacht houdt in de kern in dat het hof in rov. 2.9 had moeten uitgaan van, althans aandacht had moeten besteden aan, de definitie van hagel in de zin van de verzekeringsvoorwaarden: “Onder hagel wordt neerslag in de vorm van ijskorrels verstaan”. Zou het hof hebben aangenomen dat er op 23 juni 2016 géén hagel naar beneden is gekomen, omdat van ‘ijskorrels’ geen sprake is geweest, dan zou Interpolis geen beroep toekomen op het feit dat [eisers] geen dekking hebben voor schade door hagel. 5.10 De klacht dat het hof aandacht had moeten besteden aan de definitie van hagel in de verzekeringsvoorwaarden faalt. Het hof heeft de definitie van hagel in de verzekeringsvoorwaarden onderkend. In dit verband wijs ik op de zin “Hagelschade is in de polis omschreven als neerslag in de vorm van ijskorrels” in rov. 2.9, alsmede op het slot van deze rechtsoverweging, waaruit valt af te leiden dat het hof gezien heeft dat de definitie van hagel in de verzekeringsvoorwaarden het woord ‘ijskorrels’ bevat. Het hof heeft deze definitie niet prominenter hoeven betrekken in zijn oordeel. Rov. 2.9 staat immers in het teken van de vraag of [eisers] dekking hebben onder de rubriek ‘storm’, voor de schade die op 23 juni 2016 is ontstaan. 5.11 De klacht dat het hof had moeten uitgaan van de definitie van hagel in de verzekeringsvoorwaarden faalt eveneens. Het hof stond immers voor de vraag of de neergekomen forse hagelstenen onder het polisbegrip ‘storm’ vallen. Ter invulling van dat begrip mocht het hof uitgaan van wat onder het algemeen taalgebruik onder ‘hagel’ wordt verstaan. Het was niet gehouden om daarbij strikt de hand te houden aan de definitie van ‘hagel’ in de verzekeringsvoorwaarden. Het hof mocht volstaan met de aandacht die het aan deze definitie heeft besteed. Subonderdeel 2.5 (uitleg begrip ‘hagel’ onvoldoende gemotiveerd) 5.12 Dit subonderdeel bouwt voort op subonderdeel 2.4 met een motiveringsklacht. Volgens [eisers] heeft het hof zijn uitleg van het begrip ‘hagel’ onvoldoende gemotiveerd. Volgens [eisers] is het hof ten onrechte niet uitgegaan van de definitie van hagel in de polisvoorwaarden. Een taalkundige uitleg van het begrip ‘ijskorrels’, waarmee ‘hagel’ in de polisvoorwaarden wordt gedefinieerd, omvat juist niet elke vorm van neerslag in de vorm van ijs ongeacht de grootte, laat staan ijsbollen met een doorsnede van 10 cm. 5.13 De motiveringsklacht van het subonderdeel faalt in het spoor van de rechtsklacht van subonder