PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01899 Zitting 6 oktober 2020 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna
Artikel 9Wv
W met RDW uitdraai d.d. 6 december 2017, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Datum feit : 6 december 2017 Voor het openbaar verkeer openstaande weg Buiten de bebouwde kom Weg/locatie : Graafsebaan Plaats : Oss Gemeente : Oss Ik, verbalisant, zag dat op genoemde datum en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie. Verdachte: Naam : [verdachte] Vooma(a)m(en) : [verdachte] Geboren op : [geboortedatum] 1967 Motorrijtuig : Personenauto Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik, verbalisant, het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld. Rijbewijs Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B. Ongeldig verklaard rijbewijs Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI-IB. (uitdraai BVI-IB) NL-RDW Soort : Vorderingsprocedure Categorie : B Periode : vanaf 14 juli 2015 Soort : Ongeldigheid Voorts ten aanzien van de zaak met parketnummer 96-253305-17 1.
Artikel 9Wv
W met uitdraai BVI-IB d.d. 16 december 2017, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] : Datum feit : 16 december 2017 Voor het openbaar verkeer openstaande weg Buiten de bebouwde kom Weg/locatie : A2 Plaats : Waardenburg Gemeente : Neerijnen Ik, verbalisant, zag dat op genoemde datum en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie. Verdachte: Naam : [verdachte] Voorna(a)m(en) : [verdachte] Geboren op : [geboortedatum] 1967 Motorrijtuig : Personenauto Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik, verbalisant, het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld. Er is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van: slingerend rijgedrag en diverse verkeersovertredingen. Rijbewijs Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B. Ongeldig verklaard rijbewijs Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI-IB. (uitdraai BVI-IB) NL-RDW Soort : Vorderingsprocedure Categorie : B Periode : vanaf 14 juli 2015 Soort : Ongeldigheid Voorts ten aanzien van de zaak met parketnummer 96-032598-18 1.
Artikel 9Wv
W d.d. 22 januari 2018 met uitdraai BVI-IB, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] : Datum feit : 22 januari 2018 Voor het openbaar verkeer openstaande weg Binnen de bebouwde kom Weg/locatie : Onderwijsboulevard Plaats : ‘s-Hertogenbosch Gemeente : ‘s-Hertogenbosch Ik, verbalisant, zag dat op genoemde datum en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie. Verdachte: Naam : [verdachte] Voorna(a)m(en) : [verdachte] Geboren op : [geboortedatum] 1967 Motorrijtuig : Anders (bestelauto) Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik, verbalisant, het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld. Rijbewijs Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B. Ongeldig verklaard rijbewijs Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI-IB. (uitdraai BVI-IB) NL-RDW Soort : Vorderingsprocedure Categorie : B Periode : vanaf 14 juli 2015 Soort : Ongeldigheid” 3.
- Verder bevat het bestreden arrest, voor zover hier van belang, de volgende bewijsoverwegingen: “Van de zijde van de verdediging is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle drie de ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof overweegt als volgt. In het dossier bevindt zich een ontvangstbevestiging van het CBR van het rijbewijs van verdachte d.d. 11 februari
- Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte zijn rijbewijs bij het CBR heeft ingeleverd. Daarnaast bevat het dossier een door het CBR verzonden aangetekende brief d.d. 7 juli 2015 met daarin de uitslag van een onderzoek naar het alcoholgebruik van verdachte en het besluit inhoudende dat het rijbewijs van verdachte vanaf 14 juli 2015 ongeldig is verklaard. Deze aangetekende brief is blijkens de CBR-stukken in het dossier niet retour gekomen naar het CBR. Hieruit leidt het hof af dat verdachte de aangetekende brief met daarin het besluit inhoudende de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs vanaf 14 juli 2015 heeft ontvangen. Voorts blijkt uit de brief van het CBR d.d. 15 januari 2016 dat een advocaat op 28 december 2015 namens verdachte heeft verzocht om informatie bij het CBR omtrent de voortgang van de procedure met betrekking tot het dossier van verdachte. Gelet op bovenstaande is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat verdachte voor 6 december 2017 (parketnummer 96-246350-17) wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij derhalve ook op 16 december 2017 en 22 januari 2018 (parketnummers 96-253305-17 en 96-032598-18) op de hoogte was van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Het verweer van de zijde van de verdediging wordt verworpen.” 3.
- Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de omstandigheden dat de brieven van het CBR niet zijn teruggekomen, dat het CBR het rijbewijs van de verdachte heeft ontvangen en dat er stukken door een advocaat zijn opgevraagd onvoldoende zijn voor het oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en dus wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. 3.
- Om tot bewezenverklaring van het misdrijf als bedoeld in art. 9 lid 2 WVW te komen, is volgens de Hoge Raad onder meer vereist dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren. In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 3.
- In dit geval heeft het hof drie omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de verdachte voor 6 december 2017 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, namelijk dat de verdachte zijn rijbewijs heeft ingeleverd, dat de verdachte de aangetekende brief d.d. 7 juli 2015 met daarin het besluit inhoudende de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs vanaf 14 juli 2015 heeft ontvangen en dat een advocaat op 28 december 2015 namens verdachte heeft verzocht om informatie bij het CBR omtrent de voortgang van de procedure met betrekking tot het dossier van verdachte. 3.
- Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat, zoals hiervoor al opgemerkt, uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief naar de verdachte is verzonden en die brief vervolgens niet retour is gekomen – waaruit het hof heeft afgeleid dat de verdachte de aangetekende brief heeft ontvangen – niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat geldt mijns inziens ook voor de omstandigheid dat een advocaat namens de verdachte heeft verzocht om informatie bij het CBR omtrent de voortgang van de procedure met betrekking tot het dossier van de verdachte. Daaruit kan op zichzelf genomen nog niet worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. 3.
- Deze omstandigheden staan echter niet op zichzelf. Het hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte voor 6 december 2017 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard immers ook betrokken dat het CBR blijkens een op 11 februari 2016 gedateerde ontvangstbevestiging het rijbewijs van de verdachte heeft ontvangen, waaruit het hof heeft afgeleid dat de verdachte zijn rijbewijs bij het CBR heeft ingeleverd. Die feitelijke vaststelling komt mij niet onbegrijpelijk voor. De enkele opmerking in de schriftuur dat het te doen gebruikelijk zou zijn dat de politie of het OM na inbeslagname rijbewijzen doorstuurt als door het CBR tot ongeldigheid of schorsing wordt beslist, maakt dat mijns inziens niet anders. 3.
- Uit de omstandigheden dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte zowel bij aangetekende brief als bij gewone brief naar de verdachte is verzonden, dat deze brieven niet retour zijn gekomen, dat een advocaat namens de verdachte heeft verzocht om informatie bij het CBR omtrent de voortgang van de procedure met betrekking tot het dossier van de verdachte en dat de verdachte zijn ongeldig verklaarde rijbewijs heeft ingeleverd, heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte op 6 december 2017, 16 december 2017 en 22 januari 2018 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De bewezenverklaring is aldus toereikend gemotiveerd. 3.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. Vellinga, rov. 2.4.
- Vgl. HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW
- Zie ook de conclusie van AG Machielse (ECLI:NL:PHR:2018:1285) voor HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2097 (81 RO)