PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/03157 Zitting 24 november 2020 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak DH01, hierna: de verdachte. Het cassatieberoep 1. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’ veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. Het hof heeft tevens beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. 3. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft mr. R. Korver, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie ingediend. Mr. Lousberg heeft namens de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] drie middelen van cassatie voorgesteld. Mr. B. Pernot, advocaat te Wijchen, en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, hebben namens de benadeelde partij [benadeelde 7] twee middelen van cassatie ingediend. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift betreft uitsluitend het eerste middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 7] is ingediend. De zaak 4. De verdachte in deze zaak is een politieagent die door het gerechtshof is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de aanhouding met dodelijke afloop van [slachtoffer] tijdens een muziekfestival in het Haagse Zuiderpark in 2015. Toen [slachtoffer] zich verzette tegen zijn aanhouding, ontstond een worsteling waarbij hij op de grond belandde en een aantal agenten geweld heeft gebruikt. [slachtoffer] is buiten bewustzijn geraakt en een dag later overleden. Het gerechtshof heeft de verdachte vrijgesproken van doodslag en zware mishandeling. Het hof achtte niet bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte is veroordeeld voor mishandeling met de dood tot gevolg. Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat de verdachte door tijdens de aanhouding te lang met kracht een nekklem toe te passen, gelet op de daaraan verbonden risico’s, niet proportioneel en daarom onrechtmatig heeft gehandeld. De dood van [slachtoffer] kan naar het oordeel van het hof aan de verdachte worden toegerekend. De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. In cassatie zijn namens de verdachte klachten aangevoerd over de veroordeling. Namens enkele nabestaanden zijn klachten ingediend die gaan over de beslissingen op de door hen ingediende verzoeken tot schadevergoeding. Omdat er bedreigingen zijn geuit tegen de verdachte en zijn gezin, is de identiteit van de verdachte in de strafprocedure bij de rechtbank en het gerechtshof afgeschermd. De opbouw van deze conclusie 5. In het navolgende ga ik eerst ambtshalve in op de afscherming van de identiteit van de verdachte in de strafzaak (randnummers 8 tot en met 20). Daarna ga ik ambtshalve in op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep (randnummers 21 tot en met 25). 6. Vervolgens bespreek ik de namens de verdachte voorgestelde middelen. Daaraan voorafgaand neem ik de overwegingen in het bestreden arrest, voor zover van belang voor de bespreking van deze middelen, over (randnummers 26 en 27). Het eerste (randnummers 28 tot en met 74) en tweede (randnummers 75 tot en met 117) namens de verdachte voorgestelde middel komen op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring. Het derde middel (randnummers 118 tot en met 132) richt zich tegen de verwerping van een verweer inzake de strafbaarheid van de verdachte. Het vierde middel (randnummers 133 tot en met 148) stelt aan de orde of het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar gevolgen heeft voor de onderhavige strafzaak. 7. Daarna komen de namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen aan bod (randnummers 149 tot en met 256). Drie van de door mr. Korver en de drie door mr. Lousberg voorgestelde middelen betreffen de beslissingen van het hof inzake de gevorderde shockschade. De andere twee door mr. Korver voorgestelde middelen zien op andere onderdelen van de vordering van [benadeelde 1] respectievelijk [benadeelde 2] . De door de mrs. Pernot en Kuijper voorgestelde middelen betreffen respectievelijk (kort gezegd) de afscherming van de identiteit van de verdachte voor de benadeelde partij en beslissingen inzake de wettelijke rente. De afscherming van de identiteit van de verdachte 8. De verdachte is in het bestreden arrest aangeduid als ‘DH01’, domicilie kiezende aan het kantooradres van zijn raadsvrouw. Over de afscherming van de identiteit van de verdachte is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep discussie gevoerd. Het hof heeft de beslissing tot afscherming van de identiteit van de verdachte uitgebreid toegelicht. Ik maak ambtshalve enkele opmerkingen over deze beslissing. 9. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg in de onderhavige zaak van 20 februari 2017 houdt inzake de afscherming van de identiteit van de verdachte onder meer het volgende in: ‘De voorzitter deelt mede dat de in de zittingzaal aanwezigen geen verdachte zien, maar dat hij er wel is. Dat is een bijzondere situatie, maar de rechtbank heeft reeds geoordeeld dat daarvoor aanleiding is. De rechtbank heeft in deze zaak stukken gezien waaruit voldoende blijkt dat de veiligheid van de verdachte het noodzakelijk maakt dat hij in dit proces anoniem optreedt. Daarom is daarvoor gekozen. De verdachte bevindt zich, zoals reeds eerder vermeld, in een afgeschermde ruimte, die alleen voor de rechtbank en de officier van justitie zichtbaar is. Voorts is de stem van de verdachte vervormd. Zijn naam komt in geen enkel stuk in het dossier voor. De rechtbank weet dat de persoon die zij nu in de afgeschermde ruimte ziet zitten de verdachte is waar het in deze zaak om gaat, omdat de voorzitter en de griffier voor de aanvang van de zitting zijn identiteit hebben vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsdocument. (…) De officier van justitie voert het woord en verklaart - verkort en zakelijk weergegeven - het navolgende: Ik wil de nabestaanden complimenteren voor de integere wijze waarop zij deze procedure tot nu toe hebben gevoerd. Dat staat er echter niet aan in de weg dat ik mij verzet tegen het verzoek van de raadslieden van de nabestaanden om de naam van de verdachte verstrekt te krijgen. Heden bevinden wij ons in een uitzonderlijke situatie. Er is een zwaarwegend belang om de namen van DH01 en DH02 niet te verstrekken. Er is veel gebeurd na het overlijden van [slachtoffer] , niet alleen richting de betrokken agenten maar ook richting alle agenten in Den Haag. Ik verwijs de rechtbank naar het proces-verbaal van de Rijksrecherche d.d. 9 november 2016. De dreiging is nog niet weg. De Nationale Politie heeft schriftelijk aan mij meegedeeld dat, ook bij een veroordeling door de rechtbank, de aansprakelijkheidsverzekering de schade voor de verdachte zal vergoeden. Dat er mogelijk een getuige is die mogelijk over iets kan verklaren dat mogelijk betrekking heeft op één van de betrokken agenten, vind ik te vaag. De raadsman kan er op een andere wijze achter komen of zijn informatie op de betrokken agenten betrekking heeft. Hij kan bijvoorbeeld in contact treden met de Rijksrecherche. In het dossier zijn stukken gevoegd in de tuchtzaak met betrekking tot DH01. In die stukken staat vermeld dat hij in het verleden nooit disciplinair gestraft is geweest. (…) De rechtbank trekt zich terug in raadkamer voor beraad. Beslissingen Na beraadslaging deelt de voorzitter als beslissingen van de rechtbank het navolgende mede. (…) Verstrekken naam verdachte Het desbetreffende verzoek is gebaseerd op artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering dat gaat over het recht van het slachtoffer op inzage in en afgifte van processtukken. In de processtukken van deze zaak komt de naam van de verdachte niet voor. De naam op zich valt niet aan te merken als een processtuk dat in aanmerking zou kunnen komen voor inzage of afgifte. Het verzoek vindt dus geen grondslag in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering. Een andere grond is genoemd noch gebleken. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.’ 10. Deze beslissing tot afscherming van de identiteit van de verdachte is door de rechtbank tijdens volgende zittingen gehandhaafd. 11. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 20 november 2018 en 5 december 2018, houdt onder meer het volgende in (p. 1-2, 8-10): ‘De verdachten, ter terechtzitting aanwezig, antwoorden op vragen van de voorzitter de personen te zijn die in de dossiers zijn aangeduid als: DH01, domicilie kiezende aan de [a-straat 1] te [plaats] (kantooradres raadsvrouw), en DH02, domicilie kiezende aan de [a-straat 1] te [plaats] (kantooradres raadsman). Als raadsvrouw van de verdachte DH01 is ter terechtzitting aanwezig mr. C.L.A. de Sitter, advocaat te Den Haag. Als raadsman van de verdachte DH02 is ter terechtzitting aanwezig mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag. (…) De voorzitter deelt mede: Het hof heeft voor aanvang van de onderhavige zitting besloten om de behandeling van de zaken in hoger beroep te starten in de setting waarin de zaken bij de rechtbank zijn behandeld, dus met afscherming van de identiteit van de beide verdachten. Dit betekent dat de verdachten worden aangeduid met de codes 'DH01' en 'DH02', dat de verdachten in een afgeschermd gedeelte van de zittingszaal, die alleen voor het hof en de advocaten-generaal zichtbaar is, aanwezig zijn en voorts dat de stemmen van de verdachten worden vervormd. Het hof heeft dat voorafgaand aan de zitting van heden meegedeeld aan alle betrokken raadslieden. Ten behoeve van de controle van de identiteit van de beide verdachten heb ik tevoren aan het Openbaar Ministerie gevraagd om de identiteitsgegevens van beide verdachten vertrouwelijk aan mij te verstrekken. Het Openbaar Ministerie heeft aan dat verzoek voldaan en ik heb voorafgaande aan de opening van deze zitting, in aanwezigheid van een van de griffiers, de identiteit van de beide aanwezige verdachten gecontroleerd en vastgesteld dat de beide aanwezige verdachten de personen zijn die door het Openbaar Ministerie aan mij als zodanig zijn opgegeven. Het hof heeft, zoals reeds meegedeeld, over de afscherming van de identiteit nog geen standpunt ingenomen. De vraag of deze afscherming van de identiteit in stand moet blijven zal vandaag uitdrukkelijk nog aan de orde komen. (…) De advocaat-generaal mr. Van 't Westeinde deelt mede: Met betrekking tot de anonimiteit van de verdachten Uitgangspunt in een strafproces is openbaarheid; de verdachte legt zichtbaar voor de buitenwereld verantwoording af. De anonimiteit van de verdachten in onderhavige zaken brengt beperkingen met zich voor alle betrokkenen. De raadslieden van de verdachten hebben uw hof verzocht de anonimiteit van de verdachten en de daarmee gepaarde maatregelen te handhaven. Namens de nabestaanden is verzocht de anonimiteit op te heffen, althans de namen van de verdachten aan de raadslieden van de nabestaanden te verstrekken. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de nabestaanden dat verzoek aan uw hof kunnen doen, nu dit in het belang is van het behartigen van de processuele belangen die zij in dit strafproces hebben. Er dient op dit punt door uw hof een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van de verdachten bij handhaving van de anonimiteit en de belangen van de nabestaanden bij opheffing van die anonimiteit. De raadslieden van de nabestaanden geven aan dat zij de beschikking willen krijgen over de namen van beide verdachten om onderzoek te kunnen verrichten naar de persoon van beide verdachten. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat de wet niet zo ver strekt dat nabestaanden het recht hebben om dergelijk onderzoek uit te (laten) voeren. Ik verwijs in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 juli 2017 in de civiele procedure, ECLI:NL:GHDHA:2017:1931, en de conclusie van mr. Langemeijer in diezelfde procedure, ECLI:NL:PHR:2018:573. Dit neemt wat het Openbaar Ministerie betreft echter niet weg dat de nabestaanden aan het Openbaar Ministerie kunnen verzoeken bepaald onderzoek te (laten) verrichten. Het door de nabestaanden zelfstandig laten verrichten van onderzoek naar de persoon van beide verdachten aan de hand van hun personalia, brengt met zich mee dat die personalia ook bij derden bekend worden. Dat levert naar de mening van het Openbaar Ministerie een te groot risico op. Zojuist is door de verdediging uitgebreid uiteengezet wat er is gebeurd vlak na het ten laste gelegde gebeuren. De Schilderswijk stond letterlijk en figuurlijk in brand. Er zijn zeer ernstige bedreigingen geuit in de richting van de betrokken agenten en hun gezinnen. De identiteit van de verdachten is dan ook met reden afgeschermd. Het ten laste gelegde gebeuren heeft inmiddels drieënhalf jaar geleden plaatsgevonden. De huidige mate van dreiging is niet geheel duidelijk, maar nog steeds worden beide verdachten beveiligd en de mate van beveiliging is volgens de verdediging hoog. Gelet op de daaraan verbonden risico's kan niet worden uitgeweid over de reden van de beveiliging en de oorsprong van de dreiging. Dit heeft iets onbevredigends, maar dat is inherent aan beveiliging. De behandeling in hoger beroep van de onderhavige strafzaken zal ongetwijfeld in de media worden besproken. Gedurende het proces in eerste aanleg zijn er meerdere momenten geweest waarop via sociale media en in de Schilderswijk uiting is gegeven aan bepaalde gevoelens. Het Openbaar Ministerie twijfelt er niet aan dat de nabestaanden zich integer zullen opstellen. Echter, buiten de kring van de nabestaanden zijn er anderen in de samenleving die zich geroepen voelen om op te roepen tot het plegen van geweld. Het is niet te voorspellen wat de behandeling van deze strafzaken in hoger beroep teweeg zal brengen en wat er zal gebeuren als de namen van de verdachten bekend worden gemaakt. Als de verdachten iets overkomt, valt dit niet uit te leggen. Het Openbaar Ministerie wil en kan die verantwoordelijkheid op dit moment niet nemen. De conclusie van het Openbaar Ministerie is op dit moment dat het recht op leven in veiligheid van de verdachten het zwaarst weegt en dat hun identiteit afgeschermd dient te blijven.’ 12. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2018 deelde de voorzitter blijkens genoemd proces-verbaal als beslissing van het hof het volgende mee (p. 23-32): ‘Anonimiteit van de verdachten Zowel door de verdediging van de verdachten als door het Openbaar Ministerie is verzocht om bij de behandeling in hoger beroep de identiteitsafscherming van de verdachten te handhaven zoals deze bestond bij de behandeling van de onderhavige zaken bij de rechtbank. De raadslieden van de nabestaanden hebben juist verzocht om deze identiteitsafscherming op te heffen. Vooreerst wijst het hof erop dat ingevolge artikel 51a Sv onder slachtoffers ook nabestaanden en mogelijk anderen begrepen zijn. Wanneer in het vervolg over nabestaanden wordt gesproken, zijn gemakshalve ook deze andere personen bedoeld. De raadslieden van de verdachten hebben gesteld dat aan de nabestaanden niet het recht toekomt om een verzoek te doen als thans aan de orde, te weten het verzoek om de afscherming van de anonimiteit van de verdachten op te heffen door hun identiteitsgegevens te verstrekken aan de slachtoffers, eventueel (slechts) aan de advocaten van de slachtoffers. Het hof wijst de stelling van de verdediging dat de nabestaanden niet een verzoek om opheffing van de identiteitsafscherming kunnen doen omdat daarvoor geen wettelijke basis is, van de hand. Het hof is van oordeel dat een dergelijk verzoek, gelet op de voor de nabestaanden betrokken belangen, door hen gedaan kan worden. Het hof zal het verzoek dan ook beoordelen. Het hof zal achtereenvolgens beoordelen: a. de vraag of het bepaalde in artikel 51b Sv moet leiden tot het vrijgeven van de identiteitsgegevens van de verdachten; b. de vraag of de identiteitsafscherming anderszins in strijd is met de wet of het recht; c. tot welke uitkomst een eventuele belangenafweging leidt. Ad a. artikel 51b Sv De eerste vraag is of het recht van de nabestaanden op kennisneming van processtukken als bedoeld in artikel 51b Sv ertoe moet leiden dat de identiteitsgegevens van de verdachten moeten worden vrijgegeven. Ingevolge het bepaalde in artikel 51b Sv heeft het slachtoffer (waaronder zijn begrepen nabestaanden van het slachtoffer) recht op kennisneming (en afschrift) van processtukken die voor hem/haar van belang zijn. De gehele onderhavige onderzoeksdossiers die betrekking hebben op de feiten moeten worden aangemerkt als processtukken. Deze zijn aan de raadslieden van de nabestaanden verstrekt. In deze dossiers komen de namen van de verdachten echter niet voor. Ook het hof, het Openbaar Ministerie en de verdediging beschikken slechts over deze zelfde, geanonimiseerde, onderzoeksdossiers. In de (zittings)dossiers bevinden zich daarnaast geanonimiseerde dagvaardingen en geanonimiseerde uittreksels uit het justitieel documentatieregister, waarbij de verdachten zijn aangeduid als DH01 en DH02. Dit geldt ook voor de afschriften van de dossiers van de advocaten-generaal en de verdediging. Iedereen beschikt dus over dezelfde stukken. Zoals ter zitting van 20 november 2018 is meegedeeld, heeft de voorzitter van het hof vóór de betreffende zitting aan het Openbaar Ministerie verzocht hem de identiteitsgegevens van de verdachten ter beschikking te stellen, opdat hij vóór de zitting kon controleren of de aanwezige verdachten de personen zijn die door het Openbaar Ministerie als zodanig zijn opgegeven. Aan dat verzoek is door het Openbaar Ministerie voldaan en de voorzitter heeft in aanwezigheid van een van de griffiers vlak vóór de zitting van 20 november 2018 de identiteit van de beide verdachten gecontroleerd en juist bevonden, waarna de beide verdachten ter zitting hebben verklaard dat zij de personen zijn die in de dossiers als DH01 en DH02 zijn aangeduid. Het ter beschikking stellen van de identiteitsgegevens aan de voorzitter heeft uitsluitend ten doel gehad om vast te kunnen stellen dat de juiste personen ter zitting als verdachten aanwezig waren, welke vaststelling in het kader van een goede procesorde noodzakelijk is. Dat maakt die gegevens echter nog niet tot processtukken op de verstrekking waarvan de nabestaanden of hun advocaten ingevolge het bepaalde in artikel 51b Sv aanspraak kunnen maken. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 51b Sv geen grond oplevert voor opheffing van de identiteitsafscherming. Ab b. anderszins in strijd met de wet of het recht De volgende vraag is of het afschermen van de identiteit van de verdachten anderszins in strijd is met de wet of met het recht (zoals voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)), zodat reeds om die reden die afscherming moet worden opgeheven. De stelling van de raadslieden van de nabestaanden dat de identiteitsafscherming niet kan plaatsvinden in het kader van een ordemaatregel ter zitting behoeft geen bespreking, nu het hof die stelling onderschrijft en ook niet gebleken is dat een ordemaatregel als bedoeld de grondslag is geweest voor de identiteitsafscherming. De raadslieden van de nabestaanden hebben terecht opgemerkt dat het Wetboek van Strafvordering niet expliciet een regeling bevat die voorziet in het voeren van een proces met een geanonimiseerde verdachte als thans aan de orde. Naar het oordeel van het hof sluit dat echter niet uit dat onder omstandigheden in een strafzaak de identiteit van de verdachte toch kan worden afgeschermd, wanneer dat na afweging van alle betrokken belangen, waaronder het belang van de persoonlijke veiligheid van de verdachte, als noodzakelijk moet worden beoordeeld. Het Openbaar Ministerie heeft kennelijk geoordeeld dat van een dergelijke noodzaak in het onderhavige geval sprake was. Naar het oordeel van het hof staat het in artikel 1 Sv neergelegde legaliteitsbeginsel daar niet aan in de weg. Dit beginsel strekt er primair toe dat een burger moet worden beschermd tegen willekeurig optreden van de overheid wanneer hij wordt onderworpen aan een strafvervolging of aan de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. Een dergelijk optreden van de overheid mag niet willekeurig plaatsvinden, maar vereist een wettelijke grondslag. De in het onderhavige geval toegepaste afscherming van de identiteit van de verdachten raakt dit aspect van bescherming tegen willekeurig overheidsoptreden niet, integendeel: de verdachten worden juist door de overheid beschermd. Naar het oordeel van het hof betekent de onderhavige afscherming van de identiteit van de verdachten ook niet dat niet meer gesproken kan worden van een openbare behandeling als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. De zaken worden behandeld in een gerechtsgebouw waar geen toegangsbeperkingen voor individuele burgers of de pers gelden. Publiek en pers kunnen zelf en direct kennisnemen van alles wat ter zitting wordt gezegd en plaatsvindt. De enige beperking is dat zij geen rechtstreeks zicht kunnen hebben op de beide verdachten en dat een zekere mate van stemvervorming bij de verdachten wordt toegepast. Die situatie is niet in meer of mindere mate op één lijn te stellen met een behandeling achter gesloten deuren of op een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft. Nog steeds is sprake van een openbare behandeling. Slechts de namen van de verdachten zijn vervangen door de aanduidingen DH01 en DH02. De door de raadslieden van de nabestaanden gemaakte vergelijking met de positie van bedreigde getuigen en de op de wet gebaseerde bescherming van die getuigen, gaat naar het oordeel van het hof niet op. Bij de getuigenbescherming gaat het niet alleen om bescherming van de veiligheid van getuigen, maar ook om te voorkomen dat getuigen op grond van overwegingen omtrent hun eigen veiligheid, niet voldoen aan hun verplichting om een betrouwbare bijdrage te leveren aan de waarheidsvinding. De wettelijke regeling van de getuigenbescherming is niet tot stand gekomen omdat de intussen gegroeide praktijk van getuigenbescherming in strijd met de wet zou zijn, maar om de mogelijkheid van getuigenbescherming nader wettelijke vorm te geven en in te kaderen. Dat is ook van belang met het oog op een uniforme rechtstoepassing. Een en ander heeft tevens geleid tot Europese en nationale jurisprudentie die beoogt aan de voor verdachten uit de beschermde status van getuigen voortvloeiende beperkende positie tegemoet te komen (bijvoorbeeld door beperking van bewijskracht) of die te compenseren. De, in de jurisprudentie nader ingevulde, wettelijke regeling van de getuigenbescherming strekt dus niet alleen tot bescherming van de belangen van getuigen, maar ook tot die van verdachten. Bij de anonimiteit van de verdachten gaat het slechts om het zoveel mogelijk waarborgen van hun veiligheid (en in casu die van hun gezinsleden), een beperktere doelstelling dus. De noodzaak om in het geval van getuigenbescherming aan verdachten tegemoet te komen door het stellen van voorwaarden of het treffen van compenserende maatregelen geldt niet automatisch ook en in dezelfde mate voor slachtoffers bij anonimiteit van verdachten. Slachtoffers en verdachten bekleden immers in ons strafproces niet een volledig gelijkwaardige positie: de verdachte is procespartij, het slachtoffer is slechts procesdeelnemer. Het gevolg van de identiteitsafscherming kan wel zijn dat de nabestaanden in hun eigen onderzoeksmogelijkheden worden beperkt. Het hof stelt vast dat in de loop van het onderhavige proces door de nabestaanden en hun raadslieden uitgebreid gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om eigen onderzoeksbevindingen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten in te brengen. Daarbij zijn tot op heden geen noemenswaardige beperkingen opgelegd. Uit de onderbouwing van het verzoek en de ter zitting gegeven toelichting begrijpt het hof dat de nabestaanden het Openbaar Ministerie verwijten onvoldoende onderzoek naar de achtergrond van de verdachten te hebben verricht. Bij het kunnen uitoefenen van eigen onderzoeksmogelijkheden gaat het er volgens de raadslieden van de nabestaanden om dat een daartoe aan te zoeken onderzoeksbureau kan graven in het leven en het verleden van de verdachten teneinde te bezien of daar nog omstandigheden worden aangetroffen die bij de bewezenverklaring en/of strafoplegging zouden moeten worden betrokken. Tevens wordt het van belang geacht dat de nabestaanden ter zitting de verdachten recht in de ogen kunnen kijken om te zien of bij hen spijt over hun handelen bestaat. Het ontbreken van die mogelijkheden betekent volgens de raadslieden van de nabestaanden een inbreuk op het recht op equality of arms, welk recht volgens hen ook aan slachtoffers, in casu de nabestaanden, toekomt. De feitelijke beperkingen van het eigen onderzoek naar het leven en het verleden van de verdachten zijn naar het oordeel van het hof slechts van betrekkelijke betekenis. De door de raadslieden van de nabestaanden gebezigde formuleringen als "spookproces", "actieve deelname aan het strafproces onmogelijk maken", "rechten illusoir maken" en "als procesdeelnemer buiten spel zetten" doen geen recht aan de ruimte die de nabestaanden en hun raadslieden bij de behandeling in eerste aanleg geboden is en in hoger beroep geboden wordt. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat uit het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet kan worden afgeleid dat slachtoffers een positie als procespartij toekomt. Of dat zo is wordt aan het nationale recht overgelaten. Hier te lande geldt dat nadrukkelijk gekozen is voor een positie als procesdeelnemer en niet voor een positie als procespartij. Dit betekent dat de rechten en mogelijkheden die aan het Openbaar Ministerie en de verdachte toekomen, niet automatisch en in per se dezelfde omvang ook voor de slachtoffers, in casu nabestaanden, gelden. Tegen deze achtergrond is de onmogelijkheid om te graven in het leven en verleden van de verdachten geen beperking die ernstig tekort doet aan de rechten van de nabestaanden. Dat deze beperking er is, maakt nog niet dat gezegd kan worden dat er, jegens de nabestaanden in hun hoedanigheid van benadeelde partijen, geen sprake is van een fair trial als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. De Slachtofferrichtlijn (Richtlijn 2012/29EU) geeft het slachtoffer het recht op een actieve deelname aan het strafproces. Dat betekent onder meer dat het slachtoffer bewijselementen kan aanvoeren. De Slachtofferrichtlijn geeft het slachtoffer echter geen recht op een door het Openbaar Ministerie of de rechter te garanderen facilitering van eigen onderzoeksmogelijkheden ten behoeve van die bewijsvergaring zonder dat andere belangen (zoals het recht van de verdachte op bescherming van zijn veiligheid) onder omstandigheden daaraan in de weg mogen staan. Of jegens de slachtoffers, voor zover zij als benadeelde partijen optreden, sprake is van een fair trial moet beoordeeld worden tegen de achtergrond van het proces als geheel. Naar het oordeel van het hof voldoet de procesgang in de onderhavige zaken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, met de identiteitsafscherming als toegepast, aan de eisen die jegens de nabestaanden in hun hoedanigheid van benadeelde partijen aan een fair trial gesteld mogen worden, zulks gelet op de geboden mogelijkheden van kennisneming van processtukken, de mogelijkheden van het inbrengen van stukken, de mogelijkheid om ter zitting standpunten toe te lichten, de bejegening tijdens en rond het proces, en ook overigens. De conclusie uit het voorgaande is, dat de in de onderhavige zaken toegepaste identiteitsafscherming noch in strijd is met de wet noch met het recht, zoals het recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, voor zover van toepassing op de positie van de nabestaanden in hun hoedanigheid van benadeelde partijen. Een en ander doet evenmin tekort aan de positie die slachtoffers in het strafproces hebben. Ad c. de belangenafweging Zoals hiervoor reeds is aangegeven moet - zeker wanneer bij het toepassen van een identiteitsafscherming als hier aan de orde niet alleen de belangen van de verdachten maar ook de belangen van slachtoffers in het geding zijn en indien slachtoffers dat verzoeken - de strafrechter een oordeel geven over de vraag of de afscherming van de identiteit van de verdachten in het betreffende geval gerechtvaardigd is en gehandhaafd moet blijven. De strafrechter moet dan, indien de afscherming niet reeds moet worden opgeheven op de hiervoor besproken gronden onder a en b, alle betrokken belangen tegen elkaar afwegen. Noch het legaliteitsbeginsel van artikel 1 Sv noch het recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM dwingt er toe dat daarbij slechts de belangen van de slachtoffers en niet mede de belangen van de verdachten in aanmerking moeten worden genomen. Als belangen van de nabestaanden zijn genoemd het beginsel van openbaarheid van het proces, het recht op equality of arms en het recht op het voorkomen van secundaire victimisatie. De openbaarheid van het proces en de equality of arms zijn hiervoor reeds besproken. Ten aanzien van de gestelde secundaire victimisatie hebben de raadslieden van de nabestaanden erop gewezen (brief mrs. Korver en Lousberg d.d. 5 november 2018), dat de nabestaanden het onnodig kwetsend vinden dat zij de identiteit van de verdachten niet mogen weten en dat zij niet kunnen controleren of de juiste personen terechtstaan. Het hof kan natuurlijk niet goed beoordelen in hoeverre de nabestaanden zich gekwetst voelen doordat zij de identiteit van de verdachten niet kennen, maar heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Dat deze omstandigheid, het niet kennen van de identiteit van de verdachten, op zich als zodanig secundair victimiserend moet worden aangemerkt dat dat noodzaakt om de anonimiteit op te heffen, acht het hof echter onvoldoende aannemelijk geworden. De stelling dat de nabestaanden in onzekerheid verkeren of de juiste personen terechtstaan, acht het hof weinig overtuigend. De controle daarop heeft plaatsgevonden door de voorzitter van het hof, en het hof heeft ter zitting uitgelegd hoe die controle heeft plaatsgevonden. De verdachten hebben ter zitting ook bevestigd dat zij de personen zijn die als DH01 en DH02 in de dossiers zijn aangeduid. Er kan geen redelijke twijfel bestaan over de vraag of de juiste personen terechtstaan. Het hof wijst er overigens op dat ook in andere strafzaken de identiteit van de personen die als verdachten ter zitting zijn verschenen door de voorzitter wordt vastgesteld en dat daarbij geen rol voor aanwezige slachtoffers is weggelegd. Voorts is in dit verband nog aangevoerd dat de nabestaanden de verdachten in de ogen willen kijken om te zien of zij spijt hebben van hun handelen. Ook dit argument overtuigt niet: DH01 en DH02 zijn op dit moment nog slechts verdachten en in rechte is nog niet vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre zij strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor het overlijden van [slachtoffer] . Als belang van de verdachten is door de verdediging aangeduid de veiligheid van de verdachten en hun gezinnen, zulks tegen de achtergrond van de ongeregeldheden die zich naar aanleiding van het onderhavige gebeuren in Den Haag hebben voorgedaan en de bedreigingen die in de richting van de verdachten en hun gezinnen onder meer via sociale media zijn geuit. Door de verdediging is uitvoerig gedocumenteerd aangegeven wat deze bedreigingen feitelijk inhielden en op welke wijze die naar buiten zijn gebracht. Het hof verwijst daarnaar. Terecht hebben de raadslieden van de nabestaanden erop gewezen dat zich sinds de vonnissen van de rechtbank geen nieuwe incidenten als bedoeld hebben voorgedaan. Naar het oordeel van het hof zegt dat echter niet zoveel, omdat sedertdien de onderhavige zaken hebben "stilgelegen" en er verder relatief weinig publieke aandacht voor is geweest. Het hof heeft begrepen dat bijzondere bescherming van de verdachten en hun gezinnen nog steeds van toepassing is. Natuurlijk is het zo dat niet met een grote mate van zekerheid kan worden vastgesteld of zich in verband met de behandeling in hoger beroep van de onderhavige zaken en/of de afloop van die behandeling in hoger beroep opnieuw incidenten zullen voordoen waarbij de veiligheid van de verdachten en hun gezinnen in het gedrang kan komen. Daar staat tegenover dat er ook geen enkele aanwijzing is dat zulks niet het geval zal zijn. De relatieve "rust" sinds de vonnissen van de rechtbank is daarvoor, zoals gezegd, geen redelijke indicatie, noch voor het een noch voor het ander. Het hof hecht er overigens aan te vermelden dat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat de voor de verdachten mogelijk bedreigende situaties van de nabestaanden afkomstig zijn of zijn geweest of dat door hen daartoe is aangezet. De vraag is of de kans op nieuwe, voor de verdachten bedreigende, situaties zwaarder moet wegen dan het hiervoor beschreven belang van de nabestaanden bij het opheffen van de identiteitsafscherming. Het hof bestempelt die kans thans niet als irreëel, maar realiseert zich dat voor die inschatting geen harde onderbouwing kan worden gegeven. Het hof is echter van oordeel dat de persoonlijke belangen van de verdachten vereisen dat onnodige risico's worden vermeden. Het hof is van oordeel dat, gelet op de naar het oordeel van het hof niet al te grote beperkingen die de identiteitsafscherming voor de rechten van de nabestaanden oplevert zoals in het vorenstaande door het hof is besproken, het belang van het zoveel mogelijk waarborgen van de veiligheid van de verdachten en hun gezinnen zwaarder moet wegen. Niet valt overigens in te zien dat ook het veiligheidsbelang van de gezinnen van de verdachten niet zou mogen worden meegewogen, nu de bedreigingen die hebben plaatsgevonden uitdrukkelijk ook tot die gezinnen waren gericht. De mogelijkheid van het gedeeltelijk, namelijk uitsluitend voor de raadslieden van de nabestaanden, opheffen van die afscherming biedt, gelet op de onderzoeksdoeleinden ten behoeve waarvan opheffing van de identiteitsafscherming wordt verzocht, naar het oordeel van het hof onvoldoende waarborg voor de veiligheid van de verdachten en hun gezinnen. Conclusie De conclusie van al het voorgaande is dat bij de behandeling in hoger beroep de afscherming van de identiteit van de verdachten in stand zal blijven op de wijze zoals die tot nu toe heeft plaatsgevonden.’ 13. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 1, 3, 8, 9 en 10 april 2019 blijkt dat het gerechtshof op 1 april 2019 wederom heeft beslist dat de identiteit van de verdachte afgeschermd blijft (p. 3-4). 14. De conclusie van plv. P-G Langemeijer waar tijdens het onderzoek ter terechtzitting door het Openbaar Ministerie naar is verwezen, ging vooraf aan HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413 m.nt. Krans en Kooijmans. Daarin stond een vordering van de nabestaanden centraal om de Staat te bevelen de namen van de vijf betrokken agenten aan hen te verstrekken. De civiele kamer van Uw Raad oordeelde in dat arrest dat de aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter geen betrekking heeft op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het was volgens Uw Raad aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden (rov. 3.5.3). 15. Zoals aangegeven is namens één van de benadeelde partijen een middel ingediend dat betrekking heeft op de omstandigheid dat de verdachte in het bestreden arrest als DH01 is aangeduid. Dat middel bespreek ik verderop in deze conclusie. Ambtshalve maak ik enkele opmerkingen over de vraag of de afscherming van de identiteit van de verdachte in de strafzaak zich verdraagt met de artikelen 2 en 6 EVRM en de Slachtofferrichtlijn. Ik neem daarbij in aanmerking dat de nabestaanden niet over eventuele onverenigbaarheid met die artikelen en richtlijn kunnen klagen en dat de verdachte (evenals het Openbaar Ministerie) daar in een geval als het onderhavige niet over zal klagen. 16. De Slachtofferrichtlijn heeft tot doel ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen (art. 1). Uit de richtlijn volgt niet dat de naam van de verdachte behoort tot de informatie waar het slachtoffer recht op heeft (hoofdstuk 2). De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat het slachtoffer ‘bewijselementen kan aanvoeren’ (art. 10). Of deze bepaling meebrengt dat de overheid de naam van de verdachte (indien deze bij de overheid bekend
- is)aan het slachtoffer bekend moet maken teneinde het slachtoffer (beter) in staat te stellen zelf bewijsmateriaal te vergaren, is volgens Langemeijer (voornoemde conclusie, randnummer 2.46) een vraag van uitleg die aan het Hof van Justitie kan worden voorgelegd. Een beslissing op dit punt en daarmee een prejudiciële vraag is in dit stadium van de procedure in de onderhavige zaak naar het mij voorkomt niet noodzakelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat de verdachte is veroordeeld wegens het meer subsidiair tenlastegelegde. Ook als de richtlijn ertoe zou verplichten het slachtoffer in een geval als het onderhavige op de hoogte te brengen met de naam van de verdachte teneinde het slachtoffer in staat te stellen bewijsmateriaal tegen de verdachte te vergaren, ontbreekt belang bij – ambtshalve – cassatie. Ik teken voorts aan dat er sterke argumenten zijn voor ontkennende beantwoording van de gestelde vraag. De richtlijn spreekt – in het verlengde van het recht om te worden gehoord – van het recht om bewijselementen aan te voeren, niet van een recht om bewijs te vergaren. Zo begrijp ik ook het hof, dat overweegt dat de Slachtofferrichtlijn het slachtoffer geen recht geeft op ‘facilitering van eigen onderzoeksmogelijkheden’ ten behoeve van bewijsgaring zonder dat andere belangen onder omstandigheden daaraan in de weg mogen staan. Daar komt bij dat het tweede lid bepaalt dat de procedurevoorschriften op grond waarvan het slachtoffer bewijselementen kan aanvoeren door het nationale recht worden bepaald. Ik wijs er ten slotte op dat de considerans van de Slachtofferrichtlijn inhoudt dat de richtlijn ‘de rechten van de dader onverlet’ laat (nr. 12) en dat de lidstaten niet mogen worden verplicht informatie te verstrekken indien het vrijgeven ervan ‘een bepaalde zaak of persoon kan schaden’ (nr. 28). 17. Art. 2 EVRM geeft nabestaanden van een slachtoffer dat is omgekomen door politiegeweld recht op informatie. Het EHRM heeft overwogen dat ‘the investigation must be accessible to the victim’s family to the extent necessary to safeguard their legitimate interests. There must also be a sufficient element of public scrutiny of the investigation, the degree of which may vary from case to case’.In deze formulering, die de toegang tot informatie koppelt aan legitimate interests, ligt al een beperking besloten. Daar komt bij dat, zoals Langemeijer in voormelde conclusie aangeeft (randnummer 2.17), ‘een uit art. 2 EVRM voortvloeiende aanspraak van de nabestaanden jegens de Staat op informatie (kan) komen te staan tegenover een uit art. 2 EVRM voortvloeiende aanspraak van de verdachte en zijn familie op bescherming van hun recht op leven’. Het hof weegt de belangen van de nabestaanden in de onderhavige zaak af tegen ‘het belang van het zoveel mogelijk waarborgen van de veiligheid van de verdachten en hun gezinnen’. Al met al ligt in art. 2 EVRM, bij de huidige stand van de rechtspraak van het EHRM, naar het mij voorkomt niet het recht besloten om in een geval als het onderhavige voorafgaand aan of tijdens het strafproces op de hoogte te worden gebracht met de identiteit van de verdachte. 18. Kooijmans werpt in zijn NJ-noot de vraag op ‘of een slachtoffer – zijnde een procesdeelnemer, niet een procespartij – überhaupt aan art. 6 EVRM een eigen algemene (…) aanspraak van een eerlijk proces in de strafzaak tegen de verdachte kan ontlenen, ook in situaties waarin het slachtoffer zich niet als benadeelde partij heeft gevoegd en er (bijgevolg) geen sprake is van (in de terminologie van art. 6 EVRM) het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen’. Vanzelfsprekend acht hij dat niet. Daar komt bij dat, zelfs als het slachtoffer aan art. 6 EVRM een aanspraak zou kunnen ontlenen om op de hoogte te worden gebracht met de identiteit van de verdachte, nog niet gezegd is dat deze aanspraak zich vertaalt in een absoluut verbod op afscherming van diens identiteit. Uit rechtspraak van het EHRM inzake art. 6 EVRM volgt dat bij getuigenverzoeken de belangen van de verdachte worden afgewogen tegen die van de getuige. Daarbij past dat in zaken als de onderhavige de belangen van de verdachte bij afscherming van zijn identiteit betrokken worden bij de invulling van de eisen die een fair hearing stelt. 19. Wat de eis van openbaarheid betreft, geldt dat het EHRM daarin een waarborg voor ‘litigants’ ziet tegen ‘the secret administration of justice with no public scrutiny’. Het EHRM legt een verband met de bredere eis van een fair trial: ‘By rendering the administration of justice transparent, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial’.In de onderhavige strafzaak heeft de verdachte gemotiveerd verzocht om het afschermen van zijn identiteit. Daar komt bij dat, zoals het hof heeft overwogen, het ontnemen van rechtstreeks zicht op beide verdachten en toepassing van stemvervorming ‘niet in meer of mindere mate op één lijn te stellen (
- is)met een behandeling achter gesloten deuren of op een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft’. 20. Al met al meen ik dat bij de huidige stand van zaken niet gezegd kan worden dat de afscherming van de identiteit van de verdachte in de onderhavige strafzaak in strijd komt met het EVRM of andere internationale rechtsinstrumenten. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 21. In samenhang met de beslissing tot afscherming van de identiteit van de verdachte dient zich de vraag aan of de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Uw Raad heeft in HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0259, NJ 2001/499 m.nt. Schalken, rov. 3.7 overwogen ‘dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens’. 22. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:660, NJ 2019/337 m.nt. Vellinga heeft Uw Raad evenwel een uitzondering op deze regel aanvaard. Dit arrest houdt inzake de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de volgende overwegingen in: ‘2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2016 houdt onder meer in: "De voorzitter deelt (...) mede:Verdachte is opgeroepen onder nummer vanwege zijn functie bij het Aanhoudings- en OndersteuningsTeam Zuid (hierna: AOT Zuid ). Net als ter terechtzitting in eerste aanleg is gebeurd, zal het hof ter bescherming van de identiteit en de veiligheid van de verdachte eerst vragen aan verdachte zelf stellen om de antwoorden op die vragen vervolgens te verifiëren bij getuige [betrokkene 1] . (...) De voorzitter deelt mede dat het hof, met de advocaat-generaal en de raadsman, de identiteit van de verdachte voldoende vastgesteld acht." 2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt onder meer in: "De officier van justitie voert aan: Verdachte is niet onder naam gedagvaard maar onder codenummer. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde werkzaam binnen een arrestatie- en ondersteuningsteam (AOT) en is nu nog werkzaam bij zo'n politieonderdeel. Leden van AOT's verrichten werkzaamheden en schrijven hun processen-verbaal onder een codenummer. Zij worden ingezet bij onder meer aanhoudingen van vuurwapengevaarlijke personen en personen die zwaar geweld tegen anderen niet schuwen. Als namen en andere persoonsgegevens van leden van het AOT bij die personen bekend zouden worden, zou dat ernstige gevolgen kunnen hebben. Openbaarheid van die gegevens maken leden van AOT's vatbaar voor represailles en levert een afbreukrisico op voor betrokkene en levert veiligheidsproblemen op voor overige leden van het team en voor burgers. Om deze zwaarwegende redenen maken leden van AOT’s hun processen-verbaal op onder een codenummer. (...)" 2.3. De hiervoor weergegeven processen-verbaal houden in dat de verdachte een opsporingsambtenaar is en lid van een arrestatie- en ondersteuningsteam van de politie. Om veiligheidsredenen zijn niet de persoonsgegevens van de verdachte maar een codenummer vermeld in de dagvaarding/oproeping. De bij dit codenummer behorende persoonsgegevens zijn bekend en verifieerbaar bij de politie en bij de justitiële autoriteiten. Anders dan in HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0259 is hier geen sprake van een volledig anonieme verdachte, maar van een verdachte wiens persoonsgegevens via het codenummer bekend zijn bij de justitiële autoriteiten. De verdachte kan daarom worden ontvangen in het onder dit codenummer ingestelde beroep.’ 23. Ook in de onderhavige zaak blijkt uit de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep dat de verdachte een opsporingsambtenaar is. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de identiteit van de verdachte om veiligheidsredenen afgeschermd, en is tegen die achtergrond een codenummer vermeld in de dagvaarding/oproeping. De bij dit codenummer behorende persoonsgegevens zijn voorts bekend en verifieerbaar bij de politie en bij de justitiële autoriteiten. Ik wijs er in dit verband op dat de voorzitter van het gerechtshof ten behoeve van de controle van de identiteit van de verdachte aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd om de identiteitsgegevens van beide verdachten vertrouwelijk aan hem te verstrekken en dat aan dat verzoek voldaan is. Bij de gedingstukken bevindt zich voorts een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2020 waarin R.A.E. van Noort, advocaat-generaal, relateert dat de persoonsgegevens van de man die onder nummer DH01 beroep in cassatie heeft ingesteld bij hem bekend zijn en dat hij verklaart dat dit dezelfde persoon is ‘die bij het Hof Den Haag terecht heeft gestaan en ten aanzien van wie het arrest van 19 juni 2019 met ressortsnummer 22/000128-18 is gewezen’. Nu sprake is van een verdachte wiens persoonsgegevens via het codenummer bekend zijn bij de justitiële autoriteiten, kan de verdachte worden ontvangen in het onder dit codenummer ingestelde beroep. 24. Ik wijs er daarbij nog op dat het arrest van Uw Raad van 27 februari 2001 een breuk betekende met eerdere rechtspraak. Voordien ging Uw Raad ervan uit dat de verdachte die onder een andere aanduiding dan zijn naam was veroordeeld onder diezelfde aanduiding een rechtsmiddel kon aanwenden, ‘mits kan worden vastgesteld dat degene namens wie het beroep is ingesteld dezelfde is als degene die daartoe gerechtigd was’. Dat Uw Raad in het arrest uit 2001 brak met eerdere rechtspraak, was gebaseerd op enkele nader omschreven ‘bezwaren’ die naar het oordeel van Uw Raad waren verbonden aan het anoniem aanwenden van rechtsmiddelen. Een bezwaar tegen de regel dat ‘een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens’ is evenwel dat de waarborgen voor juiste en aanvaardbare beslissingen en het bevorderen van rechtseenheid die in het stelsel van rechtsmiddelen besloten liggen, buiten toepassing blijven. Dat is een zwaarwegend bezwaar; zo bezien komt het mij voor dat de regel die het anoniem aanwenden van rechtsmiddelen uitsluit eerder heroverweging verdient dan de uitzondering op die regel die in de onderhavige zaak aan de orde is. 25. Het cassatieberoep is ontvankelijk. Het bestreden arrest 26. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: ‘hij op 27 juni 2015 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld, door met kracht gedurende enige tijd de nek/hals van die [slachtoffer] (met een arm) af te klemmen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.’ 27. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘Korte uiteenzetting van de feiten 10. Op 27 juni 2015 vond in het Zuiderpark te Den Haag het muziekfestival "Night at the Park" plaats. Een van de bezoekers van dit evenement was [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ). DH01 en DH02 waren aldaar werkzaam als politieagent, net als de hierna nog te noemen DH03, DH04, DH05 en [verbalisant 1] . De situatie voor de aanhouding 11. Rond 22.00 uur bevond [slachtoffer] zich bij een van de uitgangen van het festivalterrein. Meerdere getuigen leidden uit het gedrag van [slachtoffer] af dat hij onder invloed was van alcoholische drank; hij was onvast ter been en liep wankelend, van links naar rechts. [slachtoffer] riep herhaaldelijk dat hij een (vuur)wapen had. Hij greep daarbij meerdere malen naar zijn kruis. Betrokken agenten die later als getuige zijn gehoord omschrijven het gedrag van [slachtoffer] op dat moment als agressief, bedreigend en provocerend. [slachtoffer] gaf geen gevolg aan meerdere verzoeken van de politie om te stoppen met het schreeuwen dat hij een (vuur)wapen had en om het festivalterrein te verlaten. Hij trok zich los van mensen, niet zijnde politieagenten, die hem naar de uitgang van het terrein probeerden te begeleiden. De aanhouding 12. Het gedrag van [slachtoffer] trok op een gegeven moment de aandacht van DH01 en DH02, die zich op dat moment in een ME-bus bevonden. Zij zijn toen achtereenvolgens de ME-bus uitgestapt, eerst DH02 en even later DH01. Op een gegeven moment besloot de politie [slachtoffer] aan te houden. DH02 pakte [slachtoffer] bij zijn linker arm met twee handen vast en zei toen tegen [slachtoffer] dat hij was aangehouden. DH02 heeft verklaard dat [slachtoffer] zo tegenwerkte dat DH02 voor zijn gevoel van de grond werd opgetild. DH02 liet los, deed een stap achteruit en stapte weer in met de bedoeling [slachtoffer] via een heupworp op de grond te krijgen. Volgens DH02 had dat weinig effect. Het lukte hem niet [slachtoffer] op de grond te krijgen. Hij riep toen dat [slachtoffer] naar de grond moest worden gewerkt. Omdat DH02 niet zeker wist of [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had, wilde DH02 hem op de grond onder controle krijgen. Hij heeft [slachtoffer] een knietje tegen zijn dijbeen gegeven. 13. DH03 zag dat [slachtoffer] zich verweerde tegen de greep van DH02. Hij draaide met zijn arm om uit de greep los te komen. DH03 zag dat [slachtoffer] niet naar de grond wilde. DH05 zag dat DH02 [slachtoffer] bij de linkerzijde pakte en dat [verbalisant 1] hem bij de rechterzijde pakte. Hij hoorde dat er werd geroepen: "je bent aangehouden". Hij zag dat [slachtoffer] verzet pleegde en hoorde dat er werd geroepen dat hij moest meewerken. [slachtoffer] trok zich echter los en draaide met zijn bovenlichaam de andere kant op dan de agenten hem trachtten te bewegen. 14. DH01 zag dat [slachtoffer] door [verbalisant 1] en DH02 bij de armen werd vastgegrepen, waarna [slachtoffer] zich probeerde los te trekken. Hij trok met veel kracht in een andere richting dan waarin DH02 en [verbalisant 1] trokken. DH01 besloot toen een balans verstorende techniek toe te passen. Hij pakte [slachtoffer] achter zijn hoofd in zijn nek en trok hem naar voren. [slachtoffer] raakte hierdoor uit zijn evenwicht en kwam met zijn borst op de grond te liggen. Het verdere verloop 15. Nadat [slachtoffer] op de grond was beland, heeft een aantal politieagenten geweld gebruikt om de aanhouding te bewerkstelligen. Hieronder zal nader worden ingegaan op het door DH01 en DH02 gebruikte geweld. [slachtoffer] is uiteindelijk buiten bewustzijn geraakt en vervolgens naar het nabij gelegen politiebureau Zuiderpark vervoerd in de door DH01 bestuurde ME-bus. Aldaar werd hij door agenten en later door ambulancepersoneel gereanimeerd. Een dag later is [slachtoffer] in het ziekenhuis overleden. Overwegingen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten De ten laste gelegde geweldshandelingen 16. Zoals hiervoor reeds is aangegeven is bij de aanhouding van [slachtoffer] door de politieagenten die daarbij betrokken waren geweld gebruikt. Voor de beoordeling van de strafzaken tegen de verdachte DH01 en zijn medeverdachte DH02 is in de eerste plaats van belang dat wordt vastgesteld welke van de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen feitelijk zijn verricht (en daarmee bewezen kunnen worden geacht). In de tenlastelegging zijn niet alle geweldshandelingen opgenomen waarvan uit het dossier kan worden afgeleid dat die mogelijk hebben plaatsgevonden. De wel in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen - waar het hof zich dan ook verder op zal concentreren - zijn niet alle door beide verdachten DH01 en DH02 verricht, maar worden wel via de constructie van het medeplegen aan hen beiden verweten. 17. Het gaat om de volgende handelingen: a. het gedurende enige tijd [slachtoffer] op zijn buik tegen de grond houden en (met kracht) tegen/op het lichaam van [slachtoffer] duwen en/of drukken; b. het (met kracht) gedurende enige tijd de nek/hals van [slachtoffer] (met een arm) afklemmen; c. het (met kracht) al dan niet met gebalde vuist tegen de neus, althans tegen het gezicht, van [slachtoffer] slaan; d. het in het gelaat van [slachtoffer] wrijven van pepperspray. 18. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de feitelijke handelingen als onder b. aangeduid aan DH01 moeten worden toegeschreven. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is tevens gebleken dat de onder a., c. en d. aangeduide feitelijke handelingen niet door DH01 zijn verricht, maar aan DH02 moeten worden toegeschreven. Aan het vorenstaande doet niet af, zoals hiervoor reeds is aangegeven, dat alle in de tenlastelegging omschreven handelingen (a. tot en met d.) aan de beide verdachten worden verweten via de constructie van het medeplegen. Beoordelingskader van de rechtmatigheid van de geweldshandelingen Wettelijk kader 19. In artikel 3 van de Politiewet 2012 is de politietaak neergelegd. Dit artikel luidt: De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. 20. Om deze taak naar behoren te kunnen uitoefenen, is het gebruik van geweld soms noodzakelijk. Dit hoort bij het daadkrachtige optreden dat van de politie wordt verlangd. De bevoegdheid van de politie om geweld te gebruiken is neergelegd in artikel 7 van de Politiewet 2012, welk artikel, voor zover hier van belang, als volgt luidt: Lid 1 De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Lid 5 De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste (...) lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn. 21. Ten aanzien van het gebruik van een aantal geweldsmiddelen zijn nadere regels gesteld in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). Toetsingskader 22. Politieagenten zijn niet alleen bevoegd om geweld te gebruiken in de uitvoering van hun maatschappelijke taak, maar in voorkomende gevallen wordt dit ook van hen verwacht wanneer de noodzaak hiertoe bestaat. Waar een ander bij gevaarlijke situaties kan terugtreden om te voorkomen dat hij geweld zal gebruiken, wordt van een agent juist verwacht dat hij in die situaties optreedt en actie onderneemt. 23. Het hof stelt evenals de rechtbank voorop dat de zojuist weergegeven wettelijke regeling aan de politie, voor zover die optreedt in de rechtmatige uitoefening van de bediening, een grote mate van vrijheid toekent om jegens (andere) deelnemers aan de maatschappij geweld te gebruiken. Die vrijheid is evenwel niet onbeperkt, omdat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet mogen worden overschreden. Indien die grenzen wel worden overschreden, is sprake van onrechtmatig geweldgebruik en komt in het kader van een strafrechtelijke vervolging aan de politiefunctionaris geen beroep (meer) toe op een rechtvaardigingsgrond. Het oordeel daaromtrent is voorbehouden aan de strafrechter. 24. In het voetspoor van hetgeen daarover is neergelegd in rechterlijke beslissingen (Hof Den Haag 17 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3418 en Rechtbank Den Haag 2 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14520) neemt het hof evenals de rechtbank verder als uitgangspunt dat bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporingshandelingen van politieagenten in functie terughoudendheid moet worden betracht. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen maken of dat een andere keuze voor de hand had gelegen. De aan DH02 verweten geweldshandelingen Ad a.: het tegen de grond houden 25. Op grond van de diverse verklaringen die zijn afgelegd door de agenten die bij de aanhouding zijn betrokken, kan als vaststaand worden aangenomen dat het steeds de bedoeling is geweest om [slachtoffer] , toen die zich tegen zijn aanhouding bleek te verzetten, naar de grond te brengen en hem, ondanks zijn verzet daartegen, op de grond te houden. Het hof heeft op de ter terechtzitting getoonde beelden waargenomen dat van handelingen bedoeld om [slachtoffer] op de grond te houden (ook) in de laatste minuut van de aanhouding nog sprake was. DH02 heeft daarover zelf verklaard dat [slachtoffer] , die op zijn buik op de grond lag, zich verzette tegen het boeien en dat hij, DH02, op een zeker moment ook naast hem op de grond zat, waarbij hij zijn rechterknie hoog op zijn schouderblad drukte. Van verdergaande (gewelds)handelingen van DH02 in het kader van het op de grond houden van [slachtoffer] is niet gebleken. Het hof acht dan ook niet meer en anders bewezen dan waarover DH02 verklaart, te weten dat hij gedurende enige tijd [slachtoffer] op zijn buik tegen de grond heeft gehouden en tegen het lichaam heeft geduwd. Ad c.: het slaan tegen de neus/het gezicht 26. DH02 heeft in alle door hem afgelegde verklaringen erkend dat hij [slachtoffer] tijdens de aanhouding tweemaal met zijn tot vuist gebalde rechterhand heeft geslagen op de rechterwang. Het hof acht dit dan ook bewezen. Er zijn geen aanwijzingen dat dit met meer dan normale kracht is gebeurd. Voor het slaan door DH02 of een van de andere agenten op de neus van [slachtoffer] is geen bewijs voorhanden. Weliswaar is bij de sectie een bloeduitstorting op de neus van [slachtoffer] geconstateerd, maar die is niet noodzakelijkerwijs te wijten aan het (opzettelijk) slaan. Niet kan worden uitgesloten dat deze bloeduitstorting op andere wijze is ontstaan, bijvoorbeeld tijdens de worsteling en/of het op de grond houden van [slachtoffer] en/of als gevolg van de handelingen die na de aanhouding in het kader van het vervoer en de reanimatie hebben plaatsgevonden. Ad d.: het in het gelaat wrijven van pepperspray 27. Zowel in zijn tegenover de politie als tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaringen heeft DH02 verklaard dat hij bij de aanhouding pepperspray op zijn (eigen) hand heeft gesproeid en deze vervolgens in het gelaat van [slachtoffer] heeft gewreven. Daarmee is ook dit onderdeel van de aan DH02 verweten geweldshandelingen bewezen. De beoordeling van de rechtmatigheid van de door DH02 verrichte handelingen De feitelijke situatie 28. Gelet op de hiervoor omschreven situatie (paragraaf 11-12) bestond er voldoende reden om [slachtoffer] aan te houden. Er is geen specifiek aanhoudingsproces-verbaal opgemaakt. Naar het oordeel van het hof kan in het midden worden gelaten op basis van de verdenking van welk strafbaar feit (te denken valt aan verstoring van de openbare orde of bedreiging) dit uiteindelijk is gebeurd. Het hof acht de aanhouding in elk geval rechtmatig. De agenten, onder wie DH01 en DH02, waren in zoverre in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. 29. Gebleken is dat [slachtoffer] zich met kracht tegen zijn aanhouding heeft verzet. Dat is ook niet betwist. Toen [slachtoffer] niet wilde meewerken aan zijn aanhouding is hij naar de grond gebracht, waarna een worsteling ontstond waarbij uiteindelijk vijf agenten betrokken waren. [slachtoffer] bleek erg sterk te zijn en het kostte de agenten grote moeite om hem op de grond te houden. Hij hield zijn armen onder zich zodat het niet goed lukte om hem te boeien. Hij leek ongevoelig voor de pijnprikkels die hem werden toegediend. De verdachten DH01 en DH02 hebben hierover verklaard en bevestiging daarvan kan worden gevonden in de verklaring van de andere agenten DH03, DH04 en DH05. 30. Door omstanders zijn van de worsteling videobeelden gemaakt. Deze beelden, zowel in scherpere als in minder scherpe kwaliteit en zowel in geblurde als in ongeblurde vorm, bevinden zich in het dossier en zijn ook ter terechtzitting getoond. 31. Het hof stelt vast dat het begin van de aanhouding en de worsteling niet op de beelden te zien is. Hoe lang de worsteling al aan de gang was vóór de eerste beelden (het hof zal deze fase verder aanduiden als de eerste fase), kan niet met zekerheid worden vastgesteld. DH01 weet niet hoe lang dat was, maar minuten lijkt hem wel erg lang. Volgens DH02 was dit misschien enkele minuten. Voor zover de worsteling wel op de beelden te zien is (verder: de tweede fase), duurde deze ongeveer één minuut en vijftien seconden. Uit de beelden kan worden afgeleid dat het verzet van [slachtoffer] tot het einde van worsteling lijkt voort te duren. Beoordeling van de onder a. aangeduide geweldshandelingen van DH02 (op de grond drukken) 32. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het op de buik tegen de grond houden en tegen het lichaam van [slachtoffer] duwen geweldshandelingen zijn die, gelet op het verzet van [slachtoffer] en de noodzaak om hem in verband hiermee tegen de grond te houden, voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Die handelingen waren daarom rechtmatig. Beoordeling van de onder c. en d. aangeduide geweldshandelingen van DH02 (slaan/stompen in het gezicht en pepperspray) 33. DH02 heeft verklaard dat de door hem verrichte geweldshandelingen aangeduid onder c. en d. hebben plaatsgevonden tijdens het begin van de aanhouding, vóór het moment vanaf welke er beelden zijn. Dat was dus in de hiervoor aangeduide eerste fase. Bestudering van de beelden (de tweede fase) leert dat daarop niet te zien is dat DH02 [slachtoffer] in het gelaat slaat of stompt en evenmin dat hij pepperspray bij [slachtoffer] in het gezicht wrijft. Dat past dus bij hetgeen DH02 heeft verklaard over het moment dat hij deze handelingen verrichtte. Het dossier bevat geen verklaringen van derden (politiefunctionarissen of burgergetuigen) die aanleiding geven om te twijfelen aan hetgeen DH02 heeft verklaard over het moment waarop hij [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen of gestompt en pepperspray heeft gebruikt. Het hof gaat er dus van uit dat een en ander heeft plaatsgevonden in de eerste fase van de aanhouding. Het vaststellen van het bedoelde moment is van belang omdat de proportionaliteit en subsidiariteit van de omschreven handelingen moet worden beoordeeld naar de situatie op dat moment. De uitkomst van die beoordeling kan niet afhankelijk zijn van eventuele gebeurtenissen nadien. 34. Op grond van het voorliggende dossier moet worden aangenomen dat de bedoelde geweldshandelingen (slaan of stompen in het gezicht en gebruik van pepperspray) hebben plaatsgevonden kort nadat [slachtoffer] naar de grond was gebracht, terwijl geprobeerd werd hem onder controle te krijgen en te boeien, hetgeen door het verzet van [slachtoffer] niet lukte. Of DH01 op dat moment het hoofd van [slachtoffer] had omklemd of dat inmiddels sprake was van een omklemming van de nek, kan niet met zekerheid worden gezegd. DH02 heeft verklaard dat DH01 op dat moment probeerde controle te krijgen over het hoofd van [slachtoffer] . Volgens DH01 was er op dat moment slechts sprake van een hoofdklem. Daar staat tegenover dat diverse getuigen hebben verklaard dat de arm van DH01 om de nek van [slachtoffer] zat, zij het dat niet steeds expliciet is aangegeven vanaf welk moment in de worsteling zij dat precies hebben gezien. Wat daar ook van zij, het hof stelt vast dat de beide genoemde geweldshandelingen van DH02 hebben plaatsgevonden in de eerste fase van de worsteling op een moment dat DH01 het hoofd of de nek van [slachtoffer] omklemd had teneinde hem onder controle te krijgen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de feitelijke situatie op dát moment zo was dat ieder verder geweld op het hoofd van [slachtoffer] zonder meer als buitenproportioneel zou moeten worden aangemerkt. 35. De bedoelde geweldshandelingen kunnen zoals zojuist is aangegeven niet worden aangemerkt als uitingen van buitenproportioneel geweld. Aan een en ander doet niet af, dat DH01 op dat moment het hoofd of de nek van [slachtoffer] had omklemd. Wanneer de onder c. en d. aangeduide geweldshandelingen van DH02 zouden hebben plaatsgevonden in een (veel) latere fase van de worsteling, toen de omklemming van het hoofd dan wel de nek van [slachtoffer] al geruime tijd had geduurd, zou daarover zeer wel anders geoordeeld kunnen worden, maar aan die beoordeling komt het hof niet toe nu ervan wordt uitgegaan dat die handelingen hebben plaatsgevonden in de beginfase van de worsteling. Op dat moment was het handelen van DH02 niet buitenproportioneel en dat verandert niet door eventuele gebeurtenissen nadien. De beide bedoelde geweldshandelingen hebben naar het oordeel van het hof plaatsgevonden op een moment in de worsteling dat zij effectief zouden kunnen bijdragen aan het snel breken van het verzet van [slachtoffer] . Zij kunnen dus als doelmatig worden aangemerkt en voldoen daarom ook aan het vereiste van subsidiariteit. 36. Op grond van het vorenstaande is het hof, anders dan het Openbaar Ministerie en de rechtbank, van oordeel dat ook de onder c. en d. aangeduide geweldshandelingen van DH02 als rechtmatig moeten worden bestempeld. De door DH01 verrichte geweldshandelingen 37. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden aangenomen dat DH01, teneinde te helpen de aanhouding van [slachtoffer] te realiseren al bij het begin van de schermutseling tussen [slachtoffer] en de agenten het hoofd van [slachtoffer] heeft omvat, hem naar de grond heeft getrokken en het hoofd en/of de nek niet meer heeft losgelaten tot het moment dat [slachtoffer] geboeid was en op dat moment zijn verzet tegen de aanhouding staakte. Allereerst is aan de orde de vraag of op enig moment sprake is geweest van het gedurende enige tijd (met kracht) afklemmen (met een arm) van de nek/hals van [slachtoffer] , zoals ten laste gelegd. Hoofdomvatting: algemeen 38. De term 'nekklem' is niet eenduidig. Er worden verschillende technieken mee aangeduid waarbij de nek van een persoon wordt omvat (nekomvatting). Daarbij kan het gaan om het omvatten van de nek als controletechniek. In dat geval kan de arm om de achterkant of zijkant van de nek worden geslagen waarmee als het ware het hoofd onder de arm wordt genomen. Daarmee wordt de bewegingsvrijheid van het hoofd, en daarmee van de gehele persoon, ingeperkt. Door het hoofd naar beneden te trekken, dwingt de uitvoerder de betrokkene naar de grond. Dit is een elementaire worsteltechniek. 39. Een nekomvatting kan ook worden gebruikt als verwurgingstechniek, waarbij sprake is van twee typen verwurging: bloedverwurging en luchtverwurging. Als één van de halsslagaders die zich aan beide zijkanten van de hals bevinden wordt afgekneld, vindt er een bloedverwurging plaats. Er stroomt dan minder bloed naar de hersenen. De uitvoerder kan van achteren met de arm de voorkant van de nek van de betrokkene omvatten. Wanneer deze omvatting zodanig wordt uitgevoerd dat met onder- en bovenarm in een soort V-vorm beide halsslagaders worden dichtgeknepen, wordt de bloedtoevoer naar het hoofd bijna geheel gestremd. Als dat gebeurt in het kader van een aanhouding met verzet, verliest de betrokkene daardoor na drie tot vijf seconden het bewustzijn, wat de mogelijkheid geeft over te gaan tot het boeien van de handen. 40. De uitvoerder kan de nek ook zodanig met de arm omvatten dat de luchtpijp wordt bekneld en dat daardoor de luchttoevoer wordt belemmerd. Dit kan worden bereikt door van achteren de onderarm tegen de keel te leggen en kracht uit te oefenen. In dat geval is er sprake van een luchtverwurging. 41. De Inspectie Veiligheid en Justitie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie concludeert dat het omvatten van de nek als controletechniek een veel gebruikte en bruikbare techniek is die in beginsel, mits technisch correct toegepast, weinig risico met zich brengt. Aan de bloed- en luchtverwurging zijn wel (ernstige) risico's verbonden. Zo kan schade ontstaan aan het strottenhoofd, er kan zich hersenletsel voordoen door zuurstoftekort of de betrokkene kan overlijden. 42. Een controletechniek kan tijdens een worsteling (bedoeld of onbedoeld), overgaan in een verwurging. De uitvoerder kan bijvoorbeeld vanuit een omvatting van de nek van achteren met de elleboog druk op het borstbeen uitoefenen. Dit geeft een pijnprikkel. Als de betrokkene desondanks niet meewerkt, kan de uitvoerder de klem strakker aantrekken, zodat de bloedtoevoer naar de hersenen wordt belemmerd. De uitvoerder kan ook van achteren met de onderarm voorlangs tegen de adamsappel duwen. Dat is op zichzelf al onaangenaam voor de betrokkene. Wanneer die toch verzet blijft bieden, kan de uitvoerder de klem sterker aanzetten, zodat ook de luchttoevoer wordt belemmerd. 43. De door de Rijksrecherche gehoorde deskundige J.P.G. Stolk heeft verklaard (samengevat) dat het ook mogelijk is dat iemand die met een nekklem wordt aangehouden in een overlevingsfase terechtkomt. Dan kan het zijn dat deze persoon zich hevig gaat verzetten voordat hij bewusteloos raakt, zodat het er op lijkt dat iemand nog niet onder controle is. Vaak gebeurt het dan dat de nekklem verder wordt aangezet. Verklaringen van de verdachte DH01 44. DH01 heeft in zijn eerste verhoor (als getuige) tegenover de Rijksrecherche verklaard dat hij aan het begin van de aanhouding [slachtoffer] achter zijn hoofd in de nek heeft gepakt en hem naar voren heeft getrokken, dit bedoeld als balans verstorende techniek. Toen [slachtoffer] op de grond terecht kwam had hij, DH01, hem nog steeds achter in de nek vast, maar toen heeft hij zijn handen verpakt en een nekklem aangelegd. Hij wist dat een nekklem kan leiden tot een black-out, en dat was ook de bedoeling. [slachtoffer] heeft echter nooit een black-out gehad. 45. Als verdachte heeft DH01 tegenover de Rijksrecherche verklaard dat hij uiteindelijk bij [slachtoffer] een nekklem heeft aangelegd om hem onder controle te krijgen en het verzet te doen stoppen. Op het moment dat hij, DH01, de nekklem wilde aanzetten, hoefde dat niet meer, omdat er inmiddels controle was. De aanvankelijke bedoeling was om [slachtoffer] een korte black-out te bezorgen teneinde hem volledig onder controle te kunnen krijgen. Hij, DH01, heeft die techniek eerder toegepast en dat resulteerde dan in een korte black-out. 46. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft DH01 aangegeven dat hij een nekklem in de zin van bloedverwurging nooit heeft aangezet. Het was wel zijn bedoeling een nekklem aan te leggen, maar het is gebleken dat het geen nekklem is geworden maar een hoofdklem. Uiteindelijk heeft hij wel een nekklem aangelegd, maar niet aangezet omdat dit niet meer nodig was. De periode vanaf het moment dat hij de klem had aangelegd totdat er controle was, duurde niet lang; het was secondenwerk. DH01 verwachtte geen black-out van zijn geweldstoepassing, want hij had immers geen nekklem aangezet. Hij heeft nooit samendrukkend geweld toegepast op de hals. Zijn arm zat tegen de kaaklijn aan, drukte op de kaaklijn en drukte het hoofd opzij. 47. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft DH01 nagenoeg hetzelfde verklaard, en dat geldt ook voor de terechtzitting in hoger beroep. Daar heeft DH01 nog verklaard dat het, gelet op de getoonde beelden waarop te zien lijkt dat zijn arm op enig moment onder de kin van [slachtoffer] zit, mogelijk is dat hij op zeker moment van hoofklem naar nekklem heeft overgeschakeld, maar daarbij heeft hij niet veel kracht gebruikt. Uit het geconstateerde letsel leidt DH01 af dat er sprake moet zijn geweest van enige kracht, maar hij kan niet zeggen waardoor of door wie die kracht is veroorzaakt. Verklaringen getuigen 48. De getuige DH04 heeft verklaard dat hij heeft gezien dat DH01 [slachtoffer] op enig moment om zijn nek vast had. Op dat moment lagen ze al op de grond. Het vasthouden van het hoofd of de nek door DH01 heeft geduurd zolang de worsteling duurde. Hij liet pas los toen de tweede handboei vast ging aan de eerste. 49. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat een agent [slachtoffer] vast had bij zijn hoofd. Hij zag dat de agent hem vast had bij zijn nek met een houdgreep. Zijn arm was om de nek heen. 50. De getuige [getuige 2] zag het hoofd van [slachtoffer] en zag dat het hoofd klem zat met de armen van de politieman er om heen. 51. De getuige [getuige 3] zag dat er een blonde agent was die voor het hoofd van [slachtoffer] zat. Die agent hield hem vast om zijn nek. 52. De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat een van de agenten een verwurging deed. 53. De getuige [getuige 5] (van beroep huisarts) zag dat één van de agenten [slachtoffer] in een wurggreep beet had bij zijn nek. Het zag er uit als een onnatuurlijke houding van die nek. Zij vond dat de nek in de verdrukking kwam. 54. De getuige [getuige 6] zag dat een agent [slachtoffer] in een wurggreep om zijn nek had. Hij zag dat het een heel stevige wurggreep was. De man probeerde uit de wurggreep te komen door de arm van de politieman die de wurggreep had aangelegd, weg te drukken. De man probeerde adem te halen. 55. De getuige [getuige 9] zag dat een agent zijn arm om de nek van [slachtoffer] hield. Voor zijn gevoel duurde het vast houden aan de nek heel lang. Zeker wel vier tot vijf minuten. 56. De getuige [getuige 7] zag dat een agent het hoofd van [slachtoffer] omklemde met zijn rechterarm. De arm zat in een V-vorm om de nek van de man. De agent zat op zijn knieën en trok het bovenlichaam van de man iets omhoog. 57. De getuige [getuige 8] zag dat een agent een nekklem bij [slachtoffer] maakte. Hij zag namelijk dat de agent zijn arm had geklemd om de nek van die man. Hij kon het niet precies zien, maar volgens hem drukte de agent de binnenzijde van zijn arm tegen de hals van de man. Waarneming beelden 58. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, bevat het dossier diverse door omstanders van het gebeuren gemaakte beelden. Deze beelden zijn ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep getoond. Zoals hiervoor is aangegeven betreffen de beelden de eerder aangeduide tweede fase van de worsteling. Het hof heeft, gelijk de, rechtbank heeft gedaan, geconstateerd (voor zover voor het thans besproken onderwerp van belang) dat daarop het volgende valt waar te nemen: 59. Blijkens de beelden ligt [slachtoffer] op zijn buik op de grond met meerdere politieagenten om hem heen. Vanaf het begin van de beelden tot 22.06.03 uur zit DH01 op zijn knieën naast het hoofd van [slachtoffer] op de grond. DH01 heeft al die tijd zijn linkerarm om de hals/nek van [slachtoffer] geslagen. De arm van DH01 bevindt zich voortdurend onder de kin van [slachtoffer] en wordt door DH01 kennelijk met kracht in die positie gehouden. Wanneer de linkerarm van [slachtoffer] geboeid op zijn rug zit, wordt er door DH05 aan de rechterarm van [slachtoffer] getrokken. Te zien is dat [slachtoffer] in eerste instantie zijn rechterarm nog terugtrekt onder zijn lichaam, maar dat DH05 zijn arm uiteindelijk kan pakken en naar zijn rug draait. Op dat moment zit de arm van DH01 nog om de nek van [slachtoffer] en hangt [slachtoffer] met zijn bovenlichaam in die klem. Om 22.06.03 uur laat DH01 het hoofd van [slachtoffer] (die dan kennelijk is geboeid) los, waarna zijn hoofd op de grond valt. DH01 zet daarna zijn knie achter op het hoofd dan wel de nek. [slachtoffer] maakt dan geen enkele waarneembare beweging meer. 60. Na het vertonen van de beelden ter terechtzitting heeft DH01 desgevraagd verklaard op die beelden waar te nemen dat zijn arm zich onder de kin van [slachtoffer] bevindt. Letsel 61. Op het letsel dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is geconstateerd, zal in het vervolg van dit arrest nog uitgebreid worden ingegaan. Voor het nu besproken onderwerp is van belang dat het sectierapport inhoudt dat letsels aan/in de hals werden vastgesteld, met bloeduitstortingen en breuken van beide bovenste hoorntjes van het strottenhoofd (cornu superius beiderzijds) en met begeleidende bloeduitstortingen. Deze zijn, aldus de patholoog Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, bij leven ontstaan door inwerking van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. 62. In een aantal, eveneens in het vervolg van dit arrest nader en uitvoeriger te bespreken, rapporten van medisch deskundigen zijn opinies neergelegd omtrent het ontstaan van deze aan de hals geconstateerde letsels. 63. Een rapport van de forensisch arts D. Botter houdt onder meer het volgende in: In de onderhavige casus waren er uitgebreide letsels aan de hals (...). Deze letsels (...) zijn het gevolg van krachtig samendrukkend/samensnoerend geweld op de hals. Uit de processen-verbaal en de videobeelden kan worden afgeleid dat dit letsel uitsluitend kan worden verklaard door de toepassing van een krachtige nekklem en mogelijk deels ook door het samendrukken van de hals tegen de grond door de druk met een knie op de nek, terwijl het hoofd op de grond rustte. Uit de beschrijving in de processen-verbaal en de videobeelden kan worden afgeleid dat de toegepaste nekklem van het type "carotid sleeper" (bedoeld wordt: met druk op de halsslagaders, hof) was. Omdat er sprake was van een worsteling, kan niet worden uitgesloten dat er tevens momenten waren dat de nekklem overging in een type "chokehold" (bedoeld wordt: met druk op de luchtpijp, strottenhoofd en dergelijke, hof). De uitgebreide letsels aan en bij het strottenhoofd van het slachtoffer kunnen beter verklaard worden door een "chokehold" dan door een "carotid sleeper". 64. Een rapport van Dr. Mr. C. Das, forensisch arts, houdt onder meer het volgende in: (...) ik ben het ermee eens dat de aangelegde nekklem de meest waarschijnlijke oorzaak is voor de aangetroffen letsels. De nekklem was dus wel de oorzaak van diverse letsels in de hals (...). Conclusie 65. De verklaring van DH01 dat hij nimmer een nekklem heeft aangezet (in de zin van met kracht aantrekken), maar slechts een hoofdklem heeft toegepast, moet worden gepasseerd. Die verklaring is immers niet alleen strijdig met de verklaringen van de hierboven weergegeven getuigen en deskundigen, maar ook met de waarneming door het hof van de ter terechtzitting afgespeelde beelden. Op die beelden is duidelijk een krachtig aangezette klem om de nek te zien. Nu niet alleen DH01 zelf, maar ook diverse getuigen hebben verklaard dat DH01 reeds vanaf het begin van de aanhouding het hoofd van [slachtoffer] heeft omvat (naar eigen zeggen met de bedoeling om hem via een verwurging een black-out te bezorgen) en daarna het hoofd van [slachtoffer] niet meer heeft losgelaten totdat deze zijn verzet staakte, moet het er voor worden gehouden dat DH01 vanaf een moment gelegen in de hiervoor aangeduide eerste fase van de aanhouding (die begon rond 22.03.30 uur) tot aan het staken van het verzet bij [slachtoffer] die nekklem heeft toegepast. Het geconstateerde letsel aan de hals kan ook niet door iets anders dan door die nekklem zijn veroorzaakt, nu de zojuist geciteerde medisch deskundigen dat aannemelijk vinden en een andere oorzaak voor dat letsel niet is gebleken. Ook dat wijst op een nekklem, en wel één die mogelijk is begonnen als een poging tot bloedverwurging, maar uiteindelijk is uitgelopen op een klem die druk heeft uitgeoefend op de luchtpijp en het strottenhoofd. 66. De slotsom is dat het hof met de rechtbank, en anders dan de verdediging, bewezen acht dat DH01 met kracht gedurende enige tijd de nek/hals van [slachtoffer] met een arm heeft afgeklemd. De beoordeling van de rechtmatigheid van de door DH01 verrichte handelingen 67. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat DH01 heeft besloten om ter aanhouding van [slachtoffer] een nekklem te hanteren die tot bloedverwurging kon leiden, nog niet met zich brengt dat reeds daarom niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verzet van [slachtoffer] was zodanig krachtig dat niet reeds op voorhand gezegd kan worden dat de beoogde nekklem een onaanvaardbaar middel was om de aanhouding tot stand te brengen, te vergemakkelijken of te bespoedigen. 68. Wel heeft het hof vastgesteld dat moet worden aangenomen dat de omklemming van de nek al op een moment gelegen in de hiervoor aangeduide eerste fase van de aanhouding is aangevangen en dat deze tot het einde van de worsteling heeft geduurd, en blijkens de beelden in elk geval in de hiervoor aangeduide tweede fase van de worsteling met onmiskenbare kracht. 69. Zoals hiervoor reeds is aangeduid is de bloedverwurging een handeling die binnen enkele seconden het beoogde effect moet hebben. Indien dat effect niet optreedt, zoals in de onderhavige zaak, is de klem kennelijk niet goed aangelegd, maar dat wil niet zeggen dat dan geen beschadigende effecten kunnen worden veroorzaakt. Het risico dat schade wordt veroorzaakt is nadrukkelijk aanwezig. DH01 moet bekend geweest zijn met de risico's nu hij, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting bij de rechtbank, zowel de hoofdklem als de nekklem aangeleerd heeft gekregen en het hof ervan uitgaat dat, anders dan de verdachte ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard, daarbij ook is gewezen op die risico's. Door het te lang voortzetten van de krachtige nekklem hebben deze risico's zich verwezenlijkt en is aanmerkelijk letsel in de hals/nek van [slachtoffer] opgetreden. Het handelen van DH01 was in dit opzicht, mede in het licht van de omstandigheid dat nog vier agenten bezig waren met het onder controle brengen van [slachtoffer] , hetgeen DH01 gelet op zijn positie bij [slachtoffer] moet hebben waargenomen, verwijtbaar niet proportioneel en derhalve onrechtmatig. In dit verband kan in het midden blijven of gedurende de omklemming de belemmering van de ademhaling en bloedtoevoer volledig is geweest en/of onafgebroken heeft geduurd. Anders dan de verdediging is het hof dus van oordeel dat DH01 geen beroep toekomt op de rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verwerpt de verweren op dit punt. Causaal verband tussen de bewezenverklaarde handelingen en het overlijden a. De doodsoorzaak Het sectierapport en aanvullend rapport van Soerdjbalie-Maikoe 70. In het sectierapport van 27 juli 2015 van Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI), staat vermeld dat onder meer als letsel is waargenomen dat in het midden van de hals van [slachtoffer] inwendig een bloeduitstorting zat en dat links laag aan de hals met de overgang naar de sleutelbeenregio een rode huidverkleuring van zeven centimeter bij anderhalve centimeter zichtbaar was met inwendig ook een bloeduitstorting. 71. Verder waren er bloeduitstortingen aan de beide zijden van de hals in de weke delen, zoals het vet- en bindweefsel, maar ook in de diepere delen, zoals de spieren en rondom de beide bovenste hoorntjes van het strottenhoofd. Daarnaast is vastgesteld dat de beide bovenste hoorntjes van het strottenhoofd (links en rechts) overdwars gebroken waren. 72. In de bindvliezen van de beide oogleden waren vele puntvormige en enkele grotere bloeduitstortingen zichtbaar. De zichtbaar rode vlekken aan het lichaam bij het hoofd, de hals en de borstkas kunnen onder andere passen bij stuwing als gevolg van de belemmering van de bloedafvoer. Het hart van [slachtoffer] toonde geen bijzonderheden omdat het hartgewicht binnen de normaalwaarden was en er geen teken van aderverkalking in de kransslagaders was. Evenmin waren er tekenen van hartspierschade anders dan in het kader van de reanimatie. 73. In het sectierapport wordt over de mogelijke doodsoorzaak van [slachtoffer] onder meer geconcludeerd dat de letsels aan en in de hals bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals, bijvoorbeeld als gevolg van een verwurging door middel van een nekklem, al dan niet in combinatie met stomp botsend geweld op de hals. Dit geweld op de hals kan hebben geleid tot verstikkingseffecten door zuurstoftekort in de hersenen en in de overige organen. De medische handelingen die in het ziekenhuis bij [slachtoffer] zijn verricht kunnen het ontstaan van deze letsels in de hals niet verklaren. 74. De vele puntvormige bloeduitstortingen, de grotere bloeduitstortingen in de oogleden en de mogelijke tekenen van stuwing kunnen goed het gevolg zijn van het geconstateerde geweld op de hals. 75. Als mogelijke medeoorzaak voor het ontstaan van de verstikking kan worden gezien de houdingsverstikking door geweld op de borstkas in de zin van (samen)drukken en stompen op de borstkas en het in bedwang houden in geboeide toestand in buikligging. Deze positie kan de ademhalingsbewegingen belemmeren, met als gevolg het ontstaan van zuurstoftekort. 76. In de ‘Rapportage aanvullend onderzoek door forensisch patholoog NFI’ van 3 oktober 2017 vermeldt Soerdjbalie-Maikoe dat de dood bij [slachtoffer] is ingetreden door zuurstofgebrek. Volgens haar zijn er één of meerdere oorzaken voor dat zuurstofgebrek aan te wijzen, namelijk in de eerste plaats het geweld op de hals, waardoor zuurstoftekort en beschadiging in de hersenen is opgetreden met een verstoring van de hartactie tot gevolg. In de tweede plaats de houdingsverstikking door geweld op de borstkas. Als derde en laatste oorzaak is nieuw toegevoegd de opwindingstoestand, zoals een agitatie/excited deliriumsyndroom of restraint asphyxia, waardoor een hoge stresshormoonspiegel ontstaat en daardoor de hartfunctie verstoord kan raken met als gevolg zuurstoftekort in de hersenen. Verder vermeldt zij dat het niet mogelijk is om het afzonderlijke effect van de drie oorzaken en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen. 77. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Soerdjbalie-Maikoe haar standpunt nader aangevuld en toegelicht, en wel als volgt. Zij staat nog steeds achter haar conclusie uit het sectierapport met aanvulling van punt drie: de opwindingstoestand. Zij heeft er echter bewust voor gekozen om de opwindingstoestand als derde punt te vermelden omdat de andere twee mogelijke doodsoorzaken volgens haar meer voor de hand liggen gezien het aangetroffen letsel. Het is volgens haar niet mogelijk de afzonderlijke effecten van de drie mogelijke doodsoorzaken aan te geven, omdat je die effecten niet kunt meten aan het lichaam. De opwindingstoestand is overigens een diagnose die pas aan bod komt als er een negatieve autopsie is. Dat wil zeggen als er geen (andere) doodsoorzaak kan worden vastgesteld, zoals ook bij de aangehaalde zaken uit de literatuur. In de onderhavige zaak is volgens Soerdjbalie-Maikoe wèl een duidelijke, niet natuurlijke, doodsoorzaak gevonden, zodat men aan de laatste diagnose niet meer toekomt. 78. Verder heeft zij nog met betrekking tot de tijdsduur van vier à vijf minuten die nodig zou zijn voor het onherstelbaar worden van hersenschade verklaard dat er ook reeds in de periode voorafgaand aan deze minuten ernstige hersencelschade kan optreden. Bij verstoring in de zuurstoftoevoer naar de hersenen treedt schade op. Die kan omkeerbaar, maar ook onomkeerbaar zijn. Dit fysiologische proces in de hersenen begint ongeacht of die zuurstoftoevoer volledig of onvolledig is geweest. De omkeerbare hersenschade in de hersencellen zou in de ideale situatie na opheffing van de blokkering van de zuurstoftoevoer en toediening van zuurstof aan de hersencellen weer herstellen. Het is echter evengoed mogelijk dat de hersencellen niet meer ontvankelijk zijn voor de zuurstoftoediening met als gevolg dat de hersencellen beschadigd blijven en de hersenschade toch onomkeerbaar is geworden. Deze situatie kan zich voordoen in de eerste vier minuten, maar over de exacte tijdsduur kan geen uitspraak worden gedaan. Dus ook in de eerste vier minuten vinden er fysiologische veranderingen in de hersencellen plaats die mogelijk niet (meer) hersteld kunnen worden. Om die reden acht Soerdjbalie-Maikoe de tijdsduur van het samensnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals niet relevant. Door dit geweld op de hals kan er daarnaast ook een prikkeling van de bloeddruksensoren, die zich in de hals bevinden, plaatsvinden met als gevolg een hartritmestoornis die kan leiden tot een hartstilstand. Naast dit geweld op de hals kan het overige geweld op het lichaam van [slachtoffer] ook stress verhogend hebben gewerkt en een medeoorzaak zijn voor het overlijden. 79. Soerdjbalie-Maikoe stelt op basis van haar praktijkervaring dat, als zij dit in kansen zou moeten uitdrukken, het intreden van de dood bij [slachtoffer] vele malen waarschijnlijker is bij de hypothese dat het overlijden is veroorzaakt door het geweld op de hals al dan niet in combinatie met de positionele asfyxie tegen de romp dan bij de hypothese dat het overlijden is veroorzaakt door het acuut stress syndroom. Zij benadrukt dat deze uitspraak niet is gebaseerd op een wetenschappelijke onderbouwing. 80. Om de bovenste hoorntjes van het strottenhoofd te breken is er substantieel geweld nodig op de hals, maar niet te zeggen is hoeveel kracht er precies nodig is. De omvatting om de nek die te zien is op de beelden van de aanhouding zou de breuken van de beide hoorntjes kunnen verklaren. De ter terechtzitting in eerste aanleg getoonde scherpere beelden van de aanhouding geven Soerdjbalie-Maikoe geen aanleiding om haar conclusie te wijzigen. De rapportages van Das, Botter en Van Driessche 81. Daarnaast beschikt het hof nog over twee rapporten van C. Das, voormalig forensisch arts bij GGD Amsterdam, over het rapport van D. Botter, forensisch arts KNMG bij het NFI, en over het rapport van drs. P.M.I. van Driessche, arts en forensisch patholoog. Alle drie de deskundigen komen in de kern tot dezelfde conclusie wat betreft de doodsoorzaak van [slachtoffer] . Volgens hen vertoont de onderhavige zaak, gebaseerd op het incident tussen [slachtoffer] en de politie, de medische bevindingen bij [slachtoffer] en zijn overlijden, vrijwel alle typische kenmerken van een acuut stress syndroom. Deze diagnose wordt gesteld op grond van het klassieke verloop daarvan en de afwezigheid van een andere aantoonbare oorzaak van overlijden. Steunbewijs voor deze diagnose is het vaak voorkomen van een lage zuurgraad en een hoog lactaatgehalte van het bloed. Deze afwijkende waarden zijn in het HagaZiekenhuis ook vastgesteld bij [slachtoffer] . 82. Het acuut stress syndroom veroorzaakt onder andere verhoging van de bloeddruk, de spierdoorbloeding, de spierkracht en een hogere pijntolerantie, aldus de drie deskundigen. Door stijging van de bloeddruk kan via de zwervende zenuw (nervus vagus) vertraging van het hartritme optreden die kan dalen tot hartstilstand. De restraint-stress gerelateerde hartstilstanden kunnen verklaard worden door bijwerkingen van adrenaline. Adrenaline speelt een belangrijke rol in de lichamelijke veranderingen bij stress. Naast positieve effecten kan adrenaline ook fatale gevolgen hebben voor hart, longen en stofwisseling. Adrenaline kan onder andere onvoorspelbare fatale hartritmestoornissen veroorzaken. Het adrenalinegehalte neemt ook toe bij inspanning en zuurstofgebrek. De combinatie van een gevecht met als gevolg inspanning en verhoogde zuurstofbehoefte en de acute stressreactie door in bedwanghouding door politiemedewerkers, kunnen het adrenalinegehalte tot giftig niveau doen stijgen. De adrenalinespiegel kan langer hoog blijven dan de duur van de stressprikkel. Dit zou kunnen verklaren waarom de effecten (de hartritmestoornis en de hartstilstand) ook kunnen optreden als de aanhouding al is voltooid en de arrestant gekalmeerd is. 83. Das, Botter en Van Driessche concluderen dat de geconstateerde letsels in de hals weliswaar passen bij geweld op de hals als gevolg van samendrukkend dan wel samensnoerend geweld op de hals, maar dat gelet op het verloop van het incident en de duur van de toepassing van het geweld, het overlijden hierdoor niet zonder meer kan worden verklaard. Onomkeerbare hersenschade ontstaat immers pas na ongeveer vier à vijf minuten van volledige en onafgebroken blokkering van de halsslagaders. Wanneer de halsslagaders volledig worden dichtgedrukt, treedt vrijwel onmiddellijk bewusteloosheid in. Deze situatie heeft volgens deze drie deskundigen niet plaatsgevonden nu [slachtoffer] tot aan het einde van de ongeveer twee minuten durende worsteling actief verzet heeft gepleegd. Hieruit concluderen zij dat [slachtoffer] in die periode bij bewustzijn was, zodat kan worden gesteld dat de halsslagaders gedurende die minuten niet volledig waren dichtgedrukt. 84. Botter vermeldt nog dat, gelet op het ondergane geweld en de omvang van de letsels, het geweld op de hals wel een bijdrage aan het overlijden kan hebben geleverd. Dit geweld kan volgens Botter uitsluitend hebben bestaan uit de toepassing van een krachtige nekklem en mogelijk deels ook door het samendrukken van de hals tegen de grond door druk met een knie op de nek terwijl het hoofd op de grond rustte. 85. Das formuleert het voorzichtiger en stelt dat de aangelegde nekklem de meest waarschijnlijke oorzaak is voor de aangetroffen letsels in de hals. 86. Van Driessche concludeert dat het geweld op de hals niet heeft geleid tot verstikking op ademhalingsniveau of halsvatenniveau, maar dat het geweld op de hals, samen met andere factoren, mogelijk heeft bijgedragen tot het ontstaan van een forse lichamelijke reactie met als gevolg een fataal verlopende hartritmestoornis. 87. De overige letsels als gevolg van de geweldshandelingen, zoals onder meer de vuistslagen tegen de rechterwang, het wrijven van de pepperspray in de ogen en enkele stompen tegen de beide zijden van het lichaam, kunnen het overlijden niet verklaren, aldus alle drie de deskundigen. 88. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Das zijn standpunt nader toegelicht, en wel als volgt. 89. De crux is het in bedwang houden door de politie en het verzet van [slachtoffer] . Dat levert het acuut stress syndroom op. Door de vechtpartij is er veel stress ontstaan wat heeft gezorgd voor een hogere adrenalinespiegel. 90. Het toegepaste geweld op de hals is duidelijk evenals de schade die daaruit is ontstaan, maar gelet op de korte tijdsduur van het geweld op de hals, zijnde een periode van ongeveer twee minuten, is het onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] daardoor is komen te overlijden. De redenering dat de schade aan de hals de doodsoorzaak is, is te eenvoudig gesteld. Dat bij enige belemmering van de zuurstoftoevoer het proces van hersencelschade al in werking treedt, volgt Das niet. Wanneer iemand bij bewustzijn is, is er voldoende zuurstof. Dat levert geen aantoonbare pathologische schade op. Op het moment dat iemand acuut bewusteloos raakt, is dat het gevolg van het plots stilvallen van het hart en niet door opgelopen schade aan de hersencellen. Er was dus eerst sprake van een hartstilstand waardoor [slachtoffer] bewusteloos is geraakt en er onvoldoende hartcirculatie was. Daarna is de zuurstofschade en weefselschade ontstaan. De kans is heel klein dat [slachtoffer] zonder de aanhouding op datzelfde moment een fatale hartritmestoornis zou hebben gekregen. Zonder het geweld op de hals bij [slachtoffer] kan het acuut stress syndroom ook hebben plaatsgevonden. 91. De bovenste hoorntjes van het strottenhoofd zijn met de hand te breken. Er is niet veel kracht voor nodig. Dat die breuken zijn ontstaan door het intuberen lijkt Das niet waarschijnlijk. De ter terechtzitting getoonde scherpere beelden van de aanhouding geven Das geen aanleiding om zijn conclusie aan te passen. 92. Ook in zijn nadere, in opdracht van het hof gemaakte, rapport komt Das niet terug op zijn eerdere conclusies. Hij licht wel toe dat de term "acuut stress syndroom" geen gangbare terminologie is, maar dat beter gesproken kan worden van "restraint asphyxia" dan wel "excited delirium syndrome" (EDS ofwel geagiteerd delier). Hij stelt nog eens dat EDS (volgens Das hier overigens niet aan de orde) of restraint asphyxia met een fatale hartstilstand (asystolie) vooral optreedt door het heftige fysieke verzet van een persoon tegen een overmacht aan agenten/beveiligers, die deze persoon in bedwang proberen te houden. Cardiale decompensatie ("het hart begeeft het") is de kern van de zaak. Geweld op de hals (al of niet ten gevolge van een nekklem) is beslist geen noodzakelijke voorwaarde. 93. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft Botter zijn standpunt nader toegelicht, en wel als volgt. De diagnose acuut stress syndroom is gebaseerd op het totale verloop van het incident samen met de bevindingen van de sectie. Hij concludeert dat [slachtoffer] vrijwel tot het einde van de worsteling bewust heeft gehandeld. [slachtoffer] vertoonde actief spierverzet bij het zich ontdoen van de agenten. Dat lijkt niet op verstikking. Er moet voldoende doorstroming van de hersenen zijn om die handelingen te kunnen uitvoeren. De stuwing in de halsaderen bij [slachtoffer] heeft geen invloed gehad op de bloeddruksensoren in de hals. Dat staat los van elkaar. Bij geweld op de hals kan er druk optreden op de bloeddruksensoren in de halsslagaders, maar dit is slechts een reëel gevaar bij mensen met slagaderverkalking, oudere mensen en mensen die overgevoelig zijn voor druk op de slagaders. Deze situaties waren niet aan de orde bij [slachtoffer] . Hij had geen verkalking in zijn slagaders en aorta. Bovendien is de prikkeling van de sensoren door manuele druk met de arm niet aannemelijk, wel door de vingertoppen. De adrenaline en dopamine spelen hier een belangrijke rol. 94. De kans dat [slachtoffer] een hartritmestoornis zou hebben gekregen als hij niet was aangehouden is nihil, omdat uitgesloten is dat er bij [slachtoffer] factoren waren die daarvoor aanleiding gaven. 95. Botter schrijft het overlijden van [slachtoffer] niet toe aan het geweld op de hals. Het geweld op de hals heeft tot gevolg dat er verstikkingsverschijnselen en angst ontstaan wat het stressniveau doet stijgen en dat is wel van invloed op het escaleren van het acuut stress syndroom. Zonder het geweld op de hals bij [slachtoffer] kan het acuut stress syndroom zich echter ook hebben voorgedaan. 96. Om de twee bovenste hoorntjes van het strottenhoofd te breken is niet veel kracht nodig. Het valt echter niet te kwantificeren hoeveel kracht er nodig is. 97. De nieuwe scherpere beelden geven Botter geen aanleiding om zijn eerdere conclusies te herzien, omdat de tijdsduur niet is beïnvloed. Het geweld op de hals heeft ongeveer twee minuten geduurd en onomkeerbare hersencelschade ontstaat pas na vier à vijf minuten afsluiting van de bloedtoevoer naar de hersenen. 98. Ook in zijn nadere, in opdracht van het hof gemaakte, rapport komt Botter niet terug op zijn eerdere conclusies. Hij licht toe dat onder de door hem gebruikte term "acuut stress syndroom" moet worden verstaan de "restraint stress" en het "excited delirium". In de onderhavige casus is volgens Botter geen onderscheid te maken welke van beide een rol heeft gespeeld. Hij blijft bij zijn standpunt dat het stresssyndroom kan zijn ontstaan als er geen geweld op de hals was toegepast. Hij stelt voorts dat het wel aannemelijk is dat de uitoefening van geweld op de hals het stressniveau bij [slachtoffer] heeft doen stijgen en dat dit in dat kader invloed zal hebben gehad op de ontwikkeling van het stresssyndroom. 99. Ook Van Driessche heeft in opdracht van het hof nader gerapporteerd. Ook hij blijft zijn eerder ingenomen standpunt. Hij licht ten aanzien van de gebruikte terminologie "acuut stress syndroom" toe dat wat hij daarmee bedoelt ook aangeduid kan worden met de term "stress-gerelateerd overlijden" of "stress-hypothese". Hij stelt nogmaals dat "being restrained" stress kan oproepen die op zich al dodelijk kan verlopen zonder verwurging/verstikking. Er zijn tekenen passend bij geweldsuitoefening op de hals. De tekenen die door anderen aangehaald worden als passend bij of zelfs bewijzend voor verstikking kunnen ook andere oorzaken hebben (waaronder acuut hartfalen bij een hartritmestoornis) . Het geweld aan de hals kan zeer wel mogelijk (doch ook niet noodzakelijk) hebben meegespeeld, echter volgens Van Driessche heeft dit geweld niet via verwurging/verstikking geleid tot het overlijden doch is het geweld een medefactor geweest binnen de stress-hypothese. Het rapport van Jacobs 100. Prof. Dr. W. Jacobs, als forensisch patholoog verbonden aan het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde van de Universiteit te Antwerpen, heeft in de onderhavige zaak eveneens gerapporteerd. Hij concludeert dat de letsels in de hals, in combinatie met de stuwingstekens in het gelaat, het gevolg zijn van samendrukkend geweld tegen de hals (zoals de armgreep). Gezien de gebruikte fixatietechnieken en de vastgestelde (diepe) bloeduitstortingen ter hoogte van de rug is het bovendien mogelijk dat er sprake is geweest van mechanische belemmering van de ademhalingsbewegingen. Beide factoren kunnen de verstikkingseffecten verklaren die uiteindelijk hebben geleid tot de hartstilstand en het overlijden van [slachtoffer] . Bij het vorenstaande is een opwindingstoestand te verwachten, niet noodzakelijk met doodsoorzakelijke relevantie en die niet los kan worden gezien van de significante (en zonder meer beangstigende) samendrukkende geweldpleging tegen de hals. De physical restraint (in bedwang houden in buikligging) en de agitatie, het verzet, de zwaarlijvigheid en de alcoholintoxicatie van [slachtoffer] kunnen (in combinatie) een bevorderende maar geen doorslaggevende rol hebben gespeeld in het ontstaan van de hartstilstand (asystolie). Ze zijn niet het primum movens dat geleid heeft tot de fatale afloop. Onomkeerbare hersenbeschadiging kan in veel kortere tijd dan na vier à vijf minuten afsluiting van de halsslagaders optreden en binnen de observatie in casu van minimaal 76 seconden (zie beeldmateriaal). Het tijdsverloop daarna voordat met reanimatie is gestart, zal geen gunstige invloed gehad hebben op de hersenbeschadiging. Het is niet mogelijk om het afzonderlijke effect van de diverse geweldsinwerkingen en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen. De visie van Baak 101. R. Baak is als cardioloog-intensivist verbonden aan het HagaZiekenhuis te Den Haag. Hij heeft [slachtoffer] bij diens aankomst in het ziekenhuis gezien en was zijn hoofdbehandelaar. In zijn ongedateerd schrijven aan mr. Korver deelt Baak als zijn opinie mede dat het overlijden alleen op basis van verhoogde catecholaminen bij stress uiterst onwaarschijnlijk is, temeer omdat er geen sprake was van coronaire insuffiëntie of een cardiomyopathie en de echo van het hart een normale linkerventrikelfunctie liet zien. De diagnose geagiteerd delier is in dit geval zeer onwaarschijnlijk. [slachtoffer] is overleden door een hartstilstand veroorzaakt door zuurstoftekort van het myocard veroorzaakt door een verminderd zuurstofaanbod bij minimaal een deels afgesloten luchtweg en een bemoeilijkte ademhaling. Conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak 102. Uit de hierboven uitvoerig weergegeven beschouwingen en conclusies van de geraadpleegde deskundigen moet worden afgeleid dat de deskundigen het oneens zijn over de exacte doodsoorzaak bij [slachtoffer] , dus over de oorzaak van het fatale zuurstofgebrek. 103. Soerdjbalie-Maikoe wijst in dit verband in de eerste plaats op het geweld op de hals, waardoor zuurstoftekort en beschadiging in de hersenen is opgetreden met een verstoring van de hartactie tot gevolg. In de tweede plaats wijst zij op de houdingsverstikking door geweld op de borstkas. Als derde en laatste oorzaak noemt zij de opwindingstoestand, zoals een agitatie/excited deliriumsyndroom of restraint asphyxia, waardoor een hoge stresshormoonspiegel ontstaat en daardoor de hartfunctie verstoord kan raken met als gevolg zuurstoftekort in de hersenen. Het is in haar visie niet mogelijk om het afzonderlijke effect van de drie oorzaken en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen. 104. Das, Botter en Van Driessche concluderen dat, gelet op het verloop van het incident en de duur van de geweldstoepassing, het geweld op de hals het overlijden niet zonder meer kan verklaren, nu de halsslagaders gedurende de minuten durende worsteling niet volledig waren dichtgedrukt. Het overlijden moet volgens hen worden toegeschreven aan opgelopen stress die heeft geleid tot een fataal verlopende hartritmestoornis. 105. Jacobs concludeert dat er sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals en mogelijk mechanische belemmering van de ademhalingsbewegingen op het lichaam. Beide factoren kunnen de verstikkingseffecten verklaren die hebben geleid tot de hartstilstand en het overlijden. De te verwachten opwindingstoestand kan wel een bevorderende maar geen doorslaggevende rol gespeeld hebben. 106. Baak concludeert dat een hartstilstand is veroorzaakt door zuurstoftekort van het myocard veroorzaakt door een verminderd zuurstofaanbod bij minimaal een deels afgesloten luchtweg en een bemoeilijkte ademhaling. 107. Conclusie: Gelet op deze van elkaar afwijkende standpunten van de diverse geraadpleegde deskundigen kan het hof, net als de rechtbank, niet eenduidig vaststellen wat precies de oorzaak is geweest van het fatale zuurstoftekort dat heeft geleid tot het overlijden van [slachtoffer] . De door de verdediging bepleite conclusie dat verstikking als doodsoorzaak moet worden uitgesloten en dat voor de bepaling van de doodsoorzaak slechts moet worden uitgegaan van de door de deskundigen Das, Botter en Van Driessche omschreven stresshypothese wordt door het hof niet gevolgd. Naar het oordeel van het hof kan niet zomaar voorbijgegaan worden aan de door de deskundige Soerdjbalie-Maikoe onderbouwde benadering dat meerdere oorzaken voor het zuurstoftekort zijn aan te wijzen, te weten allereerst het geweld op de hals, vervolgens houdingsverstikking door geweld op de borstkas, en tenslotte de opwindingstoestand, de acute stress, waarbij het niet mogelijk is het afzonderlijke effect van elk van deze oorzaken en hun aandeel aan het zuurstoftekort of hun aandeel aan het overlijden vast te stellen. Naar het oordeel van het hof, en het hof volgt daarin de conclusie van de rechtbank, is een combinatie van factoren zeer wel mogelijk en zelfs waarschijnlijk. b. De causaliteit 108. Voor de vaststelling van het causaal verband tussen het bewezen verklaarde handelen van DH01 en het overlijden van [slachtoffer] is niet noodzakelijk dat de precieze doodsoorzaak in een van de door de diverse deskundigen aangegeven varianten kan worden vastgesteld. 109. Voor de beantwoording van de vraag of er voldoende causaal verband bestaat tussen de bewezen verklaarde handelingen van DH01 en het overlijden van [slachtoffer] is het criterium of het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van de handelingen van DH01 aan hem kan worden toegerekend. Allereerst is hiervoor vereist dat het handelen van DH01 een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het overlijden van [slachtoffer] hebben geleid, en voorts dat aannemelijk is dat het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door dat handelen is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden het verweten handelen naar zijn aard geschikt is om dat overlijden teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat het het vermoeden wettigt dat het heeft geleid tot het intreden van het overlijden van [slachtoffer] . Daarbij kan ook worden betrokken dat bij wijze van verweer gestelde andere, niet aan de bewezenverklaring gerelateerde, oorzaken hoogst waarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. 110. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van het hof dat de aan DH02 toe te schrijven onder a., c. en d. aangeduide geweldshandelingen rechtmatig zijn geweest, is voor de onderhavige beoordeling van de causaliteit slechts de door DH01 toegepaste omklemming van de nek van [slachtoffer] van belang. Onmisbare schakel 111. Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat samendrukkend en samensnoerend geweld op de hals, een omklemming van de nek, een geschikte handeling is om een persoon om het leven te brengen. In haar Rapportage aanvullend onderzoek d.d. 3 oktober 2017 concludeert Soerdjbalie-Maikoe dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van doorgemaakt zuurstofgebrek. Voor dit gebrek zijn één of meerdere oorzaken aan te wijzen, kort gezegd: het samendrukkend geweld op de hals, de positionele asfyxie door geweld op de borstkas, en de opwindingstoestand. Het is niet mogelijk het afzonderlijke effect van de diverse geweldsinwerkingen en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen. Volgens Jacobs kunnen de letsels als gevolg van het geweld op de hals (naast de mogelijke andere belemmeringen van de ademhalingsbewegingen) de verstikkingseffecten verklaren die uiteindelijk hebben geleid tot de hartstilstand en het overlijden van [slachtoffer] . Hierbij is ook een toestand van opwinding te verwachten, die niet los valt te zien van het geweld op de hals. In de visie van Das, Botter en Van Driessche heeft de worsteling bij [slachtoffer] geleid tot stress met een fataal verloop. Het geweld op de hals kan bij de ontwikkeling van de stress van invloed zijn geweest doordat dit geweld het stressniveau heeft doen stijgen. Stress kan tot gevolg hebben dat het adrenalinegehalte stijgt tot een giftig niveau. De bevindingen van Soerdjbalie-Maikoe, in zoverre bevestigd door Jacobs, en ten aanzien van de ontstane stress bevestigd door de andere deskundigen, brengen het hof tot de conclusie dat de omklemming van de nek een onmisbare schakel is geweest in de gebeurtenissen die geleid hebben tot het overlijden van [slachtoffer] . Aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid 112. Uit het dossier en het onderzoek ter zitting (waaronder de getoonde beelden) kan worden afgeleid dat er met [slachtoffer] niets bijzonders aan de hand was (behalve dan dat hij onder invloed van alcohol was) toen de worsteling begon en dat hij pas onwel is geworden tijdens de worsteling en, naar kan worden aangenomen, als gevolg van de worsteling. Uit de bevindingen van Soerdjbalie-Maikoe kan worden afgeleid dat in haar visie het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de tijdens de worsteling toegepaste omklemming van de nek. Jacobs geeft ondersteuning aan deze conclusie. Uit de bevindingen van Das, Botter en Van Driessche kan worden afgeleid dat in hun visie de worsteling en het toegepaste geweld een toestand van grote opwinding (stress) teweeg hebben gebracht, uiteindelijk leidend tot een fataal verlopende hartritmestoornis. De omklemming van de nek heeft daaraan bijgedragen. Het hof stelt in dit verband vast dat uit alles blijkt dat de omklemming van de nek/hals van de diverse toegepaste geweldshandelingen veruit de hevigste en ingrijpendste was. Uit de mededelingen van de genoemde deskundigen kan voorts worden afgeleid dat er geen aanleiding was te veronderstellen dat bij [slachtoffer] een hartstilstand zou zijn opgetreden indien de onderhavige worsteling waarbij een omklemming van de nek/hals is toegepast, niet zou hebben plaatsgevonden. Een mogelijke andere doodsoorzaak is ook niet gevonden. 113. Het hof concludeert dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het handelen van DH01 is veroorzaakt. Of uiteindelijk de omklemming van de nek/hals zelf dan wel de met name door deze omklemming veroorzaakte opwindingstoestand (stress) de doorslaggevende factor is geweest, kan in dit licht in het midden blijven. 114. Het hof merkt hier nog uitdrukkelijk op dat, toen het geweld tegen [slachtoffer] was gestopt en duidelijk was dat het niet goed met hem ging, er niet adequaat is opgetreden. Er is onnodig veel tijd verstreken voordat gestart is met de feitelijke hulpverlening (reanimatie) op het politiebureau. Het hof is, gelet op de aanwezige beelden van het incident, er niet van overtuigd dat de situatie op de plek waar [slachtoffer] zich bevond zodanig dreigend was dat het noodzakelijk was om hem eerst met de ME-bus naar het politiebureau te transporteren. Aangenomen moet worden dat dit tijdsverloop de toestand van [slachtoffer] niet bepaald gunstig zal hebben beïnvloed. Een en ander doet echter niet af aan de hiervoor gegeven conclusie ten aanzien van de causaliteit/toerekening. De conclusies ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 115. Voor bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde (medeplegen doodslag en medeplegen zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend) is vereist dat de verdachte DH01 opzet heeft gehad op de dood respectievelijk het zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel). 116. Duidelijk is, en daarover is ook geen discussie geweest, dat de verdachte DH01 niet de bedoeling heeft gehad om bij [slachtoffer] de dood of hersenletsel te veroorzaken. Van vol opzet kan dan ook niet worden gesproken. 117. Voor voorwaardelijk opzet is nodig dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat de handelingen van de verdachte DH01 (en die van de medeverdachte DH02 ingeval zou moeten worden uitgegaan van medeplegen) zouden leiden tot de dood of hersenletsel bij [slachtoffer] , dat de verdachte DH01 zich van die aanmerkelijke kans bewust was en dat hij die aanmerkelijke kans heeft aanvaard door desondanks te handelen zoals hij heeft gedaan. 118. Het hof is van oordeel dat, indien moet worden aangenomen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood of hersenletsel, niet vastgesteld kan worden dat de verdachte DH01 zich bij zijn handelen in de hectiek van het moment, ook al overschreed dat handelen met betrekking tot de omklemming van de nek/hals de grenzen van proportionaliteit, van die aanmerkelijke kans bewust moet zijn geweest. 119. Om deze reden zal het hof de verdachte DH01 vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 120. Naar het oordeel van het hof leidt al het voorgaande wel tot de conclusie dat de verdachte DH01, door de afklemming van de nek/hals, [slachtoffer] heeft mishandeld en dat het overlijden van [slachtoffer] daarvan het gevolg is geweest. Derhalve is het meer subsidiair ten laste gelegde (mishandeling, de dood ten gevolge hebbend) wettig en overtuigend bewezen. 121. Het hof acht alleen het door de verdachte DH01 verrichte, eerder onder b. aangeduide, handelen, (het afklemmen van de nek/hals) wettig en overtuigend bewezen. Van het door de medeverdachte DH02 verrichte handelen aangeduid onder a., c. en d. spreekt het hof de verdachte DH01 (partieel) vrij. Zoals hierboven overwogen bestempelt het hof dat handelen als rechtmatig. De medeverdachte DH02 komt daarom een beroep toe op de rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht en zodoende ontbreekt het wederrechtelijk karakter van zijn handelen. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of de verdachte DH01 als medepleger van dat handelen kan worden gezien. 122. Tenslotte heeft de verdediging een beroep gedaan op verontschuldigbare dwaling, omdat DH01 in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hij handelde conform zijn wettelijke bevoegdheden. Derhalve was geen sprake van schuld, hetgeen moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging. In dit verband wordt verwezen naar het tekort schieten van opleiding en training van politieagenten, met name ten aanzien van geweldstoepassingen als in de onderhavige zaak aan de orde. 123. Het hof verstaat een en ander, gelet op de in de pleitnota gegeven nadere toelichting, als een beroep op afwezigheid van alle schuld (het hof komt immers niet toe aan de bespreking van het meest subsidiair ten laste gelegde: dood door schuld; hierbij is de schuld een delictsbestanddeel). Naar het oordeel van het hof gaat dit beroep niet op. Hiervoor (paragrafen 67-69) heeft het hof reeds overwogen dat sprake is van een verwijtbaar niet proportioneel handelen. Dit staat in de weg aan een beroep op afwezigheid van alle schuld. Dat het onderwijs en de training van politieagenten en dus ook van DH01 in het verleden mogelijk tekort is geschoten, maakt dat niet anders. (…) Strafbaarheid van de verdachte 127. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Voor zover het verweer van de verdediging moet worden aangemerkt als een beroep op verontschuldigbare dwaling waardoor de verdachte niet strafbaar kan worden geacht, verwijst het hof naar het hierboven in de paragrafen 122 en 123 overwogene. Strafmotivering 128. Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 129. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad, door als politieagent bij gelegenheid van de aanhouding van [slachtoffer] - kort gezegd - diens nek/hals te lang met kracht af te klemmen, waardoor [slachtoffer] is overleden. 130. Het hof twijfelt er niet aan dat de verdachte oprecht de intentie heeft gehad het goede te doen. Evenwel moet het hof vaststellen dat de verdachte een onjuiste inschatting heeft gemaakt, die fatale gevolgen heeft gehad voor het leven van [slachtoffer] . De nabestaand